• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 3.4 Samenwerking

    3.4 Samenwerking

    In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op de directe
    samenwerking tussen regionale CID-en en vergelijkbare eenheden
    binnen andere opsporingsdiensten. Vervolgens komt de NCID van het
    Korps landelijke politiediensten (KLPD) aan de orde. Daarbij zal
    uitsluitend worden ingegaan op de cordinatie en facilitering in
    verband met het runnen van informanten en het registreren van
    CID-subjecten. Noot . Aan het slot van deze paragraaf
    wordt ingegaan op de internationale uitwisseling van
    CID-gegevens.

    3.4.1 Samenwerking met andere criminele
    inlichtingendiensten

    Totdat de politiereorganisatie haar beslag kreeg in de
    Politiewet 1993 waren de CID-en zeer terughoudend in de onderlinge
    informatieverstrekking. Zelfs als wordt afgezien van gegevens over
    individuele zaken, is vast te stellen dat zelden overleg werd
    gevoerd over beleidszaken, over de organisatie en over
    hypothetische casustiek.

    De heer Rabbae :
    In een eerder gesprek vertelde u dat u een prettige
    samenwerkingssfeer hebt in het ressort, dat u niet alleen
    landelijk, maar ook ressortelijk contact met elkaar hebt en dat u
    geen kiekeboe meer met elkaar speelt.
    De heer Mosterd:
    Dat is op zich al enorm verbeterd, maar ik merk, ook door
    dit hele gebeuren, dat wij toch nog terughoudend zijn tegenover
    elkaar als het er werkelijk om gaat, het achterste van je tong te
    laten zien.
    De voorzitter:
    Is dat terughoudendheid om de macht te houden, of omdat het
    zo gevaarlijk is als de informatie op straat ligt?
    De heer Mosterd:
    Beide redenen kunnen eraan ten grondslag liggen. Ik moet ook
    zeggen dat ik tot mijn spijt vaak genoeg problemen ontmoet wanneer
    ik, waar dat nodig is, meer mensen in vertrouwen neem. Dan is er
    niet zozeer sprake van
    corruptie, maar is het meer dat ik
    iets aan de teamleider van de
    tactische recherche vertel wat
    hij nodig heeft om zijn strategie te kunnen bepalen, en dat hij het
    weer vertelt aan een goede

    collega die naast hem staat. Dan zie je de informatie
    langzamerhand als een inktvlek het korps ingaan en weten ook mensen
    ervan die het volstrekt niet hoeven te weten. Op een gegeven moment
    is het dan zover dat het op een verjaardagspartijtje verteld wordt.
    Dan komt het bij de verkeerde mensen terecht. Daar maak ik mij wel
    zorgen over, dus over de professionele houding van de politie. Als
    ik een stuk informatie heb weggedaan, is het vaak een kwestie van
    tijd voordat het ergens anders opduikt.
    Noot Wel was
    er al langer enig informeel contact, ondermeer tussen de deelnemers
    aan de themadagen voor regionale cordinatoren CID. Deze
    CID-themadagen worden vanaf ongeveer 1990, tweemaal per jaar
    georganiseerd. Het was een initiatief van de Begeleidingscommissie
    CID, dat na de opheffing van de Begeleidingscommissie door de Raad
    van Hoofdcommissarissen in samenwerking met de Rechercheschool is
    voortgezet. Naast deze informele, georganiseerde contacten zijn er
    de individuele, ongeorganiseerde contacten. Daarbij kan uiteraard
    worden gedacht aan incidentele gevallen van samenwerking;
    bijvoorbeeld wanneer een CID-rechercheur uit Limburg-Noord in een
    bepaald onderzoek zaken wil doen met de CID van Amsterdam.
    Daarnaast zijn er enkele individuele CID-ambtenaren geweest, zoals
    de oorspronkelijk in Dordrecht werkzame F. van der Putten, die
    vanaf 1990 in den lande contacten zochten om ook beleidsmatige
    afspraken te maken over bepaalde methoden.

    De voorzitter:
    Omdat op een bepaald moment de medewerker van de FIOD
    de rol die hij bij u vervulde, klaarblijkelijk later ook voor de
    CID Kennemerland gaat vervullen.
    De heer Van der Putten:
    Ja, dat kan ik u uitleggen. Op een bepaald moment – ik weet
    echt niet meer wanneer dat was; misschien was het halverwege 1992 –
    kreeg ik contact met de heer Langendoen en hij vroeg of ik een
    chauffeur wist, want hij had geen chauffeur.
    De heer De Graaf:
    Komt hij dan bij u terecht?
    De heer Van der Putten:
    Hij had het hele land al gebeld; dus ik maakte deel uit van
    de reeks. Ik zei: ik heb een beetje zo’n zelfde ervaring gehad,
    maar ik weet wel iemand. En zo heb ik de medewerker van de
    FIOD
    en de desbetreffende chauffeur op een bepaalde dag in contact
    gebracht met de heer Langendoen en de heer Van Vondel. Ik heb
    verder niet over zaken gesproken. Ik heb ook niet over mijn eigen
    zaak verder gesproken; ik heb ze het allerbeste gewenst en ben
    vertrokken.
    Noot

    Een en ander doet slechts in zeer beperkte mate af aan de
    gebruikelijke terughoudendheid ten aanzien van samenwerking. Deze
    terughoudendheid werd in belangrijke mate ingegeven door de wens
    tot bronbescherming. Men kende de eigen CID maar vreesde dat
    anderen minder zorgvuldig met aangedragen materiaal om zouden gaan.
    Overigens moet niet worden onderschat dat ontbreken van
    samenwerking voor een ander deel ook werd veroorzaakt, doordat er
    eenvoudigweg geen behoefte aan samenwerking bestond: de CID
    percipieerde de criminaliteit waarover het inlichtingenwerk zich
    uitstrekte, vanuit de lokale situatie. Soms leidt de gebrekkige
    samenwerking tot problemen. In het bijzonder is dat het geval bij
    het zogenaamd combi-runnen. De constructie is dat informanten niet
    door de CID waar zij ingeschreven staan, worden gerund, maar door
    de CID die op dat moment belang heeft bij de informatie van de
    betreffende informanten. Dit is vaak het geval bij een tactisch
    onderzoek. Het is een aantal keren voorgekomen dat de informant
    niet duidelijk werd overgedragen en dat leverde problemen op met
    betrekking tot de vraag wie voor wat verantwoordelijk is. Als er al
    duidelijke afspraken over verantwoordelijkheden zijn gemaakt,
    blijkt er vaak verwarring te ontstaan over de wederzijdse
    wetenschap van toestemmingen.

    Zo deed zich in 1992 het geval voor dat een informant
    van de CID in het regiokorps Utrecht ten behoeve van een lopend
    tactisch onderzoek in die regio door middel van CID-rechercheurs
    van de CID uit het regiokorps Zuid-Holland-Zuid werd gerund. De CID
    van het regiokorps Zuid-Holland-Zuid begreep (evenals de CID
    regiokorps Utrecht) pas in een heel laat stadium van de

    tactische recherche van het regiokorps Utrecht dat de
    informant verdachte was en als zodanig zou worden aangehouden.
    De officier van justitie in Utrecht was evenals de collega officier
    van justitie uit Dordrecht niet van de overdracht op de hoogte. De
    runners van regiokorps Utrecht hebben de runners van regiokorps
    Zuid-Holland-Zuid niet genformeerd over de mogelijke risico’s die
    van de
    informant uitgingen, mogelijk omdat zijzelf
    onvoldoende doorhadden wat voor vlees ze in de kuip hadden. Iets
    dergelijks deed zich vanaf de tweede helft van 1993 voor in het
    Bever-onderzoek waarin een
    informant door de CID van het
    regiokorps Kennemerland werd gerund, maar later werd ingeschreven
    bij de CID van het regiokorps Rotterdam-Rijnmond. De
    Rotterdamse
    CID-officier meende dat de gehanteerde methode
    juist was, daar deze de instemming had gekregen van het openbaar
    ministerie te Haarlem. Hij voelde zich ook niet verantwoordelijk
    voor de wijze waarop de
    informant gerund werd. De CID
    Kennemerland meende echter dat de verantwoordelijkheid lag bij de
    Rotterdamse
    CID-officier. Het gevolg was dat de ene
    CID-officier van niets wist en de ander meende dat hij zich niet
    met de zaak moest bemoeien.

    De heer Koers:
    Ik kan het uitleggen. Ik denk dat u onderscheid moet maken
    tussen een eenmalige informatie,

    dus gewoon een tip die van belang is voor een onderzoek elders
    of voor iets wat elders gebeurd is. Dat is eenmalig; de

    informant blijft gerund worden door Gelderland Midden of
    Gelderland Zuid. …… zo gauw het wat langer wordt – ja, waar die
    grens is, is altijd een beetje moeilijk; ik vind als het langer dan
    een paar weken is – moet het overgaan naar de andere regio. Maar
    daar zit een probleem in en dat heeft te maken met gewoon
    menselijke verhoudingen. Je kunt niet een mens programmeren en
    zeggen: je hebt nu met twee runners van Gelderland Midden te maken
    gehad en daar is een, hoe wonderlijk het soms ook klinkt, bepaalde
    vertrouwensrelatie ontstaan en nu moet je over naar twee andere
    mensen van een andere regio. Zo’n persoon kent die niet. Dan
    ontstaat er, dan kan althans het probleem ontstaan dat ze elkaar
    niet liggen, dat ze elkaars taal niet spreken. En dat is een
    probleem. En dan moet je dus soms de eigen regio het toch laten
    doen of n van de rechercheurs met daaraan gekoppeld een rechercheur
    van een andere regio. Dan moet je gewoon kijken op welke manier dat
    kan.
    De heer Vos:
    Maar u spreekt nu over de intermenselijke verhoudingen. Ligt
    het probleem niet juist bij de verantwoordelijkheid? Dus wie is nu
    verantwoordelijk: Arnhem of het parket waar de informatie geboden
    wordt?
    De heer Koers:
    Ik vind dat, als er dus onder de CID Arnhem een
    informant gerund wordt, sowieso de CID-officier Arnhem
    verantwoordelijk is. …… Alleen, als een
    informant heel
    belangrijk wordt in een ander traject, moet je proberen om heel
    sluitende afspraken te maken met je collega elders. Maar op afstand
    runnen, gaat niet.
    De heer Vos:
    Heeft zich dat in de praktijk wel eens voorgedaan?
    De heer Koers:
    (Ja) En toen heb ik de verantwoordelijkheid naar mij toe
    getrokken, omdat ik er niet van houd dat er geen controle is op
    een
    informant……..
    De voorzitter:
    Wat is daarvan het gevolg geweest? Kunt u wat explicieter
    zijn over het desbetreffende geval?
    De heer Koers:
    Het gevolg daarvan was dat wij vijf dagen later gezegd
    hebben, dat die
    informant volstrekt onbetrouwbaar was. Wij
    hebben hem eruit gewipt en vastgelegd op welke manier dat gebeurd
    is. Wij wilden absoluut geen zaken met hem doen en hebben dat als
    zodanig geregistreerd.
    Noot

    Na de politie-reorganisatie komen geleidelijk aan de uitwisseling
    van gegevens en overige samenwerking tussen de CID-en op gang. Dat
    gebeurt in het bijzonder in de regiokorpsen rond de grote steden.
    Daar wordt vaak onderzoek gedaan dat vrijwel geheel op de grote
    stad is gericht. Bijvoorbeeld Amsterdam levert dan informatie aan
    en omgekeerd doen de andere regiokorpsen veel (bijvoorbeeld vanwege
    de woonplaats van bepaalde subjecten) wat uiteindelijk ten goede
    komt van Amsterdam. Een andere reden voor intensivering van het
    contact is dat diverse CID-en op dezelfde criminele organisatie
    werken. In dergelijke situaties zullen de beide betrokken
    (RCID)chefs en de CID-officier van justitie bijvoorbeeld
    tweewekelijks om de tafel zitten om inhoudelijk af te stemmen wie
    wat doet. In dit licht is het opmerkelijk – maar gegeven de
    IRT-Noord-Holland/Utrecht-affaire begrijpelijk – dat de contacten
    tussen het kernteam Randstad Noord en Midden en de politie
    Amsterdam gedurende een periode van circa anderhalf jaar zeer
    miniem zijn geweest, nadat aanvankelijk wel was samengewerkt. De
    samenwerking lijkt recentelijk weer enigszins te verbeteren. In elk
    geval bestaat op het niveau van de teamleiding nu weer de intentie
    tot samenwerking. Tot slot zij nog herinnerd aan wat eerder in dit
    hoofdstuk over de zogenoemde U-bocht-constructie is vermeld.

    De voorzitter:
    Kunt u de U-bochtconstructie nog even uitleggen?
    De heer Van Steeg:
    Ja, soms denk ik: je hebt een U- en een
    L-bochtconstructie.
    De voorzitter:
    Legt u ze allebei dan uit.
    De heer Van Steeg:
    De U-bochtconstructie betreft in mijn beleving de situatie
    dat er in Utrecht bijvoorbeeld een informatie binnenkomt, waarvan
    je zegt: om afschermingstechnische redenen kan het feit niet in de
    openbaarheid komen dat het uit Utrecht komt. Wij zoeken dan een
    partner, bijvoorbeeld Amsterdam, en wij vragen aan Amsterdam:
    willen jullie deze informatie overnemen en vervolgens terug laten
    komen als zijnde informatie in Amsterdam ingewonnen, en die terug
    bij Utrecht insluizen? Dat is de U-bochtconstructie.
    De heer Vos:
    Wat zijn, voor alle duidelijkheid, afschermingstechnische
    redenen?
    De heer Van Steeg:
    Afschermingstechnische redenen zijn er, indien, als de
    informatie zoals die is opgemaakt, in de openbaarheid komt – dus te
    zijner tijd in een proces-verbaal zal worden opgetekend – de

    informant niet veilig is. Dan zal iedereen uit de omgeving van
    de verdachte, de medeverdachten of een hoofdverdachte, bedenken en
    zien: h, dit komt van mijnheer X af.
    Noot
    De voorzitter:
    Dan nu de uitleg van de L-bocht.
    De heer Van Steeg:
    De L-bocht houdt in, dat Utrecht de informatie opmaakt. Om
    redenen die ik zojuist noemde, kan de informatie niet uit Utrecht
    komen. De informatie is bijvoorbeeld bestemd voor het korps
    Amsterdam. In dat geval maak je de informatie op en je vraagt of ze
    in Amsterdam die informatie over willen nemen op hun papier.
    Vervolgens geef je die aan de
    tactische recherche in
    Amsterdam. Dan heb ik niet de controle dat in dat korps dezelfde
    waardering aan de informatie wordt gegeven als wij er in Utrecht
    aan geven, maar als later dingen

    getoetst zouden moeten staan, staan wij voor de aangeleverde de
    informatie. Hierover ging de vraag van de heer Rabbae. De
    informatie staat dus in ons systeem als B3 aangemerkt. Als de
    informatie er elders als B2 uitkomt, hebben ze daar malversatie
    gepleegd. Maar ik heb dat nog nooit gemerkt. Laat dat duidelijk
    zijn.

    De voorzitter:
    U steekt af en toe twee vingers net boven de tafel. Daarmee
    geeft u aan: daarvoor kan ik staan de rechtszaal. Dat betekent het
    in feite.
    De heer Van Steeg:
    Ja. Noot Naast de regionale criminele
    inlichtingendiensten en de nationale criminele inlichtingendienst
    kunnen de politieministers besluiten andere organisatorische
    eenheden die belast zijn met de strafrechtelijke handhaving van de
    rechtsorde, aan te merken als criminele inlichtingendienst (artikel
    24 CID-regeling 1995). Tot nu toe is deze CID-status alleen
    toegekend aan de Koninklijke marechaussee, de divisie Mobiliteit
    van het Korps landelijke politiediensten (art. 1 CID-regeling
    1995). Voor het verlenen van de CID-status aan de Rijksrecherche
    zijn Binnenlandse Zaken en Justitie nog in onderhandeling. Heikel
    punt blijkt de vraag of de Rijksrecherche de CID-status mag hebben
    teneinde met een aparte CID-eenheid permanent actief inlichtingen
    in te winnen ( informanten te runnen) of dat de CID-status slechts
    wordt verleend opdat CID-gegevens kunnen worden uitgewisseld. De
    Begeleidingscommissie CID adviseerde al in 1990 om de
    Rijksrecherche de CID-status te verlenen. Noot
    De heer Rabbae:
    U zegt de Rijksrecherche is reactief. U wilt eigenlijk graag
    naar een soort proactieve positie? U wilt graag de beschikking
    hebben over een CID-status of -positie. Kunt u dat nader
    motiveren?
    De heer Kuijper:
    U meent dat wij terug willen naar een meer proactieve
    organisatie. Ik denk dat dit niet juist is. Het is goed dat de
    organisatie van de Rijksrecherche op zichzelf reactief blijft, maar
    dat je, gezien de veranderingen in het hele maatschappelijke bestel
    en ook in het hele criminaliteitsbeeld, wat proactieve elementen
    aan de Rijksrecherche zou kunnen toevoegen, onder goede
    voorwaarden. (…)
    De heer Rabbae:
    Ik onderbreek u even. De vraag was: waarom is uw nota in de
    laagste la gelegd?
    De heer Kuijper:
    De rest van de Rijksrecherche Nederland had vrijwel geen
    ervaring op dat gebied. Men zag dus ook de noodzaak van de vorming
    van een CID niet in. Een van de grote bezwaren was ook dat men dan
    eventueel activiteiten ging ontwikkelen die niet pasten in het
    beeld van de Rijksrecherche. Je bent bezig met de
    integriteitshandhaving en je zou dan zelf risico’s gaan lopen op
    CID-gebied door activiteiten te gaan ontplooien waarmee je buiten
    de grenzen zou kunnen komen. Dit heel globaal weergegeven.
    De heer Rabbae:
    Dit zou betekenen dat je niet alleen maar informatie krijgt
    van de politie, maar dat je ook informatie geeft aan de
    politie?
    De heer Kuijper:
    Ja.
    De heer Rabbae:
    Daar zou u voor zijn?
    De heer Kuijper:
    Daar ben ik voor, ja. Ik ben voor een vrije
    informatie-uitwisseling op het criminele gebied. Ik zou met
    betrekking tot de rijksrecherche wel de restrictie willen maken dat
    er informatie is die niet naar de CID’en kan, maar dat is dan ook
    informatie waar de CID’en niet mee uit te voeten kunnen. Ik bedoel
    dat in de zin van dat je een organisatie niet moet belasten met
    informatie waar zij niks aan heeft.
    De heer Rabbae:
    Stel, u heeft de CID-status. U zou dan in dat verband
    eigenlijk ook
    informanten moeten gaan runnen.
    De heer Kuijper:
    Misschien. (…)
    De heer De Graaf:
    Ik begrijp dus dat u eigenlijk helemaal geen
    criminele-inlichtingendienst wilt hebben. U wilt alleen maar de
    status hebben, hoe dat formeel dan ook in elkaar zit, om dit soort
    CID-informatie te krijgen en als het ware ook door te kunnen
    geven.
    De heer Kuijper:
    Als ik het heel kort door de bocht zeg, dan ….
    De voorzitter:
    Zegt u alstublieft niets kort door de bocht.
    De heer Kuijper:
    Mijn mening is dat de Rijksrecherche dient te worden
    opgenomen in de CID-regeling.
    De heer De Graaf:
    Ja, maar dus geen eigen CID, geen eigen
    criminele-inlichtingendienst met runners en mensen die eigenlijk
    niets anders doen dan dat?
    De heer Kuijper:
    Nee. Dat is niet de eerste optie.
    De heer De Graaf:
    En ook niet de tweede optie.
    De heer Kuijper:
    Kijk. Wij willen wel de mogelijkheid en de professionaliteit
    hebben om, als een regionale criminele-inlichtingendienst omhoog
    zit met een
    informant – dat is in het verleden wel gebeurd –
    een onderzoek te doen naar eigen collega’s. De redenen daarvoor heb
    ik net gegeven. Het runnen van dit
    informant kan dan,
    bijvoorbeeld, overgenomen worden door de Rijksrecherche.

    Noot

    De verstrekking van informatie door een CID aan een bijzondere
    opsporingsdienst kan via de – hierna te
    bespreken – NCID verlopen. De Economische Controledienst en de CRI
    hebben daartoe in 1989 een convenant gesloten. Noot

    3.4.2 Cordinatie NCID nationaal

    Ten behoeve van de samenwerking is destijds binnen de Centrale
    recherche informatiedienst (CRI) de Landelijke criminele
    inlichtingendienst (LCID) opgericht. Na de onderbrenging van de CRI
    als divisie (Divisie CRI) binnen het Korps Landelijke
    politiediensten (KLPD) is de LCID omgedoopt in de Nationale
    criminele inlichtingendienst (NCID). Binnen de CRI-organisatie
    worden de taken van de NCID uitgevoerd door de Afdeling cordinatie
    criminele inlichtingen (ACCI). Aan de NCID is opgedragen om ter
    cordinatie van de samenwerking landelijke registraties bij te
    houden en deze gegevens te bewerken en te analyseren (artikel 6
    CID-regeling 1995).

    De heer Barendregt:
    De CRI krijgt nooit alle informatie want het is in de
    eerste plaats bijna ondoenlijk om alle informatie te krijgen die
    een regio op regionaal niveau opslaat. Ook automatiseringstechnisch
    is dat al onmogelijk. In de tweede plaats hebben wij al afspraken
    gemaakt over de relevante informatie. Sterker nog: uit de
    CID-regeling blijkt, dat die informatie die van bovenregionaal
    belang is, gemeld moet worden. Dat gebeurt nog steeds niet
    voldoende, moet ik zeggen.
    Noot

    Het (jaarlijks toenemend) aantal ontvangen informatierapporten ten
    behoeve van de nationale en internationale cordinatie bedroeg in
    1994 10.043; daarvan waren 4291 afkomstig van de NCID, 709 van
    bijzondere opsporingsdiensten, de Koninklijke marechaussee en
    dergelijke en de overige rapporten kwamen uit de regiokorpsen. In
    1990 bedroeg het totaal aantal aan de NCID toegezonden
    informatierapporten 2477. In 1991 was het een aantal van 3371
    informatierapporten. Het aantal verstrekkingen uit het
    NCID-register aan de RCID steeg eveneens en bedroeg in 1994: 2070.
    Noot Uit deze cijfers blijkt dat veel van de door de
    NCID gemaakte rapporten nimmer hun weg naar de regio vinden. De
    divisie CRI heeft overigens geen bevoegdheden om de CID-eenheden
    tot samenwerking te dwingen.

    De RCID-en gebruiken verschillende bedrijfsprocessensystemen.
    De meest gebruikte zijn Octopus, RBS en Vidocq. Uit een in 1991 in
    opdracht van de Begeleidingscommissie CID gehouden onderzoek blijkt
    volgens de al citerend geformuleerde conclusies, dat elk korps maar
    wat aan rotzooit en vooral het eigen produkt te vuur en te zwaard
    verdedigt, doch dit gaat samen met een duidelijke behoefte aan
    cordinatie en afstemming, welke wens het kennelijk aflegt tegen de
    vrees voor louter centrale aansturing en lokale bemoeienis.

    Noot In het rapport wordt gesproken over
    eiland-automatisering. Volgens enkele CID-cordinatoren zullen naar
    verwachting de RCID-en de komende jaren gaan werken met RBS of
    Octopus. De Begeleidingscommissie CID geeft aan (28 september 1992)
    dat de zogenaamde eilandautomatisering het onderling ter
    beschikking stellen van
    CID-subjecten via de CIDSI
    verhindert.

    De CID-regeling 1995 voorziet in een verplichte melding van de
    CID-subjecten, grijze-veld-subjecten, informanten onder code aan de
    NCID van de CRI. De NCID onderhoudt de geautomatiseerde
    CID-Subjecten-Index (CIDSI). In dit geautomatiseerde systeem kunnen
    aangesloten RCID-en rechtstreeks nieuwe criminele subjecten
    invoeren en daarnaast nagaan of gegevens van een bepaald subject
    bij n van de andere CID-en beschikbaar zijn. CIDSI is een centrale
    verwijzingsindex, die te vergelijken is met een telefoonboek.
    Inmiddels zijn alle RCID-en aangesloten op de CIDSI. De gegevens
    betreffen CID-subjecten en zogenaamde grijze-veldsubjecten, welke
    beide categorien zowel natuurlijke als rechtspersonen kunnen
    inhouden.

    Blijkens de jaarverslagen van de ACCI heeft het aantal
    geregisteerde personen zich als volgt ontwikkeld: 1989:10.010
    natuurlijke personen als CID-subjecten;
    1990:18.266 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    1991:22.102 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    1992:38.600 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    Noot
    1993:40.000 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    Noot
    1994:55.090 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    1995:60.757 natuurlijke personen als CID-subjecten;
    Noot
    Op 29 mei 1995 waren in de CID-subjecten-index (CIDSI) van de CRI
    nog 56.993 natuurlijke personen opgenomen. Met dubbeltelling wegens
    aanmelding door meer CID-en waren dit 54.814 CID-subjecten en
    10.371 grijze-veld-subjecten. Noot

    Die dubbeltellingen zijn te verklaren door het feit dat sommige
    personen door meer dan n RCID worden aangemeld: n persoon werd door
    dertien RCID-en aangemeld en 59 personen door zes of meer RCID-en
    en
    236 personen door vier of meer RCID-en. Noot Veertien
    RCID-en hebben geen subjecten met de status grijze-veld
    aangeleverd. Elf eenheden hadden rechtspersonen gemeld. De
    contacten of niet-subjecten zitten niet in de centrale telling.

    De CIDSI biedt dus naast mogelijkheden tot analyses over
    georganiseerde criminaliteit op nationaal niveau, ook de
    mogelijkheid om de samenwerking tussen CID-en te verbeteren. De
    aanlevering van informatie door de diverse RCID-en verdient nog
    enige aandacht, onder meer gezien het beperkte aantal korpsen dat
    rechtspersonen aanlevert. Voorts kan men zich afvragen of het nu
    juridisch terecht is dat grijze-veldsubjecten niet worden
    aangeleverd of dat het beter ware als dit wel zou gebeuren.

    De NCID beheert een register waarin alle door CID-en aangemelde
    informanten onder een niet te decoderen cijfercode worden
    opgenomen. Dit register is het Informanten coderingssysteem (ICS).
    De CID-regeling 1995 bevat geen bepaling die de CID-en ertoe
    verplicht hun informanten aan te melden. Bij de NCID stonden tot
    juni 1995 cumulatief 2.936 informanten geregistreerd, afkomstig van
    zeventien CID-en. Medio december 1995 hebben alle 25 RCID-en, de
    Koninklijke marechausse, de divisie Mobiliteit van het KLPD en een
    aantal bijzondere opsporingsdiensten waaronder de FIOD, informanten
    aangemeld: 5.259. Noot

    De voorzitter:
    Nu staat in de regeling CID dat de regionale CID-en gegevens
    omtrent de
    CID-subjecten moeten aanleveren. Althans, van die
    waarvan het van nationale betekenis is.
    De heer Barendregt:
    Ja.
    De voorzitter:
    Doen alle CID-en dat?
    De heer Barendregt:
    Alle CID-en leveren nu hun informatie aan. Er zijn dus geen
    regio’s meer die niet aanleveren. Op het gebied van de
    informantencoderingssystemen mis ik nog vijf of zes
    regio’s.
    De voorzitter:
    Wie mist u nog?
    De heer Barendregt:
    Dan moet ik even kijken… Ik mis op dit moment nog de
    Gelderland-Midden CID; de Noord-Holland noord regionale CID; met de
    Midden- en West-Brabant CID is de afspraak gemaakt dat zij zouden
    aanleveren in week 37, als ik het goed heb; ik mis
    Brabant-Zuidoost, Limburg-Noord en Flevoland. Dat is dus op het
    gebied van de aanlevering van gecodeerde

    informanten.
    De voorzitter:
    Heeft u in het nationale systeem enig zicht of alle
    belangrijke
    CID-subjecten, dus CID-subjecten van
    nationaal belang, ook aangeleverd worden?
    De heer Barendregt:
    De regeling zegt, dat alle CID-subjecten moeten
    worden aangeleverd. Dat hebben wij inmiddels geautomatiseerd. Er
    zijn goede afspraken gemaakt met de regio’s en zij leveren
    nu…
    De voorzitter:
    En dat loopt nu automatisch bij iedereen?
    De heer Barendregt:
    Dat loopt nu automatisch bij iedereen. Ook de laatste
    regio… Kennemerland heeft aangeleverd.
    Noot

    De controle die uitgaat van de nationale registratie is beperkt. In
    de eerste plaats is de aanmelding nog geen 100%. In de tweede
    plaats voert de NCID geen controle uit op aangevoerd materiaal. Wel
    houdt de NCID de zwarte lijst bij. Een en ander heeft tot gevolg
    dat niet voorkomen kon worden dat informanten door meer CID-en
    worden gerund zonder dat de diensten daar zelf weet van hadden. Dit
    betekent ook dat de NCID geen overzicht heeft over het aantal
    personen dat als burgerinfiltrant opereert.

    De voorzitter:
    Hebt u erop toegezien dat al uw informanten landelijk
    werden aangemeld?
    De heer Van Vondel:
    Ik heb ervoor gezorgd dat alle informanten in onze
    dossiers ingeschreven stonden.
    De voorzitter:
    Hebt u nagezien of uw informanten landelijk werden
    aangemeld om te vermijden dat een
    informant elders verdachte
    is?
    De heer Van Vondel:
    Het lag in de lijn der bedoelingen dat het
    gebeurde.
    De voorzitter:
    Maar het is nooit gebeurd?
    De heer Van Vondel:
    Het is er niet van gekomen, nee. Noot Op
    basis van de CID-regeling 1986 (artikel 4 sub i) registreert de CRI
    elke gerichte CID-actie, waarbij meer dan n regio is betrokken.
    Blijkens de CID-regeling 1995 (artikel 6 aanhef en onder d) moet
    elke CID-actie gemeld worden bij de NCID. De jongste regeling kent
    in tegenstelling tot de eerste een definitie van CID-actie: het
    systematisch en gericht inwinnen van gegevens over CID-subjecten
    (artikel 1 sub j). Deze meldingen hebben tot doel de samenwerking
    te bevorderen. Indien elders ook een actie op hetzelfde subject
    loopt, kunnen deze acties gecordineerd worden. De meldingen hebben
    geen controle tot doel. Met de melding van elke CID-actie kan nog
    geen ervaring zijn opgedaan. De meldingen van recherche
    onderzoeken – het betreft hier de meldingen CID-onderzoeken – waren
    in de jaren 1992-1994 achtereenvolgens: 229, 509 en 723. Deze waren
    voor het jaar 1994 als volgt verdeeld: ressort Leeuwarden 13;
    Arnhem 139; Amsterdam 67; Den Haag 128, Den Bosch 105; overig 60;
    LCID 1. Deze cijfers

    moeten prudent worden beoordeeld, aangezien niet uitgesloten kan
    worden, dat bijvoorbeeld de regio Arnhem nauwkeuriger is geweest
    met het aanmelden dan de regio Amsterdam. Wel valt reeds uit deze
    cijfers op dat ook de LCID zelf recherche-onderzoeken – lees:
    CID-onderzoeken – verricht: in 1993 waren dat er nog 30.
    Uit
    dit bestand kan niet worden opgemaakt hoe vaak van bepaalde
    methoden gebruik is gemaakt. Zo wordt dus niet bijgehouden hoeveel
    – laat staan door welke CID-en – doorlatingen hebben
    plaatsgevonden.

    3.4.3 Internationale samenwerking

    De gegevensverstrekkingen aan het buitenland verschillen wat
    betreft de processen-verbaal en andere harde informatie niet van de
    verstrekking van gegevens aan collega’s in een andere Nederlandse
    politieregio. Hierop zijn de Wet politieregisters en in het
    bijzonder het Besluit politieregisters van toepassing. De CRI noch
    de landelijke officier van justitie behoeven in de verstrekking te
    worden gekend. De verstrekking van CID-informatie aan het
    buitenland vergt echter inschakeling van de CID-officier (artikel
    13 CID-regeling 1995). Het is twijfelachtig of deze regel in de
    praktijk wordt nageleefd. Verder zal dergelijke informatie – op
    grond van hetzelfde artikel – in beginsel via de Afdelingen
    recherche informatie (ARI) naar de NCID moeten worden geleid.
    Indien dat in overeenstemming is met door de minister goedgekeurde
    afspraken met buitenlandse politie-ambtenaren mag de verstrekking
    rechtstreeks geschieden, maar daarvan moet afschrift worden
    gezonden aan de NCID. In de praktijk lijkt ook deze regel niet
    steeds te worden nageleefd. Een probleem is hoe ver de CID kan gaan
    met het verstrekken van (gevoelige) informatie aan het buitenland.
    De richtlijn van de Vergadering van procureurs-generaal van 23
    november 1994 bepaalt slechts dat de verstrekking van
    CID-informatie aan buitenlandse politie-autoriteiten in overleg met
    de CID-officier van justitie geschiedt. Noot Ten aanzien
    van de verbindingsofficier kunnen afspraken worden gemaakt zodat
    hij gelijk gesteld is met een Nederlandse opsporingsambtenaar.
    Noot Ondanks het principe van wederkerigheid wordt
    bijvoorbeeld informatie met 01-status niet rechtstreeks aan het
    buitenland gegeven. De reden daarvoor is dat in het buitenland het
    Nederlandse systeem met gekwalificeerde informatie lange tijd niet
    bekend was, als gevolg waarvan het mogelijk was dat zonder
    waarschuwing 01-informatie in een buitenlands proces-verbaal werd
    opgenomen. Het is voorgekomen dat zo’n proces-verbaal in het kader
    van de rechtshulp aan Nederland vervolgens in het zaakdossier
    terechtkwam. Toch zijn er wel aanwijzingen dat dergelijke
    informatie feitelijk in de regio’s met het buitenland wordt
    uitgewisseld. Daarbij wordt vertrouwd op de zwijgzaamheid van de
    buitenlandse collega.

    In internationaal verband is door Nederland vooral binnen
    Interpol aandacht gevraagd voor het Nederlandse CID-regime: dit
    heeft geleid tot een resolutie.

    Als blijkt dat Nederlandse informatie voor andere doeleinden wordt
    aangewend dan aangegeven, zal geen tweede keer informatie worden
    verleend. Dat informatie onjuist wordt gebruikt, kan echter niet
    worden voorkomen. Soms wordt aan de informatie-afnemers gevraagd
    wat met de Nederlandse informatie gebeurt. Elk ingewilligd verzoek
    tot het zelfstandig verstrekken van inlichtingen door de politie
    aan het buitenland, ingevolge artikel 552i, lid 2 Sv, dient
    aangetekend te worden in een met het oog daarop aangelegd register.
    De aard van het verzoek, de hoedanigheid van de verzoeker en het
    gevolg dat aan het verzoek gegeven is, worden hierin in ieder geval
    opgenomen. De minister van Justitie heeft daartoe een model
    vastgesteld (Stcrt. 1993, 252). Noot In de praktijk
    wordt deze niet nageleefd.

    De voorzitter:
    Ik wil graag met de heer Theeuwes het geven van informatie
    aan en de contacten met het buitenland bespreken. Komt alle
    politie-informatie aan het buitenland bij u langs?
    De heer Theeuwes:
    Neen, niet alle politie-informatie aan het buitenland komt bij
    de CRI langs.
    De voorzitter:
    Kunnen politiekorpsen direct die informatie leveren?
    De heer Theeuwes:
    Strikt volgens de regeling, zoals neergelegd in het Besluit
    politieregisters, moet alle politie-informatie langs de CRI
    gaan.
    De voorzitter:
    Waarom gebeurt dat niet?
    De heer Theeuwes:
    Het apparaat van de CRI is daarvoor veel te klein. De regionale
    korpsen in Nederland zijn misschien niet op de hoogte van deze
    kleine bepaling in artikel 13 van het Besluit
    politieregisters.
    De voorzitter:
    Waarom wordt daar dan niet de hand aan gehouden en aan andere
    dingen wel? Of zegt u dat de regels onwerkbaar zijn?
    De heer Theeuwes:
    Dit is een voorbeeld waarbij de consequenties van regelgeving
    niet zijn overzien. Ik voeg hieraan onmiddellijk toe dat in
    hetzelfde artikel een zekere mate van vrijheid wordt gegeven aan
    regio’s.
    De voorzitter:
    Voor de grensstreek.
    De heer Theeuwes:
    Ja. Noot
    Operationele gegevens uit het buitenland worden als zij centraal –
    dat wil zeggen bij de CRI – binnenkomen, via de ARI’s naar de
    korpsen gezonden. Als deze informatie anders dan sturingsinformatie
    wordt gebruikt, moet bij de buitenlandse bron worden nagegaan of de
    informatie operationeel kan worden ingezet. Het buitenland lijkt
    soms CID-achtige informatie te verstrekken. Niet- operationele,
    politile informatie uit het buitenland gaat het NCID-bestand in. De
    kwaliteitsbewaking van buitenlandse informatie wordt uitgevoerd
    door de NCID – althans de ACCI. Deze afdeling staat kritischer
    tegenover informatie uit derde wereld landen dan tegenover westerse
    informatie. Het is denkbaar dat de informatie verkregen is door
    middel van een in Nederland niet toegelaten (en in het buitenland
    al dan niet toegelaten) opsporingsmethode. Het is de commissie niet
    gebleken dat de uit het buitenland afkomstige informatie op dit
    punt regulier wordt getoetst. Wel is de commissie gebleken dat de
    verstrekte informatie vaak een hoge betrouwbaarheidsevaluatie
    krijgt. Ook de naleving van specifieke door het buitenland gestelde
    voorwaarden wordt niet stelselmatig gecontroleerd. Te denken valt
    aan de situatie dat informatie zonder bewijsbestemming is verstrekt
    en dat deze informatie toch in het strafdossier terecht komt. De
    rechter zou deze uit het buitenland afkomstige informatie kunnen
    toetsen, maar in het algemeen wordt dit nagelaten. Deze nalatigheid
    kan niet worden gerechtvaardigd met een beroep op het
    vertrouwensbeginsel, omdat dit beginsel toeziet op de correctheid
    van procedures en niet op de betrouwbaarheid van informatie.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken