• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 9.3 Infiltratie

    9.3 Infiltratie

    9.3.1 Casus

    Een onderwerp dat in de praktijk regelmatig in verband wordt
    gebracht met corruptie, is de (politile) infiltratie. Onder
    infiltratie verstaat de commissie: het met het oog op opsporing en
    vervolging onder gezag en regie van de politie en het openbaar
    ministerie binnendringen in een criminele organisatie of groep, het
    ervan deel uitmaken, het gebruik maken van personen die er reeds
    deel van uitmaken en het (desgevraagd) ondersteunen ervan, indien
    dit optreden gepaard gaat met het I) aannemen van een valse
    identiteit en/of II) verrichten van strafbare feiten en/of III)
    bieden van steun aan de criminele organisatie of groep. Momenteel
    zijn er vier zogenaamde politile infiltratie teams (PIT’s)
    operationeel. In totaal waren er in 1995 25 mensen werkzaam bij de
    infiltratieteams. Noot In bijlage 5 methoden,
    hoofdstuk 5
    Infiltratie wordt uitgebreider op deze
    opsporingsmethode ingegaan. In deze paragraaf zullen aan de hand
    van een aantal casus verschillende corruptie-risico’s bij
    infiltratie worden beschreven. Een (voormalig) hoofdinspecteur van
    de gemeentepolitie schrijft hierover bijvoorbeeld:

    Daar waar door het OM gedekte opsporingsmethodieken als
    pseudo-koop en criminele infiltratie het voor de uitvoerende
    politiefunctionaris niet altijd even gemakkelijk maken een
    duidelijk beeld te behouden over wat wel en niet is toegestaan in
    de bestrijding van de georganiseerde misdaad, wordt de drempel voor
    de politie lager om haar eigen bevoegdheid op te rekken en te
    overtreden. Juist een goede intentie en de behoefte aan tastbare
    opsporingsresultaten kunnen leiden tot politile corruptie.
    Noot

    Priv-contacten met criminele werkrelaties

    De methode van infiltratie vereist dat een politieambtenaar
    (soms zeer lange tijd) intensieve contacten onderhoudt met het
    criminele milieu. Het voortzetten van deze contacten nadat hij zijn
    functie als infiltrant heeft beindigd kan leiden tot verschillende
    risico’s, zo blijkt uit de volgende casus. Casus 7. Een
    informant verklaart aan een criminele inlichtingendienst dat een
    begeleider van een unit pseudo-kopers vertrouwelijke
    politie-informatie verkoopt. Naar aanleiding van onder andere deze
    verklaring wordt een onderzoek naar de betrokken politieman
    gestart. Tijdens het onderzoek worden geen aanwijzingen gevonden
    voor de beschuldiging van de informant, maar blijkt wel dat de
    betrokken politieman veelvuldig priv-contacten onderhoudt met
    personen uit het criminele milieu. Er komt onder meer naar voren
    dat hij regelmatig een caf bezoekt waar hij ook komt voor zijn
    politiewerk. In het caf wordt in goud gehandeld. De betrokken
    politieman koopt hier onder meer goud voor zichzelf en hij wordt er
    bovendien van verdacht de handelaar zijn diensten aan te bieden als
    bewaker. De politieman heeft verschillende kennissen in de
    bouwwereld en krijgt zo korting bij de aanschaf van bouwmaterialen
    voor zichzelf en voor anderen. Een aantal van deze kennissen, zo
    blijkt uit het onderzoek, hebben criminele contacten of hebben zelf
    een crimineel verleden. De betrokken politieman heeft bovendien op
    zijn huisadres telefonisch contact met personen uit het criminele
    milieu. Hij bemiddelt op die manier onder andere bij de aanschaf
    van een auto voor een vriend en op verzoek van een kennis heeft de
    politieman in het verleden wel eens het HKD systeem geraadpleegd om
    na te gaan of hij, wanneer hij op wintersport zou gaan, op Schiphol
    zou worden aangehouden voor openstaande boetes. Voordat betrokkene
    werkzaam was als begeleider van een unit pseudo-kopers, is hij in
    de jaren zeventig vanwege disciplinaire redenen overgeplaatst naar
    een ander politiebureau. De directe aanleiding hiervoor was dat hij
    samen met zijn echtgenote een gala-avond had bezocht, op
    uitnodiging van een bevriende medewerker van een particulier
    beveiligingsbedrijf die ook hun toegangsbewijzen betaalde.
    Hierdoor, en door een aantal andere omstandigheden, wekte hij de
    indruk dat hij voor het bedrijf bewakingswerkzaamheden zou
    verrichten. Betrokkene is vanaf eind jaren tachtig werkzaam geweest
    als begeleider van een pseudo-koop team en werkt op dit moment niet
    meer bij de politie.

    Lekken van politie-informatie

    Bovenstaand voorbeeld (casus 7) illustreert hoe de methode van
    politile infiltratie ook risico’s kan opleveren ten aanzien van het
    lekken van vertrouwelijke politieinformatie. Noot In de
    praktijk zal dit risico vaak nauw samenhangen met andere vormen van
    corruptie, zo blijkt onder meer uit de volgende casus. Casus
    8.
    Naar aanleiding van belastende verklaringen door zijn
    ex-vrouw en een voormalige vriendin, stelt de Rijksrecherche een
    onderzoek in naar een lid van een PIT. De betrokken politieman, die
    door zijn collega’s
    wordt omschreven als professioneel, gedreven en soms zelfs
    fanatiek, is naast part-time pseudokoper/infiltrant ook werkzaam
    als CID-rechercheur. Uit het rijksrecherche-onderzoek blijkt onder
    meer dat hij aan familie, vrienden en kennissen regelmatig zeer
    gedetailleerde verhalen vertelt over afgeronde of op stapel staande
    pseudo-koop en infiltratie-acties en andere aspecten van zijn werk.
    Thuis in zijn studeerkamer hangen foto’s die zijn genomen tijdens
    inzetten van zijn team en bezoekers bij hem thuis laat hij
    politievideo’s zien van zijn werk. Zijn echtgenote heeft hij
    verschillende malen meegenomen naar enkele zogenaamde safe houses.
    De betrokken politieman blijkt bovendien een illegaal vuurwapen
    (een riot gun) te bezitten dat hij bij een collega in bewaring
    heeft gegeven. Tijdens de opleiding voor pseudo-koop/infiltratie
    wordt uitgebreid aandacht besteed aan het simuleren van
    druggebruik. Betrokkene heeft met toestemming van zijn chefs, en
    uit het budget van het PIT, een coke-setje voor het gebruik van
    cocane aangeschaft dat hij bij zich mocht dragen. Uit het onderzoek
    van de Rijksrecherche blijkt dat hij, ondanks dat hem dit
    nadrukkelijk is verboden, een aantal jaren priv cocane heeft
    gebruikt. Daarnaast maakt de politieman zich zowel binnen als
    buiten diensttijd schuldig aan overmatig drankgebruik, onder andere
    onmiddellijk voorafgaand aan een actie (door hemzelf bestempeld als
    voordrinken). Tegen de pseudo-koper/infiltrant bestond aanvankelijk
    ook de verdenking dat hij samen met enkele collega’s tegen betaling
    politie-informatie zou doorgeven aan een particulier
    beveiligingsbedrijf, maar tijdens het rijksrecherche-onderzoek is
    dit niet aangetoond. Betrokkene blijkt enige jaren niet in bezit te
    zijn geweest van een verplicht A-nummer omdat hij niet de vereiste
    opleiding voor pseudo-koper heeft gevolgd. Toen hij zich aanmeldde
    voor deze opleiding bleek er op dat moment geen plaats meer te zijn
    en daarom heeft hij in plaats daarvan de opleiding voor
    pseudo-koopbegeleider gevolgd. De pseudo-koper/infiltrant, die in
    strijd met de Richtlijn infiltratie langer dan 4 jaar als zodanig
    werkzaam is geweest, is inmiddels geschorst.

    Risico om af te glijden

    Bij infiltratie bestaat volgens sommigen voortdurend het gevaar
    van het afglijden van een politie-infiltrant in het criminele
    milieu. Nordholt licht tijdens zijn openbaar verhoor het besluit
    tot opheffing van de pseudo-koop teams in Amsterdam toe en hij
    benadrukt hierbij ook de risico’s van de methode:

    De voorzitter:
    Kunt u kort de redenen aangeven, waarom de teams zijn
    opgeheven?
    De heer Nordholt:
    (…) Ik was altijd tegen pseudo-koop. Ik heb wat dat
    betreft altijd dezelfde lijn gevolgd die de heer Blaauw uit
    Rotterdam ook volgde. Ik denk dat je het middel eigenlijk niet zou
    moeten toepassen. Ik vind het gevaarlijk. Het gevaar is groot dat
    collega’s die in zo’n traject terechtkomen, afglijden. Je krijgt in
    zekere mate een gespleten geest als je het maar lang genoeg doet.
    Eigenlijk vind ik de voordelen ervan niet opwegen tegen de nadelen,
    waarbij je moet denken aan de psychische en vaak ook fysieke
    bescherming van collega’s.

    Noot
    Door uitvoerige begeleiding, en door bijvoorbeeld de bepaling dat
    een politieman niet langer dan drie jaar full-time lid mag zijn van
    een infiltratieteam, wordt geprobeerd om dit risico binnen de
    perken te houden. Noot Zo kwam naar voren dat de angst
    voor corrumptief gedrag bij politile infiltratie gering geacht mag
    worden door de stringente begeleiding. De twee eerder beschreven
    casus illustreren echter hoe bijvoorbeeld de manier van leven
    binnen het criminele milieu (het op grote schaal kopen van gouden
    sieraden; het gebruik van cocane) een verlokkende factor kan zijn
    voor een politieman. Het risico om af te glijden is ook aanwezig
    wanneer de infiltrant een verleden heeft. In dit onderzoek is
    bijvoorbeeld naar voren gekomen dat een opsporingsambtenaar,
    voorafgaand aan de inzet als infiltrant, een bedrijfje had opgezet
    (goudhandel). Het gevaar van belangenverstrengeling is in zo’n
    geval groot. De volgende casus laat nog een ander mogelijk risico
    van infiltratie zien: het delen in criminele winsten.

    Casus 9. Er loopt ergens in Nederland al enige tijd een
    onderzoek naar een criminele organisatie die zich bezig houdt met
    verschillende vormen van zware criminaliteit. Een criminele
    inlichtingendienst (CID) runt een informant/infiltrant die
    regelmatig informatie over deze organisatie verschaft. Wanneer
    vanuit de groep criminelen een gestolen auto te koop wordt
    aangeboden, laten de betrokken runners hun informant/infiltrant bij
    de verkoop bemiddelen. De CID-ers verklaren later hieraan te hebben
    meegewerkt, teneinde hun informant het vertrouwen van de criminelen
    te laten winnen en hem zo te laten infiltreren in de organisatie.
    De koper van de auto is een persoonlijke kennis van een van de
    runners, die (uiteraard) in het ongewisse wordt gelaten over de
    herkomst van de auto en de precieze omstandigheden rond de verkoop.
    Uit onder andere een telefoontap blijkt dat de runners met hun
    informant/infiltrant hebben afgesproken dat zij zelf enkele
    duizenden guldens aan de verkoop willen verdienen. Er bestaat
    bovendien de indruk dat ze betrokken zijn bij nog meer handeltjes
    met de informant/infiltrant, waarbij ze eveneens in de winst zouden
    delen. Het onderzoek dat naar de runners is ingesteld, toont niet
    aan dat ze daadwerkelijk geld hebben ontvangen bij de verkoop van
    de auto of in andere
    zaken en wordt uiteindelijk gestaakt wegens gebrek aan bewijs.
    Intern beschrijft de bij het onderzoek betrokken officier van
    justitie deze zaak als een goed voorbeeld van het gevaar dat
    volgens hem vooral bij CID-werk dreigt, dat op zich goede
    politiefunctionarissen langzaam van het rechte pad afraken en
    terechtkomen in situaties waarin zij niet behoren te verkeren.

    9.3.2 Interpretatie

    Infiltratie is per definitie omgeven met de nodige risico’s.
    Volgens een voormalig commandant van een politieel infiltratieteam
    is het risico voor de betrokken politieman de laatste jaren
    toegenomen als gevolg van de ingezette verschuiving van korte
    termijn infiltratie (pseudo-koop) naar project-infiltratie. Met
    name bij inzetten over een langere termijn komt volgens hem de
    politie-infiltrant te zwemmen met alle gevolgen van dien, doordat
    deze niet meer stap voor stap te begeleiden is. Noot Ook
    tijdens de openbare verhoren worden de risico’s van deze methode
    benadrukt.

    De heer Rabbae:
    Nu zijn er mensen binnen politieland die de
    politie-infiltratie beschouwen als een geschikt middel om
    criminele organisaties bloot te leggen. Ik begrijp van u dat u
    juist de
    politie-infiltratie een riskante constructie vindt
    wat betreft
    corruptie.
    De heer Kuijper:
    Dat is zacht uitgedrukt. Het is een zeer riskante
    aangelegenheid.
    De voorzitter:
    En als u het gewoon uitdrukt?
    De heer Kuijper:
    Als ik het gewoon uitdruk, dan zeg ik dat het
    levensgevaarlijk is.
    De voorzitter:
    Moeten wij ermee stoppen?
    De heer Kuijper:
    Het is, denk ik, ook een kwestie van proportionaliteit. Wat
    zet je er tegenover? Wat is het beoogde doel en wat is het belang?
    Als je, bijvoorbeeld, zou zeggen dat wij op het niveau van
    oorlogvoering staan met de georganiseerde criminaliteit – ik heb
    begrepen dat ik dan tegen de gevoelens van de minister van Justitie
    inga – dan zal je degene die voor de bestrijding daarvan ingehuurd
    zijn als soldaten moeten beschouwen en die zal je dan het slagveld
    op moeten sturen. Dat is echter een afweging die door het
    beleidsniveau gemaakt wordt.
    Noot

    Andere betrokkenen uit de praktijk, wijzen echter op de hoge mate
    waarin verantwoording moet worden afgelegd, en achten daarom het
    risico voor corrumptief gedrag door politie-ambtenaren bij
    infiltratie gering. Het in casus 2 beschreven politieel
    infiltratieteam is inmiddels ontbonden. De Rijksrecherche heeft in
    haar onderzoek in deze zaak niet alleen gekeken naar de individuele
    politieambtenaar, maar heeft ook nadrukkelijk onderzocht in
    hoeverre er mogelijk sprake was van een structureel probleem. Uit
    het onderzoek blijkt dat het team op een aantal punten slecht
    georganiseerd was en op verschillende manieren ruimte kon bieden
    aan vormen van politile corruptie. Uit het onderzoek blijkt dat het
    grootste deel van de pseudo-kopers langer dan de voorgeschreven
    vier jaar actief zijn geweest. Een enkeling werkte zelfs al tien
    jaar als pseudo-koper. De meeste leden van het PIT en hun
    begeleiders vervulden een part-time functie. De chef van het team
    was tevens leider van het arrestatieteam en het observatieteam
    alsmede van de criminele inlichtingendienst. Ook enkele andere
    teamleden waren daarnaast werkzaam bij de CID. Dit leidde er onder
    andere toe dat leidinggevende taken vaak naar een (te) laag niveau
    werden gedelegeerd. Dit heeft volgens de Rijksrecherche
    waarschijnlijk een nadelige invloed gehad op het werk en de
    veiligheid. Uit het onderzoek is ook gebleken dat signalen met
    betrekking tot een afglijdend normbesef, zoals de Rijksrecherche
    het noemt, binnen het team niet altijd als zodanig zijn onderkend
    en wanneer dit wel het geval was, niet op het juiste niveau zijn
    besproken. Toen bijvoorbeeld in het verleden een lid van het team
    aangaf met de leiding te willen spreken over de heersende
    groepscultuur binnen het team, wilde de betrokken chef haar niet
    spreken en wees deze het teamlid door naar de psychiater die het
    team begeleidde. Toen het teamlid merkte dat er met de aangegeven
    zaken niets binnen het team gebeurde, heeft deze het team verlaten.

    Bij (ex-)pseudo-kopers/infiltranten is regelmatig sprake van
    psycho-sociale problemen. Daarmee wenden zij zich in een aantal
    gevallen tot de Bedrijfsmaatschappelijke Dienst. Zo is gewezen op
    een pseudo-koper, die al na een half jaar zeer angstig was
    geworden. De echtgenote van de pseudokoper zei dat de man stil in
    een hoekje zat en zich niet meer op straat durfde te vertonen. Hij
    kon zijn verhaal bij niemand kwijt. Het rijksrecherche-onderzoek in
    deze zaak laat zien dat de psychosociale begeleiding van de
    pseudokopers niet werkte. Gesprekken met de psycholoog of de
    psychiater waren facultatief en niet periodiek verplicht. Volgens
    een betrokken arts bestond de indruk dat een aantal politiemensen
    niet graag naar een van de begeleiders stapten, uit angst dat zij
    uit het team gezet zouden worden. Er zijn in dit onderzoek, los van
    het onderzoek bij dit betreffende team, nog andere gevallen bekend
    geworden waar het kennelijk fout is gegaan bij begeleiding van
    pseudokopers. Zo is melding gemaakt van een pseudo-koper, die
    tijdens een actie met een mes bedreigd was. Hij heeft dat wel aan
    zijn begeleiders verteld, maar niet gezegd dat hij zowel op het
    moment van de bedreiging als nog lang daarna angstig was. De
    pseudo-koper was bang dat, als hij vertelde angst te hebben,
    hij niet meer geschikt voor infiltratie zou worden bevonden.
    Uit de beschreven casus en andere aangehaalde gegevens blijkt dat
    infiltratie een gevoelige opsporingsmethode is, die een goede
    begeleiding en een adequaat toezicht noodzakelijk maakt. Ook de
    verslaglegging door de politie-infiltrant is hierbij van groot
    belang maar schiet er in de praktijk nog wel eens bij in. De
    Werkgroep infiltratie formuleert in haar eindrapport onder andere
    de volgende conclusies en aanbevelingen: Noot

    a. Een langdurige inzet van politie-infiltranten binnen
    criminele organisaties, dient op grond van de huidige ervaringen
    (vooralsnog) te worden afgewezen.
    b. Vanuit de inmiddels opgedane ervaringen en evaluaties is een
    aantal van 10 medewerkers voor een infiltratieteam het meest
    gunstig, terwijl een absolute onder- en bovengrens moet worden
    gesteld op 6, respectievelijk 11.

    c. Gelet op de grote (levensbedreigende) consequenties die het
    lekken van zeer vertrouwelijke informatie tot gevolg kan hebben,
    dient nadere studie plaats te vinden naar de mogelijkheid van
    strafverzwarende bepalingen indien men zich aan dergelijke feiten
    schuldig maakt.

    9.3.3 Corruptie-gevoeligheid van infiltratie: enkele voorlopige
    conclusies

    Ten aanzien van de methode van infiltratie en de risico’s van
    politile corruptie die deze methode mogelijk met zich brengt,
    kunnen de volgende voorlopige conclusies worden geformuleerd: 1.
    Politile infiltratie betekent dat politiemensen (voor een soms erg
    lange tijd) nauwe relaties onderhouden met het criminele milieu.
    Hier bestaat het risico van going native Noot , dat wil
    zeggen dat deze contacten, en de levensgewoonten die daarbij horen
    (drugs, wapens, grote hoeveelheden geld) worden voortgezet wanneer
    de infiltratie is beindigd.

    2. Nauwe contacten met het criminele milieu, die zijn aangegaan
    vanuit het oogpunt van politile infiltratie, behelzen een risico
    voor het weglekken van vertrouwelijke politieinformatie. 3. Ondanks
    een gedegen opleiding en goede begeleiding zijn er aan politile
    infiltratie altijd risico’s verbonden. Deze worden vergroot wanneer
    politiemensen als infiltrant worden ingezet, zonder dat zij de
    hiervoor vereiste opleiding hebben gevolgd. Dit risico lijkt toe te
    nemen nu, door het wegvallen van de PIT’s in het westen van het
    land, volgens sommigen een groot gebrek aan politie-infiltranten
    bestaat. 4. Zowel de methode van politile als criminele infiltratie
    kent een afglijd-risico. De politile infiltrant kan overstappen
    naar de andere kant en zich schuldig maken aan criminele
    activiteiten. Bij criminele infiltratie bestaat het risico dat de
    politile begeleiders delen in criminele winsten. 5. Gezien de
    risico’s van infiltratie is een strenge screening vooraf van
    potentile politie-infiltranten, alsmede een goede psychosociale
    begeleiding, erg belangrijk.

    6. Een goede begeleiding betekent ook dat leidinggevenden open
    staan voor signalen van normafwijkend gedrag.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken