• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 5.5 Sturing en controle

    5.5 Sturing en controle

    5.5.1 Korpsbeheerder

    De rol van de korpsbeheerder in relatie tot de ondersteunende
    diensten is beperkt. Hij kan een rol spelen met betrekking tot een
    eventuele begeleidingscommissie. Zo vermeldt het Convenant
    betreffende de ressortelijke arrestatieteams van de regionale
    politiekorpsen in Rotterdam-Rijnmond, Haaglanden, Hollands-Midden,
    Zuid-Holland-Zuid en Zeeland dat er een Begeleidingscommissie
    eenvormige AT-zorg moet zijn. En van de vijf leden van die
    commissie wordt door een korpsbeheerder aangewezen. Deze
    commissie bestaat uit de plaatsvervangend korpschef Hollands
    Midden, een officier van justitie uit Dordrecht, een Zeeuwse
    burgemeester, niet zijnde de Zeeuwse
    korpsbeheerder, maar
    wel op diens voordracht, de chef Regionale operationele

    ondersteunende diensten (ROOD) uit Rotterdam-Rijnmond en de chef
    Centrale taken uit Haaglanden.

    Het is denkbaar dat de korpsbeheerder in verband met het
    financieel rechercheren ook vanuit politiek-bestuurlijke
    overwegingen genformeerd wenst te worden. In een financieel
    onderzoek kunnen immers ook te goeder naam en faam bekend staande
    bedrijven voorwerp van politie-onderzoek worden. Feitelijk is van
    dergelijke belangstelling van de zijde van de korpsbeheerders
    echter niet gebleken.

    5.5.2 Korpsleiding, CID en tactische recherche

    De leiding over de ondersteunende diensten komt vooral uit de
    verf als deze wordt uitgeoefend door personen die zelf ook over
    relevante specialistische kennis beschikken. De indruk bestaat dat
    het sterk van het toeval afhankelijk is of leidinggevenden zich
    bezig houden met de activiteiten van observatie-, technische of
    financile experts. Als zij die specialistische belangstelling al
    hebben, kan dat ook betekenen dat bijvoorbeeld een STO meer ruimte
    krijgt om experimentele technieken te ontwikkelen. Leiding geven
    betekent dus niet alleen verbieden – in de zin dat voorkomen wordt
    dat betrokken ambtenaren over de schreef gaan – maar ook
    stimuleren.

    Een aantal diensten is opgericht als samenwerkingsverband bij
    een bepaald korps. In enkele gevallen maakt de regio van
    detachering veel meer gebruik van de dienst dan de andere partners,
    zonder dat daarvoor directe verklaringen te geven zijn. Afgezien
    daarvan is niet gebleken van duidelijke extra beheersproblemen met
    dergelijke samenwerkingsverbanden. Wel spelen de betreffende
    diensten in het kader van een samenwerkingsverband eerder het
    aspect van capaciteitsproblemen uit en verwerven zij zich daarmee
    discretionaire ruimte. Hoe zou immers de CID-chef van regiokorps X
    moeten bepalen wat de prioriteiten zijn als men de regiokorpsen X
    en Y bijeen neemt. Dat vergt dan overleg met de superieur van de
    ondersteunende dienst in regio Y. Maar dat kan bijvoorbeeld,
    vanwege het verschil in organisatie, het hoofd van een divisie
    Ondersteuning zijn.

    De divisiechef Georganiseerde criminaliteit ontmoet bij
    bijeenkomsten van het infiltratieteam zowel de teamleider, de
    begeleiders als de infiltranten. Dat betekent niet dat hij van alle
    activiteiten van de infiltranten op de hoogte wordt gesteld. De
    korpsleiding is volgens de CID-regeling verder niet bij de
    infiltratieprojecten betrokken.

    Slechts bij uitzondering vindt die betrokkenheid
    desalniettemin plaats, bijvoorbeeld bij een
    frontstore
    waarbij een Nederlandse politie-ambtenaar in Canada
    infiltreerde.

    Gesteld wordt wel dat de korpsleiding vanwege de
    verantwoordelijkheid voor het personeel direct betrokken behoort te
    zijn bij de gang van zaken – zeker bij grote CID-operaties. De
    veiligheid en integriteit van het
    personeel kan immers in het geding zijn. Het OM dat in dergelijke
    zaken een gezaghebbende stem heeft, is voor de inschatting van de
    veiligheid, althans voor het personeelsbeheer in dergelijke zaken,
    wellicht niet de meest gerede beoordelaar.

    De positie van de ondersteunende eenheden ten opzichte van de
    rest van de politie-organisatie verschilt van korps tot korps. Vaak
    zijn AT, OT, CID en STO gezamenlijk opgenomen in een afdeling
    ondersteunende diensten. Soms valt het OT rechtstreeks onder de
    CID. De STO’s ressorteren soms wel, soms niet onder het OT of de
    CID. Het AT valt nooit rechtstreeks onder de CID. Meestal vallen de
    recherche-ondersteunende diensten ( OT, AT, STO, CID en technische
    recherche) onder verantwoordelijkheid van n gezamenlijk hoofd. Dat
    hoofd is over het algemeen weer geplaatst onder een hoofd recherche
    of een hoofd centrale recherche van het hele korps.

    Het lijkt logisch dat de eindbeslissing over inzet van
    (schaarse) capaciteit, wat vooral bij OT’s het geval is, bij de
    tactische recherche ligt. Zo vindt in regiokorps Utrecht elke week
    recherche-overleg plaats. Tijdens dat overleg wordt bepaald waar
    het OT zal worden ingezet. In concrete onderzoeken ligt de
    eindbeslissing over de geoorloofdheid van een bepaalde methode bij
    de leiding van het tactische recherche-onderzoek, respectievelijk
    de zaaksofficier. Het is dus mogelijk dat een methode volgens de
    CID-regels bij een bepaald korps geoorloofd is en dat die methode
    desondanks door de tactische chef en de zaaksofficier wordt
    afgewezen. Niettemin is niet gebleken dat de tactische
    recherchechef veel greep uitoefent op de activiteiten van de
    ondersteunende diensten.

    De oorzaak hiervan is dat de ondersteunende diensten in
    verschillende aangelegenheden te maken hebben met meerdere
    leidinggevenden. In organisatorische en beheersmatige zaken zijn
    dat hun directe chef en de korpsleiding. In het geval van een
    recherche-onderzoek zijn het vooral de teamleider en de
    zaaksofficier van justitie. Vanwege de (geheime) aard van de
    methoden die de ondersteunende diensten toepassen, hebben zij een
    natuurlijk contact met de chef CID en de CID-officier van justitie.
    De aanwijzingen die de CID-leiding geeft aan de ondersteunende
    eenheden zijn niet altijd toegesneden op de ondersteunende
    eenheden. De opdrachten zijn ook nogal eens gesteld in termen die
    op de CID-taak (informanten runnen), maar niet op bijvoorbeeld de
    OT-taak (observeren) van toepassing zijn.

    Illustratief is het 4×4-tje dat qua indeling is toegesneden
    op informatie die van anonieme
    informanten afkomstig is,
    maar wijd en zijd gebruikt wordt voor vertrouwelijke informatie,
    afkomstig van OT’s.
    Een en ander rechtvaardigt de conclusie dat
    de sturing van de ondersteunende diensten binnen de korpsen niet
    helder verloopt.

    5.5.3 Openbaar Ministerie

    Vooral de laatste tijd raadpleegt de politie in allerlei
    situaties het OM over de toelaatbaarheid van bepaalde tactieken.
    Sommige middelen vergen toestemming van de officier op grond van
    nationale richtlijnen. Zo is voor de inzet van een arrestatieteam
    bij aanhoudingen toestemming van de hoofdofficier van justitie
    nodig. Noot Ook de methode infiltratie kan niet buiten het OM
    worden toegepast. In een aantal arrondissementen zijn richtlijnen
    uitgevaardigd, die niet zozeer inhoudelijke aanwijzingen geven voor
    hantering van opsporingsmethoden, maar die duidelijk maken bij
    welke methode aan welke instantie toestemming moet worden gevraagd,
    welke methodes achteraf dienen te worden gemeld, en of daarvan
    proces-verbaal moet worden opgemaakt. In het ressort Amsterdam
    wordt een ressortelijke richtlijn met die strekking gemaakt.
    Daartoe zijn in de arrondissementen van dat ressort schema’s
    ontwikkeld om aan te duiden voor welke opsporingsmethode de politie
    toestemming van wie nodig heeft.

    De heer Koekkoek :
    Weet u, als u met een bepaalde zaak bezig bent, of de
    officier van justitie het goed vindt, of gaat u daar zonder meer
    van uit?
    De heer Kloosterman:
    Ik weet wel dat hij het goed vindt, omdat het overleg dat
    wij hebben zeer open is. Wij zijn altijd genteresseerd in de

    afscherming van alles. Ik pas er natuurlijk voor op om dingen te
    gaan doen waar geen goedkeuring voor is. Alleen het feit dat mijn
    baas zegt dat het goed is, veroorzaakt meteen weer de vraag: we
    willen toch wel wat meer weten. We zullen in de meeste gevallen
    weten of er een officier in gekend is.
    Noot

    Toch bestaat ook bij de leiding van het OM onduidelijkheid in
    gezag. Bij de ondersteunende diensten bestaat wat dit betreft nog
    het probleem dat het vaak gaat om samenwerkingsverbanden of het
    inlenen van personeel. Dit heeft tot gevolg dat de officier van
    justitie de betrokkenen niet kent en dat er zaken mis kunnen gaan
    bij de overdracht van het gezag aan de inlenende officier van
    justitie.

    Bij proactief onderzoek waar nog geen concrete zaak is
    gedentificeerd, is het logisch dat de CID-officier
    bepaalt welke handelwijzen wel of niet toelaatbaar zijn voor de
    ondersteunende eenheden. In concrete zaken moet de zaaksofficier de
    beslissing nemen. Wat de BFO’s betreft, dient wellicht de
    Plukze-officier de sturende en controlerende rol te vervullen. In
    theorie is dit weliswaar een duidelijk stramien, maar in de
    praktijk betekent het niet veel. Hiervoor bestaan enkele
    redenen.

    In de eerste plaats vindt het contact tussen OM en
    ondersteunende diensten vrijwel steeds plaats door tussenkomst van
    de CID-chef. Rechtstreekse contacten tussen officieren van justitie
    en bijvoorbeeld CID- en OT-rechercheurs zijn er niet. Een van de
    gevolgen daarvan is dat soms onduidelijkheid bestaat over de
    reikwijdte van de aanwijzingen aan de CID. Zo wordt aan aanvragen
    om inkijkoperaties veel aandacht besteed, maar blijft soms in het
    vage of wordt zeer snel besloten dat vervolgens tijdens de inkijk
    ook peilapparatuur mag worden geplaatst.

    In de tweede plaats is de officier van justitie geneigd op
    zaaksniveau te oordelen. Hij zal niet snel bij dat oordeel
    betrekken of het wel zo wenselijk of effectief is het gevraagde
    opsporingsmiddel, bijvoorbeeld een videocamera, in te zetten. Dat
    acht hij beter in te schatten door de politie, wat niet wegneemt
    dat dit onderdeel uitmaakt van de subsidiariteitsbeoordeling, dat
    wil zeggen van de vraag of niet ook een ander, minder ingrijpend
    middel, zou kunnen worden ingezet. Overigens zal de officier van
    justitie daarbij nog minder de kwantitatieve gegevens over het
    gebruik van bepaalde methoden betrekken. In de derde plaats worden,
    ondanks de grotere orintatie van de politie op het OM, nog steeds
    activiteiten verricht door de street level workers van wie het OM
    geen weet heeft of kan hebben. Zo denken de OT’s verschillend over
    de vraag of toestemming van het OM nodig is bij plaatsing van een
    videocamera. Het OT acht het vaak niet nodig, met als argument dat
    ook geen toestemming aan het OM wordt gevraagd om ergens een
    OT-rechercheur in te zetten. In dergelijke gevallen weet het OM
    niet wat er gebeurt, zonder dat van kwade trouw sprake is. Het OM
    neemt de methode observatie en de ondersteuning van observatie met
    peilapparatuur of camera’s niet overal even hoog op. Dat betekent
    bijvoorbeeld dat een videocamera zonder toetsing van het OM
    gedurende vier maanden op de voordeur van een huis gericht kan
    zijn. Slechts zelden verbood het OM een voorgesteld gebruik van een
    technisch middel. Dit kan echter wellicht mede verklaard worden uit
    het feit dat aanvragen die bij voorbaat kansloos worden geacht het
    OM niet bereiken en niet worden vermeld in de (gebrekkige)
    registraties.

    De meeste afwijzingen hadden betrekking op het gebruik van
    scanapparatuur. Verder werden enkele afwijzingen gemeld van
    verzoeken om toestemming voor
    direct afluisteren. In een
    brainstormsessie tussen politie en OM heeft de politie de gedachte
    geopperd afluisterapparatuur aan te brengen in een pand in aanbouw.
    Dit verzoek is echter in een vroegtijdig stadium van de hand
    gewezen. Tot een verzoek van de recherche aan het OM is het nooit
    gekomen.
    Noot

    In de vierde plaats heeft ook het OM problemen met de
    specialistische aspecten. Dat geldt ten aanzien van de technieken
    die een STO gebruikt, al heeft dat tot nu toe niet veel aandacht
    gekregen. Maar het is, zoals veel bekender is, ook bij het BFO aan
    de orde.

    De belangstelling binnen het OM voor het
    Plukze-instrumentarium is met enige vertraging op gang gekomen. In
    elk parket is thans een contact-officier aangewezen, die overigens
    niet is vrijgesteld van andere taken en zelden bijzondere
    administratieve voorzieningen voor die taak heeft getroffen.

    Hoewel het aan (beleidsmatige) belangstelling binnen het OM niet
    ontbreekt, lijkt het contact met de BFO’s en de
    ontnemingsproblematiek nog niet overal even sterk een rol te
    spelen. Wellicht is dit te verklaren uit het feit dat de Plukze
    wetgeving in het algemeen als moeilijk wordt beschouwd. Dat vindt
    niet alleen de staande, maar ook de zittende magistratuur. De BFO’s
    beschouwen het OM in deze materie als te terughoudend.
    Tegelijkertijd bestaat het besef dat dit mogelijk te wijten is aan
    de geringe ervaring bij het OM, en ook bij de BFO’s zelf.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken