• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 4.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    4.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    4.3.1 Zaken

    Omdat de regionale, centrale recherche-eenheden in grootte
    variren, verschilt ook het aantal onderzoeken dat de centrale,
    tactische recherche-afdelingen per jaar tot een einde brengen. Het
    gaat om tussen de n en zeven zaken. Meer dan de helft van het
    aantal onderzoeken dat de regionale rechercheteams doen, heeft
    betrekking op drugs. Daarnaast treffen we in volgorde van afnemende
    hoeveelheid respectievelijk onderzoeken aan naar fraude en
    witwassen, hooggeorganiseerde overvallen en afpersingen,
    georganiseerde autodiefstallen, levensdelicten, vrouwenhandel en
    milieuzaken.

    De heer Koekkoek:
    (…) Mijnheer Wilzing, aan welke vormen van criminaliteit
    dient de politie volgens u prioriteit te geven?
    De heer Wilzing:
    Wij hebben in mijn beleving de afgelopen jaren een enorme
    impuls gegeven aan de aanpak van georganiseerde criminaliteit. Waar
    je voor uit moet kijken – ik hoorde dat vanmorgen in het verhaal
    van Fijnaut terug en dat spreekt mij aan – is dat je niet te veel
    in het bovenste segment gaat zitten en dat je met name vormen van
    middencriminaliteit, vormen die vaak een heel directe impact hebben
    op de burger die wij dienen en voor wie wij er horen te zijn,
    vergeet. Als u dit aan mij vraagt als korpschef van IJsselland zeg
    ik: daar kijk ik op het ogenblik heel nadrukkelijk naar. Het
    probleem met georganiseerde criminaliteit, vooral als het een
    internationale uitstraling heeft, beschrijf ik soms als kaasfondue
    waarbij de kaas een beetje aan het stollen is. Je pakt een stuk uit
    iets wat niet klopt, je trekt het omhoog en vervolgens heb je een
    gigantisch dradennet dat heel andere kanten uitgaat. Zo kan het
    zijn dat ik in mijn gebied, tussen Deventer en Zwolle, een stukje
    criminele organisatie naar boven trek en dat ik bijna uitsluitend
    in het westen van het land aan het werk ben of dat ik in het zuiden
    terecht kom. Dan heb ik er dus niets meer mee te maken. Ik denk dat
    wij daar dat netwerk van IRT’s, van
    kernteams, op een prima
    manier op hebben gezet. Vervolgens moeten wij heel goed kijken naar
    het handwerk, het werk van met name de rechercheur. Wij hebben een
    heel sterke beweging gemaakt in de richting van de generale
    taakstelling. Wij moeten ons heel goed richten op genoemde vormen
    van criminaliteit.
    Noot

    Er is onderscheid te maken tussen wie formeel de beslissing neemt
    welke onderzoeken worden aangepakt, en wie deze materieel
    voorbereidt. Formeel neemt de parketleiding of de regionale
    driehoek, bestaande uit de hoofdofficier van justitie,
    korpsbeheerder en korpschef de beslissing. De rol van de driehoek
    lijkt evenwel per regiokorps nogal te verschillen per regiokorps.
    Indien de driehoek een inhoudelijke rol speelt, wordt de keuze voor
    grote onderzoeken voorgelegd aan het driehoeksoverleg of geeft het
    driehoeksoverleg prioriteiten aan als: in n jaar vier grote
    onderzoeken, waarvan n fraude en n milieu.

    Deze betrokkenheid van de driehoek treffen we bijvoorbeeld
    aan in het regiokorps Amsterdam-Amstelland, in Brabant- Zuid-Oost
    (waar twee burgemeesters namens het regionale college aan deelnemen
    en een officier van justitie zware criminaliteit) en in
    Utrecht.

    De heer Koekkoek:
    Ik wilde u vervolgens vragen over de prioritering in de zin
    van de keuze van de onderzoeken die de politie, ook uw korps,
    uitvoert. In hoeverre heeft u daar als korpschef invloed
    op?
    De heer Wiarda:
    In de afgelopen jaren heeft zich daar een groei in
    voorgedaan, die er nu toe leidt dat de prioriteitskeuzen een
    onderwerp zijn in de regionale driehoek: een punt van overleg
    tussen de hoofdofficier van justitie, de
    korpsbeheerder en
    de korpschef. In het verleden is dat niet altijd zo geweest en werd
    de

    onderwerpenkeuze in sterke mate in de politile, justitile lijn
    bepaald. De ontwikkeling daarin is zo geweest, dat we komen uit een
    periode van tien, vijftien jaar geleden waarin onderzoeken startten
    als er een aangifte was van een benadeelde. En als er een aangifte
    is van een benadeelde moet de politie een opsporingsonderzoek doen.
    Dan ontstaat er overleg met justitie en gaat een onderzoek lopen.
    Toen het verschijnsel georganiseerde criminaliteit sterker naar
    voren kwam en sterker werd ontdekt, werd het accent verlegd niet
    meer zozeer naar de aangifte van de benadeelde maar naar het kiezen
    van een bepaalde groepering waar onderzoek op wordt verricht.
    Vanuit de stijl zoals die altijd had gegolden, bleef dat dus heel
    sterk in de politile, justitile lijn liggen. Van lieverlede hebben
    wij ontdekt, dat met name de vraag van de maatschappelijke
    relevantie in de prioritering een zeer bestuurlijke vraag is. Een
    van de eerste terreinen waarop dat nadrukkelijk naar voren kwam,
    was het terrein van de milieucriminaliteit, die heel sterk vanaf de
    bestuurlijke kant is ingezet veel meer dan van de justitile
    kant.

    Een tweede voorbeeld, een voorbeeld uit mijn eigen praktijk,
    is de problematiek van de horeca in de stad Utrecht, wat typisch
    ook een problematiek is van het bestuur van de gemeente Utrecht.
    Daar komt de behoefte naar voren om daar een scherper beeld van te
    krijgen, niet alleen in de vorm van een analyse uit open bronnen
    maar ook een analyse uit criminaliteitsgegevens.

    Zo zijn we nu op het punt aangeland, dat er geen nieuwe grote
    projecten meer worden gestart zonder dat de regionale driehoek zich
    daarover heeft gebogen.
    Noot
    De uiteindelijke beslissing van de parketleiding wordt voorbereid.
    Soms worden achtereenvolgens verschillende niveaus betrokken bij de
    voorbereiding.
    Dat is te illustreren aan de hand van de wijze van beslissen in
    het ressort ‘s-Gravenhage. Daar hebben de vijf regiokorpsen zich
    gecommitteerd om per regiokorps dezelfde criminaliteitsbeelden te
    maken. (Er wordt nu niet stil gestaan bij de rol van het Platform
    criminaliteitsbeheersing dat op grond van het kernteam-convenant
    een rol speelt.) Op grond van criminaliteitsbeelden wordt een
    regionaal beleid vastgesteld. Vervolgens vindt in de ressortelijke
    politie-adviescommissie (van recherchechefs) een
    afstemmingspresentatie plaats. Daar wordt onder meer gekeken of
    bepaalde regiokorpsen niet dezelfde soort onderzoeken uitvoeren
    maar anders noemen, waardoor er sprake is van dubbelslagen. Daarna
    wordt een presentatie gegeven in een gecombineerde vergadering van
    de ressortelijke commissie zware criminaliteit, politie en
    justitie, onder voorzitterschap van de advocaat-generaal zware
    criminaliteit. De volgende stap is dat in de ressortsvergadering
    met de hoofdofficieren van justitie uiteindelijk een eerste keuze
    plaatsvindt, waaraan de procureur-generaal zich committeert.
    Vervolgens toetst het Cordinerend beleidsoverleg (
    CBO) of
    een en ander aansluit bij de landelijke prioriteiten. Het ziet er
    naar uit dat de rol van het
    CBO sinds kort groter is. In
    veel gevallen wordt de zaakskeuze echter voorbereid (en daarmee
    de facto gemaakt) door rechercheleiding, de CID en het
    openbaar ministerie. Noot In sommige gebieden is er
    verder een rol weggelegd voor andere organen, zoals bijvoorbeeld de
    districten van de regiokorpsen Noot of de FIOD. Van de
    zijde van het openbaar ministerie beslissen soms het hoofd van de
    afdeling Georganiseerde Criminaliteit en de CID-officier van
    justitie en soms alleen de CID-officier namens de hoofdofficier van
    justitie. Noot Van de kant van de politie beslissen het
    hoofd van de regionale CID en het hoofd van de centrale recherche.
    Noot Naast de genoemde functionarissen nemen vaak ook
    districtschefs deel aan de besprekingen over de
    prioriteitenstelling tussen openbaar ministerie en politie. In die
    besprekingen wordt over de keuzen van de voor te dragen zaken en
    criminele groepen beslist en worden lopende projecten doorgaans
    regelmatig gevalueerd. In het regiokorps Hollands Midden wordt
    de voortgang bewaakt door hetzelfde overleg van politie en openbaar
    ministerie dat de keuze maakt uit aan te pakken onderzoeken. In het
    regiokorps Limburg-Noord krijgt de centrale recherchechef, nadat
    het onderzoek is geselecteerd, de verantwoordelijkheid voor de
    voortgang ervan.

    Gelet op artikel 148 Sv, dat de officier van justitie met de
    leiding van de opsporing belast, liggen de verhoudingen in die
    besprekingen formeel vast. In praktijk zijn sommige officieren van
    justitie zich ervan bewust dat de politie de leidinggevende rol van
    het openbaar ministerie relativeert. Soms stelt de politie zelfs
    dat het openbaar ministerie denkt dat het openbaar ministerie de
    keuzen maakt, maar dat de politie dat in feite zelf doet.

    De heer Rabbae:
    Mijnheer Jansen, als het om de prioriteitenkeuze gaat, hoeft
    u niet te verwijzen naar allerlei overlegstructuren. Wij kennen
    deze allemaal. Ik vraag u gewoon op de man af wat u vindt. Als het
    gaat om onderzoeken die gedaan moeten worden, vindt u dan dat de
    prioriteiten op lokaal niveau bepaald moeten worden of op landelijk
    niveau?
    De heer Jansen:
    Ik denk dat hier sprake is van tweerichtingsverkeer, zowel
    van bottom up, naar boven toe gegenereerd, als van top down. Als je
    praat over zware, georganiseerde criminaliteit, dan heb je het
    inderdaad over criminaliteit die je op straat ziet, in de wijken
    van je eigen stad. Maar er is ook internationale criminaliteit die
    bijvoorbeeld via internationale relaties wordt aangeleverd, waarbij
    aan Nederland verzocht wordt hier iets mee te doen. Wij hebben
    elkaar in internationaal verband beloofd dat te doen. Het is dus
    een wisselwerking. Ik denk echter wel dat de Nederlandse
    criminaliteit, de criminaliteit die op ons grondgebied plaatsvindt,
    als je goed kijkt naar je eigen omgeving, voor een groot deel
    alleen maar bottom up is te genereren.
    De heer Rabbae:
    Dus u kiest voor een soort harmoniemodel?
    De heer Jansen:
    Ja. Noot Aan de besprekingen over zaakskeuzen
    kunnen presentaties door de misdaadanalisten voorafgaan. Zij zouden
    in staat geacht moeten worden de keuze in vergaande mate voor te
    bereiden. De informatie die de CID vergaart, speelt niet altijd een
    doorslaggevende rol. In een poging een meer compleet beeld te
    krijgen van de misdaad in een regio wordt fenomeenonderzoek
    bepleit. Fenomeenonderzoek moet het criminaliteitsbeeld, dat op
    grond van CID-informatie tot stand komt, aanvullen en bijstellen.
    Noot Dat ook misdaadanalyse niet in alle gevallen een
    even grote rol speelt, ligt niet alleen aan de kwaliteit van de
    inlichtingen. De rechercheleiding huldigt vaak de opvatting dat het
    onwenselijk is dat de CID de tactische recherche dwingt tot
    bepaalde zaakskeuzen. De rechercheleiding wil anders geformuleerd
    niet dat de CID in plaats van de tactische recherche de materile
    beslissing over de zaakskeuze neemt. In de praktijk wordt de keuze
    welke zaken worden aangepakt, gemaakt door het potentieel
    werkaanbod af te zetten tegen een aantal criteria. In de eerste
    plaats gaat het om de organisatiegraad van de criminele groep,
    afgemeten aan de acht basiskenmerken van georganiseerde
    criminaliteit. Deze zijn door de CRI geformuleerd en inmiddels door
    het CBO overgenomen.
    De acht kenmerken zijn:
    1. Wordt de groep gekenmerkt door een hirarchische
    structuur, met een min of meer vaste taakverdeling; 2. Kent de
    groep een intern sanctiesysteem; 3. Is er sprake van
    witwassen
    van geld; 4. Is er sprake van omkoping van
    overheidsfunctionarissen of van werknemers van overigens legale
    bedrijven; 5. Is de groep actief met het plegen van verschillende
    soorten criminele activiteiten; 6. Wordt door de groep gebruik
    gemaakt van dekmantelfirma’s; 7. Strekken de activiteiten van de
    groep zich uit over een lange periode; 8. Maakt de groep zich
    schuldig aan geweld tegen personen uit het criminele milieu. Naast
    deze indeling van de organisatiestructuur van een criminele groep
    bestaat binnen het
    CBO bijzondere aandacht voor de
    innesteling in de bovenwereld.
    Noot

    Op de CBO-conferentie van 8 en 9 mei 1995 heeft het CBO besloten
    twee criteria toe te voegen:

    • de maatschappelijke impact van de activiteiten van een
      gedentificeerde criminele groepering
    • het internationaal actief zijn van een gedentificeerde
      criminele groepering. Naast de organisatiegraad van de criminele
      groep – waarover de CID doorgaans de meeste informatie te bieden
      heeft, en op grond waarvan de officier van justitie het dichtst bij
      de landelijke prioriteitstelling kan blijven – worden de volgende
      criteria gehanteerd bij de besluitvorming: de maatschappelijke
      doorwerking in de regio, de kans op succes, de kosten, het zicht op
      mogelijke verdachten in de regio, beschikbare capaciteit en
      eventuele regionale prioriteiten. Elke regio heeft wel een lijst
      met binnen de regio opererende belangwekkende criminele groepen die
      nog nooit zijn aangepakt. Het regionaal belang en de door de
      recherche ingeschatte kans van slagen zijn vaak doorslaggevend bij
      de keuze. Het regionale belang en de haalbaarheid van het onderzoek
      kunnen ook met elkaar botsen. In Utrecht wordt op dit moment een
      onderzoek uitgevoerd dat het openbaar ministerie van regionaal
      belang achtte, terwijl de tactische recherche twijfelde aan de
      haalbaarheid van het onderzoek.

    Hoe een regionale prioriteitstelling eruit kan zien, is te
    illustreren aan de hand van het Beleidsplan divisie
    criminaliteitsbeheersing en ondersteunende taken 1995-2000 van het
    regiokorps Drenthe. Daaruit blijkt dat het OM voor 1995 de
    volgende, aflopende prioriteitsvolgorde vaststelde:

    1. Delicten waarbij de lichamelijke integriteit van personen
    werd aangetast; 2. Delicten waarbij op grote schaal goederen werden
    ontvreemd en die ook een georganiseerd karakter dragen;

    3. Georganiseerde fraude;
    4. Georganiseerde drugs- en vuurwapenhandel;
    5. Georganiseerde criminaliteit op het gebied van illegale vuil- en
    afvalverwerking.

    Tot nu toe lijken landelijke prioriteiten niet steeds
    doorslaggevend te zijn, behalve als gevolg van de invloed van de
    CRI-criteria. Het komt overigens wel voor dat bijvoorbeeld een
    procureur-generaal opdracht geeft een zaak aan te pakken, terwijl
    de recherche daar niet veel voor voelt.

    De voorzitter:
    Komt het nu ooit voor dat er een keuze gemaakt wordt waar u
    niet achter staat? Die niet bij u vandaan komt?
    De heer Van Amerongen:
    Er is binnen de driehoek nog geen keuze gemaakt waar ik niet
    achter kon staan.
    De voorzitter:
    Is er niet n voorbeeld waarvan u kunt zeggen dat u er
    helemaal geen zin in had, maar dat u wel moest doen?
    De heer Van Amerongen:
    U bedoelt als onderzoek?
    De voorzitter:
    Ja.
    De heer Van Amerongen:
    Wij hebben n keer een onderzoek gehad waar ik op zichzelf
    niet zo veel zin in had, maar waarvan ik wel begreep dat het gedaan
    moest worden. Dat was een fraudeonderzoek.
    De voorzitter:
    Welk fraudeonderzoek?
    De heer Van Amerongen:
    Dat was het Vie d’Or-onderzoek.
    De voorzitter:
    En daar had u geen zin in. Waarom niet?
    De heer Van Amerongen:
    Omdat dat altijd heel lastige onderzoeken zijn. Ik vond dat
    de prioriteit meer lag bij andere opsporingsdiensten dan bij onze
    dienst.
    De voorzitter:
    Wie gaf daartoe dan de opdracht?
    De heer Van Amerongen:
    Ik denk dat die afkwam van de procureur-generaal via de
    hoofdofficier.
    De voorzitter:
    En u vindt dat u daar te veel tijd in hebt gestopt?
    De heer Van Amerongen:
    Ik vind dat wij daar wel een heel goede klus hebben gedaan,
    in samenwerking met de
    FIOD en de ECD. Er waren
    daarbij heel veel mensen in de samenleving gedupeerd. Dan moet je
    toch gaan kijken wat daar aan de hand is. Op zichzelf vind ik dat
    de doelstelling van het team daarbij gehaald is. Voor de rest is
    het een nog lopend onderzoek. Daarom kan ik er niet al te veel
    mededelingen over doen.
    Noot

    Mogelijk zal de prioriteitenstelling van het CBO (via de
    CID-officier van justitie en een planmatig opererende CID) in de
    toekomst vaker beslissend zijn voor de uiteindelijke zaakskeuze. Op
    dit moment is de organisatiegraad – het voornaamste punt van het
    CBO – echter niet het enige criterium en neemt het belang van
    prioriteitenstelling van het CBO af, naarmate de daardoor naar
    voren komende onderzoeken minder passen in de regionale
    prioriteiten.

    4.3.2 Methoden

    De methoden die de tactische recherche zelf aanwendt, kunnen
    deels worden aangeduid als de methoden die niet worden verricht
    door specialistische diensten.
    Daarmee wordt enerzijds gedoeld op methoden waarvoor geen
    specialismen bestaan, zoals het vergaren van gegevens uit bestanden
    van openbare instellingen. In het verleden werden vaak informeel
    inlichtingen ingewonnen bij andere instellingen. Het betreft
    banken, hotels, luchtvaartmaatschappijen, casino’s,
    creditcardmaatschappijen, enzovoort. Sinds 1993 zijn de banken
    echter minder toeschietelijk geworden. Ook andere instellingen,
    zelfs ook de gemeentelijke dienst Burgerzaken bevolking, geven nog
    slechts informatie op grond van een machtiging van de officier van
    justitie. Noot Uiteraard kan nog wel veel informatie
    worden opgevraagd bij instellingen die bereid zijn of soms zelfs in
    het leven zijn geroepen om informatie te verschaffen, zoals de
    Rijksdienst voor het Wegverkeer en de Kamers van Koophandel.
    Anderzijds past de tactische recherche zelf bepaalde methoden toe
    wanneer er capaciteitsgebrek bij de specialistische diensten is.
    Het feit dat doorgaans niet de tactische recherche, maar een
    ondersteunende dienst of de CID de bijzondere opsporingsmethoden
    toepast, behoeft niet af te doen aan de medeverantwoordelijkheid
    van de tactische recherchechef voor de beslissing tot gebruik van
    de methode. Het lijkt evenwel erop dat recherchechefs deze
    medeverantwoordelijkheid niet steeds erkennen. Ten aanzien van
    sommige gevallen kan zelfs worden gesteld dat de recherchechefs
    sommige feiten liever niet wilden weten. Daartegenover staat dat
    bij herhaling is geklaagd over situaties waarin ter terechtzitting
    bleek dat de CID of een van de onder haar auspicin opererende
    ondersteunende diensten activiteiten hadden verricht waarvan de
    tactische recherche niets afwist, omdat zij niet door de CID was
    ingelicht. Noot De tactische recherche en de
    korpsleiding kunnen nauwelijks controle uitoefenen op datgene wat
    door of onder auspicin van de CID gebeurt als de CID hen niet
    informeert. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij
    regio-overschrijdende samenwerking in gevallen waarin het
    regiokorps, waar de activiteit plaatsvindt, wel is genformeerd en
    het verantwoordelijke regiokorps niet.

    Observatie

    In het bijzonder schaarste aan observatiecapaciteit leidt er
    regelmatig toe dat tactisch rechercheurs zelf observeren. Dit wordt
    door sommigen sterk bekritiseerd, omdat observeren een vak apart is
    en op deze wijze de observant als politieman ontmaskerd kan worden
    (stuk gaan). In Amsterdam meent men dit probleem te hebben opgelost
    door tactisch rechercheurs de observatie-opleidingen te laten
    volgen. Tactisch rechercheurs voeren hier desgewenst
    OT-werkzaamheden uit.

    De tactische recherche maakt tijdens dergelijke
    observatiewerkzaamheden in de regel gebruik van video- en
    fotocamera’s. Om zicht te hebben op het semafoonverkeer wordt ook
    veelvuldig gebruik gemaakt van de semascan om de berichten van een
    semafoon – via een ontvanginrichting of een semakloon – op te
    vangen. De tactische recherche maakt minder frequent gebruik van
    opsporingsmethoden als postvang en vuilnissnuffel. Andere
    observatiemethoden worden door de tactische recherche niet
    verricht, maar zij geeft vaak wel de opdracht deze uit te voeren.
    Zo zal de tactische recherche de STO vragen een video- of
    fotocamera te plaatsen of de DTOO of het AT vragen een
    inkijkoperatie uit te voeren, dan wel plaatsbepalings- en/of
    afluisterapparatuur (met toestemming van een van de
    gespreksdeelnemers) te plaatsen. Ook het plaatsen en het beheren
    van de apparatuur ten behoeve van het afluisteren van
    telecommunicatie vindt altijd plaats op verzoek van de tactische
    recherche. De uitvoering vindt doorgaans door de tactische
    recherche plaats. In sommige gevallen gebeurt het door de STO-chef
    als deze verantwoordelijk is voor de tapkamer. Vaak houdt de CID
    dan de registratie van lopende telefoontaps bij.

    In het algemeen beslist de politie zelfstandig of geobserveerd
    wordt; er wordt geen toestemming van het openbaar ministerie
    gevraagd. Datzelfde geldt ten aanzien van vuilnissnuffel. Soms
    wordt de scanapparatuur (Kolibri) zonder toestemming van de
    officier van justitie gebruikt, maar dit zal doorgaans niet door de
    tactische recherche gebeuren. Enkele regiokorpsen bespreken met het
    openbaar ministerie de vraag of er geobserveerd moet worden.
    Meestal wordt het feit dat er geobserveerd wordt wel aan het
    openbaar ministerie medegedeeld. Bij de meeste andere hiervoor
    genoemde middelen is het niet gebruikelijk dat de tactische
    recherche zelfstandig een beslissing neemt. Voor het vragen van het
    tappen van telecommunicatiemiddelen en de (tactisch gebruikte)
    semascan (artikel 125g Sv) Noot alsmede de postvang
    (artikel 114 Sv) is een machtiging van de rechter-commissaris
    vereist.

    In het onderzoek dat aan de enqute voorafging is men n keer
    gestuit op een politieman die meldde dat zonder machtiging van
    de
    rechter-commissaris getapt was, zonder dat hij dat verder
    kon toelichten. Verder acht men dat overal onmogelijk, ondanks
    hardnekkige geruchten in de pers van het tegendeel.
    Voor het
    vragen van inlichtingen over het telefoonverkeer (artikel 125f Sv)
    is toestemming van de officier van justitie nodig. Datzelfde achten
    sommigen nodig voor het gebruik van peilzenders en dergelijke.

    Informanten

    Het behoort niet tot de taak van de tactische recherche
    informanten te runnen. Dat is overal uitgangspunt. Als tijdens het
    verhoor van een verdachte duidelijk wordt dat deze off the
    record
    wil verklaren over een andere zaak, verwijst de
    tactische recherche hem naar de CID. Vroeger runden tactische
    rechercheurs informanten, maar sinds het van kracht worden van de
    CID-regeling eind jaren tachtig keurt men dat af. Wel hoort de
    commissie in gesprekken veelvuldig van tactische rechercheurs die
    eigen informanten zouden hebben. Dat moet vermoedelijk als volgt
    worden begrepen. Tactisch rechercheurs spreken tijdens hun werk
    allerlei mensen uit het criminele milieu. Aan hen is een
    telefoonnummer gauw verstrekt en het staat hen vrij met een
    tactisch rechercheur te telefoneren. Voor een rechercheur is het
    aardig om contacten te hebben in de onderwereld. Als het verhaal
    echt interessant wordt, kan de praatgrage kennis altijd nog worden
    doorgestuurd naar de CID. Aanwijzingen dat tactisch rechercheurs
    stelselmatig informanten runnen zijn niet gevonden. Het komt voor
    dat verdachten en getuigen in een tactisch onderzoek over sommige
    dingen, die voor het onderzoek zelf van belang zijn, alleen off
    the record
    willen verklaren. De tactisch rechercheur heeft dan
    drie mogelijkheden. Hij kan de verklaring gebruiken als
    sturingsinformatie, waarmee in dat geval wordt bedoeld dat de
    informatie kennis oplevert op grond waarvan de tactisch rechercheur
    het verhoor van de verdachte kan aanscherpen en de verdachte
    wellicht een volledige verklaring aflegt. De tactisch rechercheur
    kan ook de verdachte of getuige aan de CID doorspelen, die de
    verklaring in CID-informatie kan omzetten. Deze informatie heeft in
    het tactisch onderzoek echter geen bewijskracht, en medeverdachten
    kunnen vragen gaan stellen over de herkomst van die informatie. Ten
    derde kan de tactisch rechercheur proces-verbaal opmaken van de
    verklaring. Ondertekening door de verdachte of getuige van die
    verklaring is immers niet wettelijk vereist. In het algemeen wordt
    dit laatste als onwenselijk beschouwd. Enerzijds omdat in strijd
    met de gedane toezegging de
    verklaring toch wordt gebruikt. Anderzijds omdat het veelal reden
    is voor de verdediging om het waarheidsgehalte van het
    proces-verbaal in twijfel te trekken.
    Als de CID via informanten informatie heeft verkregen die
    interessant of noodzakelijk is voor de tactische recherche, rijst
    de vraag hoe de tactische recherche dan de beschikking krijgt over
    die informatie. Uit het oogpunt van bescherming van de anonimiteit
    van de informant is het aantrekkelijk om deze informatie mondeling
    te geven. Het open karakter van het strafproces verzet zich daar
    echter tegen. Bijna overal is dan ook bepaald dat CID-informatie
    schriftelijk aan de tactische recherche moet worden doorgegeven. In
    een aantal regiokorpsen moet het zelfs in de vorm van een
    proces-verbaal dat bij de processtukken wordt gevoegd. Dat geldt in
    het bijzonder voor informatie die leidt tot het inzetten van
    dwangmiddelen; zoals bijvoorbeeld een tip dat ergens drugs liggen
    tot huiszoeking kan leiden. Informatie die niet direct een rol
    speelt in het strafdossier, maar die wel van belang kan zijn voor
    de vraag welke kant de tactische recherche op moet met het
    onderzoek (sturingsinformatie), kan onderhands worden doorgegeven.
    Voorzover dit niet wordt geregistreerd, is zo’n verstrekking echter
    in strijd met de privacywetgeving en bemoeilijkt zij het zicht op
    de activiteiten van de CID. Daarom is meestal van hogerhand bepaald
    dat ook die informatie schriftelijk wordt gegeven; in ieder geval
    vastgelegd. Het lijkt erop dat die regel vaak met voeten wordt
    getreden.

    Infiltranten

    De inzet van politie-infiltranten uit een politiecel
    infiltratie-team (PIT), bijvoorbeeld bij pseudokoop, voorkoop,
    kansspelen, wapens en prostitutie, en het in dit kader laten plegen
    van misdrijven (bijvoorbeeld het doorlaten van partijen drugs)
    vindt, zo dit al het geval is, meestal plaats in opdracht van de
    tactische recherche. En en ander gebeurt altijd met toestemming van
    het OM en in nauwe samenwerking met de CID. In bijvoorbeeld het
    regiokorps Gelderland-Midden vond in een tactisch traject twee keer
    een
    gecontroleerde aflevering plaats. In het regiokorps
    Twente was in een tactisch traject sprake van een pseudokoop.

    Dit omdat aan het inzetten van infiltranten geheimhoudingsaspecten
    zitten die de CID kan waarborgen. Hetzelfde geldt voor het laten
    doorgaan van misdrijven.

    Er worden evenwel ook infiltranten ingezet en partijen drugs
    doorgelaten, zonder dat de tactische recherche daarvan op de hoogte
    is en zonder dat de rechter daarover te horen krijgt.

    4.3.3 Verslaglegging

    In het algemeen is van belang onderscheid te maken tussen
    enerzijds rapporten, nota’s, journaals en andere documenten waarin
    de politie haar bevindingen neerlegt, en anderzijds
    processen-verbaal, die een speciale bewijsrechtelijke status hebben
    (artikel 344 Sv).

    Het past bij de zojuist besproken openheid van de tactische
    recherche dat zij van haar bevindingen en handelingen
    proces-verbaal opmaakt. Die processen-verbaal zijn inhoudelijk de
    basis van het onderzoek ter terechtzitting.

    Hoewel artikel 152 Sv de opsporingsambtenaren verplicht ten
    spoedigste proces-verbaal op te maken van hetgeen door hen ter
    opsporing is verricht of bevonden, wordt vaak volstaan met het
    bijhouden van journaals of rapporten. Dit geldt niet voor verhoren,
    maar wel voor andere onderzoekshandelingen, waarvan niet op
    voorhand duidelijk is of die in het dossier ten behoeve van
    justitie worden gevoegd. Blijkt later dat proces-verbaal moet
    worden opgemaakt, dan doet de tachtische recherche dat aan de hand
    van het journaal of rapport.

    Met name observatieteams maken pas proces-verbaal op
    als blijkt dat bepaalde waarnemingen nodig zijn voor het bewijs of
    om een andere redenen aan de rechter moeten worden overgelegd.

    De achtergrond van deze handelwijze is in de eerste plaats dat
    niemand wil dat alles wat de politie in een onderzoek heeft gedaan,
    in de vorm van processen-verbaal naar justitie gaat. Dat zou de
    papierstroom een ongekende omvang geven. In de tweede plaats wil
    men in bepaalde gevallen voorkomen dat het verschaffen van alle
    informatie de wijze van opereren blootlegt voor de verdachten en
    advocaten. Een tactisch team houdt van de dagelijkse gebeurtenissen
    ook een dagrapport bij, waarin die gebeurtenissen kort worden
    omschreven. In grote onderzoeken wordt door tactische teams ook wel
    een onderzoeksjournaal bijgehouden, waarin de gebeurtenissen per
    onderzoek chronologisch worden weergegeven. Te denken valt
    bijvoorbeeld aan belangrijke vergaderingen, bezoeken, verhoren en
    onderzoekshandelingen. Deze tijdelijke registers behoren na de
    behandeling van de zaak door de rechter te worden vernietigd
    vanwege de
    privacywetgeving. Voorzover uit het onderzoek van de commissie
    blijkt, worden de registers van vroegere tactische onderzoeken niet
    geraadpleegd bij nieuwe opsporingsactiviteiten. Wel raadplegen
    tactisch rechercheurs oude processen-verbaal en spreken collega’s
    aan bij vragen over vroegere onderzoeken tegen bepaalde verdachten
    of organisaties.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken