• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – De zaak Henk R.

    De zaak Henk R.

    Gerechtshof Amsterdam 1 december 1994, NJ 1995, 159
    (Artt. 140 Sr en Opiumwetdelicten, art. 9 lid 1 aanhef onder b
    Opiumwet (zoals deze tot 1 oktober 1994 gold), 125f en g
    Sv)

    Naar aanleiding van het opsporingsonderzoek in de zaak R. worden
    bij het hof door de verdediging twee verweren gevoerd die, zo zij
    slagen, tot niet ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie
    in haar vervolging zouden moeten leiden.

    Het eerste verweer richt zich op het gebruik van scanners bij
    het afluisteren van telefoongesprekken, hetgeen een ongeoorloofde
    methode van opsporing zou zijn. Het tweede verweer betreft de
    verrichtte inkijkoperaties. Daartoe is onder meer aangevoerd dat in
    tweetal loodsen vier inkijkoperaties door de politie zijn verricht.
    En dat dit zonder wettelijke grondslag was gedaan, en dus
    onrechtmatig. In twee gevallen was doel van de inkijkoperatie het
    plaatsen van een peilzender in of op een vrachtwagen. Deze
    plaatsing ontbeert een wettelijke grondslag, terwijl daardoor een
    inbreuk op de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt. Ten onrechte
    is omtrent al het voorgaande geen proces-verbaal opgemaakt.

    Scannen:
    Samenvatting van ‘s hofs beschrijving van feiten:
    a. Printeruitdraai van drie autotelefoonaansluitingen (op grond van
    vermoedelijk gebruik verdachte) op vordering van de officier van
    justitie door PTT-Telecom ter beschikking gesteld; b. Vordering
    gerechtelijk vooronderzoek door officier van justitie (met
    overschrijding termijn); c. Machtiging RC-1: machtiging tot
    afluisteren van vaste telefoonnummers alsmede twee
    autotelefoonnummers voor de duur van 4 weken, en dat dit ook geldt
    voor eventuele andere autotelefoonaansluitingen waarvan het
    vermoeden bestaat dat verdachte eraan deelneemt (=machtiging met
    algemene formulering); d. Machtiging RC-2: verlenging
    telefoontapbeslissing met enkele uitbreidingen en enkele vervallen
    verklaarde (concrete autotelefoon)nummers. Een algemene formule
    inzake autotelefoons (zoals in c)) ontbreekt; e. Machtiging RC-3:
    nieuwe tapmachtiging voor 7 concrete autotelefoonnummers. In deze
    laatste tapmachtiging zijn van tijd tot tijd nog enige
    veranderingen aangebracht. Uit onderzoek is gebleken dat in de
    nabijheid van het woonhuis een vaste scanner was geplaatst en dat
    soms gebruik werd gemaakt van een mobiele scanner. De scanners met
    (regio)frequenties geprogrammeerdbandopnamen – stemherkenning –
    24-uurs-journaals aan rechter-commissaris. Het hof met betrekking
    tot de beoordeling van de rechtmatigheid van het scannen:
    Afluisteren van telefoongesprekken mag, voor zover dit een inbreuk
    vormt op art. 10 Grondwet en art. 8 EVRM, alleen geschieden
    krachtens de wet. Bij beoordeling van het enkele afluisteren valt
    een onderscheid te maken tussen gesprekken via vaste
    telefoonaansluitingen en gesprekken door de ether via mobiele
    telefoons. Voor beide geldt dat afluisteren telefoongesprekken
    alleen krachtens rechterlijke machtiging (zie art. 125 g oud/nieuw
    Sv) is toegestaan. In casu verschilt de ene methode van de andere
    doordat bepaalde frequenties worden gescanned in plaats van dat een
    bepaald nummer wordtafgeluisterd. Dat betekent dat er in feite geen
    enkel verband bestaat tussen de in de beschikkingen van de
    rechter-commissaris genoemde concrete autotelefoonnummers en de
    door de opsporingsambtenaren uitgeluisterde en opgetekende
    gesprekken. Onder die omstandigheden kunnen de beslissingen van de
    rechter-commissaris (…) niet worden aangemerkt als rechterlijke
    machtigingen in de zin van art. 125g Sv. (…) Anders dan de
    raadsman heeft betoogd, betekent dit niet dat het openbaar
    ministerie in zijn strafvervolging niet ontvankelijk is. Het ging
    immers om een nieuwe methode van afluisteren van
    telefoongesprekken, waarbij de opsporingsambtenaren voor technische
    problemen kwamen te staan (…) in het overleg van de
    opsporingsambtenaren met de officier van justitie en de
    rechter-commissaris zijn kennelijk hiaten gevallen, waardoor
    misverstanden zijn ontstaan. Dit betekent echter niet een zodanige
    schending van beginselen van een behoorlijke proces-orde dat de
    officier het recht op strafvervolging in de gegeven omstandigheden
    heeft verspeeld. (…) Wel geldt dat het aldus op onrechtmatige
    wijze verkregen materiaal uit de afgeluisterde telefoongesprekken,
    niet tot het bewijs (…) kan worden gebezigd.

    Inkijkoperaties en plaatsing peilzenders:
    Beschrijving gang van zaken door het hof (samengevat):
    Inkijk 1: In de nacht van 13 op 14 juni 1992 werd op verzoek van de
    teamleider van CID Utrecht een loods te Landsmeer betreden om vast
    te stellen of er in de loods verdovende middelen aanwezig waren
    (proces-verbaal van 16 september 1994).

    Inkijk 2: In de nacht van 20 op 21 juni 1992 werd op verzoek CID
    de loods te Landsmeer betreden om een truck van een peilzender te
    voorzien (proces-verbaal van 31 oktober 1994).
    Inkijk 3: In de nacht van 2 op 3 september 1992 is op verzoek van
    de RCID Utrecht een loods te Muiden betreden teneinde daar
    onderzoek in te stellen (proces-verbaal van 2 november 1994).
    Daarnaast wordt in dit proces-verbaal melding gemaakt van het
    verzoek (Inkijk 0 ?) van de tactische recherche Utrecht om in de
    maand april 1992 (nacht van 23 op 24 april) een peilzender op een
    voertuig in de loods in Muiden te plaatsen.
    Op 24 april wordt aan teamleider gemeld dat plaatsing praktisch
    niet haalbaar was. Voor alle inkijkoperaties geldt dat de loodsen
    waren afgesloten en er geen toestemming door de rechthebbende was
    gegeven.

    Op grond van de wetsgeschiedenis van art. 9 Opiumwet en de toen
    nog toekomstige wetgeving omtrent het betreden van plaatsen (art. 9
    lid 1 Opiumwet per 1 oktober 1994: voor zover dat redelijkerwijs
    voor de vervulling van hun taak nodig is) komt het hof tot het
    oordeel dat de bevoegdheid tot het betreden van plaatsen, ingevolge
    art. 9 lid 1 aanhef onder b van de Opiumwet, de bevoegdheid omvat
    tot het bekijken van de betreden plaats.

    Het hof met betrekking tot het plaatsen van peilzenders op of
    aan een vrachtwagen: Gelet op het evenoverwogene zou het betreden
    van de loodsen teneinde een peilzender op een vrachtwagen te
    plaatsen slechts dan onrechtmatig zijn, indien het plaatsen van een
    peilzender op zichzelf onrechtmatig moet worden geacht. Een
    peilzender is een hulpmiddel bij de observatie van – in dit geval –
    een vrachtwagen. Het observeren van een vrachtwagen door deze te
    volgen brengt geen inbreuk op het recht op eerbiediging van de
    persoonlijke levenssfeer (…), noch op het recht op
    bewegingsvrijheid als bedoeld in art. 2 van het Vierde Protocol bij
    het EVRM met zich mee.

    Nu een peilzender een hulpmiddel is bij evenbedoelde observatie
    en deze observatie naar het oordeel van het hof geoorloofd is, acht
    het hof ook het plaatsen van een peilzender op een vrachtwagen en –
    gelet op het eerder overwogene het daartoe betreden van een loods
    geoorloofd. Het hof verwerpt derhalve beroep op niet
    ontvankelijkheid van het openbaar ministerie met betrekking tot
    betreden van de loodsen en het plaatsen van peilzenders.

    Naar aanleiding van het achterwege laten van het opmaken van
    processen-verbaal overweegt het hof: Uit (…) weergegeven gang van
    zaken en de verklaring van Van Steeg (dat de informatie eerst
    witgewassen moest worden, in de zin van langs andere weg of als
    CID-informatie in het tactisch onderzoek inbrengen) blijkt naar het
    hof klip en klaar dat de opsporingsambtenaren bewust het betreden
    van de loodsen hebben verzwegen met het doel rechterlijke controle
    daarvan te frustreren. Daarbij worden de voorgeschiedenis en de
    uiteindelijke data van het opmaken van de processen-verbaal
    betrokken.

    Het hof is van oordeel dat door het achterwege blijven van
    verslaglegging als bovenomschreven de rechterlijke controle op de
    gehanteerde opsporingsmethoden op onaanvaardbare wijze is
    gefrustreerd. Dit is zozeer in strijd met beginselen van een
    behoorlijke procesorde dat de officier van justitie – mede gelet op
    diens in art. 148 Sv beschreven verantwoordelijkheid voor het
    opsporingsonderzoek – niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn
    vervolging van (…), aangezien in het kader van het onderzoek naar
    die feiten deze schending van beginselen van een behoorlijke
    procesorde heeft plaatsgevonden.

    Overigens vindt nog wel een veroordeling plaats (2 maanden
    gevangenisstraf, 20 dagen hechtenis en 1000 gulden boete ter zake
    van feiten 7 en 9 ; handelen in strijd met 26 lid 1 WWM en in
    strijd met art. 3 Opiumwet), alsmede onttrekking aan het verkeer
    van enkele goederen (enkele vuurwapens). Met betrekking tot deze
    zaak is geen cassatie aangetekend.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken