• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 3.2 Organisatie CID

    3.2 Organisatie CID

    3.2.1 Taak

    Taakomschrijving CID

    De taak van de criminele inlichtingendiensten is volgens artikel
    2 CID-regeling 1995 het bevorderen van: a. de opsporing van
    misdrijven die gezien hun ernst of frequentie dan wel het
    georganiseerd verband waarin ze worden gepleegd, een ernstige
    inbreuk op de rechtsorde maken;

    b. de opsporing van natuurlijke en rechtspersonen die zich aan
    deze misdrijven schuldig maken of hebben gemaakt;
    c. het voorkomen van dergelijke misdrijven;
    d. het inwinnen van gegevens omtrent de financile situatie van de
    natuurlijke en rechtspersonen, genoemd onder b.
    De taak van de CID-en laat zich het best omschrijven als het
    systematisch en gericht inwinnen van gegevens over ernstige
    criminaliteit en de (potentile) daders daarvan. De
    inlichtingendienst werd door de werkgroep-Vermeij gezien als een
    hulpdienst van de tactische recherche, die niet zelfstandig
    volledige opsporingsonderzoeken zou moeten uitvoeren. De CID-en
    hebben in die visie een recherche ondersteunende functie, wat de
    mogelijkheid niet uitsluit dat de CID ook handelingen gedurende het
    tactisch onderzoek verricht. In de loop der jaren is het
    onderscheid tussen het inlichtingenwerk en de bewijsvoering steeds
    nadrukkelijker gemaakt. Het inlichtingenwerk behoeft immers niet
    zoals gewoon tactisch onderzoek, betrekking te hebben op een reeds
    gepleegd strafbaar feit. Het inlichtingenwerk vindt bovendien
    veelal plaats op een moment dat met reguliere strafvorderlijke
    middelen (nog) niets kan worden uitgericht. Dit is het geval
    wanneer tegen een bepaalde persoon te weinig bezwarend materiaal
    voorhanden is om hem aan te merken als verdachte in de zin van
    artikel 27, eerste lid Wetboek van Strafvordering of omdat de
    opsporingsmethoden niet bij de verdachte bekend mogen worden,
    danwel in het geval dat onderzoek plaatsvindt op basis van
    vermoedens omtrent toekomstige – nog te plegen – strafbare feiten.
    In de literatuur wordt dit type opsporingswerk gelijk gesteld met
    het onderzoek in de proactieve fase en veelal aangeduid als
    CID-matig onderzoek.

    De voorzitter :
    (….) wat is CID-matig?
    De heer Mosterd:
    CID-matig is voor mij het inwinnen van inlichtingen, middels
    personen en middels methodieken, in een fase vrdat er een
    opsporingsonderzoek is of in de fase parallel aan een
    opsporingsonderzoek.
    De voorzitter:
    En wat is er dan bijzonder aan?
    De heer Mosterd:
    Het bijzondere aan de opsporingsmethodieken is mijns inziens
    dat zij nog niet bij wet

    geregeld zijn en dat het methodieken zijn ten aanzien waarvan
    wij over het algemeen de wijze waarop wij die toepassen, zo min
    mogelijk aan de grote klok hangen.
    De voorzitter:
    Is dat een ander woord voor: geheim houden?
    De heer Mosterd:
    Ja.
    De voorzitter:
    Dus het woord CID-matig betekent niet zozeer: de
    informatieve voorfase of de pro-actieve fase, zoals die ook wel
    genoemd is. Het wezenlijke kenmerk is in feite dat je, naast
    bijvoorbeeld een tactisch onderzoek, een CID-traject hebt waar de
    dingen geheimer gebeuren?
    De heer Mosterd:
    Ja, zo interpreteer ik het in ieder geval wel en zo hebben
    wij het ook in onze regio georganiseerd. Ik heb ook gehoord van
    andere korpsen waar tactische teams bijzondere
    opsporingsmethodieken hanteren, maar in Hollands Midden is het zo
    georganiseerd dat al die bijzondere opsporingsmethodieken zoals wij
    ze nu noemen, in feite door de CID worden uitgevoerd, c.q. met
    behulp van anderen worden uitgevoerd.
    Noot

    Ter verduidelijking is het verantwoord de volgende tegenstelling
    tussen het werk van de CID en de tactische recherche te schetsen.
    De gegevensverzameling door de tactische recherche heeft betrekking
    op feiten met het doel de plegers van die feiten te achterhalen; de
    gegevensverzameling door een CID heeft veeleer betrekking op
    personen en groepen met het doel de door dezen gepleegde of te
    plegen feiten te achterhalen en/of te voorspellen.

    Bewijs en inlichtingen

    Het onderscheid tussen inlichtingenwerk en bewijsvoering heeft
    ook zijn beslag gekregen in de organisatie van de politie. De CID
    en de tactische recherche zijn afzonderlijke eenheden. Het
    inlichtingenwerk is de taak van de CID; de bewijsvoering is de taak
    van de tactische recherche. Het geheime inlichtingenwerk is niet
    bedoeld om ter zitting aan de orde te komen, maar moet gegevens
    opleveren om de opsporing te sturen. In feite behelst deze sturing
    twee onderscheiden zaken. Ten eerste wordt (mede) aan de hand van
    CID-gegevens bepaald welke zaken in onderzoek worden genomen. Ten
    tweede heeft de tactische recherche tijdens een lopend onderzoek
    baat bij CID-informatie, teneinde te kunnen bepalen welke personen
    of gebeurtenissen in het kader van een lopend onderzoek nadere
    opsporingsactiviteiten vergen. In verband met dit laatste is vooral
    de informatie van belang die afkomstig is van door de CID gerunde
    informanten. Het runnen van informanten is een taak die exclusief
    is voorbehouden aan de CID. Het ligt voor de hand dat een bestaand
    contact met een informant (die niet als getuige wenst op te treden)
    niet wordt afgebroken, zodra iemand over wie de informant
    inlichtingen heeft verstrekt als verdachte wordt aangemerkt. Dit
    heeft evenwel tot gevolg dat, parallel aan het tactisch
    opsporingsonderzoek waarvan de resultaten uiteindelijk in de
    openbaarheid van de terechtzitting zullen worden gepresenteerd, de
    CID bij dezelfde zaak betrokken is.

    De volle betekenis van deze sturende taak van de CID dient
    begrepen te worden tegen de achtergrond van de taakopvatting van de
    CID-functionarissen. Zij zien het als eerste verantwoordelijkheid
    hun bronnen te beschermen: beschermen zij hun informanten niet, dan
    drogen de bronnen snel op. Het kernprobleem van het
    inlichtingenwerk is weer te geven in de vraag: Hoe maken we de
    CID-informatie operationeel? Of: hoe geven we de tactische
    recherche informatie zonder dat de informant of de bron risico
    loopt? Deze benadering heeft de facto tot gevolg dat de CID bepaalt
    welke informatie de tactische recherche krijgt aan de hand van een
    andere maatstaf dan de behoefte van de tactische recherche. In de
    praktijk doen de CID-ers tijdens een tactisch onderzoek soms, door
    met de wenkbrauwen te trekken of instemmend te knikken, suggesties
    over de kant die het onderzoek op zou moeten gaan. Alleen al
    vanwege de bronbescherming kan de CID de sturing dus niet zo ver
    laten komen dat zij wordt beschouwd als leidinggevend aan het
    opsporingsonderzoek. Dat er ook andere, organisatorische redenen
    zijn welke de door de CID geleverde sturing beperken, staat
    uiteraard buiten kijf. De opvatting van de werkgroep-Vermeij dat de
    CID een louter ondersteunende eenheid is ten behoeve van de
    tactische recherche, blijkt derhalve hiermee in praktijk niet
    houdbaar. Bovendien blijkt dat er ook tijdens een
    opsporingsonderzoek of zelfs tijdens een (al dan niet tegen een
    NN-verdachte geopend) gerechtelijk vooronderzoek een zogenaamd
    CID-matig onderzoek kan lopen, waarvan de resultaten niet (ook niet
    ter terechtzitting) worden openbaar gemaakt. Noot

    Drugs en andere zaken

    Het criminele inlichtingenwerk is het vergaren van inlichtingen
    over personen en organisaties die zich met criminaliteit
    bezighouden. In beginsel gaat het daarbij niet om elke vorm van
    criminaliteit, maar om die criminaliteit die gelet op de
    frequentie, ernst dan wel het georganiseerde verband waarin zij
    wordt gepleegd,
    een ernstige inbreuk op de rechtsorde vormt.
    Binnen een aantal CID-en beperkt het werkterrein zich evenwel
    vooral tot de lokale ernstige criminaliteit binnen het traditionele
    criminele milieu. Dat is ook traditioneel het werkterrein; daar
    ligt hun expertise. De CID-rechercheurs streven ernaar informatie
    te krijgen die ze later ergens in het korps kwijt kunnen. Om deze
    redenen gaat de meeste aandacht van de regionale CID uit naar
    informanten die iets kunnen vertellen over drugs, geweldplegingen
    en overvallen. En daarom ook is men binnen sommige districten
    vooral – zo niet uitsluitend – gericht op de lokale criminaliteit:
    daar richt het inlichtingenwerk zich ook op graffiti-spuiters en
    bromfietsendieven.

    In veel regio’s wordt aangedrongen op een ander type informanten
    en een ander soort criminaliteit als object van onderzoek, in het
    bijzonder milieu- en financile criminaliteit. De wens hiertoe wordt
    ook vaak door het openbaar ministerie uitgesproken.

    In 1990 is door de Recherche advies commissie (RAC) een
    Werkgroep zware milieucriminaliteit ingesteld. De RAC was toen
    namelijk van mening dat de politile milieutaak niet de aandacht had
    gekregen die gezien het probleem gerechtvaardigd zou zijn en dat er
    tevens onvoldoende bekendheid bestond over de deskundigheid die de
    politie zou moeten bezitten om onderzoeken naar zware
    milieucriminaliteit uit te kunnen voeren. In 1992 brengt de
    Werkgroep zware milieucriminaliteit verslag uit.
    Noot Ten aanzien van de CID en de
    informatievoorziening in een voorfase voorafgaand aan het eigenlijk
    opsporingsonderzoek signaleert de werkgroep de volgende knelpunten.
    Er is onvoldoende materiedeskundigheid bij de politie. Er kan nog
    niet voldoende politiecapaciteit worden ingezet op de vergaring van
    milieu-informatie. De CID-en zijn op dat moment nog overwegend
    gericht op drugs-, vuurwapen- en ernstige vermogenscriminaliteit.
    De informatievoorziening is nog onvoldoende gestructureerd. Er is
    een gebrekkige
    informatie-uitwisseling tussen bestuur en
    politie/justitie. Tenslotte vormt de privacy-wetgeving (de Wet

    politieregisters en de Wet persoonsregistraties) een drempel
    voor de
    informatie-uitwisseling. Een van de
    RAC-initiatieven is de CID-en in te zetten bij de bestrijding van
    de zware milieucriminaliteit. De CID-en zullen hun nieuwe
    activiteiten met name in de bovenwereld moeten ontplooien.
    Voorgesteld wordt een viertal CID-pilotprojecten te starten,
    die gefinancierd worden met gelden voortvloeiend uit het Nationaal
    milieubeleidsplan (NMP). Specifieke aandachtspunten zijn het gebrek
    aan kennis van de materie, de traditionele subjectgerichte
    informatieverzameling van de CID, die niet altijd aansluit bij de
    bedrijfsmatige illegale activiteiten binnen de milieucriminaliteit,
    en de geringe kennis van en ervaring met de informatie-inwinning in
    de legale bovenwereld Noot : de omgang met informanten
    uit het legale bedrijfsleven vergt andere bekwaamheden dan die met
    informanten uit de wereld van de drugshandel. Inmiddels blijkt het
    belang van een gestructureerde informatie-inwinning over zware
    milieucriminaliteit erkend te zijn door de politie. In enkele
    politieregio’s functioneren milieukoppels, dat wil zeggen twee
    informatierechercheurs die zich richten op milieustrafzaken en hun
    informanten mede zoeken in het bedrijfsleven en bij de (lagere)
    overheid.

    In het regiokorps Noord- en Oost-Gelderland is sinds januari
    1994 een speciaal milieukoppel actief. Tot nu toe concentreert hun
    werk zich vooral op de illegale afvalverwerking. In het verschiet
    liggen projecten met betrekking tot de bedreigde uitheemse
    diersoorten. De aanpak van milieucriminaliteit door de CID verloopt
    echter niet vlekkeloos. In bijvoorbeeld het regiokorps
    Zuid-Holland-Zuid had de CID in samenwerking met de
    CRI een
    pilot opgezet om milieu op te pakken. Het bleek voor dat regiokorps
    moeilijk CID-rechercheurs te vinden die voor dat taakveld waren te
    porren.

    Het komt vaker voor dat CID-activiteiten betrekking hebben op
    organisaties met een breed palet aan activiteiten als gevolg
    waarvan de CID geconfronteerd wordt met subjecten die zich
    bezighouden met delicten als mensenhandel en credit-cardfraude. De
    geringe gerichtheid van de CID op andere delicten dan traditionele
    vermogenscriminaliteit, vuurwapen- en drugcriminaliteit wordt niet
    alleen verklaard door het gebrek aan kennis en expertise van de
    CID-rechercheurs op andere terreinen, maar ook door de geringe
    afzetmogelijkheden van hun bevindingen bij de tactische
    recherche.

    Misdaadanalyse

    Naast het actieve vergaren van inlichtingen (vooral door middel
    van het runnen van informanten) is de opslag en verwerking van
    andere – elders gegenereerde – informatie een taak van de CID. Het
    gaat dan om gegevens die reeds bestaan in andere openbare bronnen
    (media, registers van Kamers van Koophandel), in gesloten registers
    (van banken, luchtvaartmaatschappijen, verzekeraars) en om gegevens
    die afkomstig zijn van de recherche en de uniformdiensten bij de
    politie.
    Hoewel het belang van misdaadanalyse wordt onderkend, is het
    inlichtingenwerk van de CID in de regiokorpsen vooral gericht op
    het inwinnen van nieuwe informatie. Die informatie wordt beperkt
    systematisch verwerkt en matig diepgravend geanalyseerd. De analyse
    van alle gegevens staat bij de CID-en nog in de kinderschoenen. In
    de korpsen met een volwaardige afdeling Misdaadanalyse is
    misdaadanalyse dikwijls niet veel meer dan een methode om gegevens
    te ordenen in een complexe zaak. Dan worden dadergroep-analyses
    gemaakt, veelal afgewisseld met onderzoek naar bepaalde facetten
    van een concrete, tactisch gemaakte zaak. Noot

    3.2.2 Plaats binnen het korps

    Volgens artikel 1 CID-regeling 1995 zijn er bij de reguliere
    politiekorpsen regionale criminele inlichtingendiensten en is er
    een nationale CID (NCID). Noot Ten aanzien van de
    organisatie van de regionale criminele inlichtingendiensten is de
    regeling summier. Hetzelfde geldt voor de andere in het Besluit
    beheer regionale politiekorpsen genoemde korpsonderdelen, alsmede
    voor de inrichting van het regionale politiekorps als zodanig. Het
    gevolg van deze marginale organisatorische aanwijzingen is dat geen
    twee van de organogrammen van de 25 regionale politiekorpsen aan
    elkaar gelijk zijn. Dientengevolge verschilt de structuur van elke
    regionale inlichtingendienst per korps. Geheel los hiervan staat
    dat elk korps een geheel eigen terminologie heeft voor
    organisatie-onderdelen en overleg- en besluitvormingstructuren. Ook
    de personele omvang van de RCID-en varieert in aanzienlijke mate,
    uiteenlopend van 5 tot 60 personen. In totaal zijn er thans 339
    formatieplaatsen voor CID-rechercheurs, 46 voor CID-leidinggevenden
    en 163 formatieplaatsen voor misdaadanalisten. Noot
    Binnen elk korps is een Regionale criminele inlichtingendienst
    aangewezen. En zelfs dit is een onderwerp van discussie: de
    discussie over de mogelijkheid vijf, zes of zeven CID-en in te
    richten voor het gehele land is nog niet beindigd.

    District en regio

    De werkgroep-Vermeij pleitte er in 1977 voor de criminele
    inlichtingendiensten deel te laten uitmaken van de recherchedienst
    en onder verantwoordelijkheid van het hoofd van de justitile dienst
    te laten functioneren. De criminele inlichtingendiensten zouden op
    drie niveaus actief moeten zijn, te weten lokaal, regionaal (RCID)
    en landelijk (NCID). Dit model werd in de CID-regeling 1986
    gevolgd.

    Het lokaal niveau duidde in die tijd op de 148
    Gemeentepolitiekorpsen en 16 Rijkspolitiedistricten, de
    Rijkspolitie te water en de Dienst Luchtvaart van de Rijkspolitie.
    De CID-en van de korpsen die in de Basisregeling regionale
    samenwerking politie waren aangewezen, fungeerden als cordinerende
    c.q. regionale CID. Het landelijke niveau duidt op de LCID die bij
    de
    CRI is georganiseerd. Op grond van de CID-regeling
    1986 dient de CID-functie zowel op het regionale als op het lokale
    niveau gestalte te krijgen. Die ratio werd door de
    politiereorganisatie niet doorkruist. De politiereorganisatie
    impliceerde wel dat de lokale CID-en deel gingen uitmaken van n
    hirarchische structuur waarin de RCID een cordinerende functie
    had.

    Hiervoor werd reeds gewezen op de grote diversiteit waarmee de
    politie in den lande is georganiseerd. Teneinde de betekenis van
    deze diversiteit voor de CID-organisaties te schetsen, worden eerst
    drie hoofdvormen genoemd. In de regio Flevoland is de RCID een
    geheel gecentraliseerde dienst. Noot In de regio
    Brabant-Zuid-Oost daarentegen bestaat de RCID de facto niet, maar
    bestaan achttien districtelijke CID-en, welke autonoom
    opereren.

    De heer Koekkoek:
    U hebt in het regiokorps ook 18 afdelingen, zeg maar
    districten, de meer gangbare term. Hoe moeten wij dat nu zien? Want
    je hebt dan bovenin het korps de afdeling georganiseerde
    criminaliteit, je hebt 18 districten of afdelingen. Wat is nu de
    plaats van de
    criminele inlichtingendienst in dat geheel? En
    ik vergat nog te vermelden dat er in Zuid-Nederland ook nog een

    kernteam is, ook weer met een CID-functie. Kunt u schetsen hoe
    dat ingewikkelde geheel zich tot elkaar verhoudt?
    De heer Van Amerongen:
    Allereerst zitten wij niet bovenin het korps, maar zijn wij
    gewoon een afdeling net zoals alle andere afdelingen binnen ons
    korps. Wij hebben besloten de CID-functie dichter naar de werkvloer
    te brengen, in die zin dat wij vinden dat vraag en aanbod binnen
    het CID-veld beter op elkaar afgestemd moeten worden. Ik kan mij
    ook voorstellen dat je als afdelingschef te maken hebt met een
    aantal woninginbraken of overvallen om de hoek en dat je dan geen
    behoefte hebt aan informatie over georganiseerde criminaliteit,
    omdat je juist wilt weten wie die woninginbraken pleegt. Wij hebben
    CID-rechercheurs gedecentraliseerd weggezet: elke afdeling heeft
    een eigen CID-rechercheur. De rechercheurs

    vormen wel weer met elkaar koppels en koppelgewijs gaan zij voor
    de afdeling informatie inwinnen. Wij hebben daar binnen elke
    afdeling een coach en een chef voor.

    De heer Koekkoek:
    Hoe houdt u nu de CID-mensen bij elkaar, hoe kan daar
    leiding aan gegeven worden? U bent tegelijk CID-chef voor uw
    afdeling, dus u hebt ook zelf CID-mensen. Ze zitten in de 18
    afdelingen, ze zitten in het
    kernteam Zuid-Nederland. Hoe
    vindt de cordinatie plaats tussen al dat CID-werk?
    De heer Van Amerongen:
    Ik denk dat dat op dezelfde manier als vroeger gebeurt,
    namelijk dat je in ieder geval een centraal punt hebt. Dat is onze
    regionale CID. Daar zitteneen aantal mensen die ervoor zorgdragen
    dat de boel gecordineerd wordt, zoals dat zo fraai heet.
    De heer Koekkoek:
    Hoe groot is die regionale criminele
    inlichtingendienst?
    De heer Van Amerongen:
    Er zitten in ieder geval drie executieve mensen en een
    aantal administratieve mensen die hand- en spandiensten verrichten
    om in ieder geval de boel op een rijtje te blijven zetten.
    De heer Koekkoek:
    Wat voeren die executieve mensen uit?
    De heer Van Amerongen:
    Die zijn met name bezig met het cordineren van de
    CID-gegevens die binnenkomen. Op het moment dat je decentraliseert
    en vraag en aanbod op de werkvloer dichter bij elkaar brengt, moet
    je meer energie steken in het steeds blijven vasthouden van het
    regionale beeld. Dat hebben wij dus ook inderdaad gedaan.

    Noot

    In het korps Hollands Midden is een tussenweg gekozen: daar zijn
    CID-rechercheurs op districtsniveau werkzaam, maar ze worden
    centraal, door de chef RCID, aangestuurd.
    In de meeste korpsen zijn onderdelen van de RCID overgebracht naar
    de districten en is een beperkt aantal CID-rechercheurs bestemd
    voor de centrale dienst van de regio.
    Zo wordt de Utrechtse regionale afdeling van de tactische
    recherche die de georganiseerde misdaad aanpakt door vier
    CID-rechercheurs ondersteund, maar zijn er verder zes koppels die
    de districten ondersteunen. In enkele andere grootstedelijke
    regio’s zijn naast de organisatie van de districts-CID (waarbij een
    hoge graad van autonomie aan de districten toekomt) aparte centrale
    CID-en ten behoeve van de bestrijding van georganiseerde misdaad
    opgezet.

    De geografisch gebonden CID-onderdelen worden doorgaans
    feitelijk aangestuurd vanuit de districten, ongeacht waar de
    bevoegdheid voor de toegepaste methode van informatieverzameling is
    neergelegd, en niet vanuit de RCID.

    In Amsterdam-Amstelland zijn de uitgangspunten neergelegd in
    de notitie Visie op criminele informatiehuishouden. Deze houden in
    dat er een RCID is onder de verantwoordelijkheid van CDCR (chef
    Dienst Centrale Recherche). In elk van de negen districten is een
    DCID (districts-CID) op- en ingericht onder verantwoordelijkheid
    van de districtschef. De functionele verantwoordelijkheid voor de
    RCID ligt tijdelijk bij de CBRI (Chef bureau recherche-informatie)
    en voor de DCID onder
    CBO (Chef bureau ondersteuning).
    Noot De grondgedachte is dat elk district een identieke
    opbouw heeft, die gelijk is aan die van de centrale diensten. De
    aansturing van de CID vanuit de districten draagt het gevaar van
    versnippering en verzelfstandiging van de CID in het district in
    zich, hetgeen in Rotterdam heeft geleid tot het oprichten van een
    CID voor de Regionale recherchedienst die evenals de
    districts-CID-en valt onder de RCID.

    In alle korpsen ligt de verantwoordelijkheid voor opslag,
    verwerking, beheer en verstrekking van de informatie echter wel bij
    de RCID-chef. Formeel is deze ook verantwoordelijk te stellen voor
    het CID-werk en de toegepaste werkmethoden van de zes kernteams die
    elk organisatorisch zijn ondergebracht bij een regio.
    Noot De RCID-chef vertegenwoordigt de dienst naar
    buiten. Hij verstrekt de criminele informatie aan derden, binnen en
    buiten het korps. Hij zal derhalve overleg voeren met de chef van
    de
    tactische recherche die verantwoordelijk is voor de
    opsporing van concrete zaken en het verzamelen van
    bewijsmateriaal.

    Relatie CID-tactische recherche

    Doorgaans vormt de CID een afdeling (of een bureau binnen een
    afdeling criminele informatie) in de Divisie georganiseerde
    criminaliteit. In diezelfde divisie kunnen dan een afdeling
    tactische recherche en een of meer afdelingen ondersteunende
    diensten worden aangetroffen. De mate waarin de divisiechefs de
    CID-afdelingen autonoom optreden toestaan varieert per regio.

    In Utrecht was de situatie tot 1995 zo dat de
    inlichtingendienst nagenoeg volledig autonoom was en gescheiden was
    van de
    tactische recherche. Elders, bijvoorbeeld in
    Amsterdam, was de vrije ruimte van de CID veel geringer.

    Ook verschilt het per regio in welke mate zogenaamde projectteams
    worden samengesteld, waarbij tactische rechercheurs,
    CID-rechercheurs en eventueel mensen van ondersteunende diensten
    samenwerken onder leiding van een doorgaans van de tactische
    recherche afkomstige projectleider. In die gevallen zijn de
    CID-rechercheurs gecommitteerd om voor de recherche te werken en is
    de recherchechef verantwoordelijk voor de CID-ers voor zover die
    voor hem werken.

    De taakverdeling tussen tactische recherche en CID levert
    gecompliceerde werkverhoudingen op. Noot Grofweg wordt
    dit veroorzaakt door de taakopvatting die de diensten jegens elkaar
    (erop) nahouden en door de daarmee samenhangende wederzijdse
    waardering. In wezen kunnen deze verschijnselen worden teruggevoerd
    op de tegenstrijdigheid in de wijze van werken met informanten.
    Noot Eerder werd gewezen op de opvatting van tactische
    rechercheurs dat de CID er is ter ondersteuning van de tactische
    recherche. Tegelijkertijd acht de CID het in verband met de
    behoefte aan geheimhouding van de identiteit van informanten van
    groot belang zelf te bepalen op welk moment welke informatie in
    welke vorm aan de tactische recherche wordt gegeven.

    De tactische recherche is gehouden om in het kader van een
    opsporingsonderzoek personen die informatie willen verstrekken,
    maar op voorwaarde dat zij niet als getuige zullen optreden, over
    te dragen aan de CID. In dat geval kan de recherche niet om de CID
    heen en kan de CID wel degelijk worden beschouwd als een
    ondersteuning van de recherche.

    CID-informatie wordt door de tactische recherche, zeker in de
    beginfase van onderzoeken, nuttig geacht; voor latere fasen in het
    opsporingstraject wordt de CID-informatie vaak te weinig
    betrouwbaar of te weinig bruikbaar geacht. Dit laat zich ook
    verklaren: de CID draagt vaak grote recherche-onderzoeken aan,
    doordat zij informanten hebben die over de zaak tippen. Na keuze
    van het onderzoek wordt de positie van de informant precair vanwege
    de belangstelling van de tactische recherche voor de herkomst van
    informatie. De CID vindt dat de tactische recherche in sommige
    gevallen onzorgvuldig met CID-informatie omgaat.

    De heer Van Amerongen:
    Wij hebben het binnen onze afdeling zo geregeld dat de
    onderzoeksleider wel op de hoogte is van alles. Maar
    CID-rechercheurs moeten juist niet aan elke rechercheur vertellen
    waar de informatie vandaan komt en wie erachter zit. Dat is op
    zichzelf wel redelijk gescheiden. Daar staat wel tegenover dat ik
    vind dat rechercheurs ook moeten leren om heel goed na te denken en
    moeten weten wat CID is en wat tactisch is. Daar hebben wij op
    zichzelf nog geen blunders of fouten mee gemaakt.
    De voorzitter:
    Maar wat is nu CID en wat is tactisch? U zegt nu dat een
    rechercheur moet weten wat CID en wat tactisch is. Maar wat bedoelt
    u daarmee?
    De heer Van Amerongen:
    Dat is misschien even een jargonterm. Wat ik ermee bedoel,
    is in feite dat je op het moment dat je met informatie werkt, ook
    heel goed weet wat de oorsprong is. En ik verwacht dus van de
    mensen op mijn afdeling dat ze elke keer heel goed nadenken of ze
    iets kunnen zeggen, of ze de bron kunnen prijsgeven, of juist niet.
    Ik vind ook dat ze daarmee kunnen omgaan. Want het verschil tussen
    tactische informatie en CID-informatie is niets meer en niets
    minder dan dat bij het laatste de bron niet kan worden
    prijsgegeven.
    Noot

    In de praktijk zijn echter ook gevallen te onderkennen, waarin
    sprake is van een soort ruilproces in de relatie tussen tactische
    recherche en CID. Tactisch rechercheurs komen bij verhoren in
    aanraking met potentile informanten ofwel met arrestanten die wel
    willen praten over het criminele milieu. De tactisch rechercheur
    verwijst dergelijke personen in de regel naar de CID. Zou de
    tactische recherche de informatie namelijk in het gewone
    proces-verbaal van verhoor verwerken, dan blijft de informatie vrij
    toegankelijk en wordt ook de identiteit van de tipgever bekend.

    Omgekeerd verstrekt de CID regelmatig relevante informatie aan
    de tactische recherche. Bij deze informatieverstrekking speelt de
    officier van justitie geen rol. Dit gebeurt frequenter naarmate een
    CID zich meer als direct recherche-ondersteunend opstelt en
    naarmate het contact tussen de CID-chef en de recherchechef beter
    verloopt. De CID heeft belang bij een goede relatie met de
    tactische recherche, ook al omdat de beste informanten vaak uit de
    verhoorkamer komen. Bovendien is het bestaansrecht van de CID
    uiteindelijk afhankelijk van het operationele gevolg dat door de
    tactische recherche aan het inlichtingenwerk geeft.

    CID en de ondersteunende diensten

    Volgens het Besluit beheer regionale politiekorpsen (Stb. 1994,
    224) opereren de zogenaamde observatieteams (OT) voornamelijk ten
    behoeve van de CID-en en dat suggereert een organisatorische
    onderschikking van het OT aan de CID. Feitelijk werkt het OT veelal
    tactisch en dat verklaart waarom de CID weliswaar soms tezamen met
    het OT in een overkoepelende ondersteuningseenheid wordt
    aangetroffen, maar
    slechts zelden in een hirarchisch bovengeschikte positie ten
    opzichte van het OT. Indien observatie met technische
    hulpmiddelen kan worden uitgevoerd, waarbij de
    observatie
    wordt vergemakkelijkt of zelfs tot betere resultaten leidt, dan
    wordt de plaatsbepalings- of opname-apparatuur – geluid en/of beeld
    – meestal geplaatst en onderhouden door de medewerkers van de
    sectie technische ondersteuning (
    STO). Deze sectie valt
    veelal onder de verantwoordelijkheid van de chef
    observatie.
    Is een korps niet in staat de benodigde mankracht of geavanceerde
    apparatuur te leveren, dan kan een beroep op het Korps landelijke
    politiediensten worden gedaan. Bij de plaatsing van
    plaatsbepalings- en/of opname-apparatuur onder moeilijke
    omstandigheden kan een beroep worden gedaan op de
    bovenregionale
    arrestatieteams.

    De in het Wetboek van Strafvordering geregelde
    verstrekking van gegevens over het telefoonverkeer (artikel 125f
    Sv) en het tappen van telecommunicatie (artikel 125g Sv) – eveneens
    geheim onderzoek – behoren niet tot het werk van de CID. Bij veel
    korpsen is de tapkamer wel in hetzelfde organisatorische onderdeel
    als waartoe de RCID behoort, ondergebracht.

    Ook de arrestatieteams (AT) zijn formeel onderscheiden van de
    CID. Wel komt het voor dat de verantwoordelijke voor de CID
    dezelfde persoon is als de verantwoordelijke voor het AT. Dit
    laatste heeft niet automatisch tot gevolg dat de CID altijd het
    betreffende AT inschakelt bij inkijkoperaties. De verklaring voor
    dit fenomeen is dat de CID of de tactische recherche een AT
    inschakelt dat bevoegd is in het gebied waar de daadwerkelijke
    actie plaatsvindt.

    De heer Koekkoek:
    Bij die neventaken denk ik bijvoorbeeld aan
    inkijkoperaties. Doet u die nog steeds in Rotterdam?
    De heer Broere:
    Als wij een verzoek daartoe krijgen, doen wij dat nog
    steeds.
    De heer Koekkoek:
    Wanneer is dat voor het laatst gebeurd?
    De heer Broere:
    Ik kan mij niet herinneren dat wij de laatste twee jaar in
    Rotterdam een
    inkijkoperatie hebben gedaan. Zolang de
    huidige chef RCID er is – de heer In ‘t Veld – is de afspraak, dat
    hij degene is die dit bepaalt en het aan persoonlijk aan mij
    terugkoppelt.
    De heer Koekkoek:
    En voor andere korpsen?
    De heer Broere:
    Wij werken ressortelijk. Wij zijn ingebed in de organisatie
    van Rotterdam-Rijnmond. Wij werken voor vijf regiokorpsen. De
    laatste mij bekende
    inkijkoperatie is van februari dit
    jaar.
    De heer Koekkoek:
    Uitgevoerd door uw mensen?
    De heer Broere:
    Ja, uitgevoerd door mijn mensen.
    De heer Koekkoek:
    Is u bekend of de officier van justitie daarvoor toestemming
    heeft gegeven?
    De heer Broere:
    Daar gaan wij van uit. De chefs RCID…
    De voorzitter:
    Misschien is het goed aan te geven, dat de chefs RCID de
    chefs zijn van de Regionale
    criminele inlichtingendiensten
    in de verschillende korpsen. Het ressort waarin u werkt, is het
    ressort Den Haag neem ik aan?
    De heer Broere:
    Dat is correct.
    De voorzitter:
    Dat omvat Zeeland, Zuid-Holland-Zuid, Rotterdam-Rijnmond,
    Den Haag, Hollands Midden en Haaglanden. Van Leiden tot Middelburg,
    h?
    De heer Broere:
    Dat is correct. De chefs RCID weten dat dit een zwaar middel
    is om in te zetten. Daarbij zijn proportionaliteit en het moment
    waarop heel nadrukkelijk aan de orde. Afgesproken is dat al deze
    verzoeken via de RCID lopen en dat men daar de afweging maakt, of
    dit bij uitstek het middel is om de informatie te verzamelen. Zij
    sluiten dat ook kort met de
    CID-officier van justitie. Als
    mij een dergelijk verzoek bereikt, beperk ik mij tot het stellen
    van de controlevraag: heeft u overleg gehad met de

    CID-officier. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt
    door ons de naam van de officier genoteerd in de aanvraag. Wordt
    die vraag ontkennend beantwoord, dan zijn wij niet in voor deze
    operatie.
    De heer Koekkoek:
    Sinds wanneer is dat zo?
    De heer Broere:
    Dat wij de chef-RCID belast hebben met de cordinatie van dit
    soort zaken, stamt nog uit mijn tijd bij de Rijkspolitie.

    Noot

    Misdaadanalyse

    Naast of achter de runners staan degenen die de aangeleverde
    informatierapporten verwerken. Zij verwerken de door runners
    aangeleverde informatie, voeren deze in het geautomatiseerde
    systeem in en zijn belast met de verificatie en de veredeling van
    de gegevens. Dat gebeurt aan de hand van informatie uit open
    bronnen (kranten, openbare registers), rapporten van de
    surveillancedienst, tactische rapporten met betrekking tot
    andere zaken, rapporten van observatieteams of van infiltranten en
    inlichtingen van de Afdeling cordinatie criminele inlichtingen
    (ACCI) van de CRI, waar de CID-subjectenindex wordt beheerd.
    Noot Bij de meeste RCID-en wordt dit werk verricht door
    de Afdeling verwerking of analyse. Een dergelijke afdeling maakt
    onderdeel uit van de RCID. In de praktijk wordt vaak geklaagd over
    het gebrek aan capaciteit bij de bewerking en analyse van de
    inlichtingen. Dit capaciteitsgebrek kan onder andere worden
    verklaard uit de kwaliteit van de ruwe CID-gegevens en het
    verwerken van overige informatie.

    De heer Van Duijne:
    CID-gegevens zijn richtingaanwijzers, zoals
    ANWB-richtingaanwijzers. Zij geven aan: daar is iets aan de hand.
    Zij zijn voor de politie onmisbaar, van grote waarde. Daarop is
    echter geen wetenschappelijk onderzoek te gronden. Al te vaak het
    ik CID-gegevens gezien die twee daders voor n dode aanwezen, om
    maar eens wat te noemen. Of een CID-verhaal over een bepaalde
    organisatie die achteraf geen organisatie bleek te zijn, maar een
    soort van conglomeraat met aan het hoofd een man van eer die
    waardig als een soort van godfather rondliep. Als je achteraf kijkt
    wat ervan overeind blijft, constateer je dat het heel gemengd
    is.
    Noot

    In veel korpsen werkt een Afdeling verwerking en analyse ook ten
    behoeve van tactische rechercheteams. CID-rechercheurs zijn dus
    niet de enigen die een beroep doen op misdaadanalisten.

    3.2.3 Werving en opleiding

    De mensen die als rechercheur bij de CID gaan werken, zijn
    politieambtenaren bij voorkeur met recherche-ervaring, in de rang
    van hoofdagent of brigadier. Noot Ten aanzien van
    CID-rechercheurs bestaat geen algemene specifieke selectie, hoewel
    sommigen dat betreuren. In het verleden kwam het vaak voor dat
    kandidaten op basis van ancinniteit bij de CID werden geplaatst. Nu
    moeten kandidaten solliciteren. In Amsterdam en Den Haag (sinds
    februari 1995) worden sollicitanten bovendien psychologisch getest.
    Daarbij wordt enerzijds erop gelet of verwacht kan worden dat
    betrokkene zich aan de sturing door de leiding van de RCID zal
    blijven houden en anderzijds of hij of zij voldoende stabiliteit,
    overwicht en contactuele eigenschappen heeft om de werkzaamheden te
    kunnen verrichten.

    Vanuit hun recherche-ervaring op districtsniveau en op lokaal
    niveau zijn de rechercheurs voornamelijk georinteerd op ernstige,
    lokale criminaliteit met een nadruk op drugs. De bij vrijwel alle
    korpsen levende wens om meer specifiek op de bovenwereld gerichte
    informatierechercheurs aan te trekken is nog nergens verwezenlijkt.
    De term informatierechercheur komt voort uit het feit dat het
    CID-onderzoek bij dergelijke taakgebieden meebrengt dat registers
    van Kamers van Koophandel en privacy-gevoelige registers moeten
    worden bevraagd. De vergaring van informatie via informanten is
    minder prominent dan in gewone zaken, maar dat doet niet af aan de
    behoefte aan informanten in die kringen. De koppels
    CID-rechercheurs die zonder specialistische achtergrond in de
    wereld van bijvoorbeeld bedrijven en banken kunnen werken, zijn
    schaars. Ze worden geselecteerd als de veronderstelling bestaat dat
    zij zich in het bancaire leven en zakenleven kunnen presenteren. In
    het korps Haaglanden heeft het Bureau inwinning voor dat werk een
    bijzondere ploeg in het leven geroepen. Overigens beperkt de
    belangstelling voor de bovenwereld zich kennelijk tot financin en
    het milieu.

    De opleiding van de informatierechercheurs bestaat uit een
    sedert 1986 gegeven module Criminele inlichtingendiensten van de
    Rechercheschool. Deze CID-cursus duurt nu drie weken.
    Toelatingsvoorwaarden zijn een ruime recherche-ervaring en het
    gevolgd hebben van de recherchebasiscursus. Deelname aan deze
    opleiding is echter niet verplicht gesteld voor de
    CID-rechercheurs: er zijn veel CID-rechercheurs en -leidinggevenden
    die het CID-werk al doende en van de oude rotten in het vak hebben
    geleerd. Wellicht verklaart de geringe opleiding onder andere de
    gebrekkige vastlegging en de inrichting van het informatiesysteem
    in sommige regio’s.

    In de cursus komen technische, tactisch-juridische en ethische
    aspecten van het inlichtingenwerk aan bod. Veel aandacht wordt
    besteed aan het omgaan met informanten, een onderwerp waarover
    wellicht een aparte – op de CID-cursus aansluitende – cursus zal
    worden opgezet. De Rechercheschool verzorgt nascholingsdagen voor
    degenen die de cursus gevolgd hebben. Daaraan nemen – anders dan
    aan de eigenlijke CID-cursussen waaraan bedroevend weinig wordt
    deelgenomen door recherchechefs – feitelijk ook RCID-chefs en
    CID-officieren van justitie deel. Het regiokorps
    Amsterdam-Amstelland heeft een eigen cursus, waarvan een deel ook
    door Amsterdamse officieren van justitie wordt gevolgd.

    Sommige RCID-chefs beschikken bij aanvang van hun functie
    nauwelijks over CID-ervaring. Specifieke criteria voor de selectie
    van toekomstige RCID-chefs worden – voor zover bekend – niet
    gehanteerd. Voor de functie van RCID-chef bestaat, evenals voor die
    van CID-officier, geen aparte toegespitste cursus. Slechts enkele
    van de RCID-chefs hebben de cursus die voor rechercheurs bedoeld
    is, gevolgd. Afgezien van de genoemde nascholingsdagen worden sinds
    1988 tweemaal per jaar de zogenaamde CID-themadagen gehouden,
    georganiseerd door de Raad van Hoofdcommissarissen. Tijdens deze
    CID-themadagen diverse knelpunten besproken.
    Te denken valt aan onderwerpen als bijzondere
    opsporingsdiensten in de recherche-praktijk; ethiek, methodiek
    en techniek binnen het CID-werk; Europol en CID; CID-matige taak
    van een
    BFO; technische ondersteuning in Nederland;
    justitieel
    aftappen datacommunicatie; de CRI-ARI binnen de
    politieregio’s; de gevolgen van de politieregionalisatie voor de
    CID; projectmatige
    infiltratie; tipgeldproblematiek;
    evaluatie van de privacywetgeving en regelgeving; de relatie tussen
    CID en openbaar ministerie; de relatie tussen CID en
    Rijksrecherche; grensoverschrijdende
    observatie;
    automatisering binnen de CID;
    infiltratie en de CID;
    toetsing door de
    CTC; CID en financieel rechercheren;
    ervaringen met het Meldpunt ongebruikelijke transacties
    (
    MOT); de relatie tussen CID en tactische
    recherche.

    De concrete resultaten van de themadagen zijn onduidelijk. Het
    blijft de vraag wat de status is van uitkomsten van voordrachten en
    werkgroepen, als er al overeenstemming in opvattingen bereikt zou
    zijn. Voor misdaadanalisten bestaat een aparte opleiding. De eerste
    cursus Misdaadanalyse werd in 1987 aan de Rechercheschool gegeven
    aan een groep van 15 aankomende misdaadanalisten van de CRI en
    enkele politiekorpsen in het land. Daarna heeft er twee keer een
    proefcursus uitgebreidere misdaadanalyse gedraaid aan de CRI. Sinds
    1990 is de cursus opgenomen in het cursusaanbod van de
    Rechercheschool. Noot Aan de toelating tot de cursus is
    de voorwaarde verbonden op HAVO-niveau te kunnen werken. Voor
    administratieve medewerkers van de RCID-en en de NCID bestaat
    eveneens een aparte, drieweekse cursus. Cursisten worden geacht na
    deze cursus de CID-informatie te kunnen verwerken en op
    verantwoorde wijze te kunnen verstrekken.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken