• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage V – XTC I

    XTC I

    Hof Amsterdam, 9 juni 1994, NJ 1994, 709 en HR 27 juni 1995, NJ
    1995, 751 (DD 25 (1995) 10 (dec) nr. 95.428) (zie ook NJ 1994, 710
    (XTC II))
    (Artt. 36e Sr en 125f Sv)
    Samenvatting van de gevoerde verweren voor het hof:
    Overkoepelend wordt gesteld dat openbaar ministerie niet
    ontvankelijk dient te worden verklaard, onderscheidelijk dat het
    bewijs onrechtmatig is verkregen, op gronden dat de officier van
    justitie misbruik van het procesrecht heeft gemaakt (3:13 en 3:15
    BW), door:

    a. printeraansluiting op de telefoon te doen aanbrengen; dit is
    een ontoelaatbare inbreuk op de bescherming van de persoonlijke
    levenssfeer die een wettelijke grondslag ontbeert;
    b. aanvankelijk niet het gegeven dat met behulp van printers werd
    nagegaan of telefoonverkeer plaatsvond met voormelde
    telefoonaansluitingen aan het dossier toegevoegd;
    c. printergegevens vernietigd; voor verdediging geen controle
    mogelijk, welke telefoongesprekken met welke aansluitingen hebben
    plaatsgevonden en of toen reeds telefoonnummers bekend werden; d.
    aannemelijk is geworden dat in onderhavige zaak telefoongesprekken,
    meer in het bijzonder gevoerd met of vanuit laatstgenoemd nummer,
    zijn afgeluisterd zonder dat daartoe door de rechter-commissaris
    verlof is gegeven.

    Het hof overweegt:
    ad a. Weliswaar wordt aldus een inbreuk gemaakt op het recht op
    bescherming van de persoonlijke levenssfeer, doch deze inbreuk is
    bij wet voorzien (namelijk art. 125f Sv een ieder, die werkzaam is
    … op vordering van de officier van justitie gehouden inlichtingen
    te verschaffen) en kan gelden als noodzakelijk in een democratische
    samenleving ter voorkoming of opheldering van misdrijven (zie art.
    10 Grondwet en 8 EVRM).

    ad b. Dit uitgangspunt (ad a.) laat echter onverlet dat controle
    moet kunnen plaatsvinden, met name door de rechter in het
    strafproces, op de uitoefening door de officier van justitie van
    vermeldde bevoegdheid Bedoelde stukken zijn echter door tussenkomst
    van de rechtbank terecht alsnog aan het dossier toegevoegd en de
    verdediging heeft zich daarover uit kunnen laten. Niet valt
    derhalve in te zien dat het aanvankelijk ontbreken van stukken en
    het standpunt dienaangaande van de officier van justitie zou moeten
    leiden tot niet ontvankelijkheid openbaar ministerie dan wel
    bewijsuitsluiting. (Verwezen wordt naar NJ 94, 113) ad c.
    Vernietiging printgegevens: …dient er thans vanuit te worden
    gegaan dat de gegevens die door middel van voormeld printen zijn
    verkregen op last van de officier van justitie zijn
    vernietigd.(…) zulks onbegrijpelijk en in strijd met recht is te
    achten. (…) Vastgesteld moet derhalve worden dat de vernietiging
    van vermeldde gegevens inbreuk maakt op de rechten van de
    verdediging. Deze inbreuk is in het onderhavige geval naar het
    oordeel van het hof echter zo beperkt te achten dat deze niet kan
    leiden tot de door de raadsman ingeroepen gevolgen. Het hof acht
    het aannemelijk dat de printer (in overeenstemming met verklaring
    verbalisant) slechts uit doelmatigheidsoverwegingen is geplaatst
    bij slechts twee telefoonaansluitingen, zulks slechts om te bezien
    of feitelijk van de telefoonaansluiting gebruik werd gemaakt de
    printgegevens bevatten overigens geen voor het onderzoek relevante
    informatie). Reeds kort na aansluiten is de rechter-commissaris
    verzocht om een machtiging.

    ad d. Afluisteren zonder vereiste machtiging: is (…),
    geenszins aannemelijk geworden dat in deze zaak telefoongesprekken
    zijn afgeluisterd zonder de vereiste machtiging van de
    rechter-commissaris. Als vijfde punt gaat het hof in op een door de
    raadsman gevoerd verweer, door het hof opgevat als de mogelijk
    andere lezing van de feiten met betrekking tot de aanvang van het
    onderzoek dan die door het openbaar ministerie wordt gegeven, en
    wel als gevolg van de verklaringen van A. Lith (teamleider IRT
    Noord-Holland/Utrecht) bij de rechter-commissaris. Het hof geeft de
    (een) lezing van de aanvang, herleid uit processen-verbaal en
    verklaringen (Lith), die niet afwijkt.

    Daarnaast wordt ook geklaagd over het gebrek aan informatie ter
    rechtvaardiging van het plaatsen (het maken van de beslissing
    daartoe) van een printer op twee telefoonaansluitingen. …, faalt
    het eveneens. Gelet op de aard en indringendheid van deze
    osporingsmethode in verbinding met de verkregen informatie, die de
    verdenking kon rechtvaardigen dat ernstige misdrijven waren of
    zouden worden gepleegd, enerzijds en de eisen van proportionaliteit
    en subsidiariteit anderzijds, kon naar het oordeel van het hof de
    officier van justitie besluiten tot het geven van zijn toestemming
    vermeldde printers te plaatsen.
    Verweren met betrekking tot misleiding van de rechter-commissaris
    of afluisteren zonder machtiging worden beide door het Hof niet
    aannemelijk geacht.
    Een gedaan verzoek op basis van art. 6 EVRM tot toevoeging bij de
    stukken van het niet gepubliceerde gedeelte van het rapport van de
    commissie-Wierenga. Het hof wijst het verzoek af, nu de noodzaak
    van het verzochte hem niet is gebleken, maar overweegt vervolgens
    nog wel het een en ander hierover. Met de raadsman is het hof van
    oordeel dat in het strafproces het vinden van de materile waarheid
    voorop staat, aan welk als inquisitoir te betitelen uitgangspunt
    moet worden vastgehouden. In zoverre kan dan ook niet gezegd worden
    dat het strafproces accusatoir van karakter is. Het hof
    onderschrijft niet het standpunt, zoals verwoord door de
    procureur-generaal, dat het op de weg van de verdediging ligt,
    bijvoorbeeld indien zij aanvoert dat zich in het
    opsporingsonderzoek onregelmatigheden hebben voorgedaan, zulks
    aannemelijk te maken. Afhankelijk van de omstandigheden van het
    geval dient te worden bepaald wat te dezen van de verdediging moet
    worden verlangd. In ieder geval ligt het in het algemeen op haar
    weg feiten en omstandigheden aan te voeren op grond waarvan zij van
    mening is dat vraagtekens zijn te plaatsen bij de rechtmatigheid
    van de opsporing en kan zij niet volstaan met enkel te stellen dat
    aan de rechtmatigheid daarvan dient te of kan worden getwijfeld. In
    het algemeen moet ervan uit gegaan worden dat het dossier
    genoegzaam de gegevens bevat aan de hand waarvan kan worden
    beoordeeld of het onderzoek met inachtneming van de relevante
    rechtsregels heeft plaatsgevonden.

    Onder omstandigheden moet worden aanvaard dat van de verdediging
    niet meer kan worden gevergd dan dat zij slechts in meer algemene
    bewoording wijst op mogelijke gebreken die haars inziens een
    opsporingsonderzoek aankleven en kan het op de weg van het openbaar
    ministerie en/of de opsporingsautoriteiten liggen nader mededeling
    te doen van feiten en omstandigheden die een verantwoord oordeel
    van de rechter mogelijk maken. I.c. zijn geen feiten of
    omstandigheden aannemelijk geworden of zouden moeten worden
    aangenomen mede in het licht van: a. getuigenverklaring; b.
    gepubliceerd deel in verbinding met perspublicaties en c. MDA/MDMA
    in plaats van stoffen hashish en/of cocane. Hoge Raad:

    Afwijzing van het verzoek kennis te nemen van het niet
    gepubliceerde verslag van de commissie-Wierenga op grond van het
    feit dat de noodzaak daarvan niet is gebleken is een juiste
    maatstaf. ‘s Hofs oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat dat
    verslag gegevens bevat met betrekking tot het onderzoek in deze
    zaak is toereikend gemotiveerd en in het licht van de stukken niet
    onbegrijpelijk; daaraan doet niet af dat het hof van dat verslag
    geen kennis heeft genomen.

    Met betrekking tot ‘s hofs oordeel met betrekking tot de
    printgegevens, namelijk dat die printgegevens conform art. 125f Sv
    (oud) zijn verkregen maar op last van de officier van justitie ten
    onrechte zijn vernietigd en dat het processuele nadeel dat de
    verdediging hierdoor zou kunnen ondervinden voldoende is
    gecompenseerd, doordat aard, omvang en gebruik van die gegevens met
    voldoende zekerheid en op een door de verdediging te toetsten wijze
    zijn achterhaald zodat die onrechtmatigheid in casu niet tot
    niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot
    bewijsuitsluiting leidt, geven geen blijk van een onjuiste
    rechtsopvatting en zijn niet onbegrijpelijk.Betreden van plaatsen
    en inkijkoperaties


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken