• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 3.5 Sturing en controle van CID

    3.5 Sturing en controle van CID

    3.5.1 De korpsbeheerder

    De korpsbeheerders tonen in het algemeen terughoudendheid met
    betrekking tot de gang van zaken bij het gebruiken van
    opsporingsmethoden. Zij orinteren zich vooral op hun financile
    verantwoordelijkheid en hun verantwoordelijkheid als werkgever. Zij
    houden zich bijvoorbeeld bezig met de vraag of in de totale omvang
    van het korps – personeel en materieel – niet onevenredig veel
    prioriteit wordt gegeven aan georganiseerde misdaad ten detrimente
    van bijvoorbeeld lokale misdaad, veel voorkomende criminaliteit en
    ordehandhaving. De verantwoordelijkheden impliceren niet dat de
    korpsbeheerders zich indringend bezighouden met opsporingsmethoden
    of de organisatie van de CID-en. De casustiek van het recherchewerk
    en het inlichtingenwerk gaat in hoofdzaak aan hen voorbij. Tekenend
    is misschien het feit dat de korpsbeheerder weliswaar wettelijk
    beheerder van de politieregisters – ook van de CID-registers – is,
    maar dat dit tenminste bij n voormalige korpsbeheerder dit niet
    bekend was.

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat de korpsbeheerders zich
    weinig bezig houden met de opsporingsmethoden, ook niet na de
    IRT-affaire. Toch is naar aanleiding van de IRT-affaire de gedachte
    opgekomen dat een al te afstandelijke opstelling van de
    korpsbeheerder niet terecht is. Daarom willen sommigen op de hoogte
    worden gebracht van uitzonderlijke methoden – die overigens ook de
    rechtspositie van het personeel in gevaar kunnen brengen – en van
    gevallen waarin boven het ter beschikking staande budget geld moet
    worden ingezet. In de korpsen wordt .25.000, tot .35.000, geheime
    CID-uitgaven begroot. Dit zijn niet de tip-, toon- en
    voorkoopgelden, waar de korpsbeheerders geheel buiten staan. Uit
    hoofde van hun verantwoordelijkheid voor het beheer willen zij
    bovendien globaal zicht hebben op de situaties waarin de
    politiemensen terechtkomen teneinde de mogelijke gevaren waaraan ze
    worden blootgesteld te kunnen inschatten. Sommigen spreken in dat
    verband van een verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder voor de
    ethiek van het politie-optreden. Een aantal korpsbeheerders wenst
    dan ook in het driehoeksoverleg op de hoogte te worden gesteld als
    politie-ambtenaren in onveilige situaties worden gebracht, of als
    deze strafbare feiten plegen.

    In gevallen waarin de korpsbeheerder zich laat informeren over
    de attitude, de veiligheid, de budgetoverschrijding en de
    uitzonderlijke gevallen, zal hij in het driehoeksoverleg eventueel
    een veto kunnen uitspreken over een bepaalde kwestie. Dit is echter
    tot nu toe nooit gebeurd. Ook het beraad van korpsbeheerders heeft
    niet als zodanig uitspraken gedaan over methoden en dergelijke. Het
    voorgaande kan nog worden aangevuld met een andersoortige
    bemoeienis van de korpsbeheerders met het CID-werk. Daarbij gaat
    het om de bestuurlijke rechtshandhaving. Sommige korpsbeheerders
    zeggen dat zij in dit verband steeds CID-informatie krijgen als zij
    daarom vragen. Opgemerkt moet worden dat dit in strijd is met de
    regelgeving tenzij de verstrekking valt onder artikel 15, eerste
    lid, onder b, Wet politieregisters. Het komt ook voor dat de
    politie de burgemeester benadert – al dan niet door tussenkomst van
    het openbaar ministerie – teneinde hem tot bepaalde bestuurlijke
    maatregelen te bewegen. Maar de politie is daarin terughoudend. Er
    is nog een andere invalshoek van waaruit de korpsbeheerder te maken
    kan krijgen met de CID. Belanghebbenden kunnen bij hem klagen over
    politie-optreden.
    De Politiewet 1993 verplicht het regionaal college om op
    voorstel van de
    korpsbeheerder regels over de behandeling,
    het onderzoek en de afdoening van klachten over optreden van
    ambtenaren van de politie vast te stellen. De regeling voorziet in
    de instelling van een onafhankelijke commissie, die de

    korpsbeheerder adviseert over de afdoening van klachten (artikel
    61 Politiewet 1993). In Amsterdam wordt al sinds 1986 met een
    dergelijke commissie voor politieklachten gewerkt. Als de klacht
    niet naar tevredenheid van de klager is behandeld, kan hij zich
    wenden tot de Nationale ombudsman.

    3.5.2 De korpsleiding

    Veel – zij het niet alle – korpschefs hebben te weinig aandacht
    gehad voor het CID-werk.

    De voorzitter:
    Heeft de korpsleiding zich ooit wel eens met deze praktische
    dingen beziggehouden?
    De heer Van Steeg:
    Niet in die zin dat de korpsleiding gekeken heeft: is dit nu
    een
    CID-subject, of een opvraag heeft gedaan van een
    CID-subject en daar inhoudelijk naar gekeken heeft. Maar de
    korpsleiding heeft zich bijvoorbeeld heel uitdrukkelijk bemoeid met
    het moment waarop het geautomatiseerd ging worden en met het moment
    waarop wij de nieuwe organisatie ingingen en op verschillende
    locaties de informatie in gingen kloppen. U kunt zich immers
    voorstellen dat dit gaat via telefoonlijnen die beveiligd moeten
    worden. De heer Wiarda heeft zich daar zeer persoonlijk en
    nadrukkelijk mee bemoeid.
    De voorzitter: Ik bedoel:
    met het praktische werk?
    De heer Van Steeg:
    Nee.
    De voorzitter:
    U heeft zich in een ander verband nog wel eens wat krasser
    uitgelaten over het verstand dat de korpsleiding heeft van het
    CID-werk.
    De heer Van Steeg:
    Ja.
    De voorzitter:
    Hoe kras was?
    De heer Van Steeg:
    Dat was zo kras dat ik zei, dat Jan Wiarda veel verstand
    heeft van het managen van ons korps en ik van het CID-werk, en dat
    wij het ieder op ons eigen vlak moeten doen. Ik denk dat dit heel
    goed werkt. Uiteraard heeft hij wel de taak van controleren en daar
    heeft hij weer een afdelingschef voor.
    Noot

    Sommige korpschefs geven aan zich tot voor kort nooit met de
    recherche in het algemeen en de CID in het bijzonder te hebben
    bemoeid. Het overgrote deel van de korpschefs heeft zelfs weinig of
    geen recherche-ervaring.

    De voorzitter:
    Sinds wanneer bent u direct betrokken bij het onderwerp
    zwaar georganiseerde criminaliteit? Ik vraag dit omdat veel
    korpschefs deze achtergrond niet hebben.
    De heer Straver:
    Dat klopt en dat geldt ook voor mij. Ik was vooral bezig met
    veiligheid in mijn stad en mijn regio. Betrokkenheid bij de zware
    en georganiseerde criminaliteit was op afstand en is pas na de
    IRT-affaire heel intensief geworden (…).
    Noot
    De voorzitter:
    Heeft u zich in het verleden, voordat het interregionale
    rechercheteam uit elkaar spatte, inhoudelijk veel met
    opsporingsmethodes beziggehouden?
    De heer Nordholt:
    Nee, ik heb in de 36 jaar dat ik bij de politie werk geen
    dag bij de recherche gediend. Ik ben geen recherchechef geweest. Ik
    ben in 1984 begonnen als korpschef in Groningen. Ik was daarbij
    natuurlijk wel verantwoordelijk voor de recherche. Sinds 1 januari
    ben ik daarvoor verantwoordelijk in Amsterdam, maar zonder
    recherche-ervaring.
    De voorzitter:
    Wat wist u van onderzoeken die liepen? Wat wist u van
    methoden die gebruikt werden? Wat wist u van voorkeuren? Wat wist u
    van keuzes?
    De heer Nordholt:
    Wat ik wist, wist ik al toen ik naar Amsterdam ging. In dat
    korps werd gebruik gemaakt van de methode
    pseudo-koop. Ik
    wist ook, maar dat was pas in een latere fase, dat die

    pseudo-koop die op zichzelf al een vorm van infiltratie
    is, veranderd is in korte-termijninfiltratie. Ik denk dat
    pseudo-koop later zelfs veranderd is in
    lange-termijninfiltratie. Wij hebben daarover gesproken in de
    gemeenteraad. De
    pseudo-koop was destijds een heikel
    onderwerp. Het heeft nog even geduurd alvorens dat middel kon
    worden ingevoerd. De heer Van Thijn heeft zich daar nogal sterk
    voor gemaakt.
    Noot

    De geringe aandacht voor het CID-werk kan bovendien worden
    verklaard uit de overweging dat de officier van justitie de
    recherche en het CID-werk aanstuurt. Toch neemt dit laatste niet
    weg dat de korpschef evenzeer verantwoordelijk is voor het
    CID-optreden als voor het wijkteam. Inmiddels bestaat die aandacht
    wel, onder meer als gevolg van de IRT-affaire en de parlementaire
    enqute. Alle korpschefs hechten in elk geval waarde aan het
    CID-werk. Er worden echter wel kanttekeningen geplaatst. De
    voornaamste problemen in de verhouding tussen de korpschef en de
    CID vloeien voort uit het door de CID gepercipieerde belang hun
    bronnen te beschermen. In het beste geval krijgt de korpschef alles
    te horen, als hij dat wil, zelfs de namen van de
    informanten. Er zijn echter veel CID-rechercheurs die het niet
    juist achten de korpschef te informeren over de details van hun
    werkzaamheden. In dergelijke gevallen acht de RCID-chef zich
    weliswaar verplicht te rapporteren aan de CID-officier van
    justitie, maar niet aan de recherchechef of aan de
    hoofdcommissaris. Zelfs op uitdrukkelijke vragen van de
    korpsleiding wordt dan geen antwoord gegeven. In Amsterdam
    accepteert de korpschef deze gedragslijn niet. Dit wordt ook
    doorgetrokken naar de CID-en op districtsniveau. De korpschef is
    van oordeel dat de projectleider van die CID moet rapporteren aan
    de districtschef, zodat deze laatste over alle informatie kan
    beschikken die hij eventueel wil hebben. In Rotterdam acht de
    korpsleiding het een probleem dat de CID niet meer ondersteunend,
    maar leidend dreigt te worden en dat de CID aan de operationele
    recherchechef de informatie onthoudt waarvoor deze later wel
    verantwoording moet afleggen. Hoewel men ook daar met CID-en bij de
    districten werkt, wordt gevreesd voor een verzelfstandiging van
    districtelijke CID-en, waardoor de korpsleiding geen overzicht kan
    hebben van de CID-activiteiten.

    In Kennemerland werd de korpsleiding slechts mondjesmaat door de
    CID van informatie voorzien. De korpsleiding heeft de RCID-chef
    (Langendoen) echter naar buiten toe niet willen afvallen, omdat hij
    naar het oordeel van de korpsleiding goede resultaten behaalde en
    omdat hij onder grote persoonlijke druk stond als gevolg van
    persberichten waarin aanvallen werden gedaan op zijn integriteit.
    Omgekeerd komt het ook voor dat de korpsleiding aan de RCID-chef
    informatie onthoudt. Dit was in dezelfde casus het geval toen de
    opvolger van Langendoen (Woest) in opdracht van de korpsleiding
    niet werd belast met CID-gegevens uit het onderzoek van het IRT
    Noord-Holland/Utrecht.

    Een bijzondere situatie doet zich voor als CID-ambtenaren werken
    voor andere regio’s of voor een kernteam. Het systeem is dan zo dat
    de korpschef van het leverende korps nog slechts beheersmatige
    verantwoordelijkheid draagt: zij achten zich mede verantwoordelijk
    voor de veiligheid van hun CID-personeel. De uitgeleende ambtenaren
    komen echter onder het gezag en de operationele leiding van het
    inlenende korps/team en de daarvoor verantwoordelijke korpsleiding.
    Dat de overdracht dan goed moet lopen, moge duidelijk zijn.

    3.5.3 Het openbaar ministerie

    Artikel 13 Politiewet 1993 bepaalt dat indien de politie
    optreedt in het kader van de strafrechtelijke handhaving van de
    rechtsorde zij onder gezag van de officier van justitie staat.
    Artikel 2, tweede lid CID-regeling 1995 stipuleert dat de
    taakuitvoering door de regionale criminele inlichtingendienst
    plaatsvindt binnen de door de CID-officier van justitie aangegeven
    kaders en met inachtneming van de door deze functionaris gegeven
    aanwijzingen. De toetsing door de CID-officier zal gericht moeten
    zijn op talrijke aspecten. Uiteraard zal moeten worden gelet op de
    naleving van de wet en het verdragsrecht en op de beginselen van
    een goede procesorde, maar ook op de belangen van afscherming van
    de informant en op de grenzen van het politie-optreden waar
    bijvoorbeeld wordt overgegaan tot het plegen van strafbare
    feiten.

    De voorzitter:
    In hoeverre kunt u als officier het beleid van de CID
    bepalen?
    De heer De Groot:
    Ik wil het wel.
    De voorzitter:
    Dat begrijp ik, maar kunt u het ook?
    De heer De Groot:
    Ik probeer het. Dat is weer een stap verder. En of ik het
    kan? Dan moet ik uiterst bescheiden zijn.
    De voorzitter:
    Dus u kunt het eigenlijk niet.
    De heer De Groot:
    Niet in de mate zoals ik zou willen.
    De voorzitter:
    Wat kunt u niet wat u wel zou willen?
    De heer De Groot:
    Ik vind dat een CID als onderdeel van de politieorganisatie
    ondersteunend is aan de recherchetaak. De recherchetaak is gericht
    op criminaliteitsbestrijding. De prioriteiten daarvan worden deels
    landelijk maar ook lokaal bepaald. Ik vind dat de inzet van de CID
    eigenlijk de prioriteiten dient te volgen, zoals die door het
    bevoegd gezag worden vastgesteld. Als ik het via de andere kant mag
    benaderen: een CID moet niet voor zichzelf werken, moet geen
    informatie verzamelen om maar informatie te hebben; een CID moet
    ook niet achter de
    informanten aanlopen; een CID moet
    gericht investeren in de projecten die door het bevoegd gezag zijn
    uitgekozen in het kader van de prioriteitenstelling.

    Noot

    De rol van de CID-officier bij de onderzoeksprioritering verschilt,
    maar het enkele bestaan van de CID-officier van justitie is van
    invloed op de onderzoeksprioritering en tevens op de verhoudingen
    binnen de politie-organisatie. Dit kan als volgt worden toegelicht.
    Daar waar de onderzoeksprioritering tot stand komt in nauwe
    samenwerking tussen tactische recherche en zaaksofficieren heeft de
    CID slechts een ondersteunende rol. De bevindingen van de CID
    bereiken de besluitvormende organen in dat geval uitsluitend via de
    recherche respectievelijk de zaaksofficier. Door het bestaan van
    een CID-officier heeft de CID rechtstreeks toegang

    gekregen tot besluitvormende niveaus, wat de afhankelijkheid van de
    tactische recherche deed afnemen. Wellicht komen de belangen van de
    centrale autoriteiten binnen het openbaar ministerie – in het
    bijzonder het Cordinerend beleidsoverleg (CBO) – en de regionale
    criminele inlichtingendiensten samen met de CID-officier als
    trait d’union. Indien de onderzoeksprioritering dient te
    geschieden aan de hand van nationaal vast te stellen criteria over
    de betekenis van het begrip georganiseerde criminaliteit, is het
    bij uitstek de RCID die in staat is te bepalen of een bepaalde
    criminele organisatie voor onderzoek in aanmerking komt.

    Controle op de RCID

    Een aantal CID-officieren heeft daadwerkelijk greep op de CID.
    Hoewel bij uitzondering, komt het voor dat afspraken tussen de
    CID-officier en de CID-chef schriftelijk worden vastgelegd. Dit
    gebeurde bijvoorbeeld in het geval van een
    informant, die
    ten behoeve van zijn informatieverschaffing aan de politie, een
    aankoop zou kunnen doen en daarmee heler zou worden.

    Na de IRT-affaire en enkele geruchtmakende zaken in 1994 is het
    besef gegroeid dat de rechtmatige toepassing van bepaalde
    bijzondere opsporingsmethoden voorafgaande instemming van het
    openbaar ministerie vergt. In voorkomende gevallen, en dat is heel
    regelmatig, overlegt de CID-officier met de hoofdofficier. Dan komt
    aan de orde of de hoofdofficier de besluiten van de CID-officier
    voor zijn rekening kan nemen. Ook de instelling en het functioneren
    van de Centrale toetsingscommissie dragen eraan bij dat de officier
    van justitie bij ingrijpende trajecten wordt ingelicht.

    De voorzitter:
    Waarom is er dat magisch toen en dat magische nu? Wat is er
    toch veranderd? Wat is er in u allen gevaren?
    De heer Dros:
    Er is vreselijk veel gebeurd. In de eerste plaats zijn er
    heel grote onderzoeken ter zitting geweest, met alle mogelijke
    complicaties van dien, waar wij met elkaar van geleerd hebben. Er
    is dus nieuwe jurisprudentie ontstaan. Er zijn ook allerlei andere
    ontwikkelingen geweest die ertoe geleid hebben dat een aantal zaken
    opnieuw tegen het licht gehouden zijn, zoals de IRT-affaire. Ook uw
    werk heeft daartoe geleid.
    De voorzitter:
    Wordt het nu beter of slechter?
    De heer Dros:
    Laat ik het zo zeggen: het past in de ontwikkeling in de
    tijd. Ik ben in 1991 bij de CID gekomen en het is nu 1995. Ik heb
    een continue ontwikkeling gezien naar de situatie die wij nu
    kennen. Dat is heel intensief overleg met het openbaar ministerie,
    nieuwe overlegvormen, de hele situatie met de
    CTC. In 1991
    was het een volstrekt andere situatie.
    Noot

    Toch geldt dat officieren van justitie in de praktijk nalaten
    algemene kaders voor het CID-werk te scheppen. Hooguit zou men
    kunnen zeggen dat het regelmatige contact tussen RCID-chefs en
    CID-officieren van justitie – de meeste officieren en RCID-chefs
    hebben een paar keer per week met elkaar contact – tot gevolg heeft
    dat de RCID-chef in grote lijnen weet waar de grenzen voor de
    verantwoordelijke officier van justitie liggen. Formeel zegt dat
    echter niets.

    In Utrecht stelt de CID-officier in 1991 voor keer per
    jaar met de CID over jurisprudentie, richtlijnen, pseudokoop en
    dergelijke te praten.
    Concrete aanwijzingen over te volgen
    onderzoekslijnen worden ook zelden gegeven. Als dit wel gebeurt –
    dit gebeurt nu frequenter dan voor 1993 -, zijn de aanwijzingen
    vooral gericht op dagelijks voorgelegde casusposities. Het betreft
    dan langdurige informatietrajecten die soms vooraf, soms wanneer
    het traject al begonnen is, met de officier van justitie worden
    doorgesproken. Hoewel de officier van justitie de
    verantwoordelijkheid heeft, staat hij nagenoeg met lege handen als
    de politie weigert de door hem uitgestippelde lijn na te leven.

    Voorbeeld:
    Een door de politie geprepareerde auto was in het criminele
    milieu gebracht. De auto gaf meermalen technische problemen, omdat
    de accu waarop de
    peilzender functioneerde regelmatig
    opgeladen moest worden. De
    CID-officier besloot toch tot
    voortzetting van de actie. Omdat de auto inmiddels in een
    afgesloten ruimte stond, was het opladen van de accu alleen
    mogelijk wanneer de politie het pand zou betreden. De chef van de
    centrale
    ondersteunende dienst doorkruiste die beslissing
    door opdracht te geven de zaak af te breken.
    CID-officieren
    stellen zelf dat hun sturingsmogelijkheden beperkt zijn. In de
    eerste plaats speelt een rol het

    verschijnsel dat de officier van justitie onderhevig is aan de
    zogenaamde negatieve controle van de politie. De
    sturing en controle door de CID-officier van justitie verloopt in
    de praktijk in hoofdzaak via de persoon van de RCID-chef. Dit
    veronderstelt dat de RCID-chef van alles wat de runners doen op de
    hoogte is. Deze veronderstelling is niet altijd overeenkomstig de
    werkelijkheid. Bovendien worden wat betreft de omgang met
    informanten alleen bijzondere dingen voorgelegd; voor het overige
    wordt er kennelijk van uitgegaan dat politie-ambtenaren hun eigen
    verantwoordelijkheid hebben. De officier van justitie is immers, zo
    menen sommige RCID-chefs, niet voor de details maar om op
    hoofdlijnen sturing te geven. De CID-officier gaat er met een
    beroep op het vertrouwensbeginsel vanuit dat het wordt gemeld.

    De voorzitter:
    Maar is het nu zo dat eigenlijk bepaalt waar de officier van
    justitie die sinds kort officieel het gezag heeft over de CID, over
    moet beslissen? U vraagt en zij of hij geeft antwoord, maar als u
    niet als het ware een vraag voorlegt, dan blijft het in feite
    stil?
    De heer Van Steeg:
    Ja, dan blijft het stil.
    De voorzitter:
    Dus het hangt van u af, of u zegt: dat leg ik voor en dat
    niet?
    De heer Van Steeg:
    Als u praat over CID-subject, dan wel. Als we praten over
    andere omstandigheden, met betrekking tot…
    De voorzitter:
    Neemt u het scala eens door, waarvan u zegt: dat hoef ik
    niet te bespreken met m’n officier? Geeft u eens aan hoe dit
    vroeger was en hoe het nu is, want er zal wel verandering in
    zitten?
    De heer Van Steeg:
    Er zit niet zoveel verandering in, denk ik. Over CID-subject
    bijvoorbeeld wordt niet gesproken met een
    CID-officier. Maar
    helemaal aan de andere kant: zaken als een strafbaar feit dat een
    informant/infiltrant zou moeten of zou willen plegen, of een
    omstandigheid dat er een U-bochtconstructie moet worden toegepast
    of dat er bijvoorbeeld een straf opgeschort moet worden – dat soort
    dingen bespreek je allemaal wel met de officier.

    Noot

    Binnen de CID wordt overlegd welke informatie op papier kan.
    Vanwege het verlangen tot afscherming wordt weinig schriftelijk
    vastgelegd. Maar dat leidt er dan ook vaak toe dat de zaken die
    niet aan het papier worden toevertrouwd ook niet met de officier
    van justitie worden doorgesproken. Dat is anders als de politie
    aanneemt dat de betreffende kwestie van invloed kan zijn op de
    rechtsgang.

    Naast deze gevallen van negatieve controle, kunnen ook minder
    zuivere motieven een rol spelen. Het is in het verleden wel
    voorgekomen dat de officier van justitie opzettelijk gebrekkig of
    misleidend is genformeerd. Als voorbeeld is te noemen de
    getuigeverklaring van de Haagse hoofdinspecteur Van Loosbroek in de
    Sinis-zaak tegen S. (Hof Amsterdam 21.11.1994). Deze getuige was
    leider van het onderzoeksteam. Hij verklaarde: in het kader van het
    onderzoek is in opdracht van mij op verschillende lokaties
    binnengetreden, terwijl de officier van justitie daarvan niet op de
    hoogte was. Ik wenste van deze binnentredingen geen
    processen-verbaal, omdat ik bang was dat deze – al dan niet via
    de
    rechter-commissaris – bij de verdediging zouden
    terechtkomen (..). Ik denk dat de officier van justitie de
    binnentredingen niet zou hebben goed gevonden: hij was als leider
    van het onderzoek altijd erg formeel en strak, roomser dan de paus
    zo u wilt. Dat was dan ook de reden voor mij om het niet te
    vertellen.

    Zo werden in de zaak Henk R. zowel door de CID als door de
    tactische recherche inkijkoperaties uitgevoerd, maar is het
    openbaar ministerie daar nimmer van in kennis gesteld.
    In het verleden werd ook gewezen op het gevaar van
    officier-shopping. De politie zou officieren van justitie benaderen
    die hun veel ruimte gaven. Na de reorganisatie en de aanwijzing van
    vaste
    CID-officieren zijn de mogelijkheden hiertoe beperkt,
    al zijn ze nog niet geheel uit te sluiten, bijvoorbeeld in
    vakantieperioden.
    Naast de negatieve controle door de RCID-chef
    en de opstelling van deze persoon compliceert ook de organisatie
    binnen het openbaar ministerie het toezicht op de CID-activiteiten.
    In het bijzonder is problematisch dat meer officieren van justitie
    tegelijkertijd bij n zaak zijn betrokken. Het CID-werk wordt
    begeleid door een CID-officier. Maar het kan voorkomen dat in een
    bepaald onderzoek de tactische recherche reeds is begonnen – of dat
    reeds een gerechtelijk vooronderzoek is gestart – maar het
    CID-traject nog steeds doorloopt. In zo’n geval wordt ook een
    zaaksofficier aangewezen. Indien de CID-officier niet volledig
    danwel op weinig gestructureerde wijze is genformeerd, beschikt de
    zaaksofficier van justitie hoogstwaarschijnlijk over niet meer dan
    deze gebrekkige informatie. Daarnaast is het in sommige parketten
    niet gebruikelijk dat de zaaksofficier van alle feiten van het
    CID-matige onderzoek op de hoogte is. De zaaksofficier zou maar
    belast worden met kennis, die hij toch niet tijdens het
    gerechtelijk vooronderzoek of ter terechtzitting kan gebruiken. Dit
    zou alleen maar leiden tot versprekingen die kunnen openbaren wat
    verborgen had moeten blijven. In andere parketten – althans in
    andere regio’s – worden de zaaksofficier en de CID-officier
    gelijktijdig bijgepraat door de politie. Soms komt het voor dat
    CID-officieren in grote zaken tevens zaaksofficier zijn. Dit lijkt
    een vrij
    recente ontwikkeling te zijn. Bij het parket ‘s-Hertogenbosch zijn
    de functies van CID-officier en de zaakofficier in n persoon
    verenigd.

    De heer De Graaf:
    Wat betreft de verhouding tussen zaaksofficier en CID-officier
    is het in uw arrondissement zo geregeld dat CID-officieren ook
    zaaksofficieren zijn, zodat de zaaksofficier weet wat de
    CID-officier weet. Zeg ik het zo goed?
    De heer Pieters:
    In principe is dat juist, zeker als het n persoon is.
    (…)
    De heer Graaf:
    In andere arrondissementen is het anders geregeld. Daar is een
    heel strikte scheiding tussen de zaaksofficier en de CID-officier.
    De CID-officier vertelt niets of heel weinig, zodat de
    zaaksofficier niet uit de school kan klappen tijdens de zitting.
    Dat is vaak het argument dat wordt gehanbteerd. Is het niet raar
    dat dit per arrondissement anders is geregeld? Hebt u daarover
    forse discussies met uw collega CID-officieren? Wordt daarover een
    centrale beslissing voorbereid?
    De heer Pieters:
    Ik heb begrepen dat men soms bevreemd naar Den Bosch kijkt en
    dat met grote belangstelling volgt, ook wat de hoogste leiding
    betreft. Noot Divergentie tussen de CID-officier en de
    zaaksofficier komt het gezag van het openbaar ministerie over de
    RCID niet ten goede. Het is voorgekomen dat CID-rechercheurs
    toestemming hadden van een CID-officier en vervolgens kritiek
    kregen van een zaaksofficier, omdat zij de euvele moed hadden gehad
    met iemand anders dan de leden van de unit van de zaaksofficier te
    spreken. Met name in langlopende tactische onderzoeken waarbij ook
    nog CID-matig onderzoek wordt verricht, wil een zaaksofficier zich
    wel eens op het standpunt stellen dat hij tevens de CID-officier is
    voor die zaak. De stellingname zal krachtiger zijn indien al n of
    meer gerechtelijke vooronderzoeken zijn geopend. Sommige CID-chefs
    vinden het niet gewenst dat zaaksofficier en CID-officier in n
    persoon zijn verenigd. Zij wijzen erop dat dit tot gevolg heeft dat
    het opsporingsbelang en het inlichtingenbelang in n hand komen,
    waardoor beide belangen – om nog maar niet te spreken van de
    belangen van de verdediging – met elkaar kunnen botsen. Het
    CID-traject loopt vaak door na het tactisch maken van een zaak. Het
    blijkt geen automatisme om bij het gelijk oplopen van de twee
    trajecten de zaaksofficier te informeren over de ontwikkelingen in
    het CID-matig onderzoek. Dat ligt uiteraard anders wanneer vanuit
    de tactische recherche om een CID-matig onderzoek wordt gevraagd om
    nadere inlichtingen in te winnen.

    Controle op de NCID

    De Vergadering van procureurs-generaal heeft op 28 augustus 1985
    besloten een landelijk CRI-officier van justitie aan te stellen.
    Begin 1992 heeft de Begeleidingscommissie CID de Vergadering van
    procureurs-generaal voorgesteld de taken van de landelijk
    CRI-officier van justitie uit te breiden met het toezicht op de
    verstrekking van criminele inlichtingen (door de CRI) aan
    buitenlandse politie-autoriteiten. Artikel 6 lid 5 CID-regeling
    1995 bepaalt dat de NCID al haar taken (zoals omschreven in artikel
    6 CID-regeling 1995) uitvoert binnen de door de betrokken landelijk
    CID-officier van justitie aangegeven kaders en met inachtneming van
    de aanwijzingen die de NCID-officier geeft.

    De controle op de verstrekking van criminele
    inlichtingen aan buitenlandse autoriteiten zou de landelijke
    officier van justitie moeten uitoefenen in gevallen
    van:

    • criminele inlichtingen ten aanzien van
      LCID-subjecten;
    • criminele inlichtingen die aan de LCID zijn gegeven en
      waarbij de aanmeldende CID heeft bepaald dat ze operationeel
      bruikbaar zijn;
    • criminele inlichtingen met andere afhandelingscodes die op
      verzoek van de CID-en zijn verwerkt in analyse-vormen ten dienste
      van de internationale politiesamenwerking.
      In gevallen waarin
      de CRI optreedt als verstrekker van criminele inlichtingen aan
      buitenlandse politie-autoriteiten namens andere RCID-en, wordt
      benadrukt dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de
      uitwisseling blijft berusten bij de beheerder van de RCID.

    Op dit moment is n landelijk CRI-officier van justitie, die tevens
    belast is met de controle op de NCID. Het dilemma van de sturing en
    controle door het openbaar ministerie is dat te sterke
    betrokkenheid van de CID-officier van justitie
    belangenverstrengeling en uitholling van de sturing en controle tot
    gevolg heeft, terwijl te grote afstand van de CID-officier van
    justitie leidt tot informatie-achterstand, frustratie en
    tekortschietende van de sturing en controle.

    3.5.4 De rechter

    Er bestaat geen hirarchische relatie tussen de politie en de
    zittende magistratuur Noot , laat staan dat de
    rechterlijke macht rechtstreekse bevelsbevoegdheid heeft over de
    CID. De controle van de rechter zal dan ook altijd zaaksgewijs
    moeten geschieden. Daartoe is tot op heden een
    vervolgingsbeslissing van de officier van justitie nodig.
    Noot Maar zelfs de vervolgingsbeslissing van de officier
    van justitie laat onverlet dat steeds de officier van justitie zal
    moeten beslissen of de rechter al dan niet moet worden
    ingeschakeld. Slechts door tussenkomst van de officier van justitie
    is de rechter in staat controle op de CID uit te oefenen. De
    rechterlijke controle wordt door een aantal oorzaken bemoeilijkt.
    Tijdens het gerechtelijk vooronderzoek spelen de
    rechters-commissarissen een – tamelijk afwachtende, want van de
    vraag afhankelijke – rol met betrekking tot de toepassing van
    dwangmiddelen. De meeste rechters-commissarissen vinden dat hun
    taak zich niet uitstrekt tot de toepassing van dwangmiddelen, maar
    dat die zich beperkt tot het panklaar voor de zitting maken van de
    zaken. Dit brengt met zich dat zij een voorcontrole op de
    bewijsconstructie uitoefenen. Slechts voorzover zij daarin
    tekortkomingen of problemen zien, zullen zij werk maken van hetgeen
    in de opsporing heeft plaatsgevonden. Enkele – maar zeker niet alle
    – rechters-commissarissen willen in dat licht wel degelijk meer
    inzicht in het CID-matige onderzoek. Noot Zij willen –
    juist vanwege hun benadering van het opruimen van problemen voor de
    zitting tijdens het gerechtelijk vooronderzoek de beschikking
    hebben over een overzicht van de gehanteerde opsporingsmethoden en
    -middelen.

    Het wetsontwerp Herziening gerechtelijk vooronderzoek
    kent een nieuw artikel 177a Sv dat wil bewerkstelligen dat de
    rechter-commissaris op de hoogte wordt gesteld van activiteiten
    tijdens het parallelle opsporingsonderzoek. Uit het wetsontwerp
    komt niet duidelijk naar voren of hieronder ook begrepen moet
    worden dat activiteiten in een parallel CID-traject aan de
    rechter-commissaris ter kennis moeten worden gebracht.

    De zittingsrechter beoordeelt in eerste instantie ambtshalve of
    voldoende bewijs voor het te laste gelegde feit voorhanden is.
    Slechts indien uit de bewijsmiddelen een direct en ernstig
    vermoeden rijst dat de politie onrechtmatig is opgetreden, moet hij
    daar ambtshalve een onderzoek naar instellen om te bepalen of het
    betreffende bewijsmiddel voor de bewijsconstructie gebruikt kan
    worden. Voor het overige wacht de rechter de verweren van de
    verdediging af. De rechter moet op die verweren ingaan en verlangt
    daartoe de mogelijkheid de rechtmatigheid van het politie-optreden
    te toetsen. Dit onderzoek kan alleen maar zinvol geschieden indien
    van het optreden verslag is gedaan.

    De voorzitter:
    Dus als het aan u ligt, moet je iets anders geheims hebben,
    waar niemand iets van weet – ook de rechter niet – om goed te
    kunnen werken?
    De heer Dros:
    Ja, dat is natuurlijk een beetje de spanning die erin
    zit.
    De voorzitter:
    Zegt u maar gewoon ja of nee.
    De heer Dros:
    Dat is natuurlijk wel de praktijk van alledag.
    De voorzitter:
    Wat voor geheims wilt u hebben?
    De heer Dros:
    Als ik u dat vertel, is het niet geheim meer.
    De voorzitter:
    In welke richting moeten wij dan zoeken? Een
    voorinkijk?
    De heer Dros:
    Ik kan daar zo uit de losse pols geen antwoord op geven,
    maar dit is natuurlijk wel de spanning die samenhangt met het
    gebruik van opsporingsmethodieken. Aan de ene kant openbaarheid en
    aan de andere kant een zorgvuldige verantwoording en een mogelijke
    toetsing door de rechter. Daar zit een zekere spanning in.

    Noot

    De rechters verlangen in toenemende mate verslaglegging.
    Noot Dat neemt echter niet weg dat activiteiten met het
    oog op het inwinnen van informatie in veel gevallen niet
    onmiddellijk bijdragen aan de verkrijging van bewijsmateriaal.
    Noot In die gevallen komt de rechter niet toe aan de
    beoordeling van het CID-optreden, tenzij de gronden waarop de
    verdenking in de beginfase van het tactische (opsporings)onderzoek
    berust, ter discussie staan.

    De heer Koekkoek: U zegt:
    in beginsel is hetgeen de officier van justitie in het
    dossier stopt voldoende. Is dat ook altijd zo of bedoelt u dat het
    voldoende behoort te zijn voor de rechter om zich een oordeel te
    kunnen vormen? Ik zal een voorbeeld geven. Als in een
    proces-verbaal staat uit CID-informatie is gebleken dat…, heeft u
    dan nooit behoefte om daarachter te kijken? Geeft u ook toe aan die
    behoefte?
    Mevrouw Rutten-Roos:
    Mijn priv-nieuwsgierigheid zal ik er nu even buiten laten.
    In beginsel vind ik dat zo’n mededeling voldoende is voor de
    rechter als de officier van justitie vindt dat dat zo is. Als in de
    loop van de procedure aanleiding is om meer te willen weten over
    met name de herkomst van de informatie – dat kan komen van de
    verdachte, maar ook door wat een officier daarover zegt of wat
    iemand anders, een getuige, zegt -wil ik als rechter meer weten en
    vraag daar ook naar. Dat kan betekenen dat er nog wat toegevoegd
    moet worden.

    Noot
    In het normale geval kan de rechter uitgaan van de juistheid van
    een mededeling in het aanvangsproces-verbaal dat het onderzoek is
    aangevangen, omdat bepaalde gegevens uit CID-informatie zijn
    gebleken. Dit uitgangspunt ontslaat de zittingsrechter niet van de
    plicht onderzoek te doen naar de inlichtingenfase als de
    verdediging met zinvolle tegenargumenten komt.

    Het staat volgens vice-president Rutten-Roos van het Amsterdamse
    gerechtshof niemand (afgezien van verschoningsgerechtigden) vrij om
    aan de rechter gegevens te onthouden die de rechter nodig vindt
    voor de beoordeling van zijn zaak. Volgens deze rechter moet
    voorkomen worden dat het CID-onderzoek een vergaarbak wordt om de
    rechter het zicht op de toegepaste opsporingsmethoden te ontnemen.
    Deze zienswijze verdient evenwel twee kanttekeningen. Ten eerste
    pleegt de rechter, wanneer bijzondere opsporingsmethoden aan de
    orde komen, in dit kader de belangen van de verdediging af te wegen
    tegen die van de opsporing. Noot Weegt het
    opsporingsbelang zwaarder, dan zal de rechter beletten dat bepaalde
    vragen aan een getuige worden gesteld. De bron van de verzamelde
    informatie behoefde tot nu toe zelden te worden prijsgegeven. Ten
    tweede heeft de rechter in veel gevallen de mogelijkheid de
    gehanteerde methoden buiten beschouwing te laten in verband met het
    zogenaamde relativiteitsvereiste. Dat komt hierop neer dat
    onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal slechts dan wordt
    uitgesloten van het bewijs indien de geschonden norm een belang van
    de verdachte treft. Zo zal de onrechtmatigheid van doorlating, op
    deze plaats er vanuit gaande dat deze methode onrechtmatig is, in
    verband met de volksgezondheid of het belang van de integriteit van
    het politie-apparaat, nooit een rechtens te respecteren belang van
    de verdachte treffen. Het bewijsmateriaal zal derhalve niet
    uitgesloten kunnen worden en het belang voor de rechter om de gang
    van zaken in de concrete strafzaak te beoordelen is minimaal.

    In de praktijk bereiken de CID-informatierapporten tot nu toe
    nooit de tafel van de zittingsrechter. De informatie zal worden
    verstrekt bij proces-verbaal van de CID-chef. Zo nodig zal deze
    functionaris op de terechtzitting als getuige verschijnen. De namen
    van informanten en runners zullen daar niet aan de orde komen.
    Vastgesteld kan worden dat de strafrechter tot nu toe genoegen
    heeft genomen met deze indirecte wijze van fact-finding.

    De voorzitter:
    En nu is het systeem toch zo, dat altijd maar n CID-chef in
    de rechtszaal staat. En u moet dan maar hopen dat die persoon
    bestand is tegen hetgeen de advocaten van de verdachte
    vragen.
    De heer Van Steeg:
    In principe sta ik daar zelf. Voor informatie die door mij
    is opgemaakt, ga ik zelf staan. Daarbij durf ik het hoofd omhoog,
    de rug recht en de vingers omhoog te houden. Het is mogelijk dat de
    waardering niet in het verbaal staat, maar ik wil er in dit verband
    op wijzen dat je niet een proces-verbaal opmaakt met gegevens van
    onbekende bron. Daarop kan geen onderzoek gestart worden.
    De voorzitter:
    Maar het systeem is, dat men u moet kunnen
    vertrouwen?
    De heer Van Steeg:
    Ja. Daar komt het in feite op neer. Dit is iets vreemds
    binnen ons rechtssysteem. Dat vind ik ook. Daarom moet de zaak
    gecontroleerd worden. Het moet ook mogelijk zijn dat een

    rechter-commissaris bijvoorbeeld zegt: mijnheer Van Steeg, u
    hebt wel een mooi verbaal opgemaakt, maar hoe staat alles nu op het
    formulier? Tot nog toe is het niet voor gekomen dat het formulier
    op tafel moest komen.
    De voorzitter:
    Dat heeft u nog nooit voor een rechter-commissaris of
    bij een rechtbank op tafel hoeven leggen?
    De heer Van Steeg:
    Nee. Ik zou het ook niet zo gauw doen.
    De voorzitter:
    U zou het niet zo gauw doen?
    De heer Van Steeg:
    Maar ik vind wel dat dit in een uiterste geval zou moeten
    kunnen. Dan moet ik aan kunnen tonen – en dat zal ik altijd aan
    kunnen tonen – dat de gegevens die op het CID-formulier staan, op
    dezelfde manier in het proces-verbaal zijn verwoord. Als ik met
    mijn vingers omhoog sta en zeg: dit is een betrouwbare

    informant of meestal een betrouwbare informant, dan kan
    ik dat ook aantonen aan de hand van het formulier dat in mijn
    computer zit.
    Noot

    3.5.5 Overige vormen van sturing en controle

    Begeleidingscommissie CID

    De Begeleidingscommissie CID is op 1 april 1993 opgeheven.
    Noot De leden van de commissie en ook de praktijk waren
    het niet met de opheffing eens. Zij achtten namelijk een permanente
    cordinatiefunctie van belang vanwege de onderlinge afhankelijkheid
    tussen CID-en op het punt van de informatiestructuur en het belang
    van de internationale uitwisseling van gegevens. Noot
    Het belang van de Begeleidingscommissie lag voornamelijk in haar
    schakelfunctie tussen CID en gebruikers. De Begeleidingscommissie
    CID heeft regelmatig signalen over knelpunten in het functioneren
    van de CID-en
    gegeven aan zowel gebruikers, de Vergadering van
    procureurs-generaal en verantwoordelijke gezagsdragers. De
    Begeleidingscommissie stelde voor de begeleiding van de CID na de
    politiereorganisatie in te bedden in de reguliere
    politie-organisatie.

    De Begeleidingscommissie had geen bevoegdheden op het gebied van
    het beheer van en de samenwerking tussen de CID-en. De secretaris
    van de Begeleidingscommissie heeft overigens op een ACC-themadag
    ervoor gepleit de commissie met uitvoerende bevoegdheden uit te
    rusten. Dit illustreert de relatieve onmacht van de
    Begeleidingscommissie in relatie tot de problemen binnen
    CID-Nederland die de Begeleidingscommissie CID signaleert. Concrete
    uitspraken over het gezag dat zij genoot, zijn niet gedaan. Wel kan
    worden vastgesteld dat zij over een groot aantal onderwerpen
    adviezen heeft uitgebracht. Noot

    Registratiekamer

    De Registratiekamer ziet toe op de werking van de
    politieregisters overeenkomstig het bij of krachtens de Wet
    politieregisters bepaalde en in het belang van de bescherming van
    de persoonlijke levenssfeer in het algemeen. Krachtens artikel 15,
    tweede lid CID-regeling 1995 wordt de Registratiekamer in kennis
    gesteld van koppelingen van het CID-register aan registers, waarvan
    de doelstelling niet nauw aansluit bij die van het
    CID-register.

    Blijkens het jaarverslag 1992-1993 heeft geen van de verstrekte
    adviezen of klachten van de Registratiekamer betrekking op de
    CID-registers. De uitspraak van 21 december 1994 heeft betrekking
    op de weigering te voldoen aan een verzoek om uit een CID-register
    aan een belanghebbende (verdachte) Noot mee te delen op
    welke datum, althans in welke periode diens auto was gesignaleerd
    bij een bepaald perceel. Na kennisneming van de geregistreerde
    gegevens en na te zijn genformeerd over de achtergrond van de zaak,
    oordeelt de Registratiekamer dat, alle omstandigheden in aanmerking
    genomen, de aard en inhoud van de gegevens voldoende aanleiding
    vormen om tot de conclusie te komen dat de goede uitvoering van de
    politietaak dan wel gewichtige belangen van derden – de informant –
    ertoe noodzaken kennisneming te weigeren. Dit oordeel is ter kennis
    van de rechter-commissaris gebracht. De zittingsrechter heeft de in
    het geding gebrachte CID-informatie niet zonder meer als toereikend
    beschouwd. De rapportage van de Registratiekamer kan dat tekort
    niet wegnemen. De informant is vervolgens als bedreigde getuige
    gehoord door de rechter-commissaris. Mede op basis daarvan is de
    verdachte veroordeeld.

    Nationale ombudsman

    Klagen over politieoptreden kan, behalve bij het betreffende
    korps, ook bij de Nationale ombudsman. In de periode 1989-1994
    heeft de Ombudsman zes rapporten naar aanleiding van klachten over
    CID-en uitgebracht. Het politie-optreden is in die gevallen steeds
    behoorlijk geoordeeld. Wordt het optreden behoorlijk geacht, dan is
    voor de lezer van de rapporten niet na te gaan waarom dat zo is. De
    conclusie van behoorlijkheid rond geheimhouding dwingt tot
    respectering van de geheimhouding. Hetzelfde geldt voor de
    rapporten van de Nationale ombudsman over de BVD.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken