• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 5.4 Samenwerking en uitvoering op landelijk niveau

    5.4 Samenwerking en uitvoering op landelijk niveau

    De specialisatie van de hier besproken afdelingen heeft tot
    gevolg dat de inhoudelijke sturing van en controle op de
    werkzaamheden vooral uitgaan van vaktechnische specialisten. Binnen
    de politie-organisaties zijn dat de leidinggevenden van het OT, AT,
    BFO, STO en PIT.

    Overkoepelende vaktechnische organisaties zijn in staat op
    vaktechnisch gebied enige sturing te geven. Deze organisaties
    hebben echter geen formele bevoegdheden en kunnen alleen adviserend
    werken. Het Landelijk Contact
    Observatie (LCO) is een
    landelijk overleg waarin vertegenwoordigers van de

    observatieteams zitting hebben. Het LCO heeft tot doel om
    structureel informatie uit te wisselen tussen
    observatieteams
    die dagelijks de methode observatie inzetten om
    informatie te verzamelen. Een ander doel is om middels tactische en
    technische kennisuitwisseling een professionele afstemming te
    bewerkstelligen van de nationaal en internationaal werkende
    observatie-eenheden. Tevens wordt gestreefd naar een professionele
    operationele afstemming en ondersteuning bij grootschalige
    recherche-onderzoeken en samenwerking bij schaarste.

    Noot

    Het Landelijk Contact Arrestatieteams (LCA) is een
    overleg van de acht
    arrestatieteams in Nederland. Het dient
    ter afstemming van gevolgde procedures/technieken en de onderlinge
    samenwerking. Voor zover bekend heeft het LCA geen officieel
    standpunt ingenomen inzake de CID-matige acties van AT’S. Het
    Landelijk STO-overleg is een overleg waarin de STO’s uit de
    regiokorpsen en de
    DTOO zijn vertegenwoordigd. Het overleg
    is in ’91 opgericht als uitvloeisel van de eerste STO-cursus.
    Aanvankelijk wisselden medewerkers van de STO’s en de
    DTOO
    in het overleg vooral hun ervaringen op technisch gebied uit.
    Langzamerhand kreeg het overleg een meer beleidsmatig karakter.
    Voor wat betreft de operationele aspecten van het STO-werk is het
    Landelijk STO-overleg sinds ’95 onderverdeeld in vier vijf
    clusteringen van de korpsen. Het Landelijk STO-overleg fungeert als
    voorportaal van de onder de
    ACC vallende beleidsadviesgroep
    Technische ondersteuning.

    Het is de bedoeling dat ook de Divisie centrale recherche
    informatie (CRI) van het Korps landelijke politiediensten (KLPD)
    cordinerende activiteiten verricht ten aanzien van enkele van de
    ondersteunende diensten. Van een hirarchische verhouding is echter
    formeel geen sprake: de CRI werkt samen, verzamelt en levert
    informatie, ondersteunt, levert expertise en middelen, maar kan
    niet bevelen (vergelijk artikel 38 Politiewet 1993). De
    belangrijkste afdelingen binnen de CRI die de (samenwerkende)
    ondersteunende diensten kunnen bijstaan, zijn te vinden bij de
    hoofdafdeling Recherche-expertise. Daaronder vallen onder andere de
    Nationale CID (NCID, voor de wijziging van de Politiewet LCID
    genaamd), de Afdeling Nationale Cordinatie Politile Infiltratie
    (ANCPI), alsmede het Landelijk Informatiepunt Observatie (LIPO) en
    het Landelijk Cordinatiepunt Grensoverschrijdende Observatie
    (LCGO). Het in 1991 opgerichte LIPO is tezamen met het LCGO
    ondergebracht bij de Afdeling cordinatie criminele inlichtingen
    (ACCI).

    5.4.1 Observatieteams en het KLPD

    Zoals CID-acties moeten worden aangemeld bij de NCID, zo moeten
    OT-acties worden gemeld bij het Landelijk informatiepunt observatie
    (LIPO). De basis voor deze verplichting is gelegen in de overweging
    dat een observatie-actie ingevolge de CID-regeling 1995 als een
    CID-actie is aan te merken en dat deze acties daarom via het
    gebruikelijke aanmeldingsformulier voor CID-acties aan de NCID/LIPO
    moeten worden gemeld. De meeste OT’s zijn ondergebracht bij de
    regionale CID-en (
    RCID). Het onderbrengen van het LIPO bij
    de LCID leek daarom de meest aangewezen structuur. OT’s die niet
    rechtstreeks zijn ondergebracht bij de
    RCID, zullen toch via
    de
    RCID invulling dienen te geven aan de verplichtingen.
    Noot Voordelen van de centrale aanmelding zijn het
    voorkomen van doublures, dat wil zeggen het verschijnsel dat
    meerdere OT’s met een te volgen persoon bezig zijn of dat OT’s
    informatie verzamelen over personen die al voor handen is omdat zij
    eerder zijn gevolgd. In dat laatste geval bevordert de
    geregistreerde informatie de efficintie en effectiviteit van het
    OT. Vermeld wordt bijvoorbeeld hoe de te volgen persoon zich
    gedroeg. De volgende observatie-acties dienen aan- en afgemeld te
    worden: bovenregionale en internationale observatie-acties,
    observatie-acties die langer dan 24 uur duren, observatieacties bij
    grootschalige inzet en observatie-acties van bijzondere
    opsporingsdiensten. Het LIPO registreert dan de objecten van
    observatie, verzorgt de cordinatie van grootschalig optreden en van
    oefeningen, registreert OT-auto’s, registreert scannerfreaks en
    cordineert peilfrequenties. Het LIPO geeft ook voorlichting en
    adviezen en onderhoudt contacten.

    De voorzitter :
    Dan nog de vraag van de grensoverschrijdende
    observatie. Weet u wanneer in Nederland buitenlandse
    observatieteams rondrijden c.q. Nederlandse teams naar het
    buitenland gaan?
    De heer Barendregt:
    In het eerste geval weten wij dat. Ik kan geen voorbeeld
    bedenken van een buitenlands team dat in Nederland rijdt. Sterker
    nog, de vrij snelle melding en de opvolging van het buitenlandse
    verzoek zijn adequaat geregeld. Andersom hoorden wij de melding
    achteraf. In het kader van het Schengen-verdrag is het mogelijk om
    vanuit Nederland rechtstreeks het buitenland te vragen om iets te
    doen.
    Noot
    De heer Koekkoek:
    Worden alle observatiezaken die u doet naar het buitenland
    aangemeld bij het LIPO, het landelijk informatiepunt?
    De heer Kloosterman:
    Ja. Dat overleg gaat heel goed en werkt bijzonder prettig.
    (…) Als het voor een buitenlandse reis is, dan wordt medegedeeld
    dat wij de grens over gaan. Eigenlijk wordt aan een tactisch team
    die de zaak draait, min of meer gevraagd om dat overleg gaande te
    houden. Wat wij terugkrijgen van het LIPO is een telefoonnummer van
    een buitenlandse dienst waar wij weer contact mee leggen om de zaak
    over te dragen. (…)
    De heer De Graaf:
    Maar u observeert toch ook wel eens ten behoeve van
    buitenlandse politie, als ze het nadrukkelijk vragen of niet? Zoals
    het, als u naar buiten, over de grens wil, wordt overgenomen door
    een ander?
    De heer Kloosterman:
    Wij niet. Tegenwoordig is het allemaal geregeld via het
    LIPO. Je hebt grensoverschrijdende
    observatieteams die dat
    overnemen. Wij zijn niet zo’n team, dus wij krijgen dat soort zaken
    niet aangeleverd.
    Noot

    De meldingen van observatie-objecten vanuit de regiokorpsen aan het
    LIPO beogen te voorkomen dat op zeker moment twee teams hetzelfde
    object volgen zonder dat zij dat van elkaar weten. Dat is in het
    verleden onder meer voorgekomen toen de FIOD en het IRT hetzelfde
    object observeerden. Het aantal meldingen aan het LIPO in 1994
    varieert van nul tot en met 184 per OT. De gebruikte formulieren
    bevatten vaak een groot aantal
    namen; het LIPO kan vaak niet zien wie de geobserveerde objecten
    zijn. Dat betekent dat het LIPO-systeem nog niet naar tevredenheid
    is gevuld.
    Naast de objectregistratie heeft het LIPO nog enkele andere taken.
    Het cordineert de inzet van speciale apparatuur, in het bijzonder
    de inzet van peilfrequenties voor OT’s. Dit om te voorkomen dat een
    OT achter een object van een ander team aanrijdt. Een derde taak is
    de kentekenregistratie van bijzondere politievoertuigen, eveneens
    om doublures in de observatiewerkzaamheden te voorkomen. Een OT kan
    dus bij het LIPO het kenteken opvragen van een auto waarvan zij
    vermoeden dat deze ook aan volgerij doet, teneinde te controleren
    of dat een (onbekende) collega is of iemand van de tegenpartij. Het
    LIPO houdt zich ook bezig met de cordinatie van grootschalig
    OT-optreden en van oefeningen, met de registratie van scannerfreaks
    en met advisering en voorlichting tot taak heeft gesteld.

    Het LIPO heeft een samenwerkingsverband met het Landelijk
    cordinatiepunt grensoverschrijdende observatie ( LCGO); opgericht
    in het kader van Schengen. De uitvoeringsovereenkomst van het
    Schengenakkoord regelt dat buitenlandse autoriteiten die in
    Nederland willen laten observeren dit moeten aanvragen bij de
    landelijk officier van justitie in Nederland. Bij het LCGO komen de
    inkomende (en uitgaande) rechtshulpverzoeken met betrekking tot
    overname van OT-acties binnen. In 1994 heeft het LCGO 223 aanvragen
    uit het buitenland afgehandeld, die bij elkaar 171
    observatie-acties genereerden. Die observatieverzoeken kwamen uit
    de hele wereld en niet alleen uit de Schengenlanden. De inkomende
    verzoeken zijn soms moeilijk te realiseren, omdat deze niet altijd
    aansluiten bij een Nederlands (CID-) onderzoek. Daarom zijn vijf
    zogenoemde Schengen OT-secties opgericht, die de observatie-acties
    vanuit het buitenland moeten overnemen. Daartoe het het LCGO
    convenanten gesloten met de regiokorpsen Twente, Limburg-Zuid,
    Midden- en West-Brabant, Rotterdam-Rijnmond en
    Amsterdam-Amstelland. Van de grensoverschrijdende observaties wordt
    65% uitgevoerd door Schengen OT-secties. Deze teams kunnen ook voor
    nationale acties worden ingezet, mits dat niet botst met
    buitenlandse aanvragen.

    Voor de spiegelbeeldige situatie bepaalt de brief van 27 maart
    1995 van de minister van Justitie aan het OM en de CRI dat de
    politie zich met een verzoek tot observatie in het buitenland eerst
    tot de landelijke officier van justitie dient te wenden. Het LCGO
    heeft in 101 uitgaande observatie-acties bemiddeld, nadat daartoe
    de landelijk officier van justitie was benaderd.

    Wanneer sprake is van grensoverschijdende observatie
    zonder voorafgaande toestemming, dan is dit slechts toegelaten
    bij verdenking van een aantal in artikel 40, zevende lid van de
    Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO) genoemde, limitatief
    omschreven misdrijven waaronder levensdelicten, gekwalificeerde
    vermogensdelicten, gijzeling en sluikhandel in verdovende
    middelen.

    5.4.2 Arrestatieteams

    De arrestatieteams hebben onderling veel contact en hebben ook
    ten behoeve van de wederzijdse bijstand hun werkwijze geniformeerd.
    De onderlinge samenwerking wordt door alle AT’s positief
    beoordeeld. In het ressort Den Haag werd melding gemaakt van een
    convenant over de samenwerking tussen de AT’s van
    Rotterdam-Rijnmond en Haaglanden. Dat convenant werd al nageleefd,
    maar was nog niet getekend.
    Er bestaat een Landelijk contact
    arrestatieteams (LCA), dat uit een beleidsmatige en een
    operationele component bestaat. Het beleidsmatig LCA vergadert
    tweemaandelijks. Het operationele LCA doet dat elke maand. Het is
    niet duidelijk in hoeverre deze vergaderingen aansluiten bij de
    praktijk van de AT’s. De voortgezette opleidingen en trainingen van
    de acht AT’s worden in Rotterdam gecordineerd en hebben overal
    dezelfde inhoud. Ook de procedures, de afspraken, de technieken en
    de tactieken zijn gelijk. Een commandant kan besluiten om in een
    incidenteel geval van de standaardprocedure af te wijken, maar dat
    doet niet af aan het feit dat door deze professioneel-inhoudelijke
    gelijkheid van optreden aannemelijk is dat de samenwerking
    inderdaad goed is.

    Voor de reorganisatie van de politie waren er meer
    verschillen tussen de vier AT’s van de Rijkspolitie en de zes AT’s
    van de gemeentepolitie dan nu het geval is.

    5.4.3 BFO en Finpol

    De enige relatie tussen de BFO’s en de financile desk van de
    divisie CRI (Finpol) is dat zij beide genteresseerd zijn in
    financile zaken. FinPol is aangehaakt aan het Meldpunt
    ongebruikelijke transacties (MOT) om de aangemelde zaken, die als
    verdacht zijn geanalyseerd, nader te onderzoeken en eventueel
    door
    te sluizen naar de regiokorpsen.
    Op zich kan het MOT al overgaan tot het bevragen van banken en
    dergelijke instellingen krachtens de Wet melding ongebruikelijke
    transacties en de Wet identificatie financile dienstverlening. Op
    dit moment worden door de banken nog geen volledige
    rekeningoverzichten aan het MOT verstrekt. Deze rekeningoverzichten
    zijn nodig om een geldspoor te kunnen volgen, dat wil zeggen om te
    kunnen achterhalen dat een bepaald bedrag van rekening A naar B
    naar C is gegaan. Als de inlichtingen het MOT of Finpol aanleiding
    geven de regionale politie te informeren, heeft de politie
    gedurende een bepaalde fase geen specifieke wettelijke
    bevoegdheden. Deze fase houdt op, zodra een strafrechtelijk
    financieel onderzoek of een gerechtelijk vooronderzoek is gestart.
    In die fase kan het MOT opnieuw door opsporingsinstanties worden
    benaderd met verzoeken om informatie. Het MOT-register is een
    politieregister in de zin van de Wet politieregisters.
    Noot Informatieverstrekking uit het MOT-register is dus
    uitsluitend mogelijk ter voorkoming en opsporing van misdrijven. De
    fiscus kan geen informatie uit het MOT-register krijgen, tenzij er
    sprake is van een fiscaal strafrechtelijk onderzoek. Binnengekomen
    MOT-meldingen worden dagelijks gekoppeld aan de CID-subjectenindex
    (CiDSi) en aan tal van andere systemen.

    Van de 22961 MOT-meldingen waren er in de periode 1 februari
    1994 – 1 februari 1995.2638 verdacht en leverden 1420 een CIDSI-hit
    op. Daarvan ging het bij 867 meldingen om lopende zaken. Het
    betroffen 515 natuurlijke personen en 357 rechtspersonen, waaruit
    blijkt dat vaak meerdere meldingen over n subject binnenkomen. In
    zeventien gevallen leidde de MOT-melding tot nieuw onderzoek van de
    politie en in twaalf gevallen tot nieuw onderzoek door een van
    de
    bijzondere opsporingsdiensten: daarbij gaat het om enige
    honderden transacties en veel meer dan 29 personen.

    Noot Het meldpunt heeft counterparts in diverse landen.
    De uitwisseling van gegevens met die landen verloopt om
    verschillende redenen niet altijd even voorspoedig. Sommige landen
    nemen namelijk slechts meldingen op in verband met bepaalde –
    vooral drugs – delicten. Andere landen kennen niet de plicht
    ongebruikelijke, maar slechts verdachte transacties te melden.

    5.4.4 STO en DTOO

    De STO’s verlenen soms hand- en spandiensten aan elkaar, vooral
    wanneer zij in elkaars regio moeten opereren. Ook vindt regelmatig
    contact plaats met de Dienst technisch operationele ondersteuning
    (DTOO), dat een onderdeel is van het Korps landelijke
    politiediensten.

    De DTOO verdient aparte vermelding. Deze dienst houdt zich bezig
    met de inzet van hoogwaardige technische apparatuur voor allerlei
    politie-activiteiten op het terrein van recherche, milieu,
    grootschalig politie-optreden, verkeer, rampenbestrijding,
    enzovoort. De geschiedenis van de DTOO binnen de politie in de
    laatste vijf jaren loopt in feite van de dranghekken naar de
    peilbakens.

    De voorzitter:
    U bent, dacht ik, begonnen met het verlenen van bijstand aan
    verschillende korpsen bij problemen met de openbare orde. Hoe bent
    u gaandeweg in het recherchewerk terechtgekomen met technische
    middelen?
    De heer Hellemons:
    Dat heeft, denk ik, te maken met de prioriteiten en de
    aandacht binnen de Nederlandse politie. Recherche is iets wat de
    laatste jaren erg veel aandacht heeft. De criminaliteit, de
    georganiseerde criminaliteit, heeft erg veel aandacht. Wij zijn een
    klantenbedrijf, zoals dat heet. Dat betekent dat wij zelf geen
    operaties inzetten of onderzoeken hebben, maar dat wij alleen de
    zaken van anderen ondersteunen. Als anderen in hun werk erg veel
    aandacht geven aan recherche, betekent dat voor ons als bedrijf dat
    wij daar in wezen in mee moeten. Als onze gebruikers dat van belang
    vinden, houdt dat automatisch in dat wij ons meer en meer gaan
    toeleggen op recherche.
    Noot

    De DTOO beschikt over geavanceerde plaatsbepalingssystemen, die hen
    in staat stellen om voertuigen, vaartuigen en andere objecten te
    lokaliseren. De geografische reikwijdte van deze apparatuur
    varieert van lokaal tot wereldwijd niveau. Verder heeft de DTOO
    apparatuur voor videoen audio-observatie en voor het vaststellen
    van gebeurtenissen, bijvoorbeeld het betreden van een ruimte of het
    lozen van stoffen in opppervlaktewater.

    De landelijke specialisatie zorgt ervoor dat zowel de kwaliteit
    van de apparatuur als de vaardigheid in het plaatsen ervan op zeer
    hoog niveau staan.

    De voorzitter:
    U plaatst die apparatuur ook?
    De heer Hellemons:
    Ja, wij plaatsen die apparatuur ook.
    De voorzitter:
    Hoe plaatst u die apparatuur?
    De heer Hellemons:
    Ik kan u niet precies vertellen hoe wij die apparatuur
    plaatsen. Ik kan u wel vertellen dat wij daarvoor een aantal
    specialisten in dienst hebben, wel eens wat gemakkelijk en snel
    aangeduid als de sectie stiekem uit Driebergen.
    De voorzitter:
    Dat is toch geen gekke naam.
    De heer Hellemons:
    Ik vind dat een naam die niet helemaal recht doet aan
    hetgeen daar gebeurt. Aan de ene kant ben ik gevleid, als men dat
    de sectie stiekem noemt, omdat dit aangeeft dat de informatie over
    hoe exact gewerkt wordt, goed afgeschermd is en niet aan alle
    kanten uitlekt. Dat blijft dus goed in de hand. Aan de andere kant
    heeft stiekem in mijn persoonlijke beleving ook iets van
    oncontroleerbaar, slecht en geniepig.

    Noot
    De DTOO kent vier afdelingen: de afdeling operationele
    bedrijfsvoering, het regelcentrum waaronder ook het zogenoemde
    tactisch team valt; de afdeling technische ondersteuning, waar het
    technisch potentieel zit; de afdeling bijzondere ondersteuning
    politieregio’s, van waaruit de mensen bij de STO’s worden
    gedetacheerd; en de afdeling geleide opsporingsinformatie, waar
    alle informatie die uit technische systemen voortkomt wordt
    gevalueerd en doorgesluisd naar regiokorpsen en andere diensten.
    Het tactisch team bestaat uit vijftien voormalige leden van AT’s en
    verricht de complexe plaatsingen van technische apparatuur. Het
    bestaan van de DTOO vindt geen basis in een wet of besluit. Het
    wetsvoorstel Direct afluisteren voorziet in een algemene maatregel
    van bestuur waarbij de bevoegdheid tot het uitlenen van
    afluisterapparatuur exclusief aan de DTOO wordt toegekend. Het doel
    van die regeling is het waarborgen van een hoge kwaliteit van en
    controle op de werkzaamheden bij het plaatsen van apparatuur.

    De DTOO komt niet in actie zonder dat de aanvrager een
    schriftelijke opdracht van de verantwoordelijke officier van
    justitie of de rechter-commissaris kan geven.

    De voorzitter:
    Dat is duidelijk. Hebt u op dit moment een officier van
    justitie die het gezag over u heeft?
    De heer Hellemons:
    U bedoelt een vaste officier die het gezag over ons
    heeft?
    De voorzitter:
    Ja.
    De heer Hellemons:
    Neen, ik denk het niet.
    De voorzitter:
    Die hebt u niet?
    De heer Hellemons:
    Neen.
    De voorzitter:
    Het is nu zo dat er bij elke aanvraag die u krijgt, een
    machtiging van een officier van justitie moet zitten.
    De heer Hellemons:
    Ja, sinds anderhalf jaar opereren wij alleen, als wij een
    schriftelijke opdracht of machtiging van een officier van justitie
    in ons bezit hebben.
    De voorzitter:
    En daarvoor was een verzoek van de politie
    voldoende?
    De heer Hellemons:
    Dan moet ik even teruggaan in de historie. Onze dienst
    bestaat ongeveer vijf zes jaar. Voordat wij het tactisch team
    hadden, plaatsten wij onder dat soort omstandigheden geen
    apparatuur. Wij hadden daar namelijk niet de mensen voor.
    Toestemming van een officier van justitie speelde voor onze dienst
    dus niet tot eind 1992. Het tactisch team is eind 1992/begin 1993
    met zijn werk begonnen. Toen werden de mogelijkheden, operationeel
    gezien, nog wat groter. Met de groei van die hele ontwikkeling is
    eigenlijk ook het regime van toezicht mee gegroeid. Vrij snel
    daarna zijn wij aan de recherchechef gaan vragen of de officier het
    ook goed vond. Dan kregen wij het antwoord: de officier vindt het
    goed. Daarna hebben wij gevraagd of de officier dat zelf even kon
    zeggen.
    De voorzitter:
    Even bellen!
    De heer Hellemons:
    Ja, even bellen. De laatste stap was dat wij het
    schriftelijk wilden hebben van de officier, zodat er geen
    misverstanden konden ontstaan over de exacte opdracht die aan ons
    gegeven werd. Als er bijvoorbeeld een peilbaken geplaatst moet
    worden op een vrachtauto, moet er geen misverstand over bestaan of
    dat van de officier alleen aan de openbare weg mag of dat dit
    volgens hem ook moet kunnen, als die vrachtauto in een bepaalde
    loods staat. Nu is het zo dat er voor alle operaties van te voren
    een schriftelijke opdracht van het OM moet zijn.
    De voorzitter:
    En u maakt proces-verbaal?
    De heer Hellemons:
    Het proces-verbaal loopt daar in tijd iets op achter. In het
    begin, in 1992, maakten wij geen processen-verbaal. Wat wij er in
    1995 ook van denken, dat gebeurde niet binnen de
    CID. Er
    werd ook niet om gevraagd door het OM. Ter zitting kwam het haast
    niet aan de orde.
    De voorzitter:
    Omdat het als CID-informatie verpakt kon worden?
    De heer Hellemons:
    Dat zou in theorie kunnen. Dat kan ik natuurlijk niet per
    zaak overzien, maar dat zou kunnen.
    Noot

    De DTOO houdt zich bovendien het recht voor om aanvragen niet uit
    te voeren, ook al zou de officier het wel willen en beroept zich
    dan, naast de veiligheid van haar medewerkers, op juridische of
    ethische
    ontoelaatbaarheid. Dit gebeurt overigens slechts enkele gevallen
    per jaar. Wanneer de DTOO constateert dat een officier van justitie
    toestemming verleent voor verboden handelingen of voor een actie
    die in strijd zou zijn met de rechtsbeginselen, neemt de DTOO
    contact op met de betreffende officier van justitie. De DTOO brengt
    zijn bezwaren bij de officier van justitie naar voren. Naar
    aanleiding van de discussies tussen de DTOO en de officier van
    justitie komt de officier van justitie voor de betreffende zaak
    vaak tot een ander inzicht en wordt de verleende toestemming
    ingetrokken of gewijzigd.

    Een voorbeeld betreft een aanvraag waarbij de DTOO een pand
    moest betreden. Bij de voorverkenning door het tactisch team bleek
    dat het hier een object betrof dat direct aan een huis was gebouwd.
    Het object moest gelet op de specifieke omstandigheden mogelijk als
    deeluitmakend van een woning in gebruik worden beschouwd. Bij
    terugkoppeling naar de betrokken officier van justitie kwam deze
    tot de conclusie dat de bedoeling van zijn toestemming/opdracht
    niet zover ging dat deze locatie betreden mocht/moest worden. De
    voorgenomen actie werd vervolgens afgeblazen.

    Sinds 1995 heeft de DTOO formeel een medewerker aangesteld die
    zich speciaal bezighoudt met de juridische en ethische
    toelaatbaarheid van aangevraagde acties en de toepassing van
    ontwikkelingen in de techniek.

    Bijna alle regiokorpsen maken gebruik van de diensten van de
    DTOO. Dit gebeurt met name als men denkt dat de STO de apparatuur
    niet heeft of het AT die apparatuur niet zal kunnen aanbrengen.
    Bepaalde hoogwaardige apparatuur die te duur is voor de
    regiokorpsen of weinig gebruikt wordt, is bij de DTOO ter
    beschikking van de korpsen. Wel verschilt bij regiokorpsen de
    frequentie waarmee zij gebruik maken van de diensten van de DTOO.
    Sommige STO’s hebben of maken bijna alles zelf. Andere STO’s roepen
    bijna standaard de hulp van de DTOO in.

    De DTOO doet kwantitatief veel zaken voor de korpsen
    Amsterdam-Amstelland, Utrecht,
    Gooi en Vechtstreek en
    het
    KLPD. Vanuit de regiokorpsen Groningen, Friesland,
    Drenthe en IJsselland komen niet veel aanvragen binnen.

    Tabel I Assistentie-aanvragen in recherchezaken van alle
    regiokorpsen aan de DTOO in 1995

    en 1994

    Tabel
    Over de jaren 1992 en 1993 is slechts het totaal aantal
    aanvragen voor assistentie bekend. Dit zijn respectievelijk
    485 en 806 aanvragen. Uit deze gegevens, inclusief de totalen uit
    tabel I, blijkt een aanzienlijke toename van assistentie-aanvragen
    aan de DTOO over de afgelopen vier jaren. Vijftien procent van de
    verzoeken om assistentie wordt niet ingewilligd. Hieraan liggen
    redenen van tactische, technische of juridische aard ten grondslag.
    Om het gebruik van het videolaboratorium, semakloon en het
    plaatsten van peilbakens blijkt het meest verzocht te worden.

    Uit andere overzichten van de DTOO blijkt dat het aantal
    inzetten van de DTOO in 1994.2200 was. De helft van die
    gevallen betrof inzetten in recherchezaken. In 370 van die gevallen
    is het tactisch team ingezet om apparatuur te plaatsen, terwijl dat
    in 1992.110 keren gebeurde. Tussen 1992 en 1994 is het aantal
    inzetten van het tactisch team met ruim 300% gestegen.

    Soms is voor het aanbrengen van een peilzender ook wel
    naar het buitenland gereisd op grond van een rechtshulpverzoek. Het
    gaat dan bijvoorbeeld om het aanbrengen van een peilbaken op een
    vrachtwagen met softdrugs, die in Nederland zal worden
    aangehouden.

    Het aantal inkijkoperaties door de DTOO waarbij heimelijk een
    afgesloten ruimte wordt betreden om apparatuur te plaatsen,
    bedraagt ongeveer vijf per jaar.

    De voorzitter:
    Toen wij het drie dagen geleden met de heer Wooldrik over uw
    dienst hadden, sprak ik over de valse-sleutelcentrale. Dat is
    natuurlijk niet de naam die u aan uw dienst zou geven.
    De heer Hellemons:
    Neen, dat ligt voor mij in het verlengde van de sectie
    stiekem.
    De voorzitter:
    Maar daar kunt u natuurlijk wel gebruik van maken?
    De heer Hellemons:
    Ja. Zoals ik al gezegd heb, komt het voor dat wij plaatsen
    betreden. Dat zijn overigens nooit woningen, maar loodsen, schuren,
    garages en dergelijke. Woningen zijn nooit betreden; dat gebeurt
    niet. (…) Het is helaas niet zo dat de deur altijd uitnodigend
    openstaat, als je een plaats betreedt. Het is de

    opvatting in ons bedrijf dat je, als je plaatsen betreedt,
    gequipeerd moet zijn om dat veilig, goed en professioneel te doen.
    Dat betekent gewoon dat je een stuk technische expertise achter je
    moet hebben. Wat aangeduid wordt als de sleutelcentrale, is niets
    anders dan onze technische werkplaats die ons in staat stelt om dit
    soort activiteiten op een goede en professionele wijze te
    ondernemen.

    De voorzitter:
    Zonder dat u tekenen van uw aanwezigheid
    achterlaat?
    De heer Hellemons:
    Dat is in ieder geval de bedoeling. Noot De
    verklaring voor de toename van het beroep dat korpsen doen op de
    DTOO is gezocht in het feit dat er meer faciliteiten zijn dan
    vroeger, dat er meer vormen van criminaliteit zijn waarbij
    transport een doorslaggevende rol speelt (naast de import en export
    van verdovende middelen nu bijvoorbeeld ook chemisch
    afvaltransport), dat er minder binnen de korpsen zelf wordt
    gexperimenteerd en dat een traditionele aanpak steeds meer op
    capaciteitsproblemen stuit. De DTOO werkt ook voor de
    fraudebestrijdingsorganisatie van de EG, (UCLAF), in verband met
    fraudezaken in het kader van de structuurfondsen. Daartoe wordt
    plaatsbepalingsapparatuur geleverd, mits er een verzoek om
    rechtshulp ligt. De DTOO houdt zich vooral bezig met het uitlenen
    en plaatsen van videocamera’s en plaatsbepalingsapparatuur. Het
    tactisch team van DTOO is tot nu toe vooral uit voormalige leden
    van AT’s geselecteerd. Zij moeten een extra cursus volgen gericht
    op het conspiratief inbouwen van apparatuur. Zo is op zeker
    moment op
    Schiphol een camera bevestigd in een ruimte waar
    24 uur per dag mensen aan het werk waren met bagage zonder dat deze
    omstanders het merkten. De camera heeft er drie maanden gewerkt.
    .
    De voorzitter:
    Hebt u wel eens een videocamera in een loods
    geplaatst?
    De heer Hellemons:
    Ja.
    De voorzitter:
    In welk jaar?
    De heer Hellemons:
    Ik denk in 1992.
    De voorzitter:
    Had dat te maken met levensbedreigende situaties?
    De heer Hellemons:
    Neen, dat had niet te maken met levensbedreigende situaties.
    Dat had, als ik het mij goed herinner, te maken met een van de
    grootste drugsvangsten die in Nederland ooit gedaan zijn.
    De voorzitter:
    Onder welke vlag gebeurde dat officieel: als
    inkijkoperatie of als huiszoeking? Staat u dat nog bij?
    De heer Hellemons:
    Neen, dat staat mij niet bij.
    De voorzitter:
    Dan komen wij op de vraag van de controle. Is dat n keer of
    meer keren gebeurd?
    De heer Hellemons:
    Ik denk dat het plaatsen van een videocamera in een loods n
    keer is gebeurd. Dat is de enige zaak die ik ken. Als het meer zou
    zijn, dan praten wij over de jaren heen over n of twee meer. Dat is
    echter de enige zaak die ik ken.
    De voorzitter:
    Is dat ooit gemeld?
    De heer Hellemons:
    Dat is naar mijn idee zeker gemeld.
    De voorzitter:
    Is daar proces-verbaal van gemaakt?
    De heer Hellemons:
    Ik denk niet dat er een proces-verbaal van gemaakt is. Er is
    wel overleg met dan wel een opdracht van het openbaar ministerie
    geweest. Eigenlijk maken wij pas sinds een jaar tot anderhalf jaar
    stringent een proces-verbaal van elke zaak, elke inzet.

    Noot

    Bij de DTOO ligt de training met afluisterapparatuur stil totdat
    het wetsvoorstel Direct afluisteren tot wet is geworden. Er worden
    geen opdrachten op dat gebied aangenomen, behalve in
    levensbedreigende situaties zoals gijzelingen. De uitvoering van
    laatstgenoemde opdrachten vereisen de toestemming van de
    procureur-generaal. In de afgelopen drie jaar heeft dit zich drie
    keer voorgedaan. De DTOO zet afluisterapparatuur in als er sprake
    is van toestemming van een deelnemer aan het gesprek. Dat is in
    1994 in 32 gevallen gebeurd.

    Zo is (tot september) in 1995 drie maal afluisterapparatuur
    verstrekt aan het regiokorps Amsterdam-Amstelland, waarbij steeds
    met toestemming van een van de deelnemers werd afgeluisterd. Ook
    werd daar 35 keer een videocamera geplaatst, vond daar n
    kijkoperatie plaats en werden 20 peilbakens geplaatst.
    De DTOO
    rapporteert schriftelijk aan de recherchechef die het verzoek om
    ondersteuning deed. Zij rapporteert in de vorm van een rapport en
    een proces-verbaal. In de rapporten staat het volledige relaas; het
    proces-verbaal vermeldt wat geplaatst is, waar het voertuig stond,
    om welke periode het ging, en of de situatie dezelfde was bij het
    verlaten als bij het binnengaan van een locatie. In de rapporten
    staat ook wie de operatie verrichtte. Processen-verbaal worden
    opgemaakt op naam van het hoofd van de afdeling.

    5.4.5 PIT en ANCPI

    Politie-infiltratie door Nederlandse politie-ambtenaren
    geschiedt onder auspicin van de Afdeling nationale cordinatie
    politile infiltratie (ANCPI) van de CRI. De ANCPI is te beschouwen
    als de voortzetting van het in 1987 opgerichte Bureau nationale
    cordinatie pseudokoop. De ANCPI cordineert de werkzaamheden van de
    PiT’s.

    De cordinerende rol van de ANCPI is groot, wellicht het grootst
    van alle diensten van het KLPD. Een formele basis daarvoor is er
    niet. Niettemin neemt de ANCPI zowel financieel als materieel
    (bijvoorbeeld bij het verlenen van valse identiteiten) een
    sleutelpositie in.

    De voorzitter:
    In het rapport-De Wit wordt in feite verschil gemaakt tussen
    een
    politie-infiltrant die een valse identiteit
    aanneemt en anderen. Waarom is dat verschil zo
    belangrijk?
    De heer Karstens:
    Als je de definitie van infiltratie neemt zoals die
    recent is opgenomen in de eindrapportage van de werkgroep

    infiltratie, dan is infiltratie nog steeds het al dan
    niet met behulp van een
    valse identiteit binnendringen in
    het milieu door buitenstaanders. Ik heb weleens gezegd dat de
    woorden al dan niet kunnen worden vervangen. Want als wij
    binnendringen in criminele organisaties dan zal dat per definitie
    met behulp van een
    valse identiteit gebeuren. Ik acht het
    niet toelaatbaar en niet gewenst dat mensen onder eigen identiteit
    binnendringen, in ieder geval als het politiemensen
    betreft.
    De voorzitter:
    Dus alle politie-infiltranten gebruiken een valse
    identiteit?
    De heer Karstens:
    Alle politile infiltranten die door mij gecordineerd worden,
    hebben een
    valse identiteit.
    De voorzitter:
    Geeft u die identiteit?
    De heer Karstens:
    Een van de dingen die ik versta onder facilitaire
    dienstverlening is het verstrekken van een valse identiteit.

    Noot

    De afzonderlijke CID-en gebruiken tevens valse
    identiteitsbewijzen.

    De voorzitter:
    Nu weten wij dat verschillende CID’s soms ook werken met de
    mogelijkheid van een
    valse identiteit.
    De heer Karstens:
    Dat gegeven is mij bekend. Ik heb diverse verzoeken gehad
    van
    RCID of CID. Ik heb die tot op heden altijd
    geweigerd.
    De voorzitter:
    Wat vindt u ervan als dit elders in het land toch gebeurt?
    Het gebeurt namelijk toch.
    De heer Karstens:
    Ik betreur dat. Het zou niet moeten gebeuren, want de kans
    is groot dat als de kring van mensen die gebruik maken van valse
    identiteitsbewijzen te groot wordt, de hele zaak op straat komt te
    liggen. Ik zou in principe zeggen dat dit niet toelaatbaar
    is.
    De heer Koekkoek:
    Wat doet u als u ervan hoort dat bijvoorbeeld een
    burgemeester als
    korpsbeheerder meewerkt aan het geven van
    een
    valse identiteit aan iemand van de CID in enige
    gemeente?
    De heer Karstens:
    Ik meld dat bij mijn directe chef en bij het ministerie
    van Justitie.
    De heer Koekkoek:
    Wat gebeurt daar dan vervolgens mee? Wat is uw
    ervaring?
    De heer Karstens:
    Je moet dat uiteraard kunnen bewijzen. Ik wil op dit moment
    niet in details treden over dingen die ik heb
    geconstateerd.
    De heer Koekkoek:
    U weet toch gewoon dat het gebeurt en dan doet u toch
    wat?
    De heer Karstens:
    Ja. Ik meld dat. Ik heb in een brief aan het ministerie
    van Justitie geschreven dat ik op zichzelf de behoefte onderken
    die sommige CID’s zouden hebben, maar dat dan eerst de regeling
    moet worden aangepast. Ik heb voorgesteld, die discussie zeer
    binnenkort te starten.
    De heer Koekkoek:
    Is het voorgekomen dat door uw interventie een einde gemaakt
    is aan een bepaalde praktijk?
    De heer Karstens:
    Op dit moment nog niet.
    De heer Koekkoek:
    Betekent dit dat sommige dingen gewoon doorlopen? Zijn er
    valse identiteiten verstrekt die feitelijk desgewenst gebruikt
    worden?
    De heer Karstens:
    Ik denk dat er nog steeds vanuit het verleden
    identiteitsbewijzen in omloop zijn. Het gaat om verschreven
    identiteitspapieren.
    De heer Koekkoek:
    U zegt verschreven identiteitspapieren. Wat moet ik mij
    daarbij voorstellen?
    De heer Karstens:
    Als een ambtenaar een foutje maakte, dan werd een rijbewijs
    vaak niet uitgegeven. Je kon het wel ergens anders voor gebruiken.
    Door de invoering van de nieuwe wetgeving is het verschrikkelijk
    moeilijk geworden om buiten het officile circuit om nog rijbewijzen
    te ritselen.
    De heer Koekkoek:
    Dus dan verdween het rijbewijs niet in de versnipperaar,
    maar het werd voor een ander doel gebruikt.
    De heer Karstens:
    Dat is correct.
    De heer Rabbae:
    Hoeveel gevallen van illegale valse identiteit zijn u
    bekend?
    De heer Karstens:
    Ik weet het zeker van twee gevallen. Noot Ook
    in de samenwerking met het buitenland speelt de ANCPI een hoofdrol.
    Het kan daarbij zowel gaan om infiltratie-acties door Nederlanders
    in het buitenland, als om acties door buitenlanders in Nederland.
    In deze gevallen kan een buitenlandse liaisonofficer in Nederland
    of een Nederlandse liaisonofficer in het buitenland een
    bemiddelende rol spelen, maar dit hoeft niet het geval te zijn.
    Vanwege de internationale aspecten van dergelijke
    infiltratie-acties wordt de landelijk officier van justitie bij de
    zaak betrokken. Buitenlandse infiltranten in Nederland worden door
    een PIT of door medewerkers van de ANCPI begeleid.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken