• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 7.6 Het Milieubijstandsteam

    7.6 Het Milieubijstandsteam

    7.6.1 De organisatie

    Het Milieubijstandsteam (MBT) valt onder de Inspectie
    milieuhygine die een onderdeel is van het Directoraat-generaal
    milieubeheer van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke
    Ordening en Milieubeheer (VROM). Het MBT is opgericht in 1985. De
    Inspectie milieuhygine bestaat uit een hoofdinspectie en negen
    regionale inspecties. De hoofdinspectie bestaat onder meer uit de
    Hoofdafdeling handhaving milieuwetgeving die is belast met de
    centrale cordinatie van toezicht- en opsporingsactiviteiten van
    alle inspecties. Deze hoofdafdeling bestaat onder meer uit de
    Afdeling toezicht afvalstoffen, de Afdeling toezicht straling,
    stoffen en produkten en de Afdeling milieudelicten. Het hoofd van
    deze laatste afdeling is tevens hoofd van het MBT.
    Noot

    Het MBT is een werkverband tussen medewerkers van de
    verschillende onderdelen van de Inspectie Milieuhygine. Dit betreft
    de afdelingen van de hoofdinspectie alsmede de negen regionale
    inspecties. Deze medewerkers hebben naast toezichthoudende
    bevoegdheden ook opsporingsbevoegdheid en verrichten
    opsporingswerkzaamheden in het MBT-kader vanuit hun eigen
    onderdeel. Bijvoorbeeld: Soms wordt een toezichtteam voor een
    bepaald bedrijf samengesteld om zekerheid te verkrijgen over de zin
    van strafrechtelijke vervolging. In dit team zit dan een
    provincie-, gemeente- en inspectieambtenaar en soms een rechercheur
    die dan als bedrijfsadministratief specialist meegaat. Immers
    rechercheurs zijn tevens toezichthouders. De rechercheur kan vaak
    beter inschatten welk deel van de administratie strafrechtelijk
    interessant zou kunnen zijn. De toezichtrapportage verschaft verder
    inzicht in de zwakke plekken binnen een bedrijf.

    Het MBT kan beschikken over 121 personen met
    opsporingsbevoegdheid, waaronder recherchetactische,
    milieuhyginische en milieujuridische deskundigen. De medewerkers
    hebben over het algemeen een HBO-diploma. De recherchetactische
    ondersteuning wordt gegeven door vijf voormalige rechercheurs van
    de Dienst recherchezaken, eveneens van het ministerie van VROM.

    De taak van het MBT is om de aanpak van de zware
    milieucriminaliteit te stimuleren en assistentie te verlenen aan
    politie en justitie bij de opsporing van milieudelicten. In
    concrete zaken kan dit zowel het verlenen van landelijke
    opsporingsbijstand zijn, dat georganiseerd wordt vanuit de Afdeling
    milieudelicten, als regionale opsporingsbijstand door MBT-leden van
    de regionale inspecties. Noot Het MBT is dus geen
    zelfstandige opsporingsdienst maar verleent ondersteuning van
    uiteenlopende aard aan onderzoeksteams. Enkele leden
    van het MBT zijn bijvoorbeeld betrokken geweest bij het Rotterdamse
    TCA/TCR onderzoek (zie casusuitwerking eindrapport).

    Andere voorbeelden van milieu-onderzoeken zijn:
    grne Punkt-afval uit Duitsland, het verwerken van
    afval in bodemverbeterende stoffen, radio-actief afval,
    radio-actief schroot of materiaal dat afkomstig is uit de gas-, en
    oliewinningindustrie onder andere uit het Oostblok.

    Ook worden wel milieu-ambtenaren in het kader van hun controlerende
    taak om ondersteuning gevraagd. In een onderzoek heeft een
    ambtenaar van milieuzaken vorig jaar op verzoek van de politie een
    bedrijf gecontroleerd. Hij werd hierbij vergezeld door een
    politieambtenaar die met een verborgen camera opnames maakte in het
    pand. De politieman heeft zichzelf niet als zodanig kenbaar gemaakt
    en heeft net gedaan alsof hij een collega van de milieu-ambtenaar
    was. Later is dit in een andere situatie nogmaals gebeurd, maar dan
    zonder camera.

    De criteria die aangelegd worden om bijstand aan de politie te
    verlenen zijn dat er ten eerste sprake moet zijn van
    stoffencriminaliteit, dat betreft afvalstoffen en milieugevaarlijke
    stoffen, en ten tweede dat het een regiogrensoverschrijdende zaak
    betreft.

    Aangegeven wordt dat niet gesproken kan worden over milieumafia
    of georganiseerde milieucriminaliteit. Noot In Nederland betreft
    het veelal grote bedrijven die zeer ernstig de fout ingaan.
    Noot Bij het merendeel van de strafzaken heeft dit te
    maken met een ondoorzichtige vergunningsituatie Noot en
    onvoldoende toezicht door de toezichthouders. Wat dit laatste punt
    betreft liet vroeger de Inspectie steken vallen, tegenwoordig ligt
    het probleem met name op gemeentelijk niveau.

    7.6.2 De verantwoordingslijnen

    De centrale cordinatie en de eindverantwoordelijkheid voor het
    MBT berust bij het hoofd MBT, dat op zijn beurt valt onder de
    directeur-generaal milieubeheer. De officier van justitie kan
    vragen om bijstand door het MBT waar het complexe en grootschalige
    milieu-onderzoeken betreft. De MBT-leden nemen doorgaans voltijds
    deel aan het rechercheteam voor de opsporing van zware
    milieucriminaliteit waar zij functioneren onder leiding van politie
    en OM. Het onderzoek wordt onderscheiden in vier fases: het
    informatie-onderzoek, het vooronderzoek, het strafrechtelijk
    onderzoek en de nazorg. Na elke fase wordt in overleg met politie
    en OM besloten of het verantwoord en gewenst is om het onderzoek te
    vervolgen.

    Naast het MBT en de TR, neemt ook het Gerechtelijk
    laboratorium veelvuldig deel aan onderzoeken. Het MBT is daarbij
    verantwoordelijk voor het milieutechnische gedeelte van de zaak,
    het Gerechtelijk laboratorium voor de eventuele
    milieuwetenschappelijke en criminalistische ondersteuning en de
    technische recherche voor een technisch en organisatorisch juiste
    gang van zaken bij het milieutechnisch onderzoek ter plaatse, de
    monsterneming en de monsteroverdracht.

    Voor het uitvoeren van het voor- en strafrechtelijk onderzoek
    wordt een convenant opgesteld tussen politie, justitie en MBT,
    waarin de doelstellingen, de inzet van personeel, middelen en
    materiaal en de duur van het onderzoek worden opgenomen.
    Noot

    7.6.3 Samenwerking

    Op 31 maart 1993 is het projectteam zware milieucriminaliteit
    opgericht, dat bestaat uit een advocaat-generaal van het
    ressortsparket Arnhem, twee officieren van justitie, twee
    politie-ambtenaren, het hoofd van de Afdeling milieucriminaliteit
    van de CRI en het hoofd MBT. De minister van Justitie heeft een
    eigen waarnemer aan het team toegevoegd. En maal in de vier weken
    wordt er onder leiding van het OM vergaderd. De voornaamste taak is
    het cordineren en entameren van bovenregionale
    opsporingsactiviteiten, met name op het gebied van de verwerking en
    de verwijdering van afval. Noot De verzoeken door de
    politie om bijstand van het MBT worden door het projectteam zware
    milieucriminaliteit, na selectie op de twee inmiddels vermelde
    criteria, al dan niet ingewilligd. Het betreft vaak samenwerking in
    multi-disciplinaire teams waarin eveneens vaak de FIOD en de AID
    participeren, en bij kernenergie-zaken de ECD. De politie spreekt
    van de noodzaak van een integrale aanpak van de milieuproblemen en
    staat zodoende positief ten opzichte van verdere samenwerking met
    de bijzondere opsporingsdiensten. Zij ziet haar rol als primus
    inter pares
    . Noot
    Sinds ruim een jaar is de samenwerking met de Dienst recherche
    zaken (DRZ) gentensiveerd. De DRZ is een bijzondere
    opsporingsdienst die onder het ministerie van VROM valt en belast
    is met huursubsidiefraude en sinds anderhalf jaar met de
    bestrijding van milieusubsidiefraude. Noot Tot op heden
    wordt de recherchetechnische taak op milieugebied nog vervuld door
    rechercheurs van het MBT. De bedoeling is dat de politie te zijner
    tijd genoeg deskundigheid opbouwt om deze taak te kunnen overnemen.
    Recente plannen om dit te bevorderen zijn onder meer de oprichting
    van Interregionale milieu-assistentiepools in regio’s waar niet
    vaak grote milieu-onderzoeken worden verricht en waar de politie
    geen blijvende expertise kan opbouwen. De bedoeling is dat de
    procureurs-generaal een lijst met ervaren milieu-rechercheurs
    bijhouden, die kunnen worden ingezet bij grote milieuzaken. Een
    ander initiatief is de landelijk te organiseren Task force zware
    milieucriminaliteit. Dit team zal naast vertegenwoordigers van de
    CRI, FIOD en MBT, voornamelijk bestaan uit rechercheurs van de
    regiopolitie Rotterdam-Rijnmond en dan met name de rechercheurs die
    betrokken waren bij het TCA/TCR-onderzoek. Dit team gaat opereren
    onder verantwoordelijkheid van het projectteam zware
    milieucriminaliteit en staat onder operationele leiding van de
    politie Rotterdam-Rijnmond. De bedoeling is dat het team gaat
    opereren in het grijze gebied tussen toezicht en opsporing en
    concrete zaken gaat aanleveren aan de tactische recherche. Gebruik
    zal worden gemaakt van de RCID-Rotterdam.

    Deze nieuwe initiatieven zijn nog in de ontwikkelingsfase.
    Vooralsnog is het de bedoeling dat het MBT medewerking verleent aan
    de interregionale milieu-assistentieteams en de taskforce. Deze
    samenwerkingsverbanden moeten te zijner tijd ertoe leiden dat de
    politie op het gewenste kennis- en ervaringsniveau komt. Het ligt
    niet in de verwachting dat de politie ook de milieuhyginische en
    -juridische kennis zich eigen maakt. De deskundigen van het
    ministerie van VROM zullen hiervoor nodig blijven. Noot
    Aangegeven is dat de politieke situatie op het moment zo is, dat
    als de politie de milieutaak binnen twee jaar nog niet goed
    opgepakt heeft, initiatieven genomen gaan worden om een
    zelfstandige Milieu-bijzondere opsporingsdienst op te zetten. De
    nieuwe milieubeleidsnota 1995-1998 van de Raad van
    hoofdcommissarissen spreekt over de doelstelling dat in 1998 de
    milieutaak gentegreerd moet zijn in de politie.

    7.6.4 Wettelijke bevoegdheden

    De ondersteuning van het MBT aan de politie, het OM en andere
    opsporingsdiensten houdt in het beschikbaar stellen van
    specialistische kennis, van technische hulpmiddelen en het
    inschakelen van laboratorium- en onderzoeksfaciliteiten. Ook wordt
    geparticipeerd in concrete opsporingsactiviteiten van de politie.
    Dit kan op basis van de algemene opsporingsbevoegdheid die verleend
    is aan MBT-leden door de minister van Justitie per 31 juli 1990.
    Alle leden van het MBT zijn tevens aangewezen als toezichthouder
    voor n of meer bijzondere wetten, zoals het Reglement gevaarlijke
    stoffen. De leden van het MBT worden aangewezen door de
    hoofdinspecteur en krijgen vervolgens een opleiding
    opsporingsambtenaar en een antecedentenonderzoek. Noot

    In het kader van milieu-onderzoek wordt veelvuldig gebruik
    gemaakt van de bevoegdheid tot huiszoeking, op basis van het
    Wetboek van Strafvordering of de WED. Het is vaak noodzakelijk de
    beschikking te krijgen over de administratie van verdachten,
    getuigen en/of derden of om apparaten of installaties in beslag te
    nemen ten einde ontduiking van vergunningvoorschriften aan te
    tonen. Noot Inmiddels is een werkgroep ingesteld die
    moet onderzoeken of de Amerikaanse aanpak van huiszoekingen in
    Nederland kan worden ingevoerd. Noot Het bewijs voor
    begane overtredingen van milieuwetgeving dient veelvuldig geleverd
    te worden door monsterneming en de analyseresultaten daarvan. Op
    basis van artikel 21 WED kan monsterneming verricht worden. Dit is
    in elk stadium van het onderzoek mogelijk, ook tijdens een
    gerechtelijk vooronderzoek. De officier van justitie is
    verantwoordelijk voor de monsterneming. Voor de vele soorten
    monsternemingen bestaan gestandaardiseerde normen die de wijze
    waarop, de conservering en de manier van analyse bepalen. In een
    klein deel van de gevallen zijn deze normen neergelegd in
    wettelijke besluiten. Noot Op korte termijn wordt een
    richtlijn monsterneming en analyse in strafrechtelijke
    milieuonderzoeken verwacht. Noot In de TCA /TCR-zaak is
    op afstand bestuurbare monsternemingsapparatuur ingezet op grond
    van de WED. Deze apparatuur is door duikers gemonteerd in de
    afvalpijpen en kon worden geactiveerd wanneer illegaal geloosd
    werd.

    Er wordt veel gebruik gemaakt van taps. Aangegeven wordt dat
    tappen nog effectief is in milieuzaken.

    7.6.5 Methoden

    Het traject van het milieu-onderzoek begint met een
    voorbereidend onderzoek door het MBT, een soort proactieve fase. In
    een periode van maximaal zes weken wordt een binnengekomen tip, of
    een uit analyse
    voortgekomen aanwijzing, of CID-informatie, nagetrokken op
    betrouwbaarheid en milieurelevantie. Dit wordt bij voorkeur gedaan
    door een rechercheur milieudelicten en een (regionaal werkende)
    milieuhyginisch medewerker. Dit voorbereidend onderzoek wordt
    onderscheiden in twee fasen. De eerste fase is het informatief
    onderzoek. In een paar dagen dient de hardheid van de binnengekomen
    informatie te worden vastgesteld. Hierbij wordt een overzicht
    gemaakt van onder meer de verleende
    milieuvergunningen/ontheffingen, het passieve dan wel actieve
    gedoogbeleid, de wettelijke verplichtingen en eerdere
    handhavingsacties – dit kunnen controles zijn in het kader van
    toezicht en opsporing – en de eerder opgelegde strafrechtelijke dan
    wel bestuursrechtelijke sancties, zoals bestuursdwang, dwangsom en
    intrekken vergunning. De officier van justitie besluit op basis van
    een rapport of de tweede fase ingaat, dit is het vooronderzoek. Het
    doel van dit vooronderzoek is het formuleren van een concreet
    vermoeden van gepleegde strafbare feiten. In dit voorbereidend
    onderzoek worden in principe geen dwangmiddelen ingezet.

    Deze voorbereidende of proactieve fase wordt afgesloten met een
    eindrapport dat wordt aangeboden aan het hoofd MBT. In overleg met
    de officier van justitie en de leidinggevende, vaak een
    hulpofficier, wordt bepaald of de zaak strafrechtelijk opgepakt
    gaat worden. Noot

    In het TCA/TCR-onderzoek zijn voor observatie warmtecamera’s
    gebruikt. Zodoende konden veranderingen in het peil van de
    reservoirs met chemisch afval in de gaten worden gehouden. Dit
    heeft overigens niets opgeleverd. Tevens zijn transporten gevolgd,
    soms met gebruikmaking van plaatsbepalingsapparatuur. Veelvuldig
    wordt gebruik gemaakt van peilzenders voor het volgen van boten. De
    informanten die zich tot het MBT richten worden in principe
    doorverwezen naar een RCID. Soms, wanneer diegene aangeeft niet met
    de politie te willen praten, neemt een medewerker van het MBT deel
    aan het gesprek. Dit is bijvoorbeeld gebeurd in de TCA/TCR-zaak. Er
    heeft zich een informant aangediend die werkzaam is geweest bij het
    betrokken bedrijf. In dit kader heeft een lid van het MBT een
    tolkfunctie verricht. Echter, in dit soort situaties moet duidelijk
    worden gemaakt dat leden van het MBT geen anonimiteit kunnen
    garanderen zoals CID-rechercheurs dat kunnen. In dit geval is de
    informant later gewoon als getuige gehoord. In een strafzaak is
    een oneigenlijke constructie gehanteerd. Het geval was dat een
    MBT-er informatie van een ontslagen werknemer had gekregen die
    later relevant in de strafzaak bleek te zijn. Dit was niet via de
    politie gebeurd. De MBT-er is toen uit de zaak gehaald en als
    RCID-informant opgevoerd.
    De twee belangrijkste
    informantencategorien zijn vrachtwagenchauffeurs en ontslagen
    werknemers. Bovendien willen bedrijven uit
    concurrentie-overwegingen ook weleens een boekje open doen.
    Infiltratie bij bedrijven, gewoon via vacatures, is wel eens
    overwogen. Dit zou gemakkelijk gekund hebben, maar dit is niet
    gedaan.

    In 1985 is het Centraal landelijk informatiepunt milieudelicten
    (CLIM) opgericht bij het ministerie van VROM. In 1990 heeft de CRI
    tevens een afdeling opgezet voor de informatievoorziening over
    milieucriminaliteit, vallende onder de Afdeling recherche expertise
    vermogen, Taakveld Milieucriminaliteit. In 1992 zijn werkafspraken
    gemaakt tussen de beide diensten. Het CLIM heeft sindsdien tot taak
    om ten behoeve van opsporing en vervolging van strafbare feiten
    zaaksgerichte informatie uit administratiefrechtelijke handhaving
    te verzamelen, te registreren en te analyseren, de zogenaamde
    bestuurlijke informatie over bedrijven en incidenteel bestuurlijke
    informatie over personen. Noot Ook hoort hierbij de
    informatie uit de opsporingsactiviteiten van de leden van het MBT.
    Daarentegen verzamelt, registreert en analyseert de CRI de
    justitile informatie op milieu-gebied. Noot

    Het CLIM is inmiddels opgegaan in een nieuw informatiecentrum,
    dat de bestaande informatiesystemen van de Inspectie milieuhygine
    gaat bundelen. Informatie uit eerstelijns handhavingsactiviteiten
    van de inspectie – doorgaans bestuurlijke informatie – wordt
    opgeslagen in een centraal bedrijfsbestandensysteem IRIS. Hieraan
    is nog een aantal bijzondere informatiesystemen gekoppeld, o.a.
    betreffende informatie over grensoverschrijdend vervoer van
    gevaarlijke afvalstoffen. Noot

    Er zijn initiatieven genomen om handhavingsinformatie van het
    bestuur ter beschikking te stellen aan politie en justitie. Tot op
    heden is er nog geen structureel netwerk voor het verzamelen van
    informatie uit eerstelijnstoezicht van de regionale inspecties. Dit
    wordt een taak voor het informatiecentrum. Noot Het MBT
    heeft een bijzondere informatiepositie. Het MBT bevindt zich tussen
    toezichthoudende activiteiten van de inspecties en
    opsporingsactiviteiten van de politie. Zodoende kan deze dienst
    beschikken over informatie uit toezichtsactiviteiten en uit
    concrete opsporingsonderzoeken. Aangegeven wordt dat deze unieke
    informatiepositie het MBT, in samenwerking met de CRI, in staat
    stelt om de voor opsporing en vervolging noodzakelijke synergie
    tussen criminele informatie en toezichtinformatie te
    bewerkstelligen. Noot
    Op internationaal niveau zijn enige overlegvormen op milieugebied.
    De informatieverzameling op dit gebied wordt besproken in het kader
    van de politile samenwerking van de Europese Unie. Het resultaat
    hiervan is een aanbeveling om Denemarken aan te wijzen als
    verzamelpunt van strategische milieu-informatie. Op termijn wordt
    dit als een taak voor Europol beschouwd. Verder heeft in 1994 onder
    voorzitterschap van Nederland een vergadering plaatsgevonden van de
    werkgroep milieucriminaliteit van Interpol. Een resultaat hiervan
    is dat het secretariaat-generaal van Interpol, gevestigd te Lyon,
    is aangewezen als het centraal informatieverzamelpunt. Noot

    7.6.6 Informatie-uitwisseling

    Het informatiecentrum van de Hoofdafdeling handhaving
    milieuwetgeving is sinds 1992 voornamelijk voor intern gebruik, en
    gericht op het verzamelen van bestuurlijke informatie. Dit gaat nog
    moeizaam. De provincies en gemeenten lopen niet warm om hun
    bestuurlijke informatie aan dit landelijk informatiepunt ter
    beschikking te stellen. Vooral in kleine gemeenten is er sprake van
    een persoonlijke relatie tussen toezichthouders en bedrijven,
    eveneens kan er sprake zijn van een, door de jaren gegroeid,
    gedoogbeleid. Het informatiecentrum valt onder het privacy-regime
    van de Wet persoonsregistraties. De uitwisseling van informatie met
    onder andere de CRI geeft weinig problemen daar voornamelijk
    bedrijfsgegevens zijn opgenomen. Het privacy-regime betreft louter
    natuurlijke personen. De informatie uit toezicht of uit het grijze
    veld tussen toezicht en opsporing wordt als zeer waardevol
    gewaardeerd. Dit is een vogelvrij gebied met betrekking tot het
    uitwisselen van informatie.

    Wat betreft toezicht-informatie zijn er diverse
    informatie-systemen. De regionale inspecties en de Hoofdinspectie
    milieuhygine verzamelen informatie uit controle-activiteiten; bij
    het bestuur is in iedere regio in het kader van de Wet
    gemeenschappelijke regelingen een Cordinatie- en informatiepunt;
    ook bestaan er interne informatie-systemen bij de provincies. Er
    bestaat echter geen informatie-uitwisseling tussen gemeenten en
    provincies en met de politie. In het TCA/TCR-onderzoek is men aan
    bestuurlijke informatie gekomen onder het mom van een ander
    bedrijf. Tevens heeft in het geheim een hoge ambtenaar van de
    dienst Zuid-Holland van het ministerie van Verkeer en Waterstaat
    meegedraaid met het onderzoek, met het oog op
    informatieverstrekking.

    Gezien het feit dat het MBT vanaf het begin eigenlijk toegevoegd
    is aan de politie loopt de informatie-uitwisseling tussen de
    inspecties en de politie, en dan met name de CRI, wel goed. In
    concrete onderzoeken krijgen de MBT-leden CID-informatie. Echter,
    aangegeven wordt dat de werkelijk nuttige zachte informatie op
    milieu-gebied uit het bestuurlijk circuit komt en niet zozeer uit
    het politiecircuit. RCID-en hebben nog weinig informatie met
    betrekking tot deze sector.

    7.6.7 Overig

    De informatie-inwinning op milieugebied dient voornamelijk in de
    bovenwereld plaats te vinden. Op het moment zijn met name de
    politile CID-en hierop niet berekend. Wel hebben alle RCID-en
    milieu in hun pakket. Er heeft een pilot-project CID en milieu
    plaatsgevonden dat heeft geresulteerd in onder meer de aanbeveling
    om een CID-rechercheur te koppelen aan een ervaren
    politiefunctionaris uit de milieuhandhavingssector. De CID Utrecht
    is recent gestart met deze werkwijze. Tevens is er een landelijke
    projectgroep geformeerd met als taak om nieuwe gedachten en
    methoden te ontwikkelen ter verbetering van de informatiepositie in
    de bovenwereld. Noot

    Sinds begin 1994 zijn eveneens milieukoppels werkzaam. Doel is
    een informantencircuit op te bouwen in de bovenwereld; dit betekent
    onder meer contacten met vergunningverleners bij VROM, provincies
    en gemeenten en directeuren van bedrijven in de afvalsector. Uit
    concurrentieoverwegingen wordt wel meegewerkt met de politie.
    Inmiddels is een zaak opgepakt op deze CID-informatie.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken