• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – Laundry

    Laundry

    Rechtbank Rotterdam, 14 juni 1995, nr. 10.035458/94
    Feiten en rechtsvragen:
    1. Verweer (3): Deals met S. en De B. ontberen een wettelijke
    grondslag en zijn in strijd met de Modelbrief (richtlijn) van de
    procureurs-generaal (d.d. 1 juli 1983). (De verdediging stelt dat
    door het openbaar ministerie met ongeveer 3 4 personen behorend tot
    de inner circle van verdachte Kobus L. overeenkomsten zijn gesloten
    om essentile informatie te verkrijgen. En van hen is nadien
    omgebracht, een ander hield zich niet aan de voorwaarden en
    belandde in Marokkaanse gevangenis. Over een derde noch een vierde
    persoon waarmee mogelijk afspraken zouden zijn gemaakt wordt in dit
    vonnis gesproken.) Rechtbank:

    Deals zijn inderdaad tot stand gekomen. Naar het oordeel van de
    rechtbank heeft het openbaar ministerie in redelijkheid kunnen
    besluiten tot dit naar Nederlandse maatstaven ongebruikelijk
    (opsporings)middel. Het belang van beindiging van of voorkoming van
    strafbare feiten diende zwaarder te wegen dan de nadelen van de
    deals. I.c. ging het om opsporing van ernstige strafbare feiten die
    een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid met zich
    meebrachten, te weten invoer van harddrugs en witwassen van uit
    criminele bron verkregen gelden (proportionaliteitsoverweging).
    Vervolgd wordt met een overweging aangaande de subsidiariteit van
    het ingezette middel: dat niet op andere wijze het beoogde doel, te
    weten informatie omtrent de handel en wandel van een aantal
    (rechts)personen (..), kon worden bereikt. Verkregen informatie
    leverde een essentile bijdrage tot dit doel, met name S. behoorde
    tot de inner circle van verdachte L. en De B. kon worden beschouwd
    als een nauw met deze verdachte samenwerkende zakenrelatie. De
    informatie van S. en De B. is op onderdelen voor politie en
    openbaar ministerie waardevol gebleken. Tenslotte is van hetgeen is
    voorgevallen in alle fasen van het afsluiten van de overeenkomsten
    in het proces-verbaal en tijdens de openbare terechtzitting verslag
    gedaan en verantwoording afgelegd (rechterlijke controle), terwijl
    hiervoor al het contact tussen het openbaar ministerie in het
    arrondissement Rotterdam en de procureur-generaal van dit ressort
    aan de orde is geweest (toestemming, regie en
    verantwoordelijkheid). Het verweer dient te worden verworpen.

    2. Verweer (4): Niet alle observatierapporten aan verdediging
    ter beschikking gesteld, de CID dient rekening en verantwoording af
    te leggen; geen uitsluitsel over de vraag of de opsomming van de
    gebezigde opsporingsmethoden die de teamleider heeft gegeven
    volledig is geweest. Schending art. 6 lid 1 en 3 EVRM:
    rechtbank:
    Het is niet aannemelijk geworden dat er nog andere observatie
    rapporten waren. CID-informatie slechts gebruikt voor nader
    onderzoek. Geen rechtsregel verzet zich tegen een dergelijke gang
    van zaken, mits voorkomen wordt dat twee of meer
    onderzoeksgegevens, in verschillende gedaanten, in het dossier
    worden opgenomen, terwijl deze gegevens afkomstig zijn van een en
    dezelfde CID-bron. De klachten over de deals en de onvolledigheid
    van de opsomming van methoden mist feitelijke grondslag. Geen
    schending art. 6 lid 1 en 3 EVRM.

    3. Verweer fax (7): In periode oktober 1991 tot en met juni 1992
    werd een groot aantal faxberichten onderschept (dit zou
    onrechtmatig zijn), welke (direct of indirect) hebben doorgewerkt
    in het gehele proces. Dit zou moeten leiden tot niet
    ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of bewijsuitsluiting.
    Rechtbank:

    Het feit dat faxen zijn afgetapt op een tijdstip dat het –
    achteraf gezien – niet toelaatbaar was leidt naar het oordeel van
    de rechtbank op zichzelf niet tot de gevolgtrekking dat het
    openbaar ministerie niet ontvankelijk is (…) en leidt niet zonder
    meer ertoe dat moet worden besloten tot bewijsuitsluiting. Van
    bewust, opzettelijk handelen door de opsporingsambtenaren in strijd
    met (wettelijke) regels op moment van aftappen is geen sprake
    geweest.

    De rechtmatigheid van de bewijsvergaring (Rb): Een deel van de
    gewraakte faxberichten voor gehouden aan verdachten/getuigen S. en
    De B. Als gevolg hiervan dient, omdat al het bewijsmateriaal naar
    aanleiding van deze faxen verkregen uitgesloten moet worden van het
    bewijs, het gehele onderzoek in de zaak tegen Max S. in aanmerking
    te komen voor bewijsuitsluiting. De verklaringen die Max S. en De
    B. naar aanleiding van deze faxen hebben afgelegd zijn in elk geval
    niet bruikbaar voor bewijs.

    Veroordeling: 12 jaar gevangenisstraf en een geldboete van 1
    miljoen gulden (bij gebreke van betaling te vervangen door 1 jaar
    hechtenis).Informationele privacy


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken