• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 12.3 Het ministerie van Binnenlandse Zaken

    12.3 Het ministerie van Binnenlandse Zaken

    De minister van Binnenlandse Zaken draagt de primaire
    verantwoordelijkheid voor de beleidsvorming en de formele en
    materile wetgeving met betrekking tot het binnenlands bestuur en de
    handhaving van de openbare orde. De verantwoordelijkheid van de
    minister van Binnenlandse Zaken voor de inrichting en werking van
    het binnenlands bestuur komt onder meer tot uitdrukking in zijn
    bemoeienis met de benoeming en bevordering van burgemeesters. De
    aandacht voor het binnenlands bestuur heeft zich de laatste tijd
    verruimd naar het openbaar bestuur als zodanig. Wijlen minister
    Dales heeft in dat verband de aanzet gegeven tot de publieke
    discussie over politieke, bestuurlijke en ambtelijke integriteit.
    Noot Onderdeel van de publieke discussie is de vraag
    naar de eventuele innesteling van de onderwereld in de politieke en
    bestuurlijke bovenwereld.

    Voorzover het de openbare orde betreft, oefent in ons land de
    burgemeester het gezag over de politie uit. Dit neemt niet weg dat
    de minister van Binnenlandse Zaken zich tegenover de Kamer moet
    verantwoorden wanneer de openbare orde in n of meer gemeenten
    ernstig verstoord is of dreigt te worden en de gezagsuitoefening
    door de burgemeester(s) bij de handhaving van de openbare orde
    onderwerp van veel publieke en politieke discussie wordt. Bij
    ordeverstoringen van nationale omvang gaat het niet alleen om
    verantwoording achteraf. In dergelijke situaties kan de minister
    van Binnenlandse Zaken aanwijzingen aan burgemeesters en
    commissarissen der Koningin geven.

    Het ministerie van Binnenlandse Zaken richt zich de laatste
    jaren op het bevorderen van integraal veiligheidsbeleid. Het gaat
    erom ter wille van het vergroten van de openbare veiligheid de
    schotten tussen politie, justitie en andere overheidsorganisaties
    bij Rijk, provincies en gemeenten te slechten. De bestuurlijke
    preventie en de justitile repressie grijpen bij integraal
    veiligheidsbeleid in elkaar. In toenemende mate wordt integraal
    veiligheidsbeleid verstaan als een gentegreerde
    bestuurlijk-justitile aanpak van de criminaliteit. Dit houdt in dat
    bij de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit niet alleen
    justitile inspanningen, maar ook gewapend bestuursrecht en
    bestuurlijke preventie geboden zijn.

    12.3.1 Beheer op afstand

    De minister van Binnenlandse Zaken draagt op centraal niveau de
    primaire verantwoordelijkheid voor het beheer van de regionale
    politiekorpsen. Deze beheersverantwoordelijkheid is van een andere
    aard dan de specifieke verantwoordelijkheden van de
    korpsbeheerders. Het ministerie van Binnenlandse Zaken voert beheer
    op afstand. Het beheer op afstand omvat een aanzienlijke reeks van
    activiteiten: managementontwikkeling; financieel toezicht met
    een behoorlijke boekhouding en een sluitende begroting,

    zonodig gevolgd door onder curatelestelling; ombuigen van een
    sterk op de input gerichte sturing en financiering in de richting
    van een stelsel dat meer aandacht legt op de resultaten; ter
    beschikking stellen van middelen volgens een nieuw verdeelsysteem
    (op basis van de werkdruk en veranderingen daarin); uniformeren van
    de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie.
    Noot Beheer
    op afstand wil niet zeggen dat de sturingscapaciteit van het
    ministerie van Binnenlandse Zaken beperkt zou zijn. In een aantal
    opzichten kunnen beslissingen van de minister van Binnenlandse
    Zaken bepalend zijn voor het functioneren van regionale
    politiekorpsen en voor de inter-regionale en landelijke
    samenwerking. De beslissingen van de minister met betrekking tot
    benoemingen van korpsbeheerders en korpschefs hebben grote invloed.
    In sommige gevallen zal hij zijn invloed aanwenden om het beheer en
    de onderlinge samenwerking te verbeteren.

    De minister van Binnenlandse Zaken stelt budgetten aan de
    regiokorpsen ter beschikking. Bij algemene maatregel van bestuur is
    geregeld dat de minister van Justitie mede de begroting dient vast
    te stellen. De minister van Binnenlandse Zaken houdt in
    overeenstemming met de minister van Justitie toezicht op het
    financile beheer van de regiokorpsen. Noot Hij heeft de
    bevoegdheid een door de korpsbeheerder of het regionaal college
    genomen besluit te wijzigen of niet uit te voeren, indien hij het
    onderhavige besluit niet voor zijn politieke verantwoording kan
    nemen. Hij kan deze bevoegdheid pas uitoefenen na overleg met de
    minister van Justitie. In bijzondere gevallen kan hij de
    commissarissen der Koningin en de burgemeesters aanwijzingen geven
    (artikel 16 lid 2 PW).

    Het ziet ernaar uit dat er op de kwaliteit en de kosten van het
    politiewerk in de komende tijd meer toezicht wordt gehouden.
    Binnenlandse Zaken richt een inspectie voor de politie op die met
    ingang van 1996 toezicht moet gaan houden op afspraken die ten
    aanzien van de kwaliteitszorg bij de politie zullen worden gemaakt.
    Noot Deze inspectie komt onder de verantwoordelijkheid en het
    beheer van de minister van Binnenlandse Zaken te functioneren.
    Daarnaast wordt er op de begrotingen van de regiokorpsen meer
    toezicht dan voorheen uitgeoefend.

    Kernteams

    Vooral Justitie is betrokken geweest bij de totstandkoming van
    de kernteams. Dit neemt niet weg dat Binnenlandse Zaken als
    beheerder op afstand een rol heeft gespeeld bij het afsluiten van
    de convenanten, met inbegrip van de financile paragrafen. In de
    convenanten is de verplichting opgenomen voor de teams om jaarlijks
    een plan van aanpak op te stellen en een verslag van werkzaamheden
    in te dienen. Voorts dient te worden gerapporteerd hoe de afspraken
    op het gebied van het beheer zijn gerealiseerd. Binnenlandse Zaken
    beziet daarbij de rechtmatigheid en doelmatigheid van de bestede
    gelden.

    De heer Dijkstal :
    Er zijn wat spelregels afgesproken over aparte financiering,
    over geen eigen
    CID en over het feit dat de mensen apart
    moeten zitten om het onderscheid te maken tussen de normale
    recherchemensen en het
    IRT. Ik heb de indruk – maar ik heb
    het laatste overzicht nog niet – dat het zo langzamerhand aardig
    geregeld is, op een enkel detail na, zoals de financile
    verantwoording naar de departementen.
    Noot

    Tot voor kort was de vraag of aanschaffingen worden gedaan ten
    behoeve van mogelijk betwistbare opsporingsmethoden, niet aan de
    orde. Maar sinds de IRT-affaire stelt ook de minister van
    Binnenlandse Zaken in de gesprekken met de kernteams de inzet van
    de opsporingsmethoden aan de orde.

    Opleidingen

    In juli 1992 werd het Landelijk selectie- en opleidingsinstituut
    politie (LSOP) opgericht. Met het oog op de reorganisatie van de
    politie moesten de verschillende opleidingen die werden gegeven
    door de opleidingsinstituten van gemeente- en rijkspolitie worden
    gentegreerd. Tot die tijd waren respectievelijk de ministeries van
    Binnenlandse Zaken en Justitie verantwoordelijk voor deze
    opleidingen. De oprichting van het LSOP betekende de
    verzelfstandiging van het politie-onderwijs ten opzichte van de
    ministeries. Voor de financiering van de opleidingen zijn de
    onderscheiden opleidingsinstituten nu afhankelijk van het LSOP.
    Voorheen konden de opleidingsinstituten daarover rechtstreeks met
    het betreffende ministerie overleg voeren. Vanuit onder andere de
    Rechercheschool is diverse keren kritiek geleverd op de disharmonie
    van vraag en aanbod. Binnenlandse Zaken heeft daarop volgens zeggen
    niet adequaat gereageerd. Dat is opmerkelijk omdat de
    verantwoordelijk voor (de kwaliteit van) het politiepersoneel in
    het geding kan komen. Het is opvallend, dat politiedepartementen
    en opsporingspraktijk gedurende reeds vele jaren feitelijk
    akkoord

    gaan met de absolute onmogelijkheid voor de Rechercheschool
    om aan de massale opleidingsvraag te voldoen. De kennelijke
    onvrede op dit punt blijft in de korpsen bestaan, zolang de in
    kwalitatief (lees: verscheidenheid aan cursussen) en in
    kwantitatief (lees: hoeveelheid op te leiden cursisten) opzicht
    voortdurend groeiende vraag het aanbod overmatig blijft
    overtreffen. Of het nu symposia of opleidingen betreft, steeds weer
    is de uitslag dezelfde; een afwijzigingspercentage dat soms tot
    zelfs 85% kan oplopen.
    Noot De contacten tussen de
    opleidingsinstituten en de ministeries van Binnenlandse Zaken en
    van Justitie zijn met de komst van het LSOP geminimaliseerd. Van de
    zijde van de onderscheiden opleidingsinstituten wordt beweerd dat
    het LSOP de opleidingsinstituten te weinig zou sturen.

    Inmiddels is het functioneren van het LSOP gevalueerd.
    Noot Enkele conclusies: het LSOP heeft een zwakke
    relatie met de verschillende opleidingsinstituten; het LSOP heeft
    onvoldoende zicht op wat er in het politieveld leeft; het LSOP is
    een bureaucratische beheersstructuur; het LSOP is een opgetuigde
    structuur die niet aan de inhoud toekomt. In veler ogen ontbreekt
    de toegevoegde waarde van het LSOP.

    12.3.2 Opsporingsmethoden

    Binnen het ministerie was lange tijd de veronderstelling dat het
    recherchewerk een prerogatief was van het ministerie van Justitie.
    Pas na de eerste incidenten werd beseft dat aan recherchemethoden
    ook aspecten van beheer, personeelszorg en ethiek kleven.

    De toelaatbaarheid en het gebruik van opsporingsmethoden vallen
    primair binnen de verantwoordelijkheid van de minister van
    Justitie. Indien echter het gebruik van opsporingsmethoden de
    werkverhoudingen in en tussen regiokorpsen benvloedt of indien
    daarbij de veiligheid van politiepersoneel in het geding is, draagt
    de minister van Binnenlandse Zaken daarvoor een
    mede-verantwoordelijkheid.

    De heer Koekkoek:
    Hoe ziet u als oud-minister van Binnenlandse Zaken de
    verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken – hij
    heeft toch te maken met de
    korpsbeheerders en hij is
    verantwoordelijk voor het grootste deel van de politiebegroting –
    voor opsporingsmethoden?
    De heer Van Thijn:
    Ik vind dat de minister van Binnenlandse Zaken vooral te
    waken heeft over de integriteit. De politie dient te functioneren
    onder het bevoegde gezag en in overeenstemming met de heersende
    regels. Het is met name de taak van de minister van Binnenlandse
    Zaken om op dat laatste ook toe te zien en een marginale toetsing
    uit te voeren. Het voortouw ligt hier natuurlijk volop bij de
    minister van Justitie.
    Noot
    De heer Koekkoek:
    Ik wilde nog met u spreken over uw verantwoordelijkheid als
    minister van Binnenlandse Zaken voor opsporingsmethoden. In
    hoeverre is de minister van Binnenlandse Zaken verantwoordelijk
    voor de organisatie van opsporingsmethoden en voor
    criminele
    inlichtingendiensten die zich daarmee bezighouden? Hoe ziet u
    dat?
    De heer Dijkstal:
    Wij hebben het nu niet over de beleidsmatige kant van de
    zaak, want dat doe je met elkaar in het kabinet. Ik denk dat er
    vanuit Binnenlandse Zaken een aantal speciale invalshoeken zijn. In
    de eerste plaats is er het beheer op afstand. Wat dat precies is,
    weet ik nog niet helemaal met deze Politiewet. Het suggereert in
    ieder geval dat er aan de beheersmatige kant van de zaak een
    medeverantwoordelijkheid is van de minister van Binnenlandse
    Zaken.
    Noot

    Beheer op afstand vergt enerzijds wijze zelfbeperking van de kant
    van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Anderzijds is de
    mede-verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken op
    dit terrein, zoals gezegd, langzamerhand in toenemende mate in
    beeld gekomen. In de IRT-affaire was de minister van Binnenlandse
    Zaken op beslissende momenten nadrukkelijk aanwezig.

    Het nieuw benoemde hoofd van de nieuwe Inspectie voor de politie
    ziet de organisatorische regelingen van de CID-en als n van zijn
    mogelijke aandachtsgebieden. Noot

    12.3.3 Korpsbeheerders

    Het beheer op afstand vanuit het ministerie van Binnenlandse
    Zaken komt tot uitdrukking in de relaties met de korpsbeheerders
    van de vijfentwintig regionale politiekorpsen. Er is veelvuldig
    contact met de korpsbeheerders, vaak ook in het bredere kader van
    hun rol als burgemeester van een grote stad. Het ministerie
    onderhoudt intensief contact met de voorzitter van het informele
    Korpsbeheerdersberaad. Onder de korpsbeheerders bestaan
    uiteenlopende opvattingen over hun bevoegdheden en
    verantwoordelijkheden met betrekking tot het gebruik van
    opsporingsmethoden. De huidige voorzitter van het
    Korpsbeheerdersberaad gaat zo ver dat hij vanuit zijn
    verantwoordelijkheid voor het goede beheer van zijn
    korps – waaronder begrepen het garanderen van voldoende veiligheid
    aan het politiepersoneel – een vetorecht claimt.

    De heer Rabbae:
    Vindt u dat de korpsbeheerder in principe een veto
    kan uitspreken over de inzet van een methode?
    De heer d’Hondt:
    Jazeker.
    De heer Rabbae:
    In welke gevallen?
    De heer d’Hondt:
    Als het gaat om de veiligheid van het personeel of om de
    hoeveelheid personeel die wordt ingezet. Dat zijn de belangrijkste
    redenen, denk ik. Soms zit het ook in de arbeidsvoorwaarden.

    Noot

    Andere korpsbeheerders gaan daarin minder ver. Het ligt dan mede op
    de weg van Binnenlandse Zaken om te proberen de korpsbeheerders op
    n lijn te krijgen. Daartoe is een interne notitie opgesteld over de
    verantwoordelijkheid van korpsbeheerders voor de toepassing van
    opsporingsmethoden. Deze notitie is besproken in het
    Korpsbeheerdersberaad en in grote lijnen onderschreven.
    Noot

    12.3.4 Binnenlandse veiligheidsdienst

    De minister van Binnenlandse Zaken draagt de politieke
    verantwoordelijkheid tegenover het parlement voor de activiteiten
    van de Binnenlandse veiligheidsdienst. Noot Het hoofd
    van de dienst is verplicht al hetgeen van belang kan zijn, ter
    kennis te brengen van de minister van Binnenlandse Zaken.

    De voorzitter:
    Is het zo dat de minister van Binnenlandse Zaken alles mag
    weten?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Ja, het hoofd van de BVD is verplicht om de minister
    op de hoogte te stellen van alles wat van belang kan zijn.

    Noot

    De minister van Binnenlandse Zaken informeert de vaste Commissie
    voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vertrouwelijk over
    zaken die buiten de openbaarheid dienen te worden gehouden.
    Noot

    12.3.5 Organisatie ministerie van Binnenlandse Zaken

    Het ministerie van Binnenlandse Zaken kent vier
    directoraten-generaal en een aantal stafafdelingen. Het
    Directoraat-generaal voor openbare orde en veiligheid is in het
    onderhavige kader het meest van belang. Het directoraat-generaal
    heeft zich de afgelopen jaren veel inspanningen getroost om het
    zogeheten integrale veiligheidsbeleid te stimuleren. Het omvat twee
    directies, waaronder de Directie politie. Deze directie heeft onder
    meer tot taak het beheer op afstand van de regiokorpsen vorm te
    geven. Het Directoraat-generaal voor openbaar bestuur – vroeger
    binnenlands bestuur – komt in beeld bij de voorbereiding van
    benoemingen van burgemeesters, dus ook van
    burgemeesters/korpsbeheerders, en bij de beleidsontwikkeling
    gericht op vraagstukken van bestuurlijke integriteit.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken