• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – 9.4 Gecontroleerde aflevering

    9.4 Gecontroleerde aflevering

    9.4.1 Casus

    (Mede-)plegen van strafbare feiten

    De methode van de gecontroleerde aflevering is een bijzondere
    vorm van projectmatige infiltratie. De risico’s van politile
    corruptie die met deze methode zijn verbonden, zijn derhalve voor
    een deel al aan de orde geweest in de paragrafen 9.2 (informanten)
    en 9.3 (infiltratie). Bij het runnen van informanten en bij
    infiltratie is voortdurend een belangrijke overweging, hoe groot de
    betrokkenheid van de politie kan zijn bij het ontplooien van
    criminele activiteiten. Dit geldt met name voor vormen van
    gecontroleerde aflevering, zo blijkt bijvoorbeeld uit onderstaande
    casus. Dit voorbeeld laat ook zien wat een en ander betekent in
    termen van corruptie-risico’s.

    Casus 10. Om meer zicht te krijgen op de lokatie van een
    aantal amfetamine/XTC-laboratoria, is in een politie-regio de
    methode van de pseudo-verkoop gebruikt. Die methode hield onder
    andere in dat medewerkers van de desbetreffende regionale criminele
    inlichtingendienst (RCID) in het buitenland, met medeweten van de
    plaatselijke autoriteiten, zelf grondstoffen ter vervaardiging van
    amfetamine/X.T.C. aankochten. Vervolgens werden de aldus verkregen
    grondstoffen door een informant/infiltrant geleverd aan
    verschillende criminele groeperingen. Hierbij was sprake van een
    zogenaamde gecontroleerde aflevering. Het geld dat de RCID-ers
    gebruikten voor het aankopen van de grondstoffen werd vooraf
    betaald door de informant/infiltrant. Hierdoor beschikte de RCID
    regelmatig langere tijd over het geld van de informant/infiltrant
    en over met diens geld vooruit betaalde grondstoffen. Alhoewel ten
    aanzien hiervan geen onregelmatigheden zijn geconstateerd, was de
    boekhouding die hierover werd bijgehouden summier en werd deze
    bijna niet gecontroleerd. Uit het rijksrecherche-onderzoek dat naar
    onder andere deze methode is ingesteld, blijkt dat maar weinig van
    de leveringen resultaat hebben opgeleverd omdat er lang niet altijd
    een observatie-team beschikbaar was om de leveringen te volgen. De
    Rijksrecherche merkt hierover op dat men zich niet aan de indruk
    kan onttrekken dat dit in een aantal gevallen te maken had met de
    regie die volgens hen meer bij de informant dan bij de RCID lag.
    Het blijkt bovendien dat de verantwoordelijke officieren van
    justitie over deze methode onvoldoende zijn ingelicht.

    Handel in dek-ladingen
    Voor de methode van de gecontroleerde aflevering is het soms
    noodzakelijk om gebruik te maken van complexe, onoverzichtelijke
    netwerken met informanten en (andere) criminele contacten. Dat dit
    in de praktijk op een groot aantal verschillende manieren
    gelegenheid kan bieden aan politile corruptie is in het hoofdstuk
    over de Delta-methode (hoofdstuk 7) aan de orde geweest.

    9.4.2 Interpretatie

    De zaak van de pseudo-verkoop (casus 10) was voor de
    Rijksrecherche aanleiding om ook het functioneren van de
    desbetreffende RCID te onderzoeken. Uit het onderzoek blijkt onder
    meer het volgende. De RCID is niet volgens de geldende CID-regeling
    georganiseerd en de interne leiding is onduidelijk. Bovendien is er
    sprake van onvoldoende gestructureerd en inhoudelijk overleg met de
    CID-officier van justitie. De officier van justitie is onjuist
    ingelicht over de opsporingsmethode die de aanleiding voor het
    onderzoek vormde. De Rijksrecherche concludeert onder meer dat met
    de methode van de pseudo-verkoop weinig kritisch is omgegaan en dat
    de betrokken RCID-ambtenaren te weinig grip op de zaak hadden. Er
    wordt volgens de Rijksrecherche ook te weinig aan interne
    verslaglegging en vastlegging van afspraken gedaan.

    9.4.3 Corruptie-gevoeligheid gecontroleerde aflevering: enkele
    voorlopige conclusies

    Ten aanzien van de methode van de gecontroleerde aflevering en
    de risico’s van politile corruptie die deze methode mogelijk met
    zich brengt, kunnen de volgende voorlopige conclusies worden
    geformuleerd: 1. Bij het gecontroleerd afleveren bestaat het risico
    dat de politie (mede-)dader wordt van strafbare feiten. 2. Bij deze
    methode is het opsporingsapparaat vaak in grote mate afhankelijk
    van informanten/infiltranten. Hierdoor kan de
    afhankelijkheidsrelatie tussen beiden omslaan.

    3. Bij gecontroleerde aflevering gaan vaak grote hoeveelheden
    drugs en drugsgeld om, die gelet op de context moeilijk of niet te
    registreren en te controleren zijn.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken