• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 6.3 Organisatie kernteams

    6.3 Organisatie kernteams

    6.3.1 Een aparte structuur

    Volgens het rapport Structuur van de aanpak van
    georganiseerde misdaad
    (1994) hebben de ervaringen met de
    kernteams duidelijk geleerd dat het minder gemakkelijk is
    daadwerkelijk los te komen van het regionale belang. De kernteams
    zijn feitelijk – zowel qua organisatie als qua onderzoekskeuze – in
    staat zodanig te opereren dat landelijk dekking ontstaat en dat
    voldoende oog bestaat voor de internationale dimensie. Er bestaat
    variatie in de structuur en organisatie van de zes kernteams. Zij
    worden geacht te functioneren als identificeerbare aparte
    organisatie. Dat is het geval bij het kernteam Randstad Noord en
    Midden, het kernteam Noord-Oost-Nederland en het kernteam Zuid. Wat
    het kernteam Noord-Oost-Nederland betreft moet dit in zoverre
    worden gerelativeerd dat het team is verspreid over vier locaties.
    Aan genoemde kernteams nemen respectievelijk vier, negen en vijf
    regiokorpsen deel.

    De organisatie van het kernteam Noord-Oost-Nederland –
    naar aantal deelnemende regiokorpsen het grootste

    kernteam – lijkt problematisch:
    de kernteamleider moet als ambassadeur optreden binnen twee
    ressorten en voor negen korpschefs.

    Bij de drie overige kernteams is de situatie minder duidelijk. Aan
    deze teams nemen telkens twee regiokorpsen deel en zij worden elk
    kwantitatief gedomineerd door een van de drie grote steden.
    Noot Daarom worden zij hierna gemakshalve aangeduid als
    de grootstedelijke kernteams. Deze teams (en vooral het
    Rotterdamse) komen in organisatorisch opzicht moeilijker los van de
    regionale organisatie. Van de drie overige teams, wijkt het
    kernteam Haaglanden nog het minste af van het ideaalbeeld: het
    is een duidelijk onderscheiden team, geheten (Prisma). Evenals in
    de andere grote steden vreest men echter voor vervreemding van de
    rest van het korps en is het team organisatorisch ingebed in de
    Centrale justitile dienst van het korps.

    Het kernteam Amsterdam is (mede als gevolg van de
    IRT-affaire) pas sinds 1 april 1995 volledig operationeel.
    Noot
    Dit team heeft per 1 juli 1995 eigen huisvesting
    gekregen.

    De voorzitter :
    Dus voor u had dat kernteam bij u eigenlijk niet
    gehoeven?
    De heer Welten:
    O, jawel, hoor! Ik ben blij met de uitbreiding van de
    capaciteit en wat ik heel plezierig vind…
    De voorzitter:
    Maar als kernteam, bedoel ik.
    De heer Welten:
    In die zin heb ik daarnet toegelicht dat wij nu een
    kernteam hebben dat zich sterk interregionaal zal gaan
    bezighouden, hetgeen betekent dat de centrale recherche zich meer
    dan in het verleden juist kan concentreren op de lokale situatie;
    ik heb het dan over de wijkteams in Amsterdam. Je ziet

    ook dat wij in onze eigen onderzoeken nu sterk aansluiten bij
    datgene waarover wij het daarstraks hadden: verloedering en dat
    soort zaken.
    Noot
    Het
    kernteam Rotterdam wijkt het duidelijkst af. Dit
    kernteam is feitelijk een onlosmakelijk onderdeel van de
    Regionale recherchedienst (RRD) van het regiokorps
    Rotterdam-Rijnmond. De regiokorpsen Zuid-Holland-Zuid en Zeeland
    leverden in februari 1995 nog geen personeel aan het

    kernteam. Zeeland toonde daartoe evenmin de bereidheid. Het
    kernteam Rotterdam vormt samen met twee andere units de
    Regionale recherchedienst. Uit de Regionale recherchedienst worden
    projectteams samengesteld, die soms worden aangevuld met mensen van
    buiten het korps. Een probleem rond deze organisatie van het

    kernteam is dat de indruk kan ontstaan dat centrale gelden
    worden aangewend ten behoeve van regionale teams. Die indruk
    behoeft niet juist te zijn als men de gang van zaken beoordeelt aan
    de hand van de door het
    kernteam (niet regionaal bepaalde)
    uitgevoerde onderzoeken.

    De heer Rouvoet:
    U gaf aan hoe u dacht over de inrichting van de
    kernteams. Is het niet juist een punt geweest – dat was althans
    de mening van onder andere de
    commissie-Wierenga – dat wij
    over zouden moeten gaan naar duidelijk herkenbare, apart gezette
    teams, die wel gekoppeld zijn aan regionale teams maar er toch los
    van staan? Zij zouden herkenbare units moeten zijn, met een
    eigen
    CID, met een eigen observatieteam. Daar ziet u
    dus niet zoveel in?
    De heer Jansen:
    Ik zie daar wel wat in, maar dan voor de regio’s die
    gezamenlijk een
    kernteam hebben. Wij hebben evenals
    Haaglanden een veel grotere regionale recherchedienst. Daar zou
    zo’n
    kernteam helemaal separaat in moeten passen als je de
    adviezen van Wierenga opvolgt. Dat is een merkwaardig verschijnsel,
    want dan ga je schotjes binnen een dienst bouwen. Je gaat weer
    een
    RCID ergens bij bouwen, je gaat weer een stukje OT
    apart zetten. Dat is beheersmatig heel zwak.
    De voorzitter:
    Dat heeft u dus ook niet gedaan.
    De heer Jansen:
    Dat hebben wij niet gedaan. Het kernteam is unit 1
    van de regionale dienst. Wij hebben een tweede unit van gelijke
    grootte en wij hebben een specialistische unit oftewel een
    expertise-unit die weer ondersteuning verleent aan de projecten,
    een soort projectenorganisatie.
    Noot

    In de kernteams gaat het niet alleen om samenwerking tussen diverse
    regionale politiekorpsen, maar ook om samenwerking met andere
    opsporingsdiensten. De FIOD neemt deel aan het kernteam Haaglanden,
    het kernteam Randstad Noord en Midden (vijf personen) en kernteam
    Zuid, terwijl het kernteam Noord-Oost-Nederland en het kernteam
    Amsterdam de samenwerking met de Fiscale inlichtingen- en
    opsporingsdienst (FIOD) vastere vorm willen geven. Ook in het
    Rotterdamse Laundry-onderzoek dat door een team van de Regionale
    recherchedienst werd uitgevoerd, participeerden twee
    FIOD-medewerkers. In het Rotterdamse Beverteam gebeurde dat niet,
    naar zeggen uit vrees voor mogelijke lekken. Meer incidentele
    samenwerking is er met de Economische controledienst (ECD)
    (kernteam Zuid en kernteam Haaglanden), de accountants van de
    divisie CRI (kernteam Randstad Noord en Midden), de Koninklijke
    marechaussee (kernteam Randstad Noord en Midden en kernteam
    Noord-Oost-Nederland) en nog andere bijzondere diensten. Het
    Amsterdamse en het Rotterdamse kernteam zijn tot nu toe het minst
    tot samenwerking met de bijzondere opsporingsdiensten geneigd.

    Ook de positie van de CID-ambtenaren verschilt van kernteam tot
    kernteam. Het is de bedoeling dat elk kernteam beschikt over een
    eigen CID. Formeel heeft de CID van een kernteam geen eigen
    CID-status; de chef RCID van n van de deelnemende regiokorpsen
    draagt de verantwoordelijkheid. De CID-en van de kernteams zijn
    doorgaans echter ondergebracht op een aparte locatie. Daardoor
    lijkt het soms dat de kernteams de facto over een vrijwel
    zelfstandige CID beschikken.

    Bij het kernteam Randstad Noord en Midden is de
    zelfstandige positie van de
    CID geformaliseerd doordat de
    CID-capaciteit van het
    kernteam officieel bij de RCID
    Kennemerland hoort. Maar in een convenant is vastgelegd dat de
    verantwoordelijkheid met betrekking tot CID-operaties ligt in de
    lijn van het
    kernteam. Overigens kan worden gesproken van
    een niet geheel vlekkeloze relatie tussen de Kennemerlandse

    RCID en de CID van het kernteam.

    De CID-en van het kernteam Zuid en het kernteam
    Noord-Oost-Nederland willen zelfstandigheid bewaren ten opzichte
    van de RCID-en van respectievelijk de regiokorpsen
    Brabant-Zuid-Oost en IJsselland. De teamleider van het
    kernteam
    Zuid is tevens chef van de CID van het kernteam;
    daar heeft de korpschef de kernteam-CID onder vigeur van de oude
    regeling belast met CID-werk. Een extra reden daartoe is dat
    het
    kernteam te maken heeft met vijf RCID-en. Dezelfde
    overweging geldt voor
    kernteam Noord-Oost-Nederland dat met
    negen RCID-en te maken heeft; een gestructureerd overleg met de
    negen RCID-en bestaat daar nog niet.
    In deze constructie blijft
    een probleem bestaan met de positionering van de kernteam-CID ten
    opzichte van de rest van het land. De kernteam-CID is dan wat
    betreft inkomende informatie afhankelijk van de RCID. De
    afhankelijkheid van de kernteam-CID ten opzichte van de RCID wordt
    minder bezwaarlijk geacht in de drie
    grootstedelijke kernteams. Maar dat neemt niet weg ook de CID-en
    van deze kernteams wel een bijzondere positie innemen.
    Bij het kernteam Haaglanden is de RCID van het
    regiokorps Haaglanden eindverantwoordelijke voor de
    CID-activiteiten van het
    kernteam, en draagt de
    kernteamleider medeverantwoordelijkheid. Daardoor is zeker sprake
    van een afwijkende status van de kernteam-CID. Het is opmerkelijk
    dat de betreffende teamleider geen informantenregister heeft en de
    namen van de
    informanten niet kent, terwijl de chef RCID
    zegt niet op de hoogte te zijn wat het kernteam in het
    kader van een in 1992 gestart onderzoek CID-matig doet. In het

    kernteam Amsterdam staat buiten kijf dat de (decentrale) CID
    van het kernteam bestaande uit zeven personen onder
    verantwoordelijkheid werkt van de
    RCID; zelfstandige
    RCID-status wordtdaar niet nagestreefd. De kernteam-CID werkt met
    de RCID-module binnen het Octopus-systeem, wat het gevolg heeft,
    dat de
    RCID over alle informatie van het kernteam kan
    beschikken, die overigens door de chef van de kernteam-CID wordt
    beheerd. Nadeel van deze werkwijze is dat de negen CID-en in de
    districten van deze gegevens kunnen kennisnemen. Het
    informantendossier is opgeslagen bij de
    RCID, vanuit het
    standpunt dat de chef
    RCID verantwoordelijk is voor de
    bronbescherming en niet de chef kernteam-CID. Overigens wordt ook
    in Haaglanden het informantenregister door de RCID-chef
    beheerd.

    De Rotterdamse Regionale recherche dienst heeft een eigen
    CID, die moet worden onderscheiden van de Regionale CID.
    De laatste heeft geen eigen runners; de eerste heeft zes runners.
    In het Rotterdamse model is geen plaats voor een
    CID voor
    het
    kernteam, hoewel vier CID-rechercheurs van het
    kernteam worden opgevoerd in de correspondentie met de
    hoofdofficier van justitie.

    De financieel rechercheurs, die bijvoorbeeld door de FIOD of
    door een Bureau financile ondersteuning (BFO) worden uitgeleend aan
    het kernteam, blijken soms behoefte te hebben aan CID-informatie.
    Daarom heeft hun leider in het kernteam doorgaans (al dan niet
    beperkte) CID-status.

    Aparte vermelding verdient de CID-status van sommige bij de
    kernteams werkende Afdelingen recherche-informatie (ARI’s) van de
    divisie CRI. De ARI’s hebben deze status onder andere nodig met het
    oog op de internationale informatie-uitwisseling. Gesteld wordt dat
    men heel terughoudend is met het verstrekken van CID-informatie aan
    het buitenland. Men kent daar immers doorgaans geen CID-systeem als
    het onze. Het kernteam Noord-Oost-Nederland, het kernteam
    Haaglanden, het kernteam Amsterdam, het kernteam Zuid en het
    kernteam Randstad Noord en Midden beschikken over eigen
    observatieteams. Bij het kernteam Randstad Noord en
    Midden bijvoorbeeld beslaat het
    OT 1/3 van de totale
    capaciteit van het
    kernteam.

    Het verschil tussen het OT van een kernteam en dat van een
    regiokorps is dat het OT van een regiokorps op ad hoc basis werkt.
    Het OT van een kernteam kan in het kader van een langlopend
    onderzoek structureel langdurig observatiewerkzaamheden verrichten.
    In bijvoorbeeld n onderzoek werd de hoofdverdachte een jaar lang
    dag in dag uit geobserveerd. Het OT van het kernteam Randstad Noord
    en Midden is vijf of zes keer ingezet door de Rijksrecherche, die
    immers zelf niet over een OT beschikt. Dit gebeurde in het kader
    van onderzoeken naar corrumptieve contacten.

    Het kernteam Rotterdam beschikt niet over een eigen OT, maar
    heeft zich door middel van een convenant verzekerd van de
    beschikking over OT-capaciteit van het regiokorps.
    Het kernteam Amsterdam heeft zelf observatiecapaciteit in die zin
    dat zij vijf rechercheurs van het kernteam heeft uitgerust met een
    observatiecertificaat.

    6.3.2 Relatie met de regiokorpsen

    De kernteams zijn ondergebracht bij een van de participerende
    regiokorpsen. Het aantal regiokorpsen dat deelneemt aan een
    kernteam is van invloed op de communicatie tussen de regiokorpsen
    en het kernteam. Als een grote stad in het kernteam overheerst, is
    de invloed van dat korps navenant en verloopt de communicatie met
    dat korps vrij gemakkelijk.

    Afgezien hiervan onderscheiden de meeste kernteams zich van de
    regiokorpsen voor wat betreft het karakter van het onderzoek.
    Kernteamonderzoeken hebben vaak een embargo-status.
    Feitelijk vindt samenwerking tussen kernteams en regiokorpsen vaak
    plaats via de CID van een regiokorps.

    De heer Koekkoek:
    In het ressort Den Bosch, dus van Willemstad tot Maastricht,
    is er ook een ressortelijk informatieplatform. Wat is dat? Welke
    functie heeft dat informatieplatform naast de politiecommissie die
    zich met zware criminaliteit bezighoudt?
    De heer Paulissen:
    U moet dat echt zien in de voorbereiding op hetgeen in de
    commissie plaatsvindt. Als het

    gaat om informatie over georganiseerde criminaliteit vinden wij
    in het zuiden van het land al langer dat regio’s niet op een eiland
    kunnen zitten. Wij hebben al langer de afspraak met elkaar dat wij
    op CID-niveau en op het niveau van
    misdaadanalyse gegevens
    bij elkaar brengen. Dan vertelt iedereen waar hij mee bezig is en
    welke subjecten hoog in aanzien staan op dat moment. Dan wordt
    bekeken of er dwarsverbanden zijn. Het is de bedoeling dat die
    vergadering, dat ressortelijk platform georganiseerde
    criminaliteit, uiteindelijk gaat voorbereiden, vanuit het beeld dat
    uit de regio’s naar voren is gekomen, de keuzes die uiteindelijk
    door de IRT-leiding worden gepresenteerd aan de ReZwaCri.

    Noot

    Verder komt het voor dat de kernteams informatie wegtippen aan de
    regiokorpsen teneinde door hen arrestaties te laten verrichten,
    zodat niet opvalt naar welke criminele groepering een kernteam
    onderzoek verricht.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken