• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 6.5 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    6.5 Beslissingen over de keuze van zaken en methoden

    6.5.1 Zaken

    De keuze van onderzoeken van de kernteams en het LRT geschiedt
    door het College van procureurs-generaal op voordracht van het
    Cordinerend beleidsoverleg (CBO). Het CBO moet bij de advisering
    over de onderzoeksdoelen van de kernteams en van het LRT het
    landelijke en het internationale belang voorop stellen. Maar de
    systematiek van de – doorgaans ressortelijk ingedeelde – kernteams
    brengt met zich mee dat het ressortelijke/interregionale belang
    veel gewicht in de schaal legt. Inmiddels wordt het gewicht dat aan
    ressortelijke/interregionale belangen wordt toegekend, als te zwaar
    ervaren en daarmee als probleem onderkend.

    De heer Vos :
    Ik kom graag terug op het platform waar de heer Jansen
    melding van heeft gemaakt. Ik begrijp dat in dat platform
    wetenschappers zitten, evenals het OM, burgemeesters en
    vertegenwoordigers van de politie. Daar worden de prioriteiten
    bepaald. Is dat niet gewoon een praatclub waarin de politie
    waarschijnlijk toch het zwaartepunt bepaalt? Kunt u daar iets op
    antwoorden?
    De heer Jansen:
    Daarin zitten overigens een burgemeester, een wetenschapper,
    namelijk de heer Fijnaut, een aantal recherchechefs, de
    CRI
    en het OM, de officier zware criminaliteit. Daar wordt heel
    serieus bekeken hoe wij met die projecten omgaan. Als de officier
    zware criminaliteit zijn eigen prioriteit daaraan geeft, dan wordt
    dat ook uiteraard meegewogen, zonder meer. Voorts hebben wij
    bijvoorbeeld het fenomeen Europese Unie

    fraude. Dat heb ik al genoemd. Dat hebben wij daar via de
    vertegenwoordiger van de
    FIOD weggezet. Hij is dan de
    portefeuillehouder van dat project. Hij rapporteert aan het
    platform over de tussenstanden. Hij meldt of

    nieuwe budgetten moeten worden toegevoegd en dergelijke. Het is
    dus een praat- en ontwikkelclub. Via Fijnaut hebben wij weer de
    hele horecascan in handen gegeven van een van zijn medewerkers aan
    de Erasmusuniversiteit. Het is dus een kwestie van ontwikkelingen
    naast projecten zetten, terugrapporteren vanuit de projecten over
    de ontwikkelingen die wij niet goed beheersen en proberen daar
    oplossingen voor te vinden.

    De heer Vos:
    Hierover wil ik nog een vraag stellen. Als je hierover met
    het OM praat, krijg je de indruk dat het zwaartepunt bij het OM
    ligt. Praat ik met u, dan zegt u dat u agendapunten inbrengt en dat
    u ook een heel zware inbreng heeft. Hoe zit het nu echt?
    De heer Jansen:
    Onze inbreng is uiteraard de informatie. Dat heeft u ook
    tijdens de enqute kunnen vaststellen. Heel veel van hetgeen wij
    doen, leidt tot een bepaalde vorm van informatie. Als wij met
    elkaar overeenkomen dat wij een keer in een andere hoek willen
    kijken – dat is daar ook een onderhandelingspunt – dan zie je dat
    je ook andere informatie krijgt.
    De heer Vos:
    Kan de politie dat niet beter zelf het best
    bepalen?
    De heer Jansen:
    Het CBO heeft landelijk ook een lijn naar de
    kernteams en het kan via de justitile lijn zijn inbreng hebben
    in zo’n platform of zo’n
    kernteam.
    De heer Vos:
    Als u zelf de keuze zou hebben, zoudt u het dan zelf willen
    bepalen?
    De heer Jansen:
    Nee, hoor. Ik zou die dubbele verantwoordelijkheid – je bent
    samen verantwoordelijk voor het klaren van dit soort zware, lang
    lopende klussen – erin willen houden. Dat is zeker. Het bevoegd
    gezag slaat daarbij uiteraard op een gegeven ogenblik ook echt
    toe.33
    Noot

    In totaal liepen, voor zover het CBO kon zien, op 16 februari 1995
    veertien kernteamonderzoeken. Op 16 mei 1995 werden door de
    kernteams 24 onderzoeken aan het CBO gemeld. Het is niet duidelijk
    in hoeverre het hierbij gaat om nieuw en in hoeverre het gaat om
    reeds bestaand onderzoek. Bovendien blijkt niet of behalve de
    genoemde 24 onderzoeken nog andere onderzoeken lopen. Op grond van
    andere gegevens, zoals de Doorlichting van het ministerie van
    Justitie, kan geconcludeerd worden dat dit het geval is. Hieruit
    blijkt dat het op centraal niveau moeilijk is zicht te krijgen op
    wat in de kernteams gebeurt.

    Voorbeeld:
    Opmerkelijk is dat de notitie met betrekking tot de Plannen
    van aanpak van de
    kernteams van 8 februari 1995 aangeeft dat
    een deelonderzoek van het
    kernteam Haaglanden tot maart 1995
    zal duren, maar dat de inventarisatie van 16 mei 1995 dit onderzoek
    als nieuw opvoert.
    De voorzitter:
    Maar de keuzen blijken toch nog steeds voor het grootste
    deel in de regio te worden gemaakt? U kunt daar, vanuit het
    departement, toch bijzonder weinig sturing aan geven?
    De heer Van de Beek:
    Het was niet zo dat het departement wilde gaan bepalen welke
    zaken…
    De voorzitter:
    Nee, maar toch wel in algemene zin, zo van: waar houdt u
    zich mee bezig, zijn dat inderdaad de zaken waarvan ook wij vinden
    dat ze op landelijk niveau moeten worden aangepakt?
    De heer Van de Beek:
    Ja, dat is waar.(…) Ik wil graag even nog iets meer
    hierover zeggen. Niet gezegd kan worden dat de
    kernteams
    zich bezighouden met zaken die niet binnen hun portefeuille
    kunnen liggen. Wel kan worden gezegd – dat is ook binnen het

    CBO zelf zo vastgesteld – dat mogelijk een aantal zaken kan
    worden overgedragen aan andere interregionale teams en de

    kernteams zich weer met andere zware zaken zullen bezighouden.
    Ten aanzien van de besluitvorming is vastgesteld dat die eigenlijk
    wat ingewikkeld loopt en dat die wat eenvoudiger en helderder kan.
    Daarover zijn in mei van dit jaar afspraken gemaakt door de
    betrokken hoofdofficieren, met ondersteuning van de korpsen en met
    instemming van de
    korpsbeheerders. Daarmee hebben wij nu een
    situatie gekregen waarin wij zowel ten aanzien van de organisatie
    en de inrichting als ten aanzien van de besluitvorming op een punt
    zijn gekomen waarop wij zeggen: ja, dat was de bedoeling toen wij
    startten.
    Noot

    De kernteams houden zich elk bezig met n vijf projecten, waarbij
    vaak deelprojecten worden afgesplitst. Het is aannemelijk dat
    dwarsverbanden bestaan tussen de kernteamonderzoeken. In de
    zomer van 1995 stelt de commissie de volgende onderzoeksverdeling
    vast: Het
    kernteam Noord-Oost-Nederland heeft twee
    onderzoeken afgerond, die oorspronkelijk door regiokorpsen werden
    uitgevoerd en die nauw met elkaar verwant waren. Men is
    voorbereidingen aan het treffen voor twee drie nieuwe
    onderzoeken.

    In Amsterdam verricht het kernteam twee drie
    onderzoeken, waarvan er een op 17 augustus 1995 – tegen de zin van
    de participanten van
    Gooi en Vechtstreek – werd stopgezet in
    verband met een door het openbaar ministerie Amsterdam als onjuist
    bestempeld voortraject. Overwogen wordt een nieuw onderzoek te
    starten in samenwerking met het landelijk recherche team, waarmee
    vervolg wordt gegeven aan onderzoek van de Dienst centrale
    recherche Amsterdam. Opgemerkt moet worden dat na de ontbinding van
    het oude
    IRT per 1 januari 1994 enkele projecten werden
    overgenomen door Amsterdam. Drie daarvan zijn afgerond en de twee
    nog

    lopende onderzoeken zijn overgedragen aan de units van de Dienst
    centrale recherche die reeds bij de zaken waren
    betrokken.

    De heer De Graaf:
    Hoe komen die onderzoeken dan bij u terecht? Daarin heeft u
    toch zelf ook een rol gespeeld: dit wel, dat niet?
    De heer Woelders:
    Ik heb daarin een adviserende rol gespeeld.
    De heer De Graaf:
    Dan moet u toch een redelijk beeld hebben van wat u niet en
    wel in onderzoek wilt nemen?
    De heer Woelders:
    Ja, als je praat over de keuze die in november 1994 gemaakt
    is. Dan heb ik het over de onderzoeken die toen binnen ons ressort
    gepresenteerd zijn; dat is dus nog niet het landelijk overzicht. Er
    is toen een presentatie geweest van een aantal onderzoeken. Daar is
    toen onder leiding van de heer Behling, advocaat-generaal in
    Amsterdam, een keuze gemaakt. Door dat comit, waartoe een aantal
    officieren van justitie en een aantal politiechefs behoorden, is
    toen een keuze gemaakt over de onderzoeken. Binnen de daar gekozen
    onderzoeken was het onderzoek dat wij kregen, het zwaarste van het
    totaal. Ik vond het ook inhoudelijk kernteamwaardig. Het advies dat
    ik dus gaf, was: kom maar met dat onderzoek naar ons toe. Dat wil
    echter niet zeggen dat ik het totale landelijke beeld heb en zeg:
    binnen het land staat het op de vijfde plaats. Dat overzicht heb ik
    niet. Ik vond het onderzoek dat toen gekozen is en ook het
    onderzoek dat later, januari dit jaar, naar ons toe gekomen is, op
    zich kernteamwaardig. Zij voldoen aan het criterium dat het om een
    zware groepering gaat. Ik denk dat je daar goed en intensief
    onderzoek naar moet doen. En derhalve kun je dat in het

    kernteam doen. Noot
    Het
    kernteam Randstad Noord en Midden – dat het voornaamste
    deel van de erfenis van het oude
    IRT heeft overgenomen –
    doet een onderzoek, waarvan enkele deelonderzoeken zijn
    afgesplitst. In een van die zaken heeft de minister van Justitie
    ingegrepen.

    Omdat er in Rotterdam geen duidelijk kernteam is aan
    te wijzen, is er ook geen duidelijk kernteamonderzoek te noemen,
    behoudens het
    fenomeenonderzoek op het vlak van het milieu.
    In Rotterdam worden blijkens de stukken van het
    CBO negen
    onderzoeken als kernteamonderzoek aangeduid. In het Bever-onderzoek
    heeft de minister van Justitie besloten tot stopzetting van
    gehanteerde methoden.

    Bij het regiokorps Haaglanden zijn drie al voor 1993
    bestaande op Zuid
    Amerika gerichte onderzoeken verheven tot
    kernteamzaken. Daarvan zijn vervolgens diverse onderzoeken
    afgesplitst. Deze kennen diverse deelonderzoeken.

    Het kernteam Zuid concentreert zich in juni 1995 op
    vijf onderzoeken (waarvan er minstens drie met elkaar samenhangen).
    Een voorgenomen infiltratie-actie in een onderzoek dat gezien een
    melding aan de
    Centrale toetsingscommissie door het
    kernteam is verricht (maar dat noch in de CBO-stukken, noch in
    de Doorlichting van het
    ministerie van Justitie kan worden
    aangetroffen) heeft de minister van Justitie stopgezet.
    De
    overgrote meerderheid van deze zaken betreft onderzoeken naar
    drugsorganisaties. In veel zaken spelen internationale connecties
    een rol. Vrijwel steeds gaat het om organisaties die in
    verschillende politieregio’s in Nederland opereren.

    Uit de aard der zaak zijn deze onderzoeken langlopend; twee jaar
    wordt voor zo’n onderzoek het minimum geacht omdat het veel tijd
    kost een goede informatiepositie op te bouwen. Enkele onderzoeken
    zijn al drie jaar of langer gaande.

    Het recentelijk door het kernteam Noord-Oost-Nederland
    afgeronde 4M-onderzoek duurde drie vier jaar met een inzet van
    circa 30 personen.
    Het feit dat kernteams dus weinig, maar
    langdurige onderzoeken verrichten dient te worden aangevuld met het
    gegeven dat deze onderzoeken vaak spin-off voor andere
    onderzoeken hebben. Het komt ook voor dat minder vooraanstaande
    criminele lieden kunnen worden gearresteerd, die het kernteam
    wegtipt aan regionale teams.

    Met betrekking tot de selectie van kernteamonderzoeken zijn twee
    procedurele lijnen te onderkennen. De eerste lijn, die van de RCID
    naar de NCID, voedt de CRI-inventarisatie van criminele
    groeperingen, en leidt vervolgens tot beslissingen van het College
    van procureurs-generaal op voordracht van het CBO. De landelijke
    inventarisatie heeft volgens sommigen slechts een beperkte waarde
    voor de prioritering: de politie-organisatie bepaalt het beeld van
    de criminele werkelijkheid (de door een traditioneel
    referentiekader bepaalde waarneming) zegt Nordholt in dit verband.
    De andere lijn loopt van de RCID via de Ressortelijke commissies
    zware criminaliteit, naar de ressortsvergadering en vervolgens naar
    de kernteamdriehoek voor het opstellen van een plan van aanpak
    (art. 4 Kernteamconvenant) dat uiteindelijk bij de ministers van
    Justitie en Binnenlandse Zaken terecht komt. Deze tweede lijn zal
    verdwijnen met de reorganisatie van het openbaar ministerie en de
    daaruit voortvloeiende opheffing van de ressortelijke commissie
    zware criminaliteit. Noot De prioriteitenstelling in
    het ressort Den Haag wordt eerst interregionaal voorgesteld. In
    Rotterdam vindt de

    interregionale prioriteitenstelling plaats in het Platform
    criminaliteitsbestrijding waarin bestuur, politie, openbaar
    ministerie, wetenschap,
    FIOD en douane vertegenwoordigd
    zijn. Vervolgens bereikt het voorstel de ressortelijke Politie
    adviescom-missie van (de) betrokken ressort(en), en uiteindelijk
    via het
    CBO de Vergadering van procureurs-generaal. Ook in
    Amsterdam bestaat een Ressortelijke commissie. Aanvankelijk stond
    deze onder voorzitterschap van Behling, vervolgens is deze
    opgeheven, maar inmiddels weer in leven geroepen onder het
    voorzitterschap van de hoofdofficier van justitie Amsterdam. De zes
    regiokorpsen binnen het ressort (van de twee
    kernteams)
    werken bij de voorbereiding om te komen tot projectkeuze nauw
    samen, zowel in vergaderingen van de zes recherchechefs en de twee
    kernteamleiders als in de ressortsvergaderingen van het openbaar
    ministerie. Bij het
    kernteam Zuid verloopt de
    onderzoekskeuze als volgt. De regiokorpsen brengen informatie en
    voorstellen in binnen de Ressortelijke commissie zware
    criminaliteit. Na beoordeling hiervan wordt een voorstel gedaan aan
    de ressortsvergadering en de beheersdriehoek van het

    kernteam. Volgens het convenant IRT wordt daar immers het
    onderzoek van het
    kernteam vastgesteld.

    De heer Koekkoek:
    Mijnheer Paulissen, hoe komt het kernteam tot de
    keuze van de zaken die het aanpakt? Gebeurt dat van onderop of komt
    het van bovenaf? Komt het van onderop doordat u het zelf aandraagt
    of doordat het aangedragen wordt uit de regio’s? Of komt het van
    bovenaf, van het cordinerend beleidsoverleg, van het openbaar
    ministerie, van het
    college van procureurs-generaal
    etcetera? Hoe gaat dat?
    De heer Paulissen:
    In de praktijk gebeurt dat van onderop. Doordat wij gegevens
    verzamelen over criminaliteit komen wij uiteindelijk tot bepaalde
    keuzes. Wij hebben daar criteria voor, op grond waarvan wij de
    keuzes maken. Dan wordt in de begeleidingscommissie van het
    IRT
    – dat is de ReZwaCri, de Ressortelijke Commissie Zware
    Criminaliteit – de keuze voorbereid. In die commissie zijn de
    hoofden van de politie, de recherches en de justitie
    vertegenwoordigd. Dus het
    IRT levert materiaal aan die
    vergadering. Die vergadering zegt uiteindelijk: volgens ons zou
    deze keuze moeten worden gemaakt. Formeel beslist de driehoek van
    het
    IRT: de

    korpsbeheerder, de heer Welschen, de politiechef, de heer
    Raeven, en de hoofdofficier, de heer Jansen. Formeel wordt daar de
    keuze gemaakt die is voorbereid door de rezwacri. Landelijk wordt
    vervolgens binnen het
    CBO getoetst of de keuze, landelijk
    bekeken, wel past. Ik denk dat je kunt zeggen dat de keuze
    nadrukkelijk van onderaf wordt opgebouwd. Er is een mogelijkheid
    dat het van bovenaf komt, maar die hebben wij in de praktijk nog
    niet meegemaakt.

    De heer Koekkoek:
    Is er wel eens gecorrigeerd ten opzichte van wat u heeft
    aangedragen?
    De heer Paulissen:
    In mijn tijd is er niet gecorrigeerd op hetgeen door ons is
    aangedragen.
    Noot De keuze voor een centrale
    prioritering van kernteamonderzoek is zowel op inhoudelijke als
    budgettaire

    overwegingen te begrijpen. De georganiseerde criminaliteit is
    doorgaans regio-overschrijdend waardoor het niet zoveel mag
    uitmaken of het ene of het andere kernteam de zaak oppakt. In de
    regiokorpsen heeft bestrijding van georganiseerde misdaad niet
    noodzakelijk de hoogste prioriteit. Overlast en zware, lokale
    criminaliteit kunnen binnen de regio – en zeker door de
    burgemeesters – ernstiger worden gevonden dan witwaspraktijken van
    een criminele hoofdgroep. Toch is het een nationaal belang dat ook
    die laatste activiteiten worden bestreden; dit rechtvaardigt
    belangstelling op centraal niveau. Dat heeft dan budgettaire
    gevolgen. Kernteamonderzoek wordt met centrale middelen
    gefinancierd. Het behoort dan niet zo te zijn dat met centrale
    middelen regionaal relevant onderzoek wordt gefinancierd.

    Vanuit het perspectief van de kernteams is de eerste lijn van
    het landelijke naar het regionale niveau echter bezwaarlijk. Zij
    sluiten niet aan bij het belang dat wordt gehecht aan ressortelijke
    of interregionale prioriteitenstelling. De wens tot centrale
    prioriteitenstelling van het CBO en het College van
    procureurs-generaal botst met de inhoud van de kernteam-convenanten
    waarin veel nadruk ligt op de regionale driehoeken van
    korpsbeheerder, korpschef en officier van justitie en de daar
    besproken prioriteiten. Dit maakt de feitelijke weerstand tegen
    centrale keuzen begrijpelijk.

    Bedacht moet worden dat informatie op grond waarvan de
    zaakskeuze wordt bepaald altijd geografisch gebonden is. Het is
    niet goed denkbaar dat een centraal orgaan zonder gegevens uit de
    regiokorpsen op een verantwoorde wijze beslissingen zal nemen. Ook
    de CRI-gegevens worden immers uiteindelijk door de regio
    aangeleverd. Indien de regiokorpsen kritiek hebben op de
    inventarisatie, moet deze kritiek deels op henzelf terugslaan,
    omdat zij namelijk geen zorgvuldige informatie hebben aangeleverd.
    Het feit dat de beoordeling van gegevens centraal kan plaatsvinden,
    onderstreept de noodzaak voor de regiokorpsen hun gegevens aan te
    leveren.

    Het CBO hanteert bij de inschatting van een criminele
    organisatie de acht criteria van de
    CRI en heeft daaraan
    toegevoegd de maatschappelijke impact van de activiteiten van een
    gedentificeerde criminele groepering en het internationaal actief
    zijn daarvan (CBO-conferentie van 8 en 9 mei 1995).
    Die
    beoordeling vindt op dit moment de facto op ressortelijk of
    interregionaal niveau plaats, omdat het CBO pas in een laat stadium
    van de procedure de onderzoeksdoelen van de kernteams krijgt
    voorgelegd. De
    feitelijke invloed van het CBO om prioriteiten te stellen is in het
    bijzonder zeer klein als de CID-informatie betrekking heeft op het
    gebied van een kernteam dat slechts uit twee regiokorpsen bestaat.
    De organisatie van de prioritering verklaart niet alleen waarom
    het onderzoek van de
    kernteams zo sterk afwijkt van de
    nationale prioriteitenstelling. De procedure brengt zelfs met zich
    mee dat op het moment dat het
    CBO de Vergadering van
    procureurs-generaal inlicht de
    kernteams vaak al zijn
    begonnen met het betreffende onderzoek. De prioriteitenstelling
    houdt in de praktijk vaak in dat wordt ingestemd met een voorstel
    van een
    kernteam.

    Op de mogelijkheid van centrale beoordeling van de gegevens
    sluit een derde overweging aan. In verschillende regio’s worden de
    te onderscheiden aspecten van georganiseerde criminaliteit
    verschillend beoordeelt. Als men, zoals in Rotterdam wordt
    nagestreefd, komt tot prioritering aan de hand van de tien criteria
    voor georganiseerde misdaad van de CRI, zullen die criteria binnen
    verschillende regio’s verschillend worden afgewogen. Bij de
    beoordeling of een zaak al of niet een kernteamonderzoek moet
    worden, weegt in de ene regio het aspect liquidaties mogelijk
    zwaarder dan het aspect corrumptieve contacten en is dat bij de
    andere regio niet het geval of zelfs andersom. Het blijft de vraag
    of zulke verschillende afwegingen positief of negatief moeten
    worden beoordeeld.

    Feitelijk hebben veel van de activiteiten van de kernteams nog
    weinig uit te staan met de prioriteitenstelling van het CBO. Zo
    vindt de opsporing van leden van n van de bekendste Hollandse
    criminele netwerken grotendeels niet door een kernteam plaats, maar
    door rechercheteams in verschillende regiokorpsen. Het betreft
    onderdelen van een groep die wellicht qua structuur het beste te
    vergelijken is met de V.O.C. van weleer. De FIOD en de regiokorpsen
    Amsterdam-Amstelland en Utrecht houden zich ermee bezig. Evenmin
    was het een kernteam – maar wel een regiokorps – dat zich
    bezighield met het onderzoek naar de hoog georganiseerde Chinese
    misdaad waaraan, gezien de CBO-inventarisatie, maximale inspanning
    zou moeten worden gewijd. Omgekeerd blijkt uit de inventarisatie
    van criminele groeperingen voor 1995 dat ongeveer de helft van de
    kernteamonderzoeken geen betrekking heeft op de – niet onomstreden
    – CRI-inventarisatie van de 27 belangrijkste criminele
    groeperingen. Wel blijken alle kernteams zich met onderzoeken tegen
    hoog georganiseerde criminele groepen bezig te houden.

    Twijfels omtrent de prioriteit zijn binnen het CBO met
    zoveel woorden geuit ten aanzien van drie onderzoeken van het

    kernteam Rotterdam en een onderzoek van het kernteam
    Zuid.

    De heer Koekkoek:
    In Zuid-Nederland is ook het kernteam, het
    interregionaal rechercheteam zuid. Hoe is nu de verhouding tussen
    wat u doet en wat dat
    kernteam doet?
    De heer Van Amerongen:
    Het kernteam is er sinds februari 1994. Ik denk dat
    het grote verschil tussen wat het
    kernteam doen en dat wat
    wij als regio doen, juist is dat het
    kernteam op groepen zit
    die meer uitstraling hebben naar de andere regio’s, naar de rest
    van Nederland. Wij zitten iets meer op groepen die alleen maar in
    onze regio, dan wel in Zuid-Nederland een uitstraling hebben. Op
    zichzelf is het verschil heel moeilijk aan te geven. Ik zeg altijd:
    Georganiseerde criminaliteit is altijd internationale
    criminaliteit. Het verschil tussen het werk van een
    kernteam
    en het werk van de regio-rechercheteams is heel erg lastig aan
    te geven.40
    Noot

    Het CBO vindt dat de onderzoeken die de kernteams uitvoeren niet in
    alle gevallen terecht door hen zijn opgepakt en dat zij hebben
    nagelaten andere grote onderzoeken uit te voeren. Bedacht moet
    worden dat de kernteams zijn opgericht in een tijd waarin het CBO
    in de huidige vorm nog niet bestond. De kernteams zijn destijds
    begonnen met onderzoeken die door de regiokorpsen werden
    aangedragen. Sommige kernteams zijn nog steeds bezig met deze
    gecompliceerde onderzoeken. Dit wekt wellicht de indruk dat het
    probleem van het CBO van voorbijgaande aard is. Deze indruk is
    echter geen juiste wanneer het probleem geplaatst wordt in het
    licht van de spanning tussen nationale beleidsdoelen en
    ressortelijk of interregionale belangen. Concluderend kan gesteld
    worden dat de bevoegdheid van het College van procureurs-generaal
    om, op advies van het CBO, als bevoegd gezag in hoogste instantie
    de prioriteiten te stellen, weliswaar formeel bestaat, maar
    praktisch volledig overschaduwd wordt door de perceptie van de
    prioriteiten zoals die bij de politie en het lokale openbaar
    ministerie bestaat. In de praktijk is de prioriteitenstelling
    gebaseerd op regionale bijdragen.

    6.5.2 Methoden: fenomeenonderzoek

    Onder fenomeenonderzoek verstaat de commissie het doorlichten
    van een geografisch gebied, een misdaadveld, een criminele markt of
    een sector of verschijnsel in de samenleving. In de eerste twee
    gevallen is respectievelijk te denken aan het fenomeen Zuid-Amerika
    en het fenomeen synthetische drugs. Wat betreft het doorlichten van
    een bepaald geografisch gebied kan ook worden gedacht aan de
    analyse van kenmerken
    van bepaalde bevolkingsgroepen in Nederland, bijvoorbeeld Chinezen.
    Ten aanzien van het doorlichten van een criminele markt kan worden
    gekozen voor een raster-benadering van bijvoorbeeld de logistiek
    van criminele goederenstromen en het aanbod van illegale diensten.
    Het is daarbij de bedoeling systematisch de betekenis van
    respectievelijk geld, corruptie, dekmantelfirma’s, adviseurs en
    facilitators te onderzoeken in verband met aanschaf, produktie,
    afzet en algemene elementen van de criminele organisatie (zoals
    bijvoorbeeld herinvestering, sancties en dergelijke).
    Noot Met betrekking tot het doorlichten van een
    maatschappelijke sector gaat het om de kwetsbaarheden van
    maatschappelijke organisaties. Dan is bijvoorbeeld het doel het
    verkrijgen van inzicht in hoeverre de (georganiseerde)
    criminaliteit invloed heeft of kan verkrijgen op de transportsector
    of de horeca; daarbij gaat het ook om het ontwikkelen van
    bestrijdingstactieken in een bredere context dan het strafrecht en
    met andere actoren dan alleen politie en openbaar ministerie.

    Bovengenoemde definitie behelst een keuze. In de praktijk is de
    vraag wat fenomeenonderzoek precies is, nog onderwerp van debat.
    Noot Zo wordt ook wel gezegd dat er twee soorten
    fenomeenonderzoek zijn: sectordoorlichting en
    organisatiedoorlichting.

    Dat onderscheid laat zich illustreren met het verschil tussen
    twee
    fenomeenonderzoeken die betrekking hebben op de
    Bedreigde uitheemse diersoorten, zogeheten BUD-zaken. De
    AID
    doet daarnaar fenomeenonderzoek en concentreert zich
    vooral op de personen en organisaties die zich (op illegale wijze)
    met dierenhandel bezighouden. Dit onderzoek is overigens tamelijk
    gericht op de opsporing. De Rotterdamse politie laat
    wetenschappelijk onderzoek verrichten naar de sector (illegale)
    dierenhandel. Centraal staan vragen als: welke mensen houden zich
    daarmee bezig; hoe komen zij met elkaar in contact; hoe lopen de
    goederenstromen? In dit onderzoek wordt, anders dan bij de
    AID
    het geval is, geen enkel gebruik gemaakt van
    opsporingsmethodieken, maar wordt gesproken met mensen in het veld
    met inbegrip van personen die bij de
    AID bekend
    zijn.

    Er bestaat een landelijk overleg over het fenomeenonderzoek. Dit
    zogeheten Landelijk overleg fenomeenonderzoek is erop gericht te
    komen tot afstemming van fenomeenonderzoeken en tot ontwikkeling
    van gemeenschappelijke uitgangspunten voor de bestudering van
    georganiseerde criminaliteit. Welke specifieke betekenis ook aan
    fenomeenonderzoek wordt toegekend, het onderscheidt zich in elk
    geval van het operationele onderzoek.

    De voorzitter:
    Kunt u verder nog een zaak aangeven waaruit de meerwaarde
    van het
    fenomeenonderzoek blijkt?
    De heer Jansen:
    Ik maakte al melding van een onderzoek dat wij samen met de
    horeca doen. De insteek waarvoor wij rond het
    fenomeenonderzoek
    hebben gekozen, is niet het vormen van een dreigingsbeeld, maar
    het maken van een risicoschets voor bepaalde branches. Waar is een
    branche kwetsbaar voor zware, georganiseerde criminaliteit? Als je
    met de horeca gaat samenwerken, ontdek je meer criminaliteit. Die
    behoort dan niet echt tot de georganiseerde vormen van
    criminaliteit. Het zijn ook vormen van racketeering, zoals men dat
    in
    Amerika noemt, afpersing die stelselmatig plaatsvindt.
    Het gaat dan om bedragen van fl 50.000.= waarvoor men ook mensen
    tijdelijk wegneemt.
    Noot

    Fenomeen onderzoek beoogt brede inzichten in een verschijnsel te
    verwerven door het maken van een scan, dat wil zeggen: a) het
    verzamelen en veredelen van informatie uit openbare bronnen, b) het
    onderhouden van contact met diverse personen en instanties en soms
    c) het gebruik van informatie die bij politie en bijzondere
    opsporingsdiensten bekend is. Noot Dat laatste roept de
    vraag op in hoeverre het toelaatbaar is fenomeenonderzoek mede te
    baseren op kwetsbaar (zacht) onderzoeksmateriaal en
    persoonsgerelateerde gegevens die bij opsporings- en
    inlichtingendiensten thuishoren.

    Wellicht daarom menen sommigen dat 80% van informatie ten
    behoeve van genomen onderzoek uit openbare bronnen behoort te
    komen.
    De scanfase kan worden gevolgd door het informatieve onderzoek naar
    een delicttype of een crimineel fenomeen respectievelijk het
    onderzoek naar organisaties, dadergroepen, en netwerken. Vooral het
    doorlichten van een organisatie kan vloeiend overlopen in een
    opsporingsonderzoek.

    Maar het kernteam Randstad Noord en Midden leek toch
    wel erg ver af te wijken van de algemene opvattingen over

    fenomeenonderzoek, toen het een onderzoek naar n criminele
    organisatie (waarin gerechtelijke vooronderzoeken zijn geopend) al
    aanduidde als
    fenomeenonderzoek. Politie en justitie
    hebben sinds april 1992 in onderlinge samenspraak een aantal
    fenomeenonderzoeken
    verdeeld. Formeel zijn later door het CBO aan de zes kernteams
    verschillende fenomenen toebedeeld. Het kernteam Zuid dient zich
    bezighouden met synthetische drugs; het kernteam
    Noord-Oost-Nederland met Oost-Europa en Turkije; het kernteam
    Amsterdam met West-Europa (in het bijzonder Nederlandse netwerken)
    en Joegoslavi; het kernteam Rotterdam met EG-fraude en milieu
    (inclusief bedreigde uitheemse diersoorten) en het kernteam
    Haaglanden met Zuid-Amerika en Itali. Inmiddels is besloten
    kernteam Zuid te belasten met het fenomeen Joegoslaven inclusief de
    mensenhandel; kernteam Noord-Oost-Nederland met het onderzoek naar
    de voormalige Sovjet-Unie en kernteam Rotterdam (eventueel samen
    met kernteam Randstad Noord en Midden) met Chinese netwerken; en
    kernteam Randstad Noord en Midden met Schiphol. Deze verdeling van
    fenomeenonderzoeken was van het begin af omstreden. Op uitvoerend
    wordt kritiek geuit op de oorspronkelijke verdeling van thema’s
    over de kernteams. Niet alleen wordt het belang van aan het eigen
    kernteam toebedeeld onderzoek betwijfeld, maar bestaat ook kritiek
    op het centraal verkavelen van onderzoeksgebieden. Zo is naar voren
    gebracht dat het niet goed is het onderzoek naar Turkije te
    concentreren bij het kernteam Noord-Oost-Nederland, terwijl men in
    Rotterdam en Amsterdam ook met dergelijke dadergroepen wordt
    geconfronteerd.

    De gekozen opzet impliceert de mogelijkheid dat concreet
    onderzoek door een bepaald team in het gehele land, dus ook
    ressortsoverschrijdend, moet worden verricht. Die situatie is nog
    lang niet bereikt. Het roept de vraag op hoe het
    kernteam-fenomeenonderzoek zich verhoudt tot datgene wat de CRI zou
    kunnen doen. In het CBO is in dit verband in februari 1995 gesteld
    dat er meer gestuurd zou moeten worden op informatie ten aanzien
    van fenomenen, zoals milieucriminaliteit, dan op territoriale
    doelgroepen. In juni 1995 werd evenwel juist nader besloten tot
    herverdeling van de onderzoeken van de territoriale groepen waarbij
    verschillende teams specifieke aandacht aan mensensmokkel zouden
    moeten geven.

    Organisatorisch heeft het fenomeenonderzoek het duidelijkst vorm
    gekregen in het kernteam Noord-Oost-Nederland. Twee aparte teams
    houden zich met de toegewezen onderwerpen bezig: elk team heeft een
    eigen cordinator, eigen inwinners van informatie en eigen
    analisten. Het fenomeenonderzoek heeft hier een wetenschappelijk
    stempel. Dat kernteam besteedt vijftien procent van de totale
    sterkte van het kernteam aan fenomeenonderzoek. Elders,
    bijvoorbeeld in Haaglanden en in Rotterdam, wordt het
    fenomeenonderzoek vaak uitbesteed aan al dan niet aan de politie
    gelieerde bureaus of personen. Het kernteam Haaglanden is
    nadrukkelijk voorstander van een fenomeenaanpak. Maar ondanks het
    bestaan van enkele zeer algemene scans van de hand van het bureau
    Informatiecordinatie, analyse en research (ICAR), is het echte

    fenomeenonderzoek nog niet van de grond gekomen. Iets
    vergelijkbaars geldt voor het
    kernteam Zuid. Vermoedelijk
    moet de wat moeizame start worden begrepen tegen de achtergrond dat
    uitvoerende medewerkers meer heil zien in organisatiedoorlichting
    dan in de al te wetenschappelijke scans, terwijl de
    organisatiedoorlichtingen daar nog niet van de grond zijn gekomen.
    In Rotterdam liggen in het kader van het
    fenomeenonderzoek
    twee voorstellen met betrekking tot EU-fraude en twee
    voorstellen met betrekking tot milieu. En daarvan is het reeds
    genoemde onderzoek naar de illegale handel in bedreigde uitheemse
    diersoorten. Dit betreft materie die past in een landelijk project
    waarvan het secretariaat in Rotterdam is gevestigd.

    Het kernteam Amsterdam en het kernteam Randstad Noord en Midden
    doen zelf feitelijk geen fenomeenonderzoeken. Dergelijke
    onderzoeken gebeuren daar al elders in de betrokken regiokorpsen.
    Bovendien is men van oordeel dat fenomeenonderzoeken beter door de
    regionale recherche kunnen worden verricht.

    Als zodanig is fenomeenonderzoek niet voorbehouden aan
    kernteams. Dat ligt ook voor de hand, als alleen al wordt gedacht
    aan branche-onderzoeken door de FIOD en andere bijzondere
    opsporingsdiensten. Dit soort onderzoeken, waarbij binnen een
    bepaalde branche systematisch wordt gekeken naar de zwakke plekken
    of waarbij bepaalde risicobranches worden gedentificeerd, zijn in
    feite voorlopers van de fenomeenonderzoeken geweest.

    Niet alleen bij de kernteams, maar ook in de regiokorpsen wordt
    fenomeenonderzoek verricht. Zo doet bijvoorbeeld het regiokorps
    Midden- en West-Brabant fenomeenonderzoek naar vrouwenhandel,
    grensoverschrijdend transport van chemisch afval en bedreigde
    uitheemse diersoorten. Het fenomeenonderzoek vindt zelfs plaats in
    regiokorpsen waar een kernteam, waaraan al fenomeenonderzoek is
    opgedragen, is gesitueerd. Zo wordt in het regiokorps Haaglanden
    fenomeenonderzoek gedaan naar de horeca; in het regiokorps
    Rotterdam naar de transportbranche. Daarbij moet worden aangetekend
    dat deze beide onderzoeken zijn gekozen door het interregionale
    Platform criminaliteitsbeheersing. In beide korpsen lopen ook nog
    andere fenomeenonderzoeken.

    6.5.3 Methoden: overige opsporingsmethoden

    Kernteamonderzoeken zijn per definitie grote onderzoeken. In
    vrijwel alle kernteamonderzoeken worden een of meer bijzondere
    methoden gebruikt.
    Het achterhalen van de frequentie van het gebruik van
    opsporingsmethoden door kernteams is moeilijk. In de eerste plaats
    is er geen centrale politie-autoriteit die de verschillende
    methoden inventariseert. Een uitzondering geldt wellicht ten
    aanzien van de politie-infiltratie. In de tweede plaats beschikken
    ook de korpsbeheerders van de regiokorpsen waar de kernteams zijn
    ondergebracht, niet over voldoende inzicht in de gehanteerde
    methoden. In de derde plaats geven de Doorlichting van het
    ministerie van Justitie en de gegevens van de Centrale
    toetsingscommissie (CTC) weliswaar terzake relevante informatie,
    maar deze gegevens zijn zeker niet volledig.

    Reeds hier zij een saillant gegeven opgemerkt: van de 59 ter
    toetsing aangemelde bijzondere methoden bij de
    CTC, waren 21
    gevallen afkomstig uit
    kernteams. Uit deze gegevens blijkt
    in elk geval ook dat er grote verschillen zijn tussen de

    kernteams onderling.

    Het gegeven dat het kernteam Noord-Oost-Nederland in
    de doorlichting van het ministerie van justitie zeer veel methoden
    als bijzonder heeft gemeld en
    kernteam Zuid relatief weinig,
    is voor verschillende uitleg vatbaar. Dat kan immers zowel te maken
    hebben met meldingsdiscipline als met feitelijk gepleegde
    handelingen. Wat de bij de
    CTC aangemelde zaken betreft,
    lijkt deze uitleg te worden bevestigd. Van 1 januari tot 10 oktober
    1995 zijn 59 zaken ter toetsing aan de
    CTC voorgelegd,
    waarvan tien van
    kernteam Haaglanden, n van kernteam
    Randstad Noord en Midden, twee van kernteam
    Noord-Oost-Nederland, vijf van kernteam Rotterdam, twee
    uit
    kernteam Zuid en n uit kernteam Amsterdam. Tot 1
    juni 1995 hadden slechts het
    kernteam Randstad Noord en
    Midden en het
    kernteam Noord-Oost-Nederland zaken ter
    registratie aangemeld bij de
    CTC. Een vierde factor die
    het kwantitatieve onderzoek naar het gebruik van opsporingsmethoden
    bemoeilijkt is dat juist op het vlak van het gebruik van
    opsporingsmethoden verwevenheid bestaat tussen de onderzoeken van
    verschillende kernteams. Dit kan enerzijds ertoe leiden dat
    dubbeltellingen plaatsvinden en dat dus bijvoorbeeld meer
    inkijkoperaties worden gemeld dan zijn gedaan, maar anderzijds ook
    dat operaties geheel niet worden gemeld.

    Bekend is het optreden van een informant van de
    RCID Kennemerland en zijn runners in Rotterdam, door wiens
    tussenkomst tonnen hash met betrokkenheid van politie en justitie
    op de markt kwamen. De zaak Bertus K. toont aan dat een Amsterdams
    onderzoek dat door de
    FIOD is aangezwengeld, gepaard kan
    gaan met een
    inkijkoperatie door Utrechtse
    politie-ambtenaren.

    Informanten

    Informanten zijn juist voor kernteamonderzoek van het grootste
    belang. Het succes van de kernteams wordt geheel afgemeten aan de
    grote, langlopende zaken waarmee zij zijn belast. De betekenis van
    een informant is dan van belang, omdat doorgaans geprobeerd wordt
    de grote vis te vangen. Wanneer in een crimineel netwerk de
    taken zo zijn verdeeld dat een hoofdpersoon zich slechts bezighoudt
    met het
    witwassen van met drugs verdiend geld, een andere
    met de inkoop van nieuwe drugs en een derde met de logistiek om de
    nieuwe drugs te importeren en aan de man te brengen, dan kan het
    lastig zijn bijvoorbeeld de financile man te binden aan de rest van
    de organisatie. Zeker als de betrokkenen behoedzaam opereren is
    informatie van een goed geplaatste
    informant of infiltrant
    welhaast onontbeerlijk, al was het maar om bijvoorbeeld een
    bankrekeningnummer door te geven van waaruit kan worden
    doorgerechercheerd.
    De Doorlichting van het ministerie van
    Justitie maakt in zeven kernteamzaken gewag van bijzonderheden met
    betrekking tot een informant. In twee gevallen ging het daarbij om
    een informant die was ingezet als burgerinfiltrant: beide
    onderzoeken zijn inmiddels op last van de minister van Justitie
    stop gezet. In enkele andere gevallen ging het om deals, zelfs een
    keer om een kroongetuige. Zowel de burgerinfiltratie als het
    sluiten van deals komen (al dan niet in samenhang) vaker voor, maar
    de meest omstreden zaken betreffen activiteiten van regionale
    CID-en en niet die van de CID-en van kernteams. Juist voor een
    kernteam met zijn vrijwel uitsluitende orintatie op een of enkele
    grote zaken is het van grote betekenis om informanten van
    importantie te runnen. Sommige informanten zijn zich bewust van hun
    positie in grote recherche-onderzoeken.

    In de zaak van het IRT Noord-Holland/Utrecht zorgde
    een
    informant die vergaande voorwaarden stelde, dan ook voor
    zeer grote problemen. Deze en andere
    informanten hebben met
    diverse regionale korpsen, maar ook met het
    kernteam
    Randstad Noord en Midden en het kernteam Rotterdam zaken
    gedaan, wat hun miljoenen

    guldens heeft opgeleverd.
    Informanten krijgen soms hoge geldelijke beloningen. Die beloningen
    worden of als onkostenvergoedingen uit het kernteambudget, of als
    justitie-beloningen of als beloningen van
    verzekeringsmaatschappijen betaald. De bedragen die justitie
    uitkeert in het kader van de Regeling tip-, toon- en
    voorkoopgelden, worden in verhouding tot de verzekeringspenningen
    te laag geacht. Sommige kernteams proberen de informanten ertoe te
    bewegen hun criminele gelden te laten inleveren en hen in ruil
    daarvoor een passende beloning – gedacht wordt aan tonnen – te
    geven.

    De in Rotterdam uitgekeerde beloningen variren van f. 2.000
    tot f. 50.000 Eenmaal is een beloning van f. 230.000 betaald door
    justitie, terwijl de
    informant tevens het geld dat hij had
    verdiend bij de criminele organisatie, mocht behouden.


    In Haaglanden krijgt een
    informant voor geslaagde partijen
    geld van de criminele organisatie. Na overhandiging van de
    justitile beloning van f. 275.000 draagt de
    informant
    zijn verdiensten af. Het ingeleverde bedrag bedraagt meer
    dan n miljoen gulden. Het geld wordt geparkeerd op een rekening van
    de
    CRI.

    Slechts bij hoge uitzondering vinden strafvorderlijke deals
    plaats. Maar zij komen voor, ook in kernteamzaken: in Rotterdam
    gebeurde dat in het Laundry-onderzoek twee keer. Het gaat daarbij
    niet alleen om het in het vooruitzicht stellen van een sepot. Ook
    komt het voor dat de criminele informant in geval van detentie als
    beloning wordt overgeplaatst naar een lichter regime of dat naar
    aanleiding van zijn gratieverzoek een gunstig advies of
    strafvermindering wordt gegeven.

    Het aantal informanten varieert per kernteam. Rotterdam stelt
    circa 70 100 informanten te hebben ingeschreven. Het kernteam
    Randstad Noord en Midden heeft meer dan 32 namen en het kernteam
    Amsterdam niet meer dan 10. Maar deze cijfers zeggen niets.
    Doorslaggevend is namelijk dat soms ook personen met wie een
    eenmalig contact heeft plaatsgevonden, als informant worden
    ingeschreven. Anderzijds bevinden zich tussen deze namen ook de
    actief gerunde informanten en de personen die als
    burger-infiltranten optreden. Ook ten aanzien van de actief gerunde
    informanten bestaan echter verschillen. Het varieert volgens de
    chefs van de kernteam-CID-en van twee tot twintig actief gerunde
    informanten per kernteam. De CID van het kernteam runt niet alleen
    zelf informanten, maar probeert ook andere CID-en, waaronder CID-en
    van regiokorpsen, te activeren. Daartoe wordt eerst bij de NCID
    gevraagd welk regiokorps informatie zou kunnen bieden. Vervolgens
    wordt bij de andere regiokorpsen nagegaan of de CID daar beschikt
    over relevante informatie. Dit kan leiden tot het reactiveren van
    oude informanten. Dat gebeurt dan doorgaans door de oorspronkelijke
    runners. Het komt voor dat een runner uit het kernteam en een
    runner uit een regiokorps gezamenlijk een informant runnen, het
    zogeheten combi-runnen. Het gebeurt ook dat een informant van een
    andere CID die van belang is voor het kernteamonderzoek buiten het
    domein van het kernteam wordt gerund. Dit vergt een nauwkeurige
    afstemming tussen het kernteam en de betreffende regio. Het is
    namelijk niet vanzelfsprekend dat het betrokken kernteam gebonden
    is aan de kaders waarbinnen de informant mag opereren, zoals die
    gesteld zijn door de CID-officier van justitie van de regio in
    kwestie. Veel CID-en willen dan ook liever hun eigen informant
    blijven runnen.

    Ook binnen de kernteams wordt de veiligheid van de informant
    belangrijker geacht dan het behalen van resultaat. Het openbaar
    ministerie heeft in enkele kernteamzaken of daaraan gelieerde zaken
    de veiligheid van de informant in dit opzicht laten prevaleren.

    Bekend is dat vanwege de wens van de CID-officier van
    justitie tot bescherming van een
    informant naar de mening
    van de rechtbank in een deel van het
    Ramola-onderzoek niet
    kon worden vastgesteld, of bij het verrichten van vooraankopen
    uitlokking had plaatsgevonden. Het openbaar ministerie werd daarop
    niet ontvankelijk verklaard. In hoger beroep is het gerechtshof te
    Den Haag inmiddels tot de conclusie gekomen dat de rechtbank de
    officier van justitie ten onrechte niet-ontvankelijk heeft
    verklaard in zijn vervolging. Ook in het verlengde van het
    Delta-onderzoek van het ontbonden
    IRT Noord-Holland/Utrecht
    moest vanwege de veiligheid van een
    informant in de zaak
    Oude Bildtzijl door de procureur-generaal vrijspraak geist
    worden.
    Desalniettemin lopen informanten het risico dat hun
    veiligheid in het geding komt. Zo werd de kroongetuige
    Helio Stewart, de lijfwacht van de hoofdverdachte in de
    Laundry-zaak, op 6 december 1993, kort na zijn verklaring bij de
    politie, doodgeschoten. Verder zegt een runner te weten van zes
    liquidaties van
    informanten.

    Infiltranten

    De Doorlichting van het ministerie van Justitie meldt vijf
    infiltratie-acties door een kernteam, al dan niet in de vorm van
    pseudo-koop; in drie van die gevallen ging het om de inzet van een
    infiltrant van een politieel infiltratieteam (PIT). Daarnaast wordt
    in het kader van een diepgaande politie-infiltratie melding gemaakt
    van het ter beschikking stellen van een auto met chauffeur door de
    politie. Verder werd drie keer gewag gemaakt van een
    burgerinfiltrant.

    De meeste kernteams maken gebruik van politie-infiltratie. Het
    kernteam Randstad Noord en Midden en het kernteam Amsterdam stellen
    echter daarvan geen gebruik te kunnen maken, omdat het bijna
    onmogelijk is voor een buitenstaander in een grote criminele
    organisatie binnen te dringen. Criminele organisaties gaan bij de
    werving van hun personeel immers buitengewoon zorgvuldig te
    werk.

    Om dezelfde reden wordt het weinig kansrijk geacht dat
    ambtenaren uit andere landen dit werk doen, ook al omdat zij geen
    contacten in het milieu hebben.

    De bespreking van de methode infiltratie kan op deze plaats beperkt
    blijven. De beslissing om PIT-assistentie aan te vragen is
    weliswaar aan het kernteam, maar de formele verantwoordelijkheid
    voor wat in het infiltratie-traject gebeurt, ligt bij de chef van
    het PIT en niet bij het kernteam. Wel wordt bij het kernteam Zuid
    gewerkt met een stuurgroep begeleidingsteam, bestaande uit de
    cordinerend officier van justitie, de zaaksoficier van justitie, de
    kernteamchef, de recherchechef en de politie-infiltranten. Deze
    stuurgroep komt een keer per maand bijeen.

    Politie-infiltratie voor een kernteam is meestal kortlopend. De
    kernteams zien daar echter graag verandering in komen.
    Met betrekking tot burgerinfiltratie zijn de belangrijkste
    problemen besproken. Het betreft de beloning van de informant en de
    vraag of de runners wel voldoende greep hebben op de
    burgerinfiltrant. In dit opzicht hebben de grootste problemen zich,
    afgezien van het IRT Noord-Holland/Utrecht, niet zozeer voorgedaan
    bij de kernteams, maar bij de CID-en van de regiokorpsen.

    Frontstores worden in de regel via de Afdeling nationale
    cordinatie politile infiltratie (ANCPI) opgezet. In het kader van
    samenwerking met Canada is het kernteam Zuid (met de ANCPI)
    betrokken geweest bij een frontstore-operatie. Het kernteam
    Noord-Oost-Nederland heeft geprofiteerd van Engelse en Duitse
    expertise bij het opzetten van de frontstore. De CTC heeft naar
    aanleiding van een Rotterdams verzoek gesteld de voorkeur te hebben
    voor een landelijke regeling.

    Observatie

    Volgens de Doorlichting van het ministerie van Justitie zijn in
    circa tien kernteamonderzoeken semafoons getapt of is via de
    Kolibrie afgeluisterd op het autotelefoonnet (ATF-net). Ook is
    onder meer in het buitenland GSM afgetapt.

    Het gebruik en plaatsen van peilapparatuur wordt in de
    doorlichting vijf keer in verband gebracht met kernteams, waarbij
    het eenmaal om een satellietbaken ging. Uit de meldingen, die ter
    registratie aan de CTC zijn doorgegeven, blijkt dat het kernteam
    Randstad Noord en Midden en het kernteam Noord-Oost-Nederland
    minstens elf keer een peilbaken hebben geplaatst althans een
    voeding voor een peilbaken hebben verwisseld. Uit andere bronnen
    blijkt ook dat het kernteam Randstad Noord en Midden frequent
    peilbakens gebruikt. Het openbaar ministerie werd tot 1993 in het
    algemeen hiervan niet in kennis gesteld. De reden die hieraan ten
    grondslag lag, was dat observatie werd opgevat als een hulpmiddel
    en dus ter beoordeling van de politie staat. In de Doorlichting van
    het ministerie van Justitie zijn drie inkijkoperaties gemeld,
    waarvan n in een niet bewoonde woning. Het kernteam
    Noord-Oost-Nederland en het kernteam Randstad Noord en Midden
    hebben tot nu toe niet of nauwelijks behoefte gehad aan
    inkijkoperaties. Toch staat vast dat het kernteam
    Noord-Oost-Nederland gebruik heeft gemaakt van een endoscoop en dat
    het plaatsen van een peilbaken soms een inkijkoperatie
    vereiste.

    De inzet van foto- en videocamera’s al of niet in een vaste
    opstelling ten behoeve van de kernteams werd in de Doorlichting van
    het ministerie van Justitie vijf keer gemeld. Daarbij was n keer
    sprake van observatie met behulp van een videokoffer. Foto en
    videocamera’s worden in de praktijk veel vaker gebruikt (sinds 1
    augustus 1994 heeft alleen al het kernteam Randstad Noord en Midden
    tussen de 25 en 50 camera’s ingezet). Het idee van het kernteam
    Noord-Oost-Nederland om afluisterapparatuur te laten plaatsen in
    een in aanbouw zijnd pand, zodat direkt zou kunnen worden
    afgeluisterd, heeft nooit geresulteerd in een officieel verzoek aan
    het openbaar ministerie, omdat al in een discussie hierover tussen
    politie en openbaar ministerie duidelijk werd dat het in dat geval
    onverantwoord was. Het kernteam Zuid ondervond dat het plaatsen van
    een bug in een
    telefooncel en van andere apparatuur waarmee direkt kan worden
    afgeluisterd geen effect sorteerde. Het in 1993 opgeheven IRT
    Noord-Holland/Utrecht liet met enige regelmaat inkijkoperaties
    uitvoeren.

    De heer Lith:
    (….). Als ik hem vroeg om met zijn team bij wijze van
    spreken morgen zo’n inkijkactie te verrichten, dan ging hij
    vanavond voorverkennen. Daar besteedde hij twee uur aan. En dat
    bleek er ook op te staan als klusje. In die zin kan ik precies bij
    de administratie van het
    IRT terugvinden welke inkijkacties,
    overigens met toestemming van het openbaar ministerie, wij hebben
    gedaan.(…) Het
    IRT heeft bij dit soort kijkoperaties
    altijd overleg gepleegd met het openbaar ministerie. Er is altijd
    verslag van gemaakt. Dit is vastgelegd in de administratie.
    (…)
    De voorzitter:
    Het ging ons erom vast te stellen dat bij de mensen die
    de
    inkijkoperaties uitvoerden, verder geen
    verslaglegging te vinden was.
    De heer Lith:
    Daarover kunnen wij misschien van mening verschillen. De
    verslaglegging behoort te berusten bij degene die
    verantwoordelijk is en niet bij degene die het uitvoert. Je kunt
    natuurlijk zeggen dat zij het op een andere manier hadden moeten
    registreren. Maar de verantwoording voor hetgeen gebeurt, ligt bij
    het onderzoeksteam en niet bij een
    arrestatieteam dat wordt
    ingezet als hulpmiddel, omdat het de technische vaardigheden heeft
    om die actie te doen.
    Noot

    Informatie-uitwisseling

    Uit de Doorlichting van het ministerie van Justitie blijkt dat
    in twee zaken bijzonderheden waren met betrekking tot
    informatie-uitwisseling. Het ging om het opvragen van kopien van
    een rijbewijs en om de uitwisseling van informatie met een
    bijzondere opsporingsdienst.

    De informatie-uitwisseling blijkt voor de kernteams vooral van
    belang te zijn in het kader van het financieel rechercheren. In de
    kernteams is de belangstelling daarvoor vrij groot. Het
    inzichtelijk maken van geldstromen voert immers vaak naar de top
    van de criminele organisatie en naar betrokken personen in de
    bovenwereld. Bij het financieel rechercheren door de kernteams gaat
    het niet zozeer om de buitgerichte opsporing zoals wordt verricht
    door de BFO’s, danwel om de dadergerichte opsporing. Daarbij kan
    enerzijds worden geprobeerd aan te tonen wat de betrokkene legaal
    verdient en vervolgens de door hem gedane uitgaven hiermede
    vergeleken. Anderzijds kan men zich concentreren op het geldspoor
    dat de omgekeerde richting volgt van een transport van illegale
    goederen. De paper trail van bijvoorbeeld een drugstransport wordt
    in kaart gebracht. Het is in beide gevallen van belang de relevante
    bankrekeningen te kennen. Uit alle uitgaven en inkomsten van dat
    rekeningnummer worden de opmerkelijke uitgaven geselecteerd.

    De banken werkten tot voor kort ook informeel (dat wil zeggen
    via hun eigen dienst veiligheid) goed mee. Dat geldt ook voor de
    creditcardmaatschappijen. Recentelijk is men echter geschrokken
    toen informatie van het Meldpunt ongebruikelijke transacties
    (
    MOT) die in een kernteamonderzoek door de ABN/Amro-bank is
    verstrekt, naar buiten is gebracht. De bank is nu bang voor
    negatieve publiciteit. Daarom zijn de banken terughoudender
    geworden en eisen zij eerst een uitleveringsbevel.

    Het vergt kennis van de materie om een financile stroom te
    kunnen volgen. Zonder die kennis is het moeilijk te beoordelen wat
    opmerkelijke uitgaven zijn als het gaat om bijvoorbeeld
    huizenaankoop of beurstransacties. In de kernteams wordt met name
    met het oog op het financieel rechercheren, geparticipeerd door
    ambtenaren van bijzondere opsporingsdiensten en accountants van de
    CRI. Er zijn echter ook enkele politie-ambtenaren die zich hiermee
    bezighouden. Aan het kernteam Randstad Noord en Midden en het
    kernteam Haaglanden heeft het BFO personeel uitgeleend ten behoeve
    van het kernteam.

    Het toevoegen van fiscale experts aan het kernteam brengt niet
    alleen die expertise binnen het team, maar biedt ook de
    mogelijkheid gebruik te maken van de contacten van deze experts.
    Zo is de mogelijkheid genoemd dat iemand interessant wordt
    gevonden als mogelijke
    informant en dat daarom bij een
    belastingcontact wordt gevraagd hoe de potentile
    informant
    er fiscaal voorstaat. In dat geval zou vanuit een fiscale
    klemsituatie een relatie kunnen groeien. Overigens wordt van
    belastingzijde ontkend dat (al dan niet in overleg met justitie)
    fiscale deals met
    informanten worden gesloten. Wel is onder
    meer in Amsterdam overleg tussen politie en Belastingdienst wat
    eraan heeft bijgedragen dat verschillende personen uit de
    onderwereld miljoenenaanslagen kregen opgelegd.

    Soms worden fiscale contacten gebruikt voor verdergaande doelen.
    Het komt bijvoorbeeld voor dat een kernteam een verdachte welbewust
    ertoe wil prikkelen om naar zijn financieel adviseur te gaan en dat
    hem daarom een hoge belastingaanslag wordt toegemeten.
    Noot Omgekeerd komt het voor dat het kernteam de
    belastingambtenaar vraagt nog even te wachten met het opmaken van
    een aanslag.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken