• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 5.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    5.3 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    5.3.1 Zaken

    Voor alle ondersteunende diensten geldt formeel en materieel dat
    zij niet zelfstandig onderzoeken verrichten. Ze ondersteunen
    onderzoeken of participeren daarin. In die zin is het eenvoudig te
    stellen dat de selectie van werkzaamheden die door een OT of een
    andere dienst worden verricht elders wordt gemaakt, namelijk bij de
    tactische leiding van een onderzoek of eventueel bij de leiding van
    een CID-traject. In de praktijk verdient dit uitgangspunt toch
    enige relativering. Door capaciteitsproblemen weigeren de chef van
    een OT of een STO geregeld een onderzoek te ondersteunen. Soms
    spelen ook inhoudelijke overwegingen een rol, bijvoorbeeld als
    gevraagd wordt op te treden ten behoeve van onderzoeken die de
    betreffende dienst absoluut te gering danwel niet proportioneel
    acht.

    Zo piekert STO Haaglanden er niet over een videocamera
    te installeren om te kijken of elke taart wel op de kassa wordt
    aangeslagen. Evenmin wordt een camera genstalleerd in de
    kleedruimte van verpleegsters om de diefstal van portemonnees te
    onderzoeken. De directeur van het betreffende verpleegtehuis wordt
    in zo’n geval geadviseerd kluisjes voor zijn personeel aan te
    schaffen.

    In IJselland bijvoorbeeld werd in 1994.321 keer technische
    ondersteuning aangevraagd, hetgeen 253 keer tot inzet leidde.

    Noot In Limburg-Zuid werd in 77,6 % van de 158 aanvragen
    voor observatie daadwerkelijke assistentie verleend.
    Noot

    Bij afwezigheid van een specifieke prioriteringsprocedure –
    doorgaans bestaan dergelijke procedures niet – wordt de aanvrager,
    bijvoorbeeld de recherche-cordinator van het district of de chef
    CID, advies gevraagd. Feit blijft dat uiteindelijk de chef van de
    observatie-eenheid, (afhankelijk van de organisatie van de regio)
    zijn chef van de overkoepelende afdeling ondersteunende
    recherche-diensten of de chef CID uiteindelijk bepaalt op welk
    onderzoek ondersteuning wordt geboden in een concreet geval.

    De heer Kloosterman :
    Wij krijgen een soort van opdracht mee waarin gevraagd wordt
    of wij een bepaalde handeling kunnen vastleggen, dat kunnen zien,
    een overdracht van het maakt niet uit wat, verdovende middelen,
    gestolen televisies en noem maar op. Daarvoor gaan wij de straat
    op. En dat proberen wij vast te leggen. En daar kan een tactisch
    team mee werken.
    De voorzitter:
    Maar hoe lang? Het gaat meestal toch op een paar mensen of
    op een auto of op een huis?
    De heer Kloosterman:
    Ja, je hebt onderzoeken waar wij vrij lang op zullen werken
    en je hebt onderzoeken die eenmalig zijn. Maar in feite wordt dat
    allemaal beslist door het hoofd
    CID. Dat is mijn pakkie-an
    eigenlijk niet zo. Ik doe eigenlijk wat mij opgedragen wordt.

    Noot >

    De eindbeslissing over het nut van de inzet van ondersteuning ligt
    formeel bij de tactische recherche. Het komt evenwel zelden voor
    dat de centrale recherche-afdeling uiteindelijk beslist om de
    beperkte observatie- (of STO-)capaciteit voor een bepaalde zaak al
    dan niet aan te wenden. De reden is waarschijnlijk dat de
    beslissing tot stand moet komen na beoordeling van actuele, zeer
    concrete en operationele informatie, die in die vorm alleen
    beschikbaar is bij de tactische teamleiders. Het is moeilijk om die
    tactische teamleiders iedere week, als over de inzet van de
    eenheden wordt beslist, uit de hele regio bij elkaar te krijgen.
    Daarom wordt de beslissing feitelijk meestal genomen door de chef
    OT of de chef CID. Deze maakt bij de belangenafweging van de
    aanvragen gebruik van formulieren die door de tactische aanvragers
    zijn ingevuld en waarin een aantal standaardvragen over het
    onderzoek is opgenomen.

    Het OM beslist evenmin over de prioriteit van de inzet van de
    ondersteunende eenheden. De reden hiervoor is vermoedelijk dat er
    ook geen officier te vinden is die zo goed op de hoogte is van de
    concrete details van alle aanvragen dat hij een verantwoorde
    beslissing kan nemen. Daarnaast beroepen officieren van justitie
    zich op het feit dat die beslissing geen deel van hun taak is, maar
    direct van de betreffende politiechef. De BFO’s zouden een taak
    kunnen hebben in de advisering bij prioritering van onderzoeken. In
    de praktijk lijken ontnemingsmogelijkheden en andere financile
    informatie nog geen zwaarwegende rol bij keuzen van zaken en
    methoden te spelen. Noot

    5.3.2 Methoden

    Observatieteams

    De kernactiviteit van OT’s is het onopgemerkt volgen van
    verdachten en andere personen die de belangstelling van de
    recherche hebben. Men is in het algemeen van oordeel dat observatie
    van een persoon die zich in een publieke ruimte bevindt (op de
    openbare weg, in een station of een warenhuis) geheel geoorloofd
    is. Het maakt daarbij voor het geoorloofd zijn geen verschil of de
    observant zich ook in die publieke ruimte bevindt. Observanten
    maken ook gebruik van vermomming met het oogmerk niet op te vallen
    in een bepaalde omgeving of juist om bijzondere dingen onopgemerkt
    te kunnen doen.

    Zo wordt melding gemaakt van het verkleden als toerist om
    onopvallend foto’s te kunnen maken. Iets gewaagder is een gebouw
    binnen te lopen, sjouwend met een doos om voor te wenden dat men in
    dat gebouw werkt. Ook heeft een OT-rechercheur in Limburg-Noord
    zich in overleg met de PTT als postbode vermomd en op die manier
    een postpakket bezorgd met (daarin oorspronkelijk aanwezige, maar
    verwijderde) verdovende middelen teneinde te onderzoeken wat de
    geadresseerde met het pakket ging doen.
    In dit verband dient
    ook het incidenteel optreden van lokoma’s te worden vermeld:
    daarbij gaat het niet om OT-ers die juist de anonimiteit willen
    behouden, maar om een als vrouw verklede medewerker van het AT die
    de vermoedelijke dader moet lokken.

    Wat betreft de observatie van gebeurtenissen in afgesloten
    ruimten wordt verschil gemaakt tussen wat hier verder gluren
    genoemd zal worden, en inkijken. Door spleten en kieren en over
    muurtjes kijken, door een raam of een gat in de heg kijken of met
    een oor tegen een schuur aanliggen vinden vele OT-rechercheurs
    gewoon. Ook vanuit een priv-tuin een woning observeren en over een
    schutting het uitladen van een auto op priv-terrein met video
    vastleggen vindt het OT niet iets wat uitvoerig besproken moet
    worden en wat voorafgaande toestemming vereist.

    In incidentele gevallen neemt het OT een vuilniszak
    mee om de inhoud daarvan te onderzoeken of te laten onderzoeken.
    Het
    OT acht het geen ingrijpend opsporingsmiddel en het
    wordt niet gezien als iets waarvoor het OM toestemming moet
    geven.

    De OT’s zijn echter voorzichtig met inkijkoperaties. Zij vrezen
    zichzelf bloot te geven en beperken daarom zoveel mogelijk het
    risico betrapt te worden. Bovendien weten de OT’s dat
    inkijkoperaties gevoelig liggen en dat het optillen van een
    golfplaten dak onder omstandigheden als zodanig wordt beschouwd.
    Naar binnen kijken in een woning vindt het OT geoorloofd. Inkijken
    in een woning acht het OT ongeoorloofd. Als de ondersteunende
    dienst denkt dat een bepaalde handeling niet is toegestaan, wordt
    met de opdrachtgever overlegd. Dat kan zowel de tactische recherche
    als de CID zijn. De opdrachtgever kan op zijn
    beurt met de officier van justitie overleggen.
    Het OT verricht geen inkijkoperaties. Deze worden op verzoek van de
    tactische recherche of de CID uitgevoerd door andere ondersteunende
    diensten zoals het AT of de STO. Soms doet het OT zelf aan het AT
    of aan de STO een verzoek om ergens heimelijk binnen te treden
    teneinde voor het OT bijvoorbeeld een peilbaken te plaatsen. Het OT
    kan bij de uitvoering van inkijkoperaties belast worden met de
    observatie van de directe omgeving van de plaats waar het AT of de
    STO optreedt. In dit geval beschermt het OT de werkzaamheden en
    medewerkers van het OT of de STO.

    Observatie met behulp van plaatsbepalingsapparatuur betreft het
    aanbrengen van peilbakens in, aan of op een lading, een auto of
    ander vervoermiddel. In de kring van observatierechercheurs wordt
    verschillend gedacht over de vraag of toestemming aan het OM moet
    worden gevraagd voor het plaatsen van dergelijke zenders. Velen
    vinden het een eenvoudig technisch hulpmiddel dat juridisch niet
    anders bekeken behoeft te worden dan gewoon volgen. De frequentie
    waarmee dit type hulpmiddel wordt gebruikt, loopt per regio vrij
    sterk uiteen. Het lijkt in de orde van grootte van enkele keren tot
    30 keer per OT per jaar te zijn. Daarbij dient bedacht te worden
    dat het kan voorkomen dat een peilzender twee maanden of langer aan
    een voertuig verbonden is. Als deze apparatuur eenvoudig te
    plaatsen is, doet het OT het zelf. In complexe gevallen
    (hoogwaardige apparatuur of object waarop het moeilijk te
    bevestigen is) schakelt het OT de STO of de DTOO Noot ,
    dan wel het AT (voertuig of locatie waar voertuig is opgesteld
    moeilijke te benaderen) in. Voor het opladen van accu’s of de
    vervanging van batterijen geldt hetzelfde.

    Tijdens het volgen werd lange tijd veel gebruik gemaakt van
    scanapparatuur. Die apparatuur werd ingezet omdat te volgen
    subjecten gebruik maken van mobiele telefoons. Het doel van het
    luisteren met behulp van scanners was oorspronkelijk het
    vergemakkelijken van het observatiewerk. Vanuit de gedachte dat de
    ether vrij door de lucht gaat, werd het in diverse regiokorpsen
    toelaatbaar geacht in dit kader mobiele gesprekken zonder
    machtiging van de rechter-commissaris af te luisteren: als iemand
    in een telefoongesprek zei dat hij naar huis ging om te slapen,
    wist de volgploeg dat zij ook naar huis kon gaan. Noot
    De via de scan verkregen inhoudelijke informatie gaf het OT door
    aan de CID. Sinds de introductie van de GSM-telefonie is het
    scannen minder succesvol. De scanner wordt nog wel ingezet om vast
    te stellen of het te volgen subject gebruik maakt van draadloze
    telecommunicatie ofwel de zogeheten IMSI-catcher.

    Alle OT’s zeggen last te hebben van hobbyisten die via de
    scanner hun signalen opvangen en de auto’s volgen. Enkele van die
    hobbyisten hebben zich tot professionals ontwikkeld. Zij hebben in
    onder andere de Delta-zaak lijsten van observatie-auto’s openbaar
    gemaakt. Er is strafrechtelijk nauwelijks tegen deze
    contra-observaties op te treden, behalve te letten op overtredingen
    van de Wegenverkeerswet en op grond daarvan te verbaliseren totdat
    een rij-ontzegging kan worden opgelegd.

    Kentekens van observatie-auto’s kunnen ook op andere manieren
    uitlekken. Wanneer een OT-er tijdens het volgen door rood rijdt en
    een taxi passeert, is het niet onmogelijk dat de taxichauffeur,
    gewoon omdat hij het leuk vindt, via het mobilofoonverkeer aan zijn
    collega’s doorgeeft dat hij een stille heeft gezien. Verder is het
    een keer voorgekomen dat een STO-bus met .80.000 aan spullen is
    leeggeroofd door de verdachte op wie de
    observatie was
    gericht. Het materiaal is via
    informanten voor .2.500
    teruggekocht van een heler.

    Doorgaans geschiedt de observatie vanuit auto’s. Daarbij wordt
    ten behoeve van statische observatie gebruik gemaakt van
    gecamoufleerde voertuigen. Een dergelijk voertuig bevat dan vaak
    materiaal dat stelselmatig en langdurig observeren mogelijk maakt
    (van technische hulpmiddelen tot chemisch toilet). Bij technische
    hulpmiddelen valt te denken aan verrekijkers en
    restlichtversterkers. Observatie-auto’s zijn vaak standaard
    uitgerust met deze hulpmiddelen. In sommige gevallen wordt ook
    vanuit de lucht geobserveerd. Ook zijn vaak technische hulpmiddelen
    zoals video- en fotocamera’s aanwezig om personen en gebeurtenissen
    vast te leggen. OT’s maken zelden gebruik van afluisterapparatuur.
    Een enkele keer komt het voor dat rechercheurs proberen in
    horeca-gelegenheden een plaats te krijgen aan een belendend
    tafeltje naast het subject. Dat levert slechts matige resultaten
    op. Het OT verstaat namelijk weinig vanwege het rumoer in
    dergelijke openbare ruimten.

    Stelselmatige observatie door politiemensen wordt dus in
    beginsel verricht door het OT. Daarbij worden vrijwel alle
    observatiemiddelen gebruikt. Observatie met behulp van camera’s,
    die voor langere tijd op een vast punt geplaatst worden, geschiedt
    door de inschakeling van STO. Dergelijke statische opstellingen van
    foto- en video-observatie wordt ingezet om kostbare inzet van een
    OT te voorkomen. Gebrek aan observatiecapaciteit leidt ook
    regelmatig er toe dat tactische rechercheurs en CID-rechercheurs
    zelf gaan observeren. Dit verschijnsel wordt door velen sterk
    bekritiseerd, omdat observeren een vak apart is en op deze wijze de
    observant als politieman ontmaskerd kan worden (stuk gaan).

    De heer Koekkoek:
    Gebeurt het wel dat de tactische recherche ook achter mensen
    aan zit, dus ook observatie-acties uitvoert?
    De heer Kloosterman:
    Helaas, ja.
    De voorzitter:
    Zij doen het minder goed dan u het doet?
    De heer Kloosterman:
    Nou, of zij het minder goed doen, weet ik niet. Want zij
    zullen best wel even veel kunnen zien als wij kunnen zien, maar ik
    denk dat wij er wat meer op getraind zijn en daarmee wat
    professioneler omgaan, ja. Ik heb een getraind
    observatieteam
    hoger staan dan een stel tactische rechercheurs die op pad
    gaan.
    De heer Koekkoek:
    Heeft u er een verklaring voor dat het toch wel
    gebeurt?
    De heer Kloosterman:
    Te weinig OT-capaciteit. Noot Worden de
    tactisch rechercheurs en CID-ers niet ontdekt, dan dreigt dit
    gevaar voor het reguliere OT bij een volgende actie. Door
    onvoldoende professioneel gedrag van tactisch rechercheurs en
    CID-ers zullen subjecten op de hoogte zijn geraakt van de
    belangstelling van de politie. Aangezien OT-capaciteit nijpend is,
    stelt het OT vaak voor een camera in te zetten als de tactische
    recherche om observatie verzoekt. Er zijn grote aantallen
    plaatsingen van video-camera’s en het aantal videodagen is enorm.
    De plaatsing en het gebruik van die camera’s verlopen meestal
    zonder bemoeienis van observatieteams op verzoek van de tactische
    recherche door het STO. OT’s verrichten tevens regelmatig
    observatiewerkzaamheden tijdens gecontroleerde afleveringen. Elke
    gecontroleerde aflevering of doorlevering gaat gepaard met
    observatie-acties. In dat geval dienen de OT’s de doorgeleverde
    partijen te observeren teneinde te kunnen vast stellen waar de
    partijen drugs worden afgeleverd.
    De heer Rouvoet: U zegt:
    gecontroleerde doorlevering doen we niet, maar
    gecontroleerde aflevering wel en daar raken we de controle niet
    kwijt, die behouden we. Maar u raakt toch wel eens partijen kwijt,
    ook bij de

    gecontroleerde aflevering, die dan niet zo gecontroleerd blijkt
    te zijn? In Hollands Midden zit het verkeer toch ook wel eens
    tegen, neem ik aan?

    De heer Mosterd:
    Ik herinner mij dat mijnheer Kloosterman ook de situatie
    schetste dat men in een gecombineerde actie, naar ik meen, een
    vrachtwagen kwijt was. En dan zie je ook dat die jongens – want die
    zijn zo trots als een aap op hun werk – zich rot rijden om het weer
    op te pakken: hij werd even later weer opgepakt en het bleek nog
    een meevaller ook te zijn. Dat is het enige dat ik mij kan
    herinneren, waarbij het even mis leek te gaan, maar uiteindelijk
    werd het keurig hersteld.
    De heer Rouvoet:
    Bent u nooit partijen kwijtgeraakt?
    De heer Mosterd:
    Nee, hoor. Noot

    Arrestatieteams

    De AT’s hebben veel minder dan de OT’s te kampen met
    capaciteitsproblemen. Een AT kan in principe optreden als een
    dienst een aanvraag doet, toestemming heeft van de officier van
    justitie om het AT in te zetten en er voldaan is aan de
    inzetcriteria met betrekking tot vuurwapengevaarlijkheid. De AT’s
    hebben met de later te noemen DTOO vrijwel het feitelijke monopolie
    over plaatsings- en inkijkoperaties (CID-acties). Het komt ook voor
    dat het AT met de DTOO samenwerkt, bijvoorbeeld wanneer peilbakens
    moeten worden geplaatst op een moeilijk te benaderen locatie. Het
    doel van dergelijke AT-operaties is met de dubbele term plaatsings-
    en inkijkoperaties aan te geven. Soms gaat het er inderdaad om
    slechts iets te zien ofwel te constateren.

    Door vast te stellen of bijvoorbeeld een partij verdovende
    middelen al dan niet in een opslagruimte aanwezig is, kan de
    onnodige inzet van een volledig
    OT worden voorkomen. Een
    vergelijkbaar doel is het vaststellen of een ruimte als opslag is
    ingericht. Het nemen van monsters van de opgeslagen goederen
    (vooral als het drugs betreft) of het vaststellen van de herkomst
    van gestolen goederen komt ook voor.
    In andere gevallen wordt
    een inkijkoperatie toegepast om een andere methode mogelijk te
    maken. Dan plaatst het AT bijvoorbeeld een peilzender op een auto
    die in een garage is geparkeerd of hangt het AT daar een camera
    op.

    Op basis van gesprekken met AT-ers en de bij AT’s aanwezige
    registratie kan worden gesteld dat jaarlijks gemiddeld per AT in
    tien gevallen inkijkoperaties worden verricht. In dit opzicht zijn
    de verschillen tussen AT’s echter groot. Het AT in Amsterdam zou
    nooit om een inkijk zijn verzocht, terwijl in Noord-Oost Nederland
    27 CID-matige inzetten hebben plaatsgevonden, waarvan de meeste
    inkijkoperaties betroffen. Bij deze gegevens moet worden bedacht
    dat de registratie van de inkijkoperaties tot voor zeer kort niet
    of zeer gebrekkig heeft plaatsgevonden. Onder n CID-matige actie
    vallen soms meer inkijkoperaties.
    Dat is bijvoorbeeld het geval indien het plaatsen van een
    peilzender de eerste keer niet lukt; het AT wordt
    overlopen en moet het later nog een keer proberen; het amfetamine
    lab wordt binnen een aantal weken meerdere keren bezocht; de
    batterijen van een
    peilzender moeten vervangen worden,
    enzovoort.
    In sommige regio’s vinden zeer veel inkijkoperaties
    plaats en dan niet alleen in gevallen van vermoeden van
    betrokkenheid bij drugs- of wapencriminaliteit, maar ook bij
    vermogenscriminaliteit, vernieling en dergelijke. Volgens de
    Doorlichting van het
    ministerie van Justitie hebben in de
    regio Noord- en Oost-Gelderland in twaalf drugs- en drie
    wapenzaken
    inkijkoperaties plaatsgevonden, maar ook in
    negentien gevallen van diefstal. Daarbij zij overigens opgemerkt
    dat deze regio nauwkeurig lijkt in de
    verslaglegging
    achteraf en wellicht sommige gebeurtenissen als
    inkijkoperatie heeft aangeduid waar anderen van gluren zouden
    hebben gesproken.

    Een landelijke trend is dat het aantal verzoeken tot
    inkijkoperaties terugloopt. Enkele AT’s krijgen zelfs helemaal geen
    verzoeken meer binnen.
    De inkijkoperaties betreffen bijna altijd ruimten als schuren,
    loodsen, containers en garages. De inkijk in (bewoonde) woningen
    wordt door vrijwel iedereen in beginsel voor ontoelaatbaar
    gehouden. Bij n AT kan men zich in al die jaren twee
    inkijkoperaties met toestemming van het openbaar ministerie in
    woningen herinneren; nmaal in een ontvoeringszaak en eenmaal in een
    grote drugszaak, in een verlaten woning. Een medewerker van een
    ander
    AT kan zich over een periode van tien jaar n
    inkijkoperatie in een woning herinneren, in een moordzaak, met
    alle benodigde toestemming.

    Twee ontslagen douaniers beweren dat in het verleden door de
    douane een aantal malen
    inkijkoperaties zijn uitgevoerd in
    woningen.
    Een aantal jaren geleden konden inkijkoperaties
    nog worden aangevraagd door tactische rechercheurs. Sinds een paar
    jaar moet de aanvraag worden gedaan door de leiding van de
    tactische recherche of CID. Als de aanvraag afkomstig is van de
    tactische recherche bereikt deze het AT doorgaans ook via de CID.
    De CID leidt de vraag door naar de groepschef AT of, indien
    complexe apparatuur moet worden aangebracht, de DTOO. Het al of
    niet aanwezig zijn van de toestemming van het OM, de wijze waarop
    die toestemming is gegeven, alsmede de manier waarop dit moet
    worden geverifieerd leveren een wisselend en onduidelijk beeld op.
    Sinds de Handleiding kijkoperaties van 12 december 1994 moet hetzij
    de CID-officier hetzij de zaaksofficier nadrukkelijk bij de zaak
    worden betrokken. De aanvragende dienst betrekt de officier van
    justitie bij de beslissing, maar daarmee is het systeem echter niet
    geheel dicht. Het AT weet daarmee immers nog niet of het OM
    daadwerkelijk toestemming heeft verleend.

    In een aantal AT’s (Zuid, Utrecht en Rotterdam) vraagt de
    chef
    AT na of toestemming is van het OM, maar gaat verder af
    op het woord van de opdrachtgever/verzoeker dat dat het geval is.
    Het
    AT Gelderland-Midden meldt dezelfde procedure, maar
    stelt niet de eis dat het via de
    CID moet lopen, als zij
    maar horen dat de officier van justitie toestemming heeft gegeven.
    In het
    AT Noord- en Oost-Nederland hield men zelfs daar niet
    onverkort aan vast, maar keek men ook in als men zelf dacht dat het
    door de beugel kon, al zei men er bij dat het OM negen van de tien
    keer toestemming gaf. Uit de administratie van het betreffende

    AT is dit echter niet gebleken. Daaruit bleek namelijk dat het
    vaker geen toestemming heeft gehad of dat men vaker niet op de
    hoogte was of er toestemming van de officier van justitie
    was.

    In Haaglanden eist men daarom voorafgaand overleg tussen de
    tactische recherche, CID, CID-officier en de leiding AT.
    Betrokkenheid van de CID is van belang, al is het maar omdat de CID
    soms op de hoogte is van dingen die de tactische recherche niet
    weet, bijvoorbeeld of de ramen van een pand zijn bewerkt op een
    wijze die betreding achteraf verraadt.

    Niet alle officieren van justitie vinden het overigens nodig per
    zaak toestemming te geven. Sommige officieren van justitie geven
    een kader. Wanneer een voorgenomen inkijkoperatie door het AT
    daarbinnen valt, behoeft niet expliciet de toestemming van de
    officier van justitie verkregen te worden. Alle arrondissementen
    waar procedurevoorschriften zijn uitgevaardigd voor het vragen van
    toestemming bij de inzet van bijzondere opsporingsmethoden noemen
    inkijkoperaties als methode waarvoor toestemming nodig is. Voor
    inkijk van buitenaf, zoals die vooral door OT’s plaatsvindt, wordt
    echter niet altijd toestemming gevraagd. Er zijn ook voorbeelden
    dat de toestemming van de officier van justitie voor de inkijk pas
    achteraf is gegeven.

    Bureaus financile ondersteuning

    Het onderzoek van de BFO’s is gericht op het verkrijgen van inzicht
    in geldstromen en vermogensposities. Daartoe wordt informatie
    opgevraagd bij diverse instellingen. Dat kunnen Kamers van
    Koophandel zijn, maar ook banken, de Gemeentelijke sociale dienst
    en het Gemeenschappelijk administratie kantoor. In grote zaken komt
    het voor dat al een bank benaderd wordt voordat een gerechtelijk
    vooronderzoek of een strafrechtelijk financieel onderzoek is
    geopend. In dergelijke gevallen gaat het om financieel
    rechercheren. Vaker neemt het onderzoek van het BFO pas een aanvang
    als er informatie bestaat dat buitgerichte opsporing, dat wil
    zeggen opsporing met het oog op uiteindelijke ontneming van
    wederrechtelijk verkregen voordeel, vermoedelijk vruchten zal
    afwerpen. Op zo’n moment is al uit open bronnen de nodige
    informatie vergaard, terwijl ook bijvoorbeeld gegevens uit een tap
    of een huiszoeking zijn verwerkt. De BFO’s willen zo vroeg mogelijk
    in het tactische recherchetraject worden ingeschakeld. Zij weten
    immers bij huiszoeking in een kluis of het saldo van een rekening
    en/of de onderliggende stukken (en zo ja, welke) in beslag moeten
    worden genomen. Een andere mogelijkheid is dat in het kader van een
    strafrechtelijk financieel onderzoek of op grond van een bevel
    uitlevering stukken in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek
    (artikel 105 Sv) bij een bank onderliggende stukken of een saldo in
    beslag worden genomen.

    De heer Rouvoet:
    De verhouding tussen het BFO en de regionale CID
    is niet altijd even helder. Draait een BFO alleen in een
    tactisch onderzoek mee of is er ook een financile
    voorfase?
    De heer Van Gemert:
    Nee. Ik kan alleen maar over de situatie in Amsterdam
    spreken. Daar maakt het
    BFO geen onderdeel uit van de
    CID. Het valt evenmin onder dezelfde chef. Het BFO is
    onderdeel van het Bureau tactiek.
    De heer Rouvoet:
    Zo is de organisatie, maar nu de praktijk. Draait het
    BFO mee in CID-activiteiten?
    De heer Van Gemert:
    Nee.
    De heer Rouvoet:
    Gebeurt dat alleen in Amsterdam zo of is dat overal
    zo?
    De heer Van Gemert:
    Bij mijn weten is dat wel verschillend. In Amsterdam draait
    het
    BFO daarin niet mee. Het enige wat ik mij kan
    herinneren, is dat er ooit naar aanleiding van informatie is
    gevraagd om toelichting op informatie van een
    informant. Er
    werd toen dus om deskundigheid gevraagd, laat ik het zo zeggen.
    Een

    accountant vertelde iets over de opbouw van een jaarrekening,
    dat soort zaken.
    Noot

    Secties technische ondersteuning

    De opsporingsmethoden waarbij de STO’s betrokken zijn, hebben
    uiteraard te maken met toepassing van techniek in
    politie-onderzoeken. Dat is de reden van het bestaan van deze
    diensten. Net als bij de AT’s geldt dat bepaald niet alles wat
    de STO’s doen, met opsporing te maken heeft. STO’s kunnen ook een
    rol spelen bij het inrichten van een politie-auto met geavanceerde
    apparatuur; bij de reparatie van mobilofoons en dergelijke.

    Het is opvallend dat geavanceerde technische mogelijkheden in
    sommige regiokorpsen veel meer worden toegepast dan elders. Dat
    wijst enerzijds op de verschillende mate waarin de politile en
    justitile autoriteiten de technici de ruimte geven of zelfs
    stimuleren, anderzijds op beperkte financile mogelijkheden. In
    een regiokorps wordt zeer veel met bewegingsmelders gewerkt, waar
    dat middel in andere regiokorpsen nauwelijks wordt benut. In een
    andere regio is een buitengewoon vernuftig plaatsbepalingssysteem
    ontwikkeld, elders kwam de commissie dat niet tegen. In een derde
    gebied beweerde men GSM-telefonie wel degelijk te kunnen
    afluisteren, iets wat de rest van het land nog onmogelijk acht. En
    in een vierde gebied wordt opvallend vaak gewerkt met
    afluisterapparatuur die met medeweten van een van de partijen is
    opgesteld. Het lijkt ook erop dat tussen regiokorpsen grote
    verschillen bestaan ten aanzien van de frequentie van het gebruik
    van videocamera’s.

    In Haaglanden, een groot korps, bedroeg het budget voor 1995
    .30.000 voor de aankoop van technische apparatuur, terwijl de
    chef
    STO eerder aan het twintigvoudige had gedacht. Voor
    de STO’s geldt in sterkere mate dan voor de AT’s en OT’s dat de
    aanvragende eenheid verantwoordelijk is voor het inzetten van een
    bepaald opsporingsmiddel. De STO is immers geen uitvoerder, behalve
    in het geval de STO zelf bij de plaatsing betrokken is; zij stelt
    een apparaat en de bijbehorende deskundigheid ter beschikking. Wat
    de STO ter beschikking kan stellen, verschilt per regiokorps en is
    afhankelijk van het budget, de belangstelling (is men vooral in
    beeld-, audio- of peilmateriaal genteresseerd) en de
    experimenteerlust of de technische vaardigheden van de specifieke
    STO. In zoverre zijn de STO’s aan te merken als uitleenbureau. De
    STO’s toetsen dan ook niet zelf of de inzet van een bepaald
    apparaat geoorloofd is, maar vragen aan de aanvragende
    recherchechef of de benodigde toestemming is verkregen. Sommige
    STO’s gaan verder en
    vragen de naam van degene die de toestemming heeft gegeven en
    registreren die naam ook. Soms gaat de rol van de STO veel verder
    dan die van uitleenbureau. Daadwerkelijke inzet betreft het meest
    het gebruik van peil- en locatiebepalingssystemen. Ook is de STO
    zeer vaak betrokken bij video-observatie. In dit laatste geval gaat
    het om hoogwaardige technische werkzaamheden wanneer camera’s
    worden aangebracht in parkeermeters en lantaarnpalen.

    In IJsselland werden in 1994.2249 video-observatiedagen
    geteld en 4304 inzetdagen van peil- en
    locatiebepalingssystemen.
    Noot
    .
    Regiokorps Noord- en Oost-Gelderland heeft volgens de Doorlichting
    van het ministerie van Justitie in circa 150 zaken videocamera’s
    opgehangen. Daarbij ging het in de meeste gevallen om
    vermogensdelicten. De frequente inzet van statische videocamera’s
    is hiervoor reeds in verband gebracht met de wens om de kostbare
    inzet van een OT te verminderen. Plaatsing van camera’s gebeurt
    meestal op verzoek van de tactische recherche en soms op verzoek
    van de CID. De CID wordt soms gevraagd te bemiddelen bij het vinden
    van een geschikte opstellingslocatie.

    De plaatsingen worden doorgaans door de STO zelf gedaan. Bij
    zeer eenvoudige gevallen kan een OT de videocamera of de peilzender
    plaatsen. In heel moeilijke situaties wordt eventueel een AT
    ingeschakeld. Technisch hoogwaardige apparatuur wordt geleverd door
    de DTOO, die ook zeer moeilijke plaatsingen kan verzorgen.

    De STO is vaak nauw betrokken bij de activiteiten van de
    tapkamer.
    Tenminste in n regiokorps (Haaglanden) is de ploegchef STO
    80% van zijn tijd kwijt aan het beheer van de tapkamer.
    In dergelijke gevallen hebben medewerkers van de STO contact met
    PTT-Telecom te Groningen om geheime telefoonnummers op te vragen en
    dergelijke. Het komt ook voor dat een CID-rechercheur of een
    misdaadanalist of een administratief verwerkende kracht die
    contacten onderhoudt.

    Afluisteren met behulp van richtmicrofoons of bugs gebeurt
    zelden. Dat geschiedt dan doorgaans onder supervisie van de CID in
    het kader van een tactisch onderzoek.
    Een exacte schatting is moeilijk te maken, mede vanwege de lage
    frequentie, maar het lijkt hoogstens twee of drie keer per jaar
    voor te komen. De lage frequentie is niet alleen te verklaren uit
    het feit dat de wet de inzet van dit middel nog verbiedt
    (afluisteren zonder toestemming van n van de deelnemers is
    strafbaar), maar ook uit het feit dat de resultaten nauwelijks te
    verstaan zijn.

    Melding is gemaakt van een postbus waarin conventionele
    microfoontjes waren aangebracht die van binnen uit gericht konden
    worden, zodat men tot 50 meter in de omgeving kan afluisteren. Dit
    bleek niet effectief vanwege het omgevingsgeluid.

    Noot

    STO’s hebben gexperimenteerd met het afluisteren – kennelijk op
    eigen gezag – maar het enthousiasme lijkt te luwen nu bekend is dat
    het wetsvoorstel Direct afluisteren het monopolie voor het ter
    beschikking stellen van deze apparatuur op n punt (DTOO) wil
    concentreren.

    Afluisteren met toestemming van n van de deelnemers komt iets
    vaker voor. Een infiltrant of een informant, soms ook een aangever
    die in overleg met de CID meer bewijs gaat verzamelen tegen een
    verdachte, kan een microfoontje krijgen dat onzichtbaar voor derden
    wordt meegedragen. De STO zorgt voor het apparaatje en voor
    onzichtbare montage. De STO acht hiervoor toestemming van het OM
    noodzakelijk. De toestemming wordt aangevraagd door de
    recherchechef van het team dat het middel wil inzetten en niet door
    de STO. In n regiokorps is deze opsporingsmethode blijkens de
    Doorlichting van het ministerie van justitie ongeveer twintig keer
    voorgekomen. In de meeste andere regiokorpsen veel minder.

    Politile infiltratieteams

    Politie-infiltratie kan diverse vormen aannemen varirend van
    pseudo-koop, hand- en spandiensten bij een levering tot de
    oprichting van een frontstore en de zogeheten projectmatige
    infiltratie. Aan de inzet van het PIT gaat altijd overleg vooraf
    met de officier van justitie in het arrondissement waar de actie
    zal plaatsvinden. Aangezien tegenwoordig infiltratie-acties (vooral
    de pseudokopen) ook in het tactisch traject plaatsvinden, kan dit
    zeer wel de zaaksofficier van justitie zijn. In andere gevallen
    ligt contact met de CID-officier van justitie meer voor de hand.
    Dat gebeurt bijvoorbeeld als in de zaak ook een informant moet
    worden afgeschermd.
    De inzet van een PIT wordt beschouwd als ultimum remedium. Daarom
    vraagt het PIT ook naar eerder gebruikte methoden. De chef van het
    PIT zal over het eventueel verrichten van strafbare feiten in het
    kader van de infiltratie – bijvoorbeeld over een pseudo-koop –
    overleg voeren met deze officier van justitie. De officier spreekt
    de infiltranten niet zelf en kent de politie-infiltranten hooguit
    bij codenaam. De infiltranten werken met n of meer valse
    identiteiten. Op dit moment zijn er volgens de ANCPI 30 personen in
    Nederland met meer identiteiten. Het verlenen van een valse
    identiteit geschiedt op grond van een briefwisseling op 8 maart en
    16 mei 1990 tussen respectievelijk de ministers van Binnenlandse
    Zaken en Justitie. Daarin wordt afgesproken dat de
    procureurs-generaal op juridische en beleidsmatige gronden afzien
    van strafvervolging van ambtenaren die betrokken zijn bij de
    verwezenlijking van pseudo-persoonskaarten en bij de afgifte van
    identiteitsbewijzen.

    De politie-infiltrant wordt tijdens zijn optreden bijgestaan
    door een begeleidingsteam dat bestaat uit twee of meer begeleiders.
    Deze begeleiding vindt plaats onder verantwoordelijkheid van de
    chef van het PIT, en niet van het kernteam of het regionale korps
    dat om de infiltratie heeft verzocht.

    5.3.3 Verslaglegging

    Observatieteams

    De registratie van de waarnemingen van de observatierechercheurs
    verschilt van korps tot korps. In het algemeen noteren de
    observatie-rechercheurs wat zij zien, en maken zij daarvan later
    rapport op. Een kopie van dat rapport wordt aan de opdrachtgever
    (meestal het aanvragende rechercheteam) gegeven. Het origineel
    blijft bij de administratie van het OT. De kladblokaantekeningen
    worden vernietigd. Soms worden de belangrijkste waarnemingen
    informeel overgedragen, ook wel van OT-rechercheur naar tactisch
    rechercheur. Officieel moeten de waarnemingen via de chefs aan de
    hand van een rapport worden doorgegeven, wat ook altijd gebeurt,
    maar soms te lang duurt. Gegevens over een
    informant en
    dergelijke worden dan wel verwijderd.

    In het regiokorps Utrecht spreken de OT-rechercheurs tijdens
    het waarnemen alles in op een bandje, dat door de administratie van
    de
    CID wordt uitgetikt. De CID beslist of het aldus
    ontstane journaal ter beschikking kan worden gesteld aan het
    aanvragende rechercheteam.

    De meeste regiokorpsen laten de waarnemingen registreren bij de
    CID die ook verantwoordelijk is voor de uitgifte. Als datgene wat
    het OT gezien heeft nodig is voor het bewijs, maakt het OT
    proces-verbaal op. In sommige regio’s maken niet de leden van het
    OT zelf proces-verbaal op, maar de groepschef OT. Dit gebeurt om de
    anonimiteit van de OT-rechercheurs te waarborgen. OT-rechercheurs
    vrezen dat zij anders ter terechtzitting moeten verschijnen en
    vanwege herkenning niet blijvend inzetbaar zijn. Daarnaast wordt in
    enkele regiokorpsen een registratie bijgehouden van alle
    observatie-acties die het OT in de loop van een jaar uitvoert. Die
    registratie is in feite een chronologische. Dat brengt met zich dat
    de activiteiten van het OT met betrekking tot een bepaalde zaak
    kunnen worden gecontroleerd, als bekend is wanneer het optreden
    ongeveer heeft plaatsgevonden of als de naam van de hoofdverdachte
    of de zaaknaam gegeven is.

    Arrestatieteams

    De meeste AT’s maken gebruik van een aanvraagformulier en een
    afloop- of registratieformulier. Laatsgenoemde formulieren worden
    na arrestaties ingevuld, maar ook na inkijkoperaties. Vroeger
    maakten de AT’s geen proces-verbaal op van de

    inkijkoperatie, maar werd de verkregen informatie mondeling, al
    dan niet via de
    CID, doorgegeven aan de aanvrager. Het
    niet-opmaken van proces-verbaal paste in de sfeer van geheimhouding
    waarin de
    inkijkoperaties werden uitgevoerd. Bij twee AT’s
    is de constructie aangetroffen waarbij de teamcommandanten over een
    informantennummer bij de
    CID beschikten. Onder dit nummer
    stonden ze met naam en toenaam ingeschreven en via dit
    informantennummer kon het
    AT informatie kwijt over de
    resultaten van een
    inkijkoperatie.

    Voorzover zij nog plaatsingen en inkijkoperaties uitvoeren,
    hanteren bijna alle AT’s tegenwoordig het uitgangspunt dat daarvan
    proces-verbaal opgemaakt moet worden. In dat proces-verbaal staat
    niet de techniek van binnentreden vermeld, maar staat wel dat is
    binnengetreden en wat het AT heeft aangetroffen of heeft geplaatst.
    Bij het AT Noord-Oost Nederland vindt ook registratie plaats in een
    stand alone computer. Het AT Rotterdam-Rijnmond houdt daarentegen
    de gegevens niet zelf, maar stuurt al het papieren materiaal naar
    de
    CID, terwijl het AT zijn eigen bestanden wist. De mondelinge
    communicatie over de resultaten van de inkijkoperatie door een AT
    verloopt doorgaans via de CID; de tactische recherche krijgt te
    horen dat er is ingekeken, maar niet precies hoe.

    De interne administratie van de AT’s is voornamelijk gericht op
    het verzamelen van bedrijfsmatige gegevens (aantal overuren, aantal
    inzetten en voor welke regio, enzovoort). Een aantal AT’s houdt
    verder bestanden bij over inzetten waarbij plattegronden en andere
    bijzonderheden worden bewaard.

    Bureaus financile ondersteuning

    Er bestaat nog geen consensus over de vorm die de financile
    verslaglegging moet aannemen. In sommige regiokorpsen wordt gekozen
    voor een proces-verbaal, in andere voor een deskundigenrapport.
    Tevens zijn er mengvormen waarbij de officier van justitie een
    proces-verbaal krijgt en anderen een rapport. Het is niet bekend of
    de BFO’s stelselmatig bijhouden welke onderzoekshandelingen in een
    zaak zijn verricht. Wel staat vast dat de meeste BFO’s nog niet
    beschikken over een geautomatiseerd registratiesysteem. Het systeem
    dat door Gelderland-Midden is ontworpen, is inmiddels door enkele
    andere korpsen aangeschaft.

    Secties technische ondersteuning

    STO’s volstaan vaak met het bijhouden van een
    uitleenadministratie, met behulp waarvan zij zo nodig
    proces-verbaal kunnen opmaken. De omstandigheden waaronder de
    apparatuur wordt geplaatst, worden door de STO’s niet stelselmatig
    bijgehouden.

    In n regiokorps worden foto’s en video’s bewaard. In een
    ander regiokorps gebeurt dat niet. Bij een derde gebeurt het soms
    wel en soms niet. Een volgend korps bewaart foto’s bij het dossier
    van een lopende zaak, totdat het hele dossier wordt
    weggegooid.

    Politile infiltratieteams

    De politie-infiltrant moet zijn bevindingen van ieder optreden
    bij proces-verbaal vastleggen. Ook de handelingen van de
    begeleiders moeten worden vastgelegd. Deze processen-verbaal zijn
    veel omvangrijker dan de CID-rapporten die worden opgemaakt over de
    contacten tussen runners en informanten. Aan wie het PIT de
    processen-verbaal verstrekt, is niet geheel duidelijk.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken