• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 12.2 Het ministerie van Justitie

    12.2 Het ministerie van Justitie

    De minister van Justitie draagt op centraal niveau de primaire
    verantwoordelijkheid voor de beleidsvorming en de formele en lagere
    wetgeving met betrekking tot het strafrechtelijk beleid. Daaronder
    valt ook de primaire verantwoordelijkheid voor de bestrijding van
    de georganiseerde criminaliteit en voor de methoden die daartoe
    gebruikt worden. In het verlengde hiervan draagt de minister van
    Justitie de politieke verantwoordelijkheid voor het functioneren
    van het openbaar ministerie (OM), voor de organisatie van de
    zittende magistratuur, voor het functioneren van het
    gevangeniswezen en voor het functioneren van de politie, voorzover
    het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft. Sinds
    de reorganisatie van het politiebestel is het ministerie van
    Justitie ook verantwoordelijk voor het beheer van het Korps
    landelijke politiediensten (KLPD), waaronder de Divisie centrale
    recherche informatie (DCRI) en het Landelijk rechercheteam (LRT)
    ressorteren. De Rijksrecherche valt vanouds onder de
    verantwoordelijkheid van de minister van Justitie en is
    organisatorisch verdeeld onder de vijf procureurs-generaal van het
    OM.

    Voorts is de minister verantwoordelijk voor de besteding van de
    gelden in het kader van de Regeling bijzondere opsporingskosten
    politie (BOP) die op de begroting van het ministerie staan.
    Noot Ook staat het Meldpunt ongebruikelijke transacties
    (MOT) onder de verantwoordelijkheid van Justitie. Voor de
    zogenaamde kleine rechtshulp is de minister van Justitie de
    eindverantwoordelijke als gevolg van het interstatelijke karakter
    ervan. Bovendien heeft de minister van Justitie, samen met de
    andere politieminister, in februari 1995 de Raad van advies voor de
    CID ingesteld. Deze Raad heeft tot taak de beide ministers te
    adviseren over aangelegenheden die betrekking hebben op de
    werkzaamheden van de criminele inlichtingendiensten. In hoofdstuk 9
    Openbaar ministerie wordt hierop ingegaan.

    12.2.1 Beleidsvorming en formele en materile wetgeving

    In het kader van de enqute zijn vooral de beleidsvorming en de
    wetgeving met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit en het
    gebruik van opsporingsmethoden van belang. De aandacht van het
    ministerie van Justitie voor de bestrijding van de georganiseerde
    criminaliteit voert terug tot de jaren tachtig. Midden jaren
    tachtig werd, bij de grote verontrusting over de veel voorkomende
    criminaliteit, vanuit het ministerie ook aandacht gevraagd voor de
    tegenhanger daarvan: de georganiseerde criminaliteit.
    Noot Een van de argumenten voor een nieuw politiebestel
    met regionale politiekorpsen en een landelijk politiekorps was, dat
    dit beter toegerust zou zijn om de snel toenemende georganiseerde
    criminaliteit te bestrijden. Tijdens het ministerschap van Hirsch
    Ballin (1989-1994) is op het ministerie van Justitie veel energie
    besteed aan de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit.
    Uitgangspunten waren de intensivering van de strijd tegen de
    georganiseerde misdaad en de noodzaak het wettelijk regime van
    strafvordering dat van 1926 dateert, aan de eisen van deze tijd aan
    te passen. Na het beleidsplan Samenleving en criminaliteit
    van 1985 vroeg de Kamer in het najaar van 1991 om een beleidsplan
    Samenleving en georganiseerde criminaliteit. Het ministerie van
    Justitie honoreerde dit verzoek met de nota De georganiseerde
    criminaliteit in Nederland. Dreigingsbeeld en plan van aanpak
    .
    Noot Voor de uitvoering daarvan is bij het departement
    het project Aanpak georganiseerde criminaliteit opgezet. Het
    ging hierbij vooral om het opzetten van de kernteams en om het
    stellen van landelijke prioriteiten door middel van het Cordinerend
    beleidsoverleg (CBO). Later richtte het project zich tevens op het
    van de grond krijgen van het LRT en het Landelijk bureau openbaar
    ministerie ( LBOM). Het project heeft bijgedragen aan de
    totstandkoming van het Nationaal platform voor de
    criminaliteitsbeheersing waaraan vertegenwoordigers van de overheid
    en het bedrijfsleven deelnemen. In september 1994 heeft het
    projectbureau Aanpak georganiseerde criminaliteit op basis
    van de plannen van aanpak en rapportages van de kernteams de
    inrichting en het functioneren van die teams gevalueerd. Dit
    evaluatierapport Tot de kern wordt uitvoerig in hoofdstuk 6
    Kernteams besproken. De prioriteitenstelling functioneert volgens
    sommigen niet optimaal:

    De voorzitter:
    Wat wilt u nu graag veranderen?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Vrij veel. (…) Ik denk dat het nodig is om de Politiewet
    nauwkeurig te bezien en te evalueren op het punt van conflicten
    tussen gezag en beheer, de verhouding tussen gezag en beheer, en
    ook op het punt van nationale prioriteitenstelling en daaraan toe
    te wijzen middelen op het punt van de strijd tegen de
    georganiseerde misdaad.
    De voorzitter:
    Waar moet over de grote zaken beslist worden?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Door de beide ministers.
    De voorzitter:
    En niet meer door het cordinerend beleidsoverleg?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Nee.
    De voorzitter:
    Ook niet door u?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Nee. Ik denk in ieder geval dat het nodig is om vast te
    stellen dat er voldoende capaciteit en kwaliteit voor beschikbaar
    is in de diverse korpsen en dat dat dus ook nodig is voor de
    ministers om een oordeel te kunnen hebben over datgene wat door een
    of meer
    kernteams – ik zal het maar even praktisch uitleggen
    – gedaan wordt. Ik zou mij kunnen voorstellen dat meer dan n

    kernteam zich belast met het rechercheren naar bijvoorbeeld n
    organisatie.
    De voorzitter:
    Dus u wilt in feite ook meer landelijke teams?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Dat hoeft niet. Wij hebben nu n landelijk team. Laten wij
    een beetje rustig aan doen.
    De voorzitter:
    Maar u wilt dus ook dat de ministers de aanwijzingen gaan
    geven aan de
    kernteams: dat gaan jullie doen en verder
    niks.
    De heer Docters van Leeuwen:
    Ja, dat lijkt mij het beste.
    De voorzitter:
    En dus niet meer een driehoek, die…
    De heer Docters van Leeuwen:
    Ik zie nu dat er toch prioriteitenstelling plaatsvindt en
    ook toewijzing… Ik vind die situatie bepaald niet optimaal. Er is
    mij onvoldoende duidelijk geworden op grond waarvan men nu tot een
    probleemstelling komt.
    De voorzitter:
    Dus u zegt ook dat die hele CRI-analyse…
    De heer Docters van Leeuwen:
    Die is dus niet altijd de grondslag voor het werk van
    kernteams. Twee: het is onduidelijk hoe men tot
    prioriteitenstelling komt. Daarbij spelen lokale, interregionale en
    nationale aspecten een rol. Vervolgens is niet duidelijk of die
    capaciteiten, kwaliteit en kwantiteit op die problemen inderdaad
    voldoende zijn geordend. Als u mij vraagt: is het nu zo dat u kunt
    garanderen (…) dat de georganiseerde misdaad en de drie
    gevaarlijkste organisaties met alle mogelijke middelen worden
    aangepakt; dan is mijn

    antwoord nee. Ik acht dat een onprettige en een onjuiste
    situatie.
    Noot Achteraf deelt Docters van Leeuwen in
    een brief aan de commissie mede dat hij zich op dit punt
    onvoldoende duidelijk heeft uitgedrukt. Het ligt niet in zijn
    bedoeling de wettelijke taak van het openbaar ministerie bij de
    prioriteitenstelling uit te schakelen. Hij vindt de huidige
    situatie echter onbevredigend, omdat thans niet duidelijk is op
    welke gronden en volgens welke procedure prioriteitenstelling
    plaatsvindt.

    De voorzitter:
    Bent u het eens met de procureur-generaal uit Den Haag, de
    heer Docters van Leeuwen, die hier gisteren gezegd heeft dat de
    keuze van datgene wat de
    kernteams doen als het ware weg
    moet bij de procureurs-generaal en dat die keuze naar de ministers
    van Justitie en van Binnenlandse Zaken moet?
    De heer Dijkstal:
    Dat is een lastige vraag, omdat het niet mijn
    verantwoordelijkheid is.
    De voorzitter:
    Het is wl uw verantwoordelijkheid, zeker als u geld voor
    de
    kernteams betaalt. Als u bij de kernteams bent,
    spreekt u ook over opsporingsprioriteiten en -methoden. Dat hebben
    wij in de stukken gezien.
    De heer Dijkstal:
    De ministerile verantwoordelijkheid voor de strafrechtelijke
    handhaving van de rechtsorde ligt bij de minister van Justitie.
    (…) Wij zijn altijd uitgegaan van een relatieve autonomie van het
    openbaar ministerie. Daarbij werd verondersteld dat in een
    specifiek geval niet de minister het doet. In de beleidsmatige kant
    is dat wl het geval. De vraag is of zo’n verhouding nog steeds
    voldoet. Parallel daaraan loopt de discussie over de reorganisatie
    van het openbaar ministerie, een mogelijk andere rol van de PG’s en
    alles wat daarmee annex is. Dat is een redelijk gecompliceerde
    materie.Ik voel mij op dit moment niet bevoegd, maar ik zou het ook
    niet juist vinden om er nu al te stellige uitspraken over te
    doen.
    De voorzitter:
    Maar u doet dat wel over allerlei andere punten, zoals
    de
    infiltratie en de opsporingsmethoden. U neemt geen blad
    voor de mond. Het is voor ons belangrijk om teweten of u er enig
    brood in ziet om zelf medeverantwoordelijk te worden voor de keuze
    van de prioriteiten van datgene wat wordt aangepakt in de zware,
    georganiseerde criminaliteit dan wel of u zegt dat u dat verre van
    u houdt.
    De heer Dijkstal:
    Ik denk dat het er tussenin ligt. In beleidsmatige zin: ja.
    Ik wijs op de gegroeide praktijk in de afgelopen jaren, waarin
    bijvoorbeeld in overleg met de Kamer diezelfde Kamer zegt dat het
    tijd wordt dat de minister daar en daar iets aan gaat doen. Dan
    ontstaat er een politieke beleidsprioriteit, bijvoorbeeld vanuit de
    Kamer. Dan kan de minister zeggen dat de Kamer daar gelijk in heeft
    en dat hij dat zal proberen te doen. In die zin is het antwoord:
    ja. De vraag is echter tot hoe ver dat strekt. Ik vind het moeilijk
    om daar nu een klip en klaar antwoord op te geven.

    Noot

    12.2.2 Opsporingsmethoden

    Wetgeving

    De strijd tegen de georganiseerde misdaad ging in de jaren
    1989-1994 niet gepaard met een streven naar een algemene wettelijke
    regeling van de proactieve fase. In de beleidsplannen, nota’s en
    analyses van het ministerie van Justitie uit deze periode werd
    aanvankelijk geen gewag gemaakt van enigerlei problematiek. Bij de
    rechtshandhaving lag de nadruk op een handhavingstekort.
    Noot De nota Zicht op wetgeving maakte geen
    melding van een voornemen tot normering van de proactieve fase.
    Noot In een takenanalyse van het ministerie van mei 1993
    werden eventuele taken op dit terrein niet vermeld. Noot
    Normering van de proactieve fase in het algemeen komt pas aan de
    orde in de nota Strafvordering in balans. Noot
    Wel wordt een regeling van de proactieve fase voorgesteld in
    wetsvoorstellen betreffende bepaalde ingrijpende
    opsporingsmethoden, zoals het (direct) afluisteren. Er is alles bij
    elkaar tot voor kort een beleid gevoerd waarin de prioriteit lag
    bij de missie van de bestrijding van de georganiseerde misdaad.

    De voorzitter:
    U sprak over het klimaat. Door wie is dat klimaat in de
    afgelopen periode bepaald?
    De heer Patijn:
    U bedoelt het klimaat van de
    criminaliteitsbestrijding?
    De voorzitter:
    Ja! Ga er maar tegenaan. Daardoor kwam u volgens u niet
    voldoende aan de bak.
    De heer Patijn:
    Ja, dat is ingezet door Korthals Altes en doorgetrokken door
    Hirsch Ballin. Ik heb ook begrepen, dat de Tweede Kamer wel eens
    ministers erover heeft onderhouden dat zij er onvoldoende aan
    deden.
    De voorzitter:
    Dat zij er onvoldoende aan deden?
    De heer Patijn:
    Ja!
    De voorzitter:
    Daarbij bent u dus, vindt u, tekort gekomen?
    De heer Patijn:
    In het verlengde daarvan was er een klimaat dat er alleen
    opgespoord moest worden. Ik heb toen gezegd: prima, maar dan moet
    je het wettelijk regelen. Daar bestonden toch wel weerstanden
    tegen.
    De voorzitter:
    Heeft u ooit de minister, de heer Hirsch Ballin of de heer
    Korthals Altes, daarover benaderd, als

    u hem eens in de gang tegenkwam?
    De heer Patijn:
    Ik heb alleen in de nota die hier aan de orde is geweest,
    van juli 1992, de minister zwart op wit hiertegen
    gewaarschuwd.
    De voorzitter:
    Heeft u het hem wel eens gezegd op de gang? (…)
    De heer Patijn:
    Ik had wel overleg met hem, maar ik rekende niet op een erg
    willig gehoor voor dat soort opmerkingen. Daarom liet je het maar
    achterwege.
    Noot

    Noch in de nota De georganiseerde criminaliteit in Nederland.
    Dreigingsbeeld en plan van aanpak
    , noch bij de uitvoering
    daarvan was plaats voor een algemene orintatie op de door politie
    en justitie gehanteerde opsporingsmethoden. De continuering van
    reeds lopende trajecten en de initiring van nieuwe projecten, zoals
    de herziening van de richtlijn infiltratie en de indiening van de
    wetsvoorstellen direct afluisteren en getuigenbescherming, stonden
    vooral in het teken van de intensivering van de strijd tegen de
    georganiseerde misdaad, en minder in het perspectief van de
    toelaatbaarheid en normering van opsporingsmethoden.

    De heer Wooldrik:
    De jurisprudentie van de Hoge Raad gaf geen aanleiding tot
    intensivering van wetgeving op dat terrein. De proactieve opsporing
    werd onder omstandigheden door de rechtspraak aanvaard. Het was de
    algemene lijn op het departement om te zeggen: als dat zo is,
    vinden wij dat een voldoende waarborg voor de normering van de
    opsporingsmethoden.
    Noot
    De heer Suyver:
    Er zijn binnen het departement discussies geweest over de
    vraag of de tijd rijp was om te normeren, dat wil zeggen: om een
    wettelijke regeling op te stellen.
    De heer Rouvoet:
    Wanneer?
    De heer Suyver:
    Een jaar of vijf geleden. Het speelde in het bijzonder bij
    de start van de politiereorganisatie, toen ook de indeling en de
    opzet van de Politiewet aan de orde waren. De vraag werd gesteld:
    moeten wij in of annex aan de Politiewet ook niet de normering van
    bijzondere opsporingsmethoden meenemen, in het bijzonder de
    informatieve voorfase? Dat gebeurde in 1989, begin 1990.
    Persoonlijk vond ik dat een te vroeg moment. Je kunt ook te vroeg
    met wetgeving komen. Je kunt er ook te laat mee komen.
    De voorzitter:
    Te vroeg of te laat?
    De heer Suyver:
    Ik vond het moment te vroeg om met een volledige normering
    te komen van het proactief optreden in de informatieve voorfase. De
    ontwikkeling in de praktijk was naar mijn mening te weinig
    voortgeschreden; daarvoor gaf ook de jurisprudentie van vooral de
    Hoge raad geen aanleiding. Ik vind dat je pas met wetgeving hoort
    te komen – en er een behoorlijk debat met de Tweede en Eerste Kamer
    kan worden gevoerd – als er een geconcretiseerd wetsvoorstel ligt,
    als je weet wat je wilt bereiken, als je weet wat je kunt normeren.
    Vijf, zes jaar geleden was het inzicht nog onvoldoende.
    De heer Rouvoet:
    Is dat wat de heer Wooldrik noemde: het was nog houdbaar?
    Proef ik dat ook bij u?
    De heer Suyver:
    Dat speelt ook een rol. Er is een hoop jurisprudentie
    geweest van de Hoge Raad. Die gaf in die tijd geen aanleiding om
    over te gaan tot een wettelijke normering van het totale terrein
    van het proactief optreden.
    Noot

    De Stafafdeling wetgeving publiekrecht vond aanvankelijk geen
    gehoor voor haar voorstellen om tot een wettelijke regeling te
    komen. Ambtenaren van de Directie politie waren van mening dat een
    wettelijke regeling niet nodig was: de jurisprudentie zou het naar
    hun oordeel houden.

    De heer Koekkoek:
    Is uw advies in december 1989 aan de minister
    voorgelegd?
    De heer Patijn:
    In december 1989 heb ik mij erbij neergelegd, dat de heer
    Suyver daar geen behoefte aan had. Ik verkeerde toen in de
    veronderstelling, dat hij het niet op prijs zou stellen dat ik
    langs hem heen naar de minister zou gaan.
    De voorzitter:
    Dat stellen hogeren nooit op prijs, maar dan kun je het toch
    nog wel doen.
    De heer Patijn:
    Ik heb later, in juli 1992, in het kader van de behandeling
    in de ministerraad van het wetsvoorstel afluisteren met een
    technische hulpmiddel, de minister in een nota waarin allerlei
    punten aan de orde komen aan het slot toch nog eens gewezen op het
    gevaar dat er inbreuk op privacy zou worden geoordeeld door de
    rechter, wanneer de
    observatie met met name technische
    hulpmiddelen niet wettelijk zou worden geregeld. Er bleven mij
    geluiden bereiken dat het niet lekker zat. Minister Hirsch Ballin
    heeft die nota gezien. Hij heeft allerlei aantekeningen op de nota
    gemaakt. Op dit onderdeel heeft hij geen aantekening gemaakt. Ik
    heb dat opgevat als een bevestiging van wat de heer Suyver twee
    jaar eerder had gezegd. Ik heb ook afgezien van verder aandringen.
    Ik moet er ook op letten dat ik niet drammerig overkom.
    De voorzitter:
    Waarom?
    De heer Patijn:
    Dat wordt niet van de wetgever verwacht.
    De voorzitter:
    Niet drammerig overkomen als wetgever!
    De heer Patijn:
    Ik zat in een situatie waarin ik met enig wantrouwen bekeken
    werd, alsof ik voor de politie

    allerlei vormen van opsporing onmogelijk maakte. In een sfeer
    van wantrouwen moet je wat je naar voren brengt doseren.

    Noot
    De heer Rouvoet:
    Had u dan het gevoel dat de lijnen tussen de politie en de
    beleidssectoren op het departement, de directie Politie
    bijvoorbeeld, te kort zijn en dat u daar als wetgever buiten staat
    of in een te laat stadium bij komt?
    De heer Patijn:
    In een te laat stadium! De contacten tussen politie en
    beleidsafdeling zijn van dien aard, dat de beleidsafdeling zegt:
    laten wij Patijn erbij halen. De beleidsafdeling haalt mij erbij
    als de politie met vragen zit of het allemaal wel mag. Ik zit dan
    in een positie waarin ik niet kan zeggen dat het niet mag. Anders
    klaagt de politie tegen de minister en zegt: wij mogen niet meer
    opsporen. In die situatie moet ik mij niet begeven. (…)
    De heer Patijn:
    Wanneer de beleidsafdeling bepaalde bevoegdheden wenst om
    effectief te kunnen optreden, is het niet aan ons om daar neen
    tegen te zeggen. Ik zeg dan echter wel hoe dat ingekaderd moet
    worden. Dan probeer je zo precies mogelijk de criteria voor de
    rechtsbescherming te omschrijven. Je probeert ook de procedures die
    worden gehanteerd bij de interpretatie van de criteria zo
    zorgvuldig mogelijk te laten zijn. De eerste de beste politieman
    moet niet over een heel vaag criterium kunnen oordelen. Of hij
    krijgt een heel concreet criterium f bij een vaag criterium wordt
    het niveau hoger in de besluitvorming, bijvoorbeeld bij de

    rechter-commissaris, neergelegd. Noot

    De heer Hirsch Ballin:
    In het begin van mijn ambtsperiode heb ik ernstig overwogen
    om niet in plaats van, maar naast het ter hand nemen van een aantal
    specifieke wetgevingsprojecten, voor de middellange termijn te gaan
    werken aan een hercodificatie van straf…
    De voorzitter:
    Het hele Wetboek van Strafvordering.
    De heer Hirsch Ballin:
    Jazeker. Een van de argumenten die daarvoor naar voren werd
    gebracht door hoogleraren straf en strafprocesrecht, die daarvoor
    pleitten, zoals professor Groenhuijsen, hoogleraar in Tilburg, en
    professor Corstens, ook door uw commissie gehoord, was dat de
    regeling van de strafvordering in het wetboek maar een gedeelte van
    de opsporings- en vervolgingsactiviteiten werkelijk vatte. Daarbij
    kwam ook de proactieve fase naar voren. Het ter hand nemen van zo’n
    hercodificatie van strafvordering werd toen zeer sterk ontraden van
    de kant van de wetgevingsjuristen van het departement. Ik heb die
    mogelijkheid nooit totaal uitgesloten.(…)
    De voorzitter:
    Mogen wij terug naar de praktijk? Het is toch niet onjuist
    of onwaar wat de heer Wooldrik hier gezegd heeft over de
    wetgevingsactiviteiten op Justitie?
    De heer Hirsch Ballin:
    Nee. Ik heb de heer Wooldrik over de wetgevingsactiviteiten
    van Justitie niets onjuists horen verklaren. Integendeel. Hij heeft
    hier terecht verklaard dat ik instemmend heb gereageerd op een
    voorstel om de proactieve fase te gaan regelen. Mag ik u even de
    data geven? Het is misschien goed om dat toch even in beeld te
    hebben.
    De voorzitter:
    Maar, mijnheer Hirsch Ballin, hij zei hier: wij dachten dat
    wij dat met de jurisprudentie zouden houden. Dat is overigens ook
    best een honorabele opvatting; daar gaat het niet om.
    De heer Hirsch Ballin:
    Zeker.
    De voorzitter:
    Dat kon de keuze zijn.
    De heer Hirsch Ballin:
    Ja.
    De voorzitter: En hij zei:
    dat was de keuze. Dat was toch ook, zo moet ik aannemen, bij
    alle activiteiten die u met een bewonderenswaardige energie heeft
    ontwikkeld, waarschijnlijk uw afweging? De Hoge Raad vond het
    immers goed.
    Noot

    In juli 1994 stelden A. Patijn en M. Jongeneel van de Stafafdeling
    wetgeving publiekrecht en P. van de Beek van de Directie politie
    een notitie op in de vorm van een wetsvoorstel Criminele
    inlichtingendienst, waarbij op een aparte lijst was aangegeven
    welke opsporingsmethoden zouden moeten worden geregeld:
    inkijkoperaties, observatie met behulp van technische hulpmiddelen,
    zoals videocamera’s en peilzenders, opvragen bij
    luchtvaartmaatschappijen van passagierslijsten, opvragen bij
    telecom-aanbieders van locatiegegevens van mobiele telefonie. In
    opdracht van de secretaris-generaal van het ministerie werd het
    traject, in afwachting van de nieuwe minister, stopgezet. Het werd
    later niet meer hervat.

    De heer Koekkoek: U zei:
    het krachtenveld is veranderd. In een vorige periode ging
    het over steeds maar meer bevoegdheden voor de politie. Wat is het
    krachtenveld nu?
    De heer Patijn:
    Ik denk dat er nu meer mogelijkheden zijn om
    rechtsbeschermende aspecten op te nemen.
    De heer Koekkoek:
    Minder bevoegdheden, meer rechtsbescherming?
    De heer Patijn:
    Niet minder bevoegdheden, maar wel meer procedureel ingebed.
    Het gaat er dan met name om welke instantie beslist of iemand

    CID-subject is. Noot

    Ook al wordt op het ministerie onderkend dat regelgeving voor de
    proactieve fase nodig is, over de wijze
    waarop de regelgeving moet worden gerealiseerd, lopen de meningen
    uiteen. De meeste steun krijgt het idee van kaderstellende
    wetgeving, met daaraan gekoppeld strikte regelgeving voor het
    toezicht op de inzet en uitvoering van bepaalde opsporingsmethoden
    alsook het vasthouden aan geheimhouding van operationele
    bijzonderheden. Gedetailleerde wetgeving waarin de
    opsporingsmethoden limitatief zijn opgesomd, kan op minder steun
    rekenen.

    De voorzitter:
    Is naast een betere effectiviteit, naast een betere
    recherche, ook gesproken over de grenzen?
    De heer Wooldrik:
    Ja, daar is ook nadrukkelijk over gesproken.
    De voorzitter:
    In de nota is dat niet terug te vinden.(…)
    De heer Wooldrik:
    Het is juist dat (het wettelijk instrumentarium) de
    prioriteit had. Wat de normering betreft was de conclusie dat zij
    voldoende gewaarborgd was door het feit dat de rechter, het
    openbaar ministerie, daarop controle uitoefenen in individuele
    strafzaken.
    De heer Rouvoet:
    In hoeverre was de stafafdeling wetgeving, die toch ook als
    speciale invalshoek heeft om op zaken als rechtsbescherming en
    rechtsstatelijkheid te letten, betrokken bij de totstandkoming van
    de nota?
    De heer Wooldrik:
    Deze afdeling heeft de nota ook gezien. Zij heeft een
    bijdrage geleverd. Er zijn discussies met haar geweest over de
    vraag of de rechtsstatelijkheid aanleiding geeft om tot een
    intensivering van de wetgeving op dit terrein te komen. De
    conclusie was dat dat op dat moment niet nodig was.
    De voorzitter:
    Waarom was dat de conclusie?
    De heer Wooldrik:
    Ik probeerde dat al aan te geven. De jurisprudentie van de
    Hoge Raad gaf hier geen aanleiding toe. De proactieve opsporing
    werd onder omstandigheden door de rechtspraak aanvaard. Het was de
    algemene lijn op het departement om te zeggen: als dat zo is,
    vinden wij dat een voldoende waarborg voor de normering van de
    opsporingsmethoden.
    De voorzitter:
    Is er vr het losbarsten van de IRT-affaire nooit gezegd: wij
    zouden dit toch eigenlijk in het totaal moeten inkaderen?
    Tegenwoordig zegt iedereen dat er wetgeving moet komen. Waarom zei
    men dat eerder niet? Is het allemaal alleen maar het gevolg van het
    exploderen van de IRT-affaire?
    De heer Wooldrik:
    Nee, dat beeld is onjuist. Er is in de gedachtenvorming op
    het departement wel degelijk gesproken over de wenselijkheid om de
    proactieve fase beter te regelen. Het eind van het elastiek van het
    Wetboek van Strafvordering kwam in zicht.
    De voorzitter:
    Waarom is het er nooit van gekomen?
    De heer Wooldrik:
    Het initiatief daartoe is in 1993 al genomen door de
    gezamenlijke nota van collega Van de Beek en Patijn, een van de
    raadadviseurs van wetgeving. Deze nota is ook aan de minister
    voorgelegd. Het wordt tijd om dit te gaan regelen, zo luidde de
    boodschap. Dat gebeurde naar aanleiding van de discussie over het
    wetsvoorstel inzake
    direct afluisteren. Dat lag al bij de
    Kamer. Er moesten wijzigingen komen en toen zeiden wij: je kunt de
    proactieve fase wel voor
    direct afluisteren regelen, maar
    dat schip houdthet niet. Je zult de zaak moeten uitbreiden tot
    algemene wetgeving. Dat hebben wij aan de minister
    voorgelegd.
    De voorzitter:
    Wilde de minister dat niet?
    De heer Wooldrik:
    De minister wilde het wel, want hij zei ja op de nota. Dat
    gebeurde in juli 1993. Wij zijn nu twee jaar verder.
    De heer Koekkoek:
    Ik heb nog een vraag over de nota van Van de Beek en Patijn
    van juli 1993. De minister zei Werk dat uit. Is dat ook
    gebeurd?
    De heer Van de Beek:
    Ja.
    De heer Koekkoek:
    Hoe?
    De heer Van de Beek:
    U treft in de verdere wetsgeschiedenis rond het direct
    afluisteren aan hoe dat verder gestalte is gegeven. Wij hebben
    het hierbij over een periode van een jaar. Wij hebben op het
    terrein van de

    CID genventariseerd welke onderwerpen in zo’n CID-wetgeving
    terecht zouden moeten komen. Na dat gedaan te hebben, hebben wij
    daarvan een overzichtsnotitie aan de minister gestuurd. Dat was in
    de periode na mei vorig jaar. In die periode is gezegd: Laten wij
    wachten totdat er een nieuw kabinet is, en een nieuwe minister van
    Justitie is, om daar opnieuw een oordeel over te geven.

    Noot Het ministerie van Justitie draagt op zijn minst
    een algemene verantwoordelijkheid voor het aangeven van de kaders
    voor de door politie en justitie te hanteren opsporingsmethoden. Op
    het ministerie is de verantwoordelijkheid voor het hanteren van
    opsporingsmethoden aanvankelijk reactief opgevat, en – op de
    stafafdeling wetgeving na – niet zozeer normerend. Voor de
    discussie over opsporingsmethoden werd naar het OM verwezen. De
    heersende opvatting was dat de beoordeling over de toelaatbaarheid
    van opsporingsmethoden een zaak van het OM en de rechter is.

    Eind september 1995 is de Werkgroep wetgeving bijzondere
    opsporingsmethoden onder voorzitterschap van Van Asbeck ingesteld
    met de opdracht de minister van Justitie te informeren over de
    wijze waarop bijzondere opsporingsmethoden zouden moeten worden
    genormeerd. Het gaat daarbij om het ontwikkelen van een visie onder
    voorbehoud van de resultaten van de enqute. Drie onderwerpen staan
    centraal: regeling
    van de taak en toezicht op de CID; regeling van het onderzoek in de
    fase voor de opsporing; en regeling van nog niet wettelijk
    geregelde opsporingsmethoden.

    De heer Rouvoet:
    Daarom ben ik begonnen met de vraag hoe die afweging is
    gemaakt. Vervolgens is de stelling ten departemente: waar het gaat
    om die rechtsbescherming kijken wij naar de Hoge Raad. Wij nemen
    een afwachtende houding aan als het gaat om de praktijk. Nu lopen
    wij aan tegen de vraag, welke methoden worden gehanteerd en of die
    in alle gevallen de toets van de kritiek kunnen doorstaan.
    Nogmaals, is het niet te veel veronachtzaamd?
    De heer Suyver:
    Achteraf kijkend, zeg ik: wij hadden eerder of serieuzer met
    meer capaciteit werk moeten maken van een normering van de
    bijzondere opsporingsmethoden. Daarin zit zeer uitdrukkelijk het
    punt van de rechtsbescherming. Dat denken over die wetgeving had
    wat eerder moeten worden aangevat.
    Noot

    Directe bemoeienis

    Tenzij er duidelijke contra-indicaties waren, behoefde het
    ministerie niet op de hoogte te zijn van de inzet van niet
    uitdrukkelijk in de wet geregelde opsporingsmethoden in concrete
    zaken: de minister is geen super-opsporingsambtenaar.

    De heer Koekkoek:
    Vindt u, wat de doorvoer van cocane betreft, dat het OM en
    met name de betrokken PG’s in het ressort Den Haag te kort
    geschoten zijn in het informeren van de minister?
    De heer Suyver:
    Wij hadden over doorlevering moeten worden genformeerd. Ik
    denk dan in de eerste plaats aan datgene, wat bij het
    IRT
    Amsterdam aan de hand was.
    De heer Koekkoek:
    Des te meer uiteraard, omdat het bericht uit Amsterdam was:
    er wordt een cocanelijn gerund. Wanneer dan vervolgens in een ander
    ressort sprake is van het op de markt laten komen van cocane, dan
    klemt des te meer, dat de minister genformeerd wordt. U hebt
    gezegd, dat dit niet is gebeurd. Vandaar mijn vraag: zijn de
    betrokken PG’s in 1993 en 1994 te kort geschoten in het informeren
    van de minister?
    De heer Suyver:
    Ik vind dat hooguit een vaststelling achteraf. Met de
    wetenschap van nu zou je zeggen: ja, dat had moeten
    gebeuren.
    De heer Koekkoek: U zegt:
    wij hadden het moeten weten, zeker in het licht van de
    IRT?
    De heer Suyver:
    Dat zeg ik achteraf. Noot
    De voorzitter:
    Waarom zijn, terwijl u wel presentaties geeft, daarbij nooit
    opsporingsmethodieken aan de orde geweest?
    De heer Blok:
    Omdat het om buitengewoon vertrouwelijke informatie ging.
    Wanneer wij presentaties gaven, zat op zijn minst de helft van de
    ambtelijke staf daarbij.
    De voorzitter:
    Maar had de minister dat toch niet moeten weten?
    De heer Blok:
    Ik heb meerdere malen gezegd, wanneer we een presentatie
    hadden afgerond en er een gesprek of een discussie over kwam, dat
    naast de voortgang van het onderzoek nog een aantal hoopgevende
    CID-trajecten liepen. Meer heb ik daar nooit over gezegd.
    De voorzitter:
    Had u dat niet moeten doen?
    De heer Blok:
    Ik vond dat mijn lijn eindigde bij de procureur-generaal.
    Daar ligt dan weer een volgende verantwoordelijkheid om eventueel
    de minister van Justitie op de hoogte te stellen. Door
    uitdrukkelijk bij zo’n presentatie nog eens te melden dat er
    CID-trajecten liepen, had de uitnodiging ook van de andere kant
    kunnen komen.
    De voorzitter:
    Maar u kunt zich toch voorstellen dat dat misschien voor een
    minister die zich niet dagelijks met dit onderwerp bezighoudt,
    zoals een commissie als deze, die maandenlang niet veel anders
    doet, een vrij cryptische mededeling is?
    De heer Blok:
    Ik weet het niet. Ik had het idee dat de minister heel goed
    begreep, waar het over ging. Niet over doorlevering, maar wel over
    CID-trajecten. Dat is in ieder geval een begrip dat algemeen was.
    Maar nogmaals, ik vond het niet direct op mijn weg liggen om de
    minister van Justitie daarover te informeren.
    De voorzitter:
    Waarom eigenlijk niet? Waarom wel over de rest, en niet over
    dit?
    De heer Blok:
    Zoals ik u zei: tijdens de presentatie kon het in ieder
    geval niet, omdat het om buitengewoon vertrouwelijke informatie
    ging. Dat kon niet in brede kring verspreid worden, dus ook niet
    tijdens een dergelijke presentatie. Mijn lijn liep, nogmaals, tot
    aan de procureur-generaal, en dan vond ik het op de weg van anderen
    liggen om daarover eventueel te informeren.

    Noot

    Om aan de ministerile verantwoordelijkheid inhoud te geven moet het
    departement signalen over dergelijke contra-indicaties ontvangen.
    Als de politieke verantwoordelijkheid in het geding kan komen,
    bijvoorbeeld bij het opzetten van een frontstore ten behoeve van
    een buitenlands onderzoek of bij het beschikbaar stellen van een
    zeer hoog bedrag aan tip-, toon- of voorkoopgeld, dient de minister
    op de hoogte te worden gesteld. In
    deze gevallen is in elk geval n van de beleidsambtenaren van het
    ministerie op de hoogte, omdat op het ministerie de hiervoor
    beschikbare financin worden beheerd. In andere gevallen, waarbij
    het ministerie geen directe betrokkenheid heeft, zijn signalen vaak
    achterwege gebleven. De verantwoordelijkheid voor de
    informatieverstrekking wordt in die gevallen bij het College van
    procureurs-generaal gelegd.

    De voorzitter:
    Wat wist en weet u van de precieze stand van zaken bij de
    criminaliteitsbestrijding? Weet u genoeg?
    De heer Suyver:
    Ik vind dat ik steeds genoeg heb geweten om mijn minister
    adequaat te kunnen inlichten. Dat betekent niet dat elk incident of
    elke concrete strafzaak aan het departement of aan de minister moet
    worden voorgelegd. De minister moet op de hoogte zijn van die zaken
    en die incidenten die hij/zij moet weten met het oog op zijn/haar
    ministerile verantwoordelijkheid. Die wetenschap had ik
    voldoende.
    De voorzitter:
    Wist u van de kwestie van het doorleveren van harddrugs door
    Haaglanden?
    De heer Suyver:
    Daar was ik niet van op de hoogte.
    De voorzitter:
    Is dat niet een typisch voorbeeld van iets wat u had moeten
    weten en wat de minister in ieder geval van u had moeten
    weten?
    De heer Suyver:
    Het denken over opsporingsmethoden, waaronder doorlevering,
    is de laatste jaren ontwikkeld. De casustiek die daarbij aan de
    orde kwam is niet steeds duidelijk op het departement
    terechtgekomen. Ik geef dat toe. Toch meen ik dat ik afgezien van
    de IRT-zaak en de
    Delta-methode – doorlevering maakt daarvan
    deel uit – globaal voldoende op de hoogte was om te kunnen
    beoordelen wat er aan opsporingsmethoden werd gebruikt en
    uitgevoerd om mijn minister daarover voldoende helder te kunnen
    informeren. (…)
    De heer Rouvoet:
    U zegt dat u ook buiten incidenten bezig bent met wat er
    gebeurt. Heeft u zicht op hoe de opsporing op de werkvloer in haar
    werk gaat?
    De heer Suyver:
    Nee, dat zicht heb ik natuurlijk niet. Dat hoef ik ook niet
    te hebben. De minister moet voldoende genformeerd zijn om te weten,
    wat er zich globaal afspeelt. Hij moet die dingen weten die nodig
    zijn voor het dragen van de ministerile verantwoordelijkheid. Dat
    is algemeen. Als ik het iets concretiseer, zeg ik dat de minister
    moet weten van bijzondere praktijken, abnormale praktijken, het
    afwijkende, nieuwe ontwikkelingen, grensverleggende ontwikkelingen.
    Dat betekent niet dat je een precies inzicht moet hebben in wat
    zich op de werkvloer afspeelt.
    Noot

    Door de IRT-affaire is de aandacht van de top van het ministerie
    voor het gebruik van opsporingsmethoden toegenomen. Binnen de
    systematiek van de relaties tussen ministerie en OM worden de
    opsporingsmethoden niet langer als technische onderwerpen beschouwd
    maar hebben zij inmiddels het predikaat gevoelig en, in sommige
    gevallen zoals gecontroleerde doorlevering, zelfs het predikaat
    preponderant gekregen. Daarmee is de betrokkenheid van het
    ministerie bij het gebruik van opsporingsmethoden tot op het
    politieke niveau een gegeven. De zittende minister heeft tweemaal
    ingegrepen bij de concrete toepassing van opsporingsmethoden. Zij
    heeft in juni 1995 haar standpunt over gecontroleerde aflevering
    aan de procureurs-generaal kenbaar gemaakt. In de pers werd dit
    opgevat als een absoluut verbod voor de toepassing van deze
    methode, maar volgens de minister wilde zij slechts bewerkstelligen
    dat de nodige terughoudendheid werd betracht. In tenminste drie
    concrete strafzaken die werden uitgevoerd door de kernteams heeft
    dit ertoe geleid dat het onderzoek is stopgezet. In n van deze
    gevallen was door de Centrale toetsingscommissie goedkeuring
    verleend voor de inzet van de opsporingsmethode, namelijk het
    doorlaten van duizenden kilo’s softdrugs.

    De heer Rouvoet:
    Zijn er gevallen geweest waarvan u hebt gezegd: dit moet de
    minister weten?
    De heer Wooldrik:
    Dat gebeurt niet zo vaak. Het gebeurt natuurlijk in de
    algemene kaders. Moet er getuigebescherming komen? Er zijn concrete
    onderzoeken geweest waarbij dat gevraagd is. Er zijn verzoeken
    om
    tipgeld. Dat zijn typisch incidentele zaken waarin een
    routine is opgebouwd. Verder zijn er een paar concrete zaken die
    aan de minister zijnvoorgelegd. Er is een bijzondere
    infiltratie-actie geweest op verzoek van Canada.
    De voorzitter:
    Wat heeft u als directeur Politie aan de minister
    voorgelegd? Van welke methoden vond u dat de minister ze moest
    weten?
    De heer Wooldrik:
    Er zijn twee of drie van dat soort incidenten geweest. Ik
    noemde de Canadese zaak en er was nog iets dat de Amerikanen graag
    met Nederland samen wilden doen. Verder is er nog een hele serie
    zaken die op ambtelijk niveau zijn afgedaan. (…)
    De voorzitter:
    In de periode die u kent heeft u de minister verder dus
    nooit iets voorgelegd?
    De heer Wooldrik:
    Niet op dit terrein. Niet dat ik mij kan herinneren. Wel
    algemene kaders, wel algemeen beleid, wetgeving,
    getuigebescherming. Het departement wenst niet in individuele zaken
    zelf de verantwoordelijkheid van het begin tot het eind te nemen.
    Dat kan helemaal niet. (…)
    De voorzitter:
    En daarvr is nooit over specifieke infiltratieprojecten of
    methoden gesproken?
    De heer Wooldrik:
    De activiteiten waar ik mij op dat moment mee bezig mocht
    houden, betroffen de afloop van de IRT-affaire en het leiden van
    het project dat door collega Van de Beek werd gedaan. De algemene
    opinie was toch: probeer ervoor te zorgen dat de organisatorische
    randvoorwaarden worden gerealiseerd om die criminaliteit aan te
    pakken en richt je niet op allerlei specifieke incidenten. Zo nu en
    dan kwamen ze binnen en die werden besproken, maar het was niet de
    invalshoek van de directie Politie om steeds achter al die
    incidenten aan te lopen.
    Noot
    De heer Koers:
    De betrokkenheid van de minister in deze zaak had een
    specifiek karakter, met name voor het laatste stukje van de zaak.
    Niet zozeer de individuele aankopen – daarmee heb je wel te maken
    met de tip- en toongeld-regeling, de aankoop-regeling, van het
    departement – maar met name het laatste stukje van de zaak, waarin
    het ging om het investeren in een transport drugs vanuit Turkije
    naar Nederland. Daarbij kwam ter sprake dat de politile
    infiltranten, in ieder geval een daarvan, naar Turkije moesten. Dan
    heb je te maken met internationale verhoudingen. Binnen de Centrale
    toetsingscommissie is op dat moment gezegd, dat dit niet mocht
    zonder dat de minister van Justitie op de hoogte is. Die moet daar
    haar goedkeuring aan geven. Dat is vervolgens gebeurd. De
    hoofdofficier van Zwolle heeft een bespreking gehad met de
    hoofdofficier van Istanbul. Daar is ook de staatssecretaris van
    Justitie van Turkije bij betrokken geweest om goedkeuring te
    hechten aan de komst van een politile infiltrant naar Istanbul, om
    als het ware daar besprekingen te voeren met een of meer van de
    Turkse verdachten.
    De heer Vos:
    Een van de voorwaarden is ook geweest, dat met de Turkse
    autoriteiten overeenstemming zou worden bereikt – zo begrijp ik –
    over het infiltratietraject. Moeilijk daarbij was, dat de
    Nederlandse begeleiding zich ook in Turkije zou voltrekken. Hoe
    heeft u daar een deal in bereikt?
    De heer Koers:
    De Zwolse hoofdofficier heeft dat besproken met zijn collega
    in Istanbul en uitgelegd hoe infiltratietrajecten met politiemensen
    bij ons praktisch uitgevoerd worden. Daarbij is een van de sterke
    punten, dat een
    politie-infiltrant begeleid wordt door twee
    andere politiemensen, dat hij gebriefd wordt en gedebriefd wordt en
    dat wordt vastgelegd wat er wordt gezegd. Dat hoort bij elkaar. Dat
    mag je ook niet in een buitenland uit elkaar laten vallen. Dat
    heeft alles met de techniek te maken en daarom was het
    noodzakelijk, dat ook zij mee gingen naar Istanbul. Dat was op zich
    helemaal geen probleem.
    Noot

    De verantwoordelijkheid van het ministerie voor het hanteren van
    niet uitdrukkelijk in de wet geregelde opsporingsmethoden heeft
    bovendien handen en voeten gekregen in de bemoeienis met het werk
    van de Centrale toetsingscommissie. Die bemoeienis kwam recentelijk
    n maal neer op het overrulen van een advies van de Centrale
    toetsingscommissie.

    De voorzitter:
    De CTC heeft deze werkwijze goedgekeurd. Daarna keurt
    de minister het af.
    De heer Paulissen:
    Dat klopt.
    De voorzitter:
    Is u geworden waarom de minister het afkeurde? Hoorde u dat
    via de telefoon van Justitie? Hoe is dat gegaan?
    De heer Paulissen:
    Ik ben er zelf niet bij geweest, maar wij hebben
    uiteindelijk een briefje van de minister gekregen, een heel kort
    briefje: op het punt van de gecontroleerde doorvoer kon zij op dit
    moment geen toestemming geven.
    De voorzitter:
    Dat moet ongeveer in mei van dit jaar zijn geweest.
    De heer Paulissen:
    Ja.
    De voorzitter:
    Heeft u het toen weer op een andere manier opgepakt? Wat is
    er toen gebeurd?
    De heer Paulissen:
    Wij hebben toen besloten te stoppen. Wij vonden de
    gecontroleerde doorvoer echt noodzakelijk voor het bereiken van het
    grotere doel in de
    infiltratie. Wij zijn meteen gaan denken
    of er binnen de consignes van de minister nog mogelijkheden waren
    om dat doel op een andere manier te bereiken. Toen werden wij
    helaas geconfronteerd met het feit dat de zaak was uitgelekt in de
    pers. Toen hebben wij besloten om de zaak abrupt te stoppen.

    Noot
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ik vind dat ik vanuit de ministerile verantwoordelijkheid
    die mogelijkheid moet houden. Dat moet de commissie ook weten. En
    de voorzitter ook.
    De voorzitter:
    Geldt dat voor alles wat de commissie beslist?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Kijk, ook daar ligt het aan de prudentie van de commissie
    wanneer iets wel of niet aan de minister moet worden voorgelegd. Ik
    kan natuurlijk niet ieder beslissing die de commissie moet nemen
    bewerken, en dat wil ik ook niet. De commissie zal dus zelfstandig
    beslissingen moeten nemen, binnen de kaders die ik heb gesteld.
    Wanneer men het gevoel heeft dat iets het kader te buiten gaat of
    dat er sprake is van een twijfelgeval, dan vind ik dat men het
    uiteindelijk aan mij moet voorleggen. In principe moet de
    commissie, natuurlijk binnen de kaders, zelf kunnen
    werken.
    De voorzitter:
    Het is aan de commissie om u te informeren of is het aan de
    secretaris van de commissie?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Nee, het is aan de commissie om mij te informeren. Ik vind
    dat wij dat ook heel zuiver moeten houden. Het is eigenlijk niet
    eens aan de commissie, maar aan de voorzitter van het openbaar
    ministerie. De commissie werkt immers met een mandaat van het
    college van procureurs-generaal. Het hoort dan via de voorzitter
    bij mij terecht te komen.
    De voorzitter:
    U heeft toch die commissie…
    Mevrouw Sorgdrager:
    Het is een commissie van het openbaar ministerie.
    Noot De minister van Justitie ziet in dit verband niet
    de Centrale toetsingscommissie, maar de voorzitter van het College
    van procureurs-generaal als haar gesprekspartner.
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ik heb ervoor gezorgd dat het college van
    procureurs-generaal per 1 januari 1995 die commissie heeft
    ingesteld. Die commissie heeft een eigen taakomschrijving, doet dat
    namens het
    college van

    procureurs-generaal.

    De heer Vos:
    Weet de voorzitter van de CTC wat u belangrijk vindt?
    Weet hij wanneer hij u zaken melden moet?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Dat neem ik aan, dat hij dat weet.
    De heer Vos:
    Heeft u niet zelf een kader bepaald, waarvan u zegt dat u
    het moet weten?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ik heb een kader bepaald. Maar dat gaat dan over de
    doorleveringskwesties. Daar is een duidelijke brief over. Dat is
    een kader. Ik praat met de voorzitter van het college. Ik praat
    niet met de toetsingscommissie, althans niet formeel.

    Noot

    In het oog springt tevens de verantwoordelijkheid van het
    ministerie voor de tip-, toon- en voorkoopgeld-regeling. In 1994 is
    in totaal een kleine twee miljoen gulden uitgekeerd. De
    politiek-ambtelijke top van het ministerie heeft lange tijd geen
    volledig zicht gehad op het beheer van de tip-, toon- en
    voorkoopgelden. De dagelijkse verantwoordelijkheid voor de vaak
    aanzienlijke uitkeringen in het kader van deze regeling, alsook
    voor sommige uitkeringen die in ander verband aan informanten
    werden gedaan, lag feitelijk bij een zeer beperkt aantal ambtenaren
    op het middenniveau.

    De heer Wooldrik:
    Het is dus een vergoedingsregeling die de minister van
    Justitie in het leven heeft geroepen. Daartoe bedient hij zich van
    de directie Politie. Als het routine blijkt te zijn, dan wordt het
    door de ambtenaar die onder mijn verantwoordelijkheid werkt,
    uitgevoerd. Er vindt overleg plaats met het veld, met de CID’s die
    de

    informanten runnen. De DCRI heeft vanwege de contacten in het
    veld, er een cordinerende rol in zodat niet alle ins en outs en
    bijzonderheden steeds rechtstreeks met het departement behoeven te
    worden besproken. Dat is de trap waarbinnen de discussie
    plaatsvond. U noemt nu een bedrag van f.95.000 maar dat gebeurt ook
    hoogst zelden, want het gemiddelde bedrag dat uitbetaald wordt,
    ligt tussen de f.3000 en de f.4000.

    De heer De Graaf:
    Wij zijn nogal wat geringe bedragen tegengekomen die worden
    uitgekeerd, althans afgezet tegenover de f.100.000, maar het komt
    toch ook zeer frequent voor dat er f.20.000, f.25.000 of f.50.000
    wordt uitgekeerd in het kader van de
    tipgelden.
    De heer Wooldrik:
    Het komt voor, maar ik geef u aan dat van de 303 zaken die
    wij nu in 1995 hebben, het gemiddelde bedrag f.5000 was.
    De heer De Graaf:
    Maar mijn vraag blijft staan, mijnheer Wooldrik, of naar
    alle zaken onder de f.100.000 waarover tussen veld, DCRI en de heer
    Zwanenburg overeenstemming is, binnen het ministerie niemand meer
    kijkt.
    De heer Wooldrik:
    Jawel, want de heer Zwanenburg heeft nog een chef voordat
    hij bij mij komt.
    De heer De Graaf:
    Mijn vraag was dan ook…
    De heer Wooldrik:
    In de hirarchie van de directie zaten nog meer schakels
    waarmee overleg plaatsvond voordat het bij mij kwam.
    De heer Zwanenburg:
    En ik was niet alleen, want ik had nog een collega, Riks,
    die het ook jarenlang heeft gedaan.
    De voorzitter:
    Mijnheer Zwanenburg, tekent u de bonnetjes af onder de
    f.100.000?
    De heer Zwanenburg:
    Ik teken… Wat bedoelt u met bonnetjes?
    De voorzitter:
    Het geld gaat de deur uit, zou ik zeggen.
    De heer Zwanenburg:
    Ik vul geen girokaart in, als u dat bedoelt.
    De heer De Graaf:
    Maar u schrijft een briefje naar de directeur van het
    kabinet, dat het bedrag kan worden overgemaakt op die en die
    rekening.
    De heer Zwanenburg:
    Ja, maar ik wil de vorige vraag of er afstemming plaatsvond,
    nog even afmaken. Ik heb dit altijd gedaan met mijn collega Riks.
    Als het ging om bedragen van enige importantie, was er altijd
    overleg met elkaar over hoe wij erover dachten.
    De heer De Graaf:
    Daar twijfel ik ook niet aan, maar het ging over de vraag
    wie nu precies waarover beslist

    binnen het ministerie. Beslist nu uw directe chef, niet zijnde
    de heer Wooldrik, in al die zaken? Legt u het aan hem voor of ging
    het rechtstreeks van u naar de heer Vredenbregt (directeur
    kabinet
    ministerie van Justitie; gaat over geldzaken,
    red.)?
    De heer Zwanenburg:
    Zaken waarin overeenstemming was en die beneden het bedrag
    lagen dat de heer Wooldrik heeft genoemd, gingen rechtstreeks naar
    de heer Vredenbregt.
    Noot

    Politiek-ambtelijke communicatie

    De directe bemoeienis van het ministerie met de bestrijding van
    de georganiseerde criminaliteit en de toepassing van
    opsporingsmethoden is mede afhankelijk van de onderlinge
    verhoudingen en communicatie tussen de politieke en ambtelijke top
    van het ministerie. De ambtelijke top blijkt niet precies op de
    hoogte te zijn van wat de minister wel of niet weet, beschouwt het
    voorleggen van een bepaalde kwestie aan de minister als slechts n
    van de mogelijkheden en niet als een dwingende opdracht, en
    interpreteert op eigen gezag de mate van politieke belangstelling
    voor concrete kwesties. Het ontbreekt aan systematiek in de mate en
    wijze van informatieverstrekking door de ambtelijke top aan de
    politieke gezagdragers. De informatieverstrekking door de
    ambtelijke top wordt in sterke mate door eigen interpretaties
    bepaald.

    De voorzitter:
    Mijnheer Wooldrik, u bent directeur Politie bij het
    ministerie van Justitie. Heeft u daarmee zicht op alle
    opsporingsmethoden en onderzoeken?
    De heer Wooldrik:
    Je tracht daar zicht op te krijgen. De vraag of het zicht
    goed is, kan alleen achteraf worden beantwoord. Ik pretendeer niet
    het volledige zicht te hebben, maar vanuit mijn
    verantwoordelijkheid meen ik dat alles wat op het departement
    bekend moet zijn, via mij moet lopen. (…) Vanuit mijn kennis van
    het departement weet ik natuurlijk niet precies wat de minister wel
    of niet weet. (…)
    De heer Rouvoet:
    Had u het gevoel – u zat er vanuit het project natuurlijk
    toch heel dichtbij – dat u als departement greep had op de
    ontwikkeling en de opzet van die
    kernteams?
    De heer Van de Beek:
    In die zin dat wij heel goed de ontwikkelingen
    volgden.
    De heer Rouvoet:
    Hoe kon u dat dan verbeteren? Hoe kon u ingrijpen?
    De heer Van de Beek:
    Ik greep niet in, ik stelde het aan de orde. Ik legde het
    voor, bijvoorbeeld aan de procureur-generaal-portefeuillehouder of
    aan het
    CBO dat daar dan een beslissing op had te nemen. Een
    andere mogelijkheid was om het aan de minister voor te leggen.
    (…)
    De heer Rouvoet:
    Wanneer informeert u de minister? U hoort een heleboel over
    concrete opsporingsonderzoeken.
    De heer Wooldrik:
    Het gaat dan om zaken waarvan de ambtenaren denken dat de
    politiek er belangstelling voor heeft.
    Noot

    Het tekent de politiek-ambtelijke verhoudingen op het ministerie
    van Justitie dat de minister op haar eerste werkdag werd
    geconfronteerd met een majeure go-no go-beslissing met betrekking
    tot het uitbetalen van twee miljoen gulden aan een informant in de
    Delta-zaak. Als het hier een beslissing betrof waarbij het leven
    van de informant in het geding was, had het in de rede gelegen die
    beslissing reeds aan de demissionaire minister van Justitie voor te
    leggen. Deze had dan daarover kunnen besluiten, dan wel het
    expliciete besluit kunnen nemen om de kwestie over te laten aan de
    nieuwe minister. De ambtelijke top van het ministerie legde de
    kwestie evenwel niet aan de demissionaire minister voor; de kwestie
    werd in dossier gehouden totdat de minister op haar eerste werkdag
    het ministerie binnenkwam.

    De voorzitter:
    De zaak van de informant die 2 mln. meekreeg. Was dat
    al gebeurd toen u kwam of niet?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Op de eerste dag dat ik minister was, ‘s middags, kwam de
    directeur-generaal die erover ging, met een dossier bij mij, met de
    vraag hier is het geval, beslis iets. Toen heb ik gekeken wat er
    aan de hand was. Ik heb eerst gevraagd waarom dit dossier?. Toen
    bleek mij dat het ging om een
    informant die in levensgevaar
    was gekomen door het feit dat rechercheurs via een open
    telefoonlijn te veel hadden gepraat. Dat was afgeluisterd en dat
    was gepubliceerd. Daardoor was iemand in gevaar gekomen. Ik heb
    gekeken hoe groot dat gevaar was. Daar zat een zogenaamde
    dreigingsanalyse bij.
    De voorzitter:
    Van de CRI?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ja. Daarvan bleek dat de dreiging inderdaad reel was. Dus
    dat moesten wij aannemen. Vervolgens komt de vraag wat je dan doet.
    Je kunt dan twee dingen doen: ten eerste een
    getuigenbeschermingsprogramma; ten tweede, het alter-natief, iemand
    de gelegenheid geven om elders met een andere identiteit een nieuw
    bestaan op te bouwen. Het eerste, de getuigenbescherming, moest
    helemaal opgezet worden. Daar was eigenlijk nog helemaal niets
    voor. Dat kostte tijd.
    De voorzitter:
    Dat bestaat ook officieel niet.
    Mevrouw Sorgdrager:
    Nee. Maar goed, je kunt natuurlijk wel een programma maken
    voor iemand. Dat kostte dus tijd, dat moest uitgedacht worden. Dat
    kost ook een hoop mannen en vrouwen en geld. Het alternatief was
    hem een bedrag aan geld te geven waarmee hij zich in veiligheid kon
    brengen. Voor dat laatste hebben wij gekozen op basis van een
    opgesteld advies van de accountantsdienst van de
    CRI en van
    een advies over de hoogte van het bedrag en de te voeren
    onderhandelingen van de landsadvocaat. Daar ben ik op afgegaan. Op
    basis daarvan heb ik uiteindelijk de beslissing genomen.
    (…)
    De heer De Graaf:
    U zei dat u op de eerste dag dat u aantrad, dit dossier
    kreeg. Betekent dit dat uw voorganger dit niet wilde
    afhandelen?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Dat weet ik niet. Ik weet wel dat er gewacht is totdat ik er
    was.
    De heer De Graaf:
    Dat zegt al feitelijk dat uw voorganger dat niet wilde
    afhandelen.
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ik weet niet of mijn voorganger dat niet wilde. Ik weet
    alleen dat men gewacht heeft tot ik er was.
    De voorzitter:
    Heeft u niet gevraagd waarom Aad Kosto dat niet getekend
    heeft?
    Mevrouw Sorgdrager:
    Dat heb ik niet gevraagd. Noot

    12.2.3 Het ministerie van Justitie en het openbaar
    ministerie

    De minister van Justitie is politiek verantwoordelijk voor het
    functioneren van het openbaar ministerie. Het OM speelt een
    belangrijke rol in de zogeheten strafrechtelijke keten. Ook zonder
    het OM de regiefunctie in de strafrechtelijke keten toe te
    schrijven, is het duidelijk dat de legitimiteit en effectiviteit
    van het strafrechtelijk beleid – met inbegrip van de bestrijding
    van de georganiseerde criminaliteit – in hoge mate afhankelijk zijn
    van de kwaliteit van het functioneren van het OM. Naarmate het
    strafrechtelijk beleid hoger op de politieke agenda staat en de
    bijdrage van het OM aan het strafrechtelijk beleid zwaarder weegt,
    komt de politieke verantwoordelijkheid van de minister van Justitie
    voor het functioneren van het OM pregnanter naar voren. De
    politieke lading van de rechtshandhaving in het algemeen en de
    strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde in het bijzonder
    betekent voor de minister van Justitie en het OM dat op elk moment
    de politieke verantwoordelijkheid in het geding kan zijn: Onder
    bepaalde omstandigheden kan ieder optreden van het OM voor de
    meerderheid van de Kamer aanleiding zijn om het vertrouwen in de
    minister van Justitie op te zeggen, zelfs indien dit in de ogen van
    anderen volstrekt onredelijk is. Noot De minister van
    Justitie kan via benoemingen, budgetten en aanwijzingen invloed
    uitoefenen op het functioneren van het OM. De minister van Justitie
    kan op grond van artikel 5 Wet op de rechterlijke organisatie de
    individuele leden van het OM bevelen geven met betrekking tot de
    uitoefening van hun ambt. Artikel 5 RO vormt daarmee de grondslag
    voor de bevoegdheid van de minister van Justitie het OM
    aanwijzingen te geven. In de literatuur wordt aangenomen dat die
    aanwijzingsbevoegdheid niet onbeperkt is. Met de attributie van
    verschillende bevoegdheden aan de leden van het OM is er een zekere
    afstand tussen hen en de minister gecreerd; de centrale functie van
    het OM in de rechtspleging zou op een zekere afstand van de
    politieke besluitvorming dienen te worden vervuld.
    Noot

    De heer De Graaf:
    U zei zoven: de minister is niet de baas van het OM. Hoe
    moeten wij de aanwijzingsbevoegdheid in de Wet op de rechterlijke
    organisatie uitleggen?
    De heer Suyver:
    Die hoort bij de politieke verantwoordelijkheid. Je kunt
    geen politieke verantwoordelijk dragen als je niet wat kunt zeggen
    over het ambtelijk apparaat. Ik zie dat artikel 5 als de keerzijde
    van de medaille van de politieke verantwoordelijkheid.
    De heer De Graaf:
    Als er zeggenschap is van de minister op grond van die
    aanwijzingsbevoegdheid, dan is de minister toch de baas?
    De heer Suyver:
    In die zin zeker. Noot Over de politieke
    bemoeienis met individuele strafzaken bestaan verschillende
    opvattingen. Feit is dat indien een strafzaak gevolgen heeft voor
    het algemene beleid of indien de ministerile verantwoordelijkheid
    anderszins in het geding is, directe bemoeienis van de minister van
    Justitie met een individuele strafzaak plaatsheeft.
    De heer Rouvoet:
    U hoort natuurlijk een heleboel op het departement. Het is
    niet zo dat het louter via de lijn van het openbaar ministerie, via
    de hoofdofficier, naar de PG en eventueel de minister gaat als er
    echt iets aan de hand is. Maar u zit natuurlijk ook overal bij in
    de commissies en werkgroepen. Vanuit het ministerie wordt de
    secretaris van de
    CTC geleverd. U hoort een heleboel. Is dat
    de lijn waarlangs incidenten uiteindelijk bij de minister komen?
    Hoe verhoudt dit zich tot de geponeerde afstandelijkheid ten
    opzichte van de opsporingspraktijk? Zit u er heel dicht op en wilt
    u er heel dicht op zitten om te voorkomen dat de minister
    op

    haar politieke verantwoordelijkheid kan worden
    aangesproken?

    De heer Wooldrik:
    De minister moet geen opsporingsambtenaar zijn. Zij zal dus
    niet alle concrete zaken op haar bureau moeten krijgen. Dan wordt
    het veld als het ware alle persoonlijke verantwoordelijkheid
    ontnomen om zelf een koers te bepalen. De informatie die je ad hoc
    of in werkgroepen hoort, is interessant en kan worden doorgemeld,
    maar dat is niet de formele en officile gang van zaken.

    Noot
    De heer De Graaf:
    U bent verantwoordelijk voor hetgeen er gebeurt binnen het
    OM. Uw voorganger, de heer Hirsch Ballin, had daarover, meen ik,
    als ik het terug lees, in het kamerdebat van 7 april een wat andere
    opvatting. Hij was wel verantwoordelijk voor de aanwijzingen die
    hij geeft, maar niet verantwoordelijk voor wat elke individuele
    officier doet.
    Mevrouw Sorgdrager:
    Ik denk dat een minister van Justitie in staatsrechtelijk
    opzicht verantwoordelijk is voor wat er in een rijksorgaan gebeurt.
    Vervolgens is het wel de vraag hoe je die verantwoordelijkheid
    gestalte geeft en de manier waarop je verantwoording aflegt
    tegenover het parlement. Dat is het verschil. Wanneer u zegt dat er
    een algemene verantwoordelijkheid is voor ieder orgaan, voor elk
    departementsonderdeel, wanneer het gaat over algemeen beleid,
    richtlijnen, etcetera, zeg ik dat de verantwoordelijkheid voor een
    individuele strafzaak anders gestalte wordt gegeven in de relatie
    tussen minister en openbaar ministerie. In die relatie speelt
    immers de individuele bevelsbevoegdheid een rol. Dat is een
    verschil. Uiteindelijk, staatsrechtelijk gezien, ben je
    verantwoordelijk voor alles.
    Noot

    Gratieverlening en rechtshulp

    Het ministerie van Justitie behandelt de gratieverzoeken en de
    verzoeken tot strafonderbreking. Het verlenen van gratie is een
    koninklijk besluit onder de verantwoordelijkheid van de minister
    van Justitie. Het toestaan van strafonderbreking is een beslissing
    van de minister.

    Bij gratieverlening heeft een informantenrol in de praktijk geen
    betekenis. Deze geldende beleidslijn is in 1994 nog eens herijkt op
    instigatie van de Directie staats- en strafrecht. Toen is door de
    minister beslist dat deze regel gehandhaafd diende te blijven. Bij
    strafonderbreking kan de informantenrol wel meespelen. Enkele malen
    (vier vijf maal) per jaar wordt mede op basis van de informantenrol
    van betrokkene tot strafonderbreking besloten. Dan dienen de
    contra-indicaties minimaal te zijn. Het advies van het OM is
    daarbij zwaarwegend.

    De Afdeling internationale rechtshulp van het ministerie van
    Justitie cordineert de verzoeken om rogatoire commissies in
    strafzaken, de zogenaamde kleine rechtshulp. De feitelijke rol van
    het ministerie in deze is beperkt. In hoofdstuk 10 Internationale
    opsporingvan bijlage 5 Methoden wordt uitgebreid ingegaan op
    internationale rechtshulp.

    12.2.4 Het ministerie van Justitie en de politie

    In het laatste decennium was de aandacht voornamelijk gericht op
    organisatie- en machtsvraagstukken, sterkte, financiering en
    rechtspositie en voor zover het de taakuitoefening betrof, vooral
    de geweldstoepassing, milieuhandhaving en integrale
    veiligheidszorg. Voor zover de aandacht zich richtte op de
    recherche, ging het om managementsvraagstukken (bedrijfsprocessen)
    en financiering (BOP-pot). Justitie heeft te lang in de overtuiging
    geleefd dat het feitelijke recherchewerk een aangelegenheid is voor
    het OM en de rechter en dat er, zolang het niet mis gaat, geen
    reden is voor het ministerie om zich actief op te hoogte te stellen
    en normerend op te treden.

    De minister van Justitie is samen met de minister van
    Binnenlandse Zaken verantwoordelijk voor het politiebudget. Op
    grond van artikel 44 lid 3 Politiewet 1993 kunnen de
    politieministers bij algemene maatregel van bestuur aanwijzingen
    geven voor wat betreft de gelden die aan de regionale
    politiekorpsen ter beschikking worden gesteld en voor wat betreft
    het beheer als zodanig geldt hetzelfde op grond van de artikelen 45
    en 47 PW.

    De minister van Justitie kan de korpsbeheerder in bijzondere
    gevallen, bijvoorbeeld voor de formatie van een multi-regionaal
    opsporingsteam bij een grootschalige gijzelingsactie, aanwijzingen
    geven ten aanzien van personeel en middelen ten behoeve van de
    strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde (artikel 53 lid 1),
    maar in beginsel dient de regering het sturen van de politie over
    te laten aan de officier van justitie en de burgemeester.

    De brief van 12 juli 1995 van de minister van Justitie (mede
    namens de minister van Binnenlandse Zaken) aan de

    korpsbeheerders om hen te informeren over het beleid met
    betrekking tot de normering van en de controle op door de politie
    te hanteren ingrijpende opsporingsmethoden is een voorbeeld van
    dergelijke bemoeienis.

    Daarnaast heeft de minister van Justitie samen met de minister van
    Binnenlandse Zaken het laatste woord in geschillen als bedoeld in
    artikel 32 Politiewet 1993. Het gaat daar om een administratief
    beroep door de hoofdofficier van justitie of de korpsbeheerder
    tegen de vaststelling door het regionale college van de
    organisatie, de formatie, de begroting, de jaarrekening of het
    beleidsplan voor het regionale politiekorps. Indien de commissaris
    der Koningin en de procureur-generaal niet tot overeenstemming
    komen over de beslissing op het beroep, treden de politieministers
    in hun plaats en moet het aangevochten stuk in overeenstemming met
    hun besluit worden gebracht.

    Het ministerie van Justitie draagt gezags- en
    beheersverantwoordelijkheid voor het Korps landelijke
    politiediensten. De minister van Justitie is korpsbeheerder van het
    KLPD. Belangrijke onderdelen van het Korps landelijke
    politiediensten zijn in dit verband de Divisie centrale
    recherche-informatie (CRI) te Zoetermeer en de Divisie
    ondersteuning, meer in het bijzonder de Dienst technisch
    operationele ondersteuning (DTOO) te Driebergen. Het LRT wordt een
    afzonderlijke eenheid binnen het KLPD. In tegenstelling tot de
    overige onderdelen van het KLPD berust het beheer van het LRT niet
    bij het ministerie van Justitie alleen, maar bij de beide
    politieministers, de landelijk hoofdofficier van Justitie en de
    korpschef KLPD gezamenlijk. Noot

    12.2.5 Organisatie ministerie van Justitie

    Het ministerie van Justitie is sinds juni 1995 in reorganisatie.
    Het is daarom zaak eerst de organisatie van het ministerie van
    Justitie voorafgaand aan de reorganisatie te beschrijven en daarna
    de organisatie die sinds juni 1995 opgezet wordt.

    De organisatie tot juni 1995

    In de geschiedenis van de Nederlandse ministeries heeft Justitie
    lange tijd bekend gestaan als het ministerie zonder
    directeuren-generaal. Maar begin jaren tachtig werd die traditie
    doorbroken en voegde het ministerie zich in het standaardpatroon
    van de directoraten-generaal. Tot juni 1995 kende het ministerie
    vier directoraten-generaal en een aantal stafafdelingen. Bij de
    bestrijding van de georganiseerde criminaliteit was het
    Directoraat-generaal politie en criminaliteitsbestrijding (DGPC)
    het meest van belang. Het bestond uit drie directies, te weten de
    Directie criminaliteitspreventie, de Directie politie en de
    Directie staats- en strafrecht. Vr de reorganisatie van de politie
    voerde de Directie politie het beheer over de Rijkspolitie. Het
    ontwikkelde en ondersteunde tevens het opsporingsbeleid, onder meer
    via het secretariaat van de Recherche adviescommissie. Na de
    reorganisatie van de politie is het beheer over de Rijkspolitie
    weggevallen. Wel kreeg de directie de verantwoordelijkheid voor het
    projectbureau aanpak georganiseerde criminaliteit. De Directie
    staats- en strafrecht hield zich bezig met het algemeen
    strafrechtelijk beleid. Binnen deze directie werd het secretariaat
    gevoerd van de vergadering van procureurs-generaal. De directie had
    voorts de administratieve leiding bij het uitgeven van richtlijnen
    van het OM.

    De Vergadering van procureurs-generaal werd voorgezeten door de
    secretaris-generaal van het ministerie van Justitie. Zij werd
    doorgaans bijgewoond door n of twee directeuren-generaal. Het
    Directoraat-generaal voor de rechtspleging voerde het beheer over
    de arrondissementen.

    De organisatie met ingang van juni 1995

    Het is de bedoeling dat het ministerie van Justitie tegen het
    einde van 1995 werkt volgens een nieuwe organisatiemodel. Hoofddoel
    van de reorganisatie is te komen tot een scheiding tussen
    beleidstaken en uitvoeringstaken. Dit moet ertoe leiden dat de
    uitvoeringsorganisaties, onder andere het Directoraat-generaal voor
    de rechtspleging, zelfstandiger gaan functioneren. De mate van
    zelfstandigheid en de doorwerking van de ministerile
    verantwoordelijkheid zijn vooralsnog onderwerp van voortdurende
    discussie. De reorganisatie voorziet in een bestuursraad en in een
    kleine beleidsstaf op het ministerie die integrale beleidsplannen
    voor het ministerie opstelt. Binnen de beleidsstaf zal vooralsnog
    een sectie rechtshandhaving en politie-aangelegenheden werkzaam
    zijn. De reorganisatie van het ministerie brengt een grootscheepse
    verschuiving van posities, taken, bevoegdheden en
    verantwoordelijkheden met zich mee. De reorganisatie vergt veel
    aandacht, energie en tijd van de ambtelijke top. Zij breidt de toch
    al overladen agenda uit met een onderwerp dat persoonlijke belangen
    rechtstreeks raakt en veel emoties losmaakt. Door de opeenstapeling
    van hectische beleidskwesties en organisatorische problemen komt de
    zorgvuldigheid van de departementale besluitvorming, met inbegrip
    van de politiek-ambtelijke besluitvorming, in het gedrang.

    12.2.6 Reorganisatie ministerie en reorganisatie OM

    De reorganisatie van het ministerie gaat in belangrijke mate samen
    met de reorganisatie van het OM en met verschuivingen in de
    relaties tussen het ministerie en het OM. De verhoudingen tussen
    het ministerie en het OM wijzigen zich. De Vergadering van
    procureurs-generaal werd voorgezeten door de secretaris-generaal
    van het ministerie van Justitie; het huidige College van
    procureurs-generaal vergadert in zijn afwezigheid. Het overleg
    tussen het ministerie en het OM heeft sinds januari 1995 plaats in
    de zogeheten overlegvergadering die door de minister van Justitie
    wordt voorgezeten. De voorzitter van het College van
    procureurs-generaal is het aanspreekpunt voor de minister.

    Richtlijnen van het OM worden niet langer vanuit het ministerie
    uitgegeven. Het Directoraat-generaal rechtspleging wordt een Dienst
    rechtspleging en gaat zelfstandiger functioneren. De
    beheersverantwoordelijkheid voor de parketten zal overgaan naar de
    hoofden van arrondissements- en ressortsparketten.

    Het ministerie heeft altijd veel dwarsverbanden met het OM
    gehad. In de vele commissies en werkgroepen die zich met
    vraagstukken aangaande de bestrijding van de georganiseerde
    criminaliteit bezig hielden, voerden ambtenaren van het ministerie
    meestal het secretariaat. Ook in het kader van de uitvoering van
    het project Georganiseerde criminaliteit zijn er altijd zeer
    intensieve contacten geweest. Te wijzen valt bovendien op de
    detachering van leden van het OM bij het ministerie van Justitie,
    op de recrutering van ambtenaren van Justitie bij het OM en vice
    versa en op de alledaagse contacten op verschillende niveaus. De
    veranderende verhouding tussen het ministerie en het OM brengt met
    zich mee dat het zwaartepunt in het werk van commissies,
    werkgroepen en projecten zal verschuiven van het ministerie naar
    het OM. De projecten van het Plan van aanpak reorganisatie
    openbaar ministerie
    van het OM worden door het OM zelf beheerd.
    Noot In toenemende mate wordt toegewerkt naar
    zelfbeheer, waarbij het College van procureurs-generaal de
    budgetten aan de parketten toedeelt. Dit laat de bevoegdheden en
    bemoeienis van de minister met de benoemingen bij het OM
    onverlet.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken