• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – Hugo

    Hugo

    HR 2 november 1993, nr. 94.851 en DD 24 (1994) 94.110 (94.851)
    p. 306-308 (ook wel fronstore Mertrans) In het kader van een
    onderzoek naar een internationaal vanuit Colombia opererende groep
    Zuidamerikanen, die zich op grote schaal zou bezig houden met het
    vervoer van grote hoeveelheden cocane en marihuana naar
    West-Europa, is door het Bundeskriminalamt te Wiesbaden Duitsland
    (BKA) een transport- en opslagonderneming genaamd Mertrans
    opgericht. Deze onderneming werd gedreven door politie-ambtenaren
    van het BKA, met name A 253 en A 256, welke laatste als eigenaar
    van de onderneming te boek stond. De reden van oprichting was
    gelegen in de mogelijkheid cocane en marihuana, in afwachting van
    verdere distributie naar diverse Europese landen (waaronder
    Nederland), op te slaan en zodoende de afnemers van verdovende
    middelen te achterhalen.

    Een centrale rol binnen Mertrans speelde de
    burger-informant/infiltrant Hugo die goede contacten onderhield met
    de Colombiaanse groep en voor Mertrans naar buiten toe de contacten
    legde en verzorgde met afnemers. Via een zekere G. werden financile
    eisen gesteld met betrekking tot de opslag van verdovende middelen
    aan de Colombianen. Daarop werd Mertrans benaderd door Martin (dit
    is de verdachte M.) en volgden diverse telefoongesprekken tussen
    Martin en Hugo. Afgesproken werd dat bij een ontmoeting op 6
    november 1990 in Venlo Martin f.500.000 zou geven en de aflevering
    (van 125 kilo cocane) zou plaatsvinden op 12 november 1990, wederom
    te Venlo. Zulks geschiedde onder begeleiding van het BKA en de
    Nederlandse Justitie (voor samenwerking met het BKA had de officier
    van Justitie te Roermond toestemming gegeven), waarna M. en de
    medeverdachte de partij overgaven aan medeverdachte G. voor verder
    vervoer naar Amsterdam. Daarna zijn verdachte en verschillende
    medeverdachten nog op diezelfde dag aangehouden.

    Rechtsvragen:
    Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd
    dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard
    omdat:
    1. bij de onderhavige pseudo-actie is het
    proportionaliteitsbeginsel niet in acht genomen; 2. idem met
    betrekking tot het subsidiariteitsbeginsel;
    3. het Tallon-criterium is geschonden;
    4. het openbaar ministerie onvoldoende toezicht op de onderhavige
    pseudo-actie heeft uitgeoefend. Het hof verwerpt het beroep
    (samenvatting p. 26-29):
    ad 1. Gelet op de aard en omvang van de op te sporen criminele
    gedragingen – georganiseerde internationale handel in met name
    cocane op grote schaal – kon worden gekozen voor pseudo-transactie.
    Bij een in dergelijke gevallen noodzakelijke nauwe internationale
    samenwerking tussen politie en justitie wordt terecht – mits
    voldoende controleerbaar en mits personen niet gebracht worden tot
    andere handelingen dan waarop hun opzet reeds was gericht – gebruik
    gemaakt van dit soort onconventionele opsporingsmethoden. ad 2. Het
    is een feit van algemene bekendheid dat conventionele
    opsporingsmethoden over het algemeen ontoereikend zijn als het gaat
    om het opsporen van een zo ernstige en over het algemeen goed
    georganiseerde vorm van criminaliteit als de internationale handel
    in hard drugs; het lag in casu niet voor de hand dat andere, minder
    ingrijpende opsporingsmethoden tot hetzelfde resultaat zouden
    hebben geleid. ad 3. Geenszins is aannemelijk geworden dat
    verdachte door de tussenpersonen tot andere handelingen is gebracht
    dan die waarop zijn opzet reeds was gericht, nu verdachte in zijn
    contact met die tussenpersonen steeds het initiatief heeft genomen
    en heeft gehouden, terwijl niemand hem de mogelijkheid onthield
    vrijwillig terug te treden.

    ad 4. De stelling van de raadsman dat een dergelijke
    buitenlandse actie moet voldoen aan Nederlandse regels kan in zijn
    algemeenheid niet worden aanvaard. Indien in de Duitse fase
    handelingen zijn verricht die naar Nederlands-recht volstrekt
    ontoelaatbaar zijn dan kan dit leiden tot onrechtmatig verkregen
    bewijs, niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
    Alle activiteiten in Nederland zijn ontplooid met toestemming en
    onder toezicht van het openbaar ministerie, waarbij niet
    aannemelijk is geworden dat hierbij is gehandeld in strijd met in
    Nederland geldende maatstaven.

    De Hoge Raad: Aldus overwegende heeft het hof, zonder blijk te
    geven van een onjuiste rechtsopvatting het verweer op toereikende
    gronden verworpen. Het hof heeft feitelijk en niet onbegrijpelijk
    vastgesteld dat sprake was van gecontroleerd afleveren van onder
    meer cocane. In dat oordeel ligt besloten dat omtrent de verkoop
    van de cocane overeenstemming is bereikt tussen anderen dan
    personen behorende tot of optredende namens het BKA of de
    Nederlandse politie, terwijl naar ‘s hofs feitelijke en niet
    onbegrijpelijke vaststelling de verdachte door het optreden van A
    253 en A 256 en Hugo niet is gebracht tot andere handelingen dan
    waarop zijn opzet reeds was gericht (…).

    Rechtsvraag:
    Hugo is in geen enkele fase van de procedure door de politie of
    enige rechterlijke instantie gehoord, terwijl de verdediging
    meermalen een verzoek hiertoe heeft gedaan. Mogen de verklaring(en)
    van Hugo dan niet voor het bewijs gebruikt worden?

    De verklaring(en) van Hugo (een Vermerk van het
    Bundeskriminalamt) droeg(en) met name bij aan het bewijs van de
    opzet (met balineras werd in de telefoongesprekken tussen Hugo en
    Martin cocane bedoeld (verdachte wist dus dat het om cocane ging).
    HR: Deze verklaring van Hugo moet dus worden aangemerkt als een
    verklaring van een getuige als bedoeld in art. 6, derde lid onder
    d, EVRM. Nu de verdediging – ondanks haar verzoek om Hugo ter
    terechtzitting te dagvaarden of op te roepen – niet in enigerlei
    stadium van het geding in de gelegenheid is geweest om die getuige,
    wiens identiteit niet bekend is, vragen te stellen en diens
    betrouwbaarheid te doen toetsen, had het hof – in aanmerking
    genomen dat niet gezegd kan worden dat de bewezenverklaring voor
    wat betreft het door het hof bewezengeachte opzet in belangrijke
    mate berust op bewijs uit andere, niet anonieme, bron – meernoemde
    Vermerk niet tot het bewijs mogen bezigen. Hieraan doet niet af dat
    het hof (..) het verzoek van de raadsman om Hugo als getuige ter
    terechtzitting op te roepen heeft afgewezen omdat, naar ‘s hofs
    oordeel, uitgesloten was dat deze daaraan gevolg zou geven. De
    bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen
    omkleed. Bijzonderheden:

    Voor de eerste maal werden pseudo-verkoop (door het hof
    pseudo-actie genoemd) en frontstore ter toetsing aan de Hoge Raad
    voorgelegd. Toetsing vond plaats aan de hand van de criteria die
    voor een gewone infiltratie gelden.

    Een medeverdachte van M. een zekere Y. is met betrekking tot dit
    laatste punt (de afwijzing ‘Hugo’ als getuige in zijn zaak te horen
    in weerwil van het bepaalde in art. 6 lid 1 en 3 (d) EVRM) gaan
    klagen bij de Europese Commissie voor de rechten van de mens (18
    mei 1995, 24384/94 niet gepubliceerd) Noot. De Europese
    Commissie ziet hierin geen schending van genoemd artikel, onder
    meer niet omdat ook het
    openbaar ministerie niet in de gelegenheid is geweest Hugo te horen
    (equality of arms), Hugo zich in Duitsland bevond en het
    niet bereid was naar Nederland te komen en het de auditu
    bewijs op zichzelf niet ontoelaatbaar is, mits gesteund door ander
    bewijs (zoals in casu het geval). In zijn geheel genomen acht de
    commissie de procedure niet in strijd met het
    fair-trial-beginsel van art. 6 EVRM.Observatie


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken