• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 8.3 De BVD en criminaliteitsbestrijding

    8.3 De BVD en criminaliteitsbestrijding

    8.3.1 Het gebruik van BVD-informatie in een
    strafproces

    Het gebruik van BVD-informatie ten behoeve van strafvordering
    doet zich in de praktijk voor, bijvoorbeeld na de aanhouding van
    actievoerders bij de ontruiming van het Wolters-Noordhoff-complex
    te Groningen op 27 mei 1990. De BVD zou met name informatie hebben
    verschaft ten behoeve van de identificatie van de aangehouden
    personen.

    De voorzitter :
    Als hoofd van de BVD heeft u bij het toepassen van
    opsporingsmethoden ook samengewerkt met de politie?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Er zijn diverse manieren waarop de BVD zich verhoudt
    tot de politie. Dus uw vraag is wat ruim.
    De voorzitter:
    In het kader van opsporingsonderzoek, in het kader van
    justitieel onderzoek.
    De heer Docters van Leeuwen:
    Wij hebben twee dingen gedaan en voor zover ik weet doet
    de
    BVD die nog. In ieder geval deed de BVD dat nog
    tot 1 januari 1995. Als wij informatie hadden die relevant was voor
    de politie, met name in haar strafrechtelijke taak, hebben wij die
    informatie vaak overgedragen aan de politie. Meestal deden wij dat
    op twee manieren. Ofwel doordat wij een liaison vormden met het
    betrokken opsporingsteam. Dat wil zeggen dat wij niet in verbanden
    waarbij er executief opgespoord werd, gingen zitten, maar dat wij
    deelnamen aan het beleidsoverleg aan de top van zo’n team. Dat was
    de ene methode. De andere methode was die van het ambtsbericht van
    het hoofd van de
    BVD aan de hoofdofficier.
    De voorzitter:
    Hoeveel van die ambtsberichten gingen er in die tijd
    ongeveer uit?
    De heer Docters van Leeuwen:
    Ik heb dat vanochtend nagevraagd. Dat blijken er een stuk of
    90 geweest te zijn, waarvan tweederde aan de justitile
    autoriteiten.
    Noot

    Ook krijgt de Centrale inlichtingen- en analysedienst van de
    Economische controledienst informatie van de BVD. In 1992 hebben de
    toenmalige ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken zich in
    een brief aan de Kamer op het standpunt gesteld dat informatie en
    materiaal verzameld door de BVD in het kader van zijn
    taakuitoefening:

    a. aanleiding kunnen vormen tot het instellen van een
    strafrechtelijk onderzoek door de daartoe bevoegde
    opsporingsinstanties;
    b feiten en omstandigheden in de zin van artikel 27 Sv en dus een
    rechtmatige verdenking op kunnen leveren en
    c wettig bewijs kunnen vormen in de zin van het Wetboek van
    Strafvordering.
    Noot Het staat de rechter vrij om
    van de BVD afkomstige informatie al dan niet voor het bewijs te
    gebruiken. De enkele omstandigheid dat de informatie afkomstig is
    van de BVD maakt nog niet dat die informatie onrechtmatig is
    verkregen.

    Als regel zal hier een ambtsbericht van het hoofd van de BVD aan
    de officier van justitie uitgaan. In spoedeisende situaties wordt
    het niet uitgesloten geacht dat de informatie eerst mondeling wordt
    verstrekt en dat er achteraf alsnog een (schriftelijk) ambtsbericht
    komt. Zo is het in beginsel mogelijk dat de BVD door middel van een
    ambtsbericht informatie uit een BVD-telefoontap verstrekt aan de
    politie.

    De voorzitter:
    Maar welke wettelijke basis is er om op deze manier te
    werken?
    Mevrouw Van der Molen-Maesen:
    Voor de BVD is de wettelijke basis te vinden in de
    Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
    De voorzitter:
    Op grond van die wet kan men inlichtingen verzamelen, maar
    die dienst kan op grond daarvan toch geen inlichtingen verzamelen
    voor een strafproces? De ambtenaren van de
    BVD zijn namelijk
    geen opsporingsambtenaren.
    Mevrouw Van der Molen-Maesen:
    Nee, zij verzamelen inlichtingen op grond van hun
    bevoegdheid en als zij mij iets vertellen dat mogelijk van belang
    kan zijn, kunnen wij dat ook gebruiken in een strafproces.
    De voorzitter:
    Maar het is toch niet genoeg dat u dat zegt. Voor zoiets
    moet toch een wettelijke basis zijn. Is die er in voldoende
    mate?
    Mevrouw Van der Molen-Maesen:
    Ik meen dat uiteindelijk de rechter zal toetsen en dat hij
    zal zeggen of hij er genoegen mee neemt. Maar als een
    informant
    iets zegt en wij brengen die informatie in een strafproces, dan
    toetst de rechter toch ook.
    De voorzitter:
    Dan wordt een proces-verbaal gemaakt door
    opsporingsambtenaren.
    Mevrouw Van der Molen-Maesen:
    Maar hiervan wordt ook proces-verbaal opgemaakt.
    De voorzitter:
    Door wie dan?
    Mevrouw Van der Molen-Maesen:
    Door de afdeling DBRZ. Noot Ik krijg het
    ambtsbericht en geef dat in handen van die afdeling en daar maakt
    men er een proces-verbaal van.
    De voorzitter:
    Dus dan is de BVD eigenlijk een grote
    informant.
    Mevrouw Van der Molen-Maesen:
    Maar wel een superinformant. Noot Het is de
    vraag of de artikelen 11 en 12 WIV voldoende basis bieden voor de
    verstrekking van informatie door

    de BVD aan opsporingsinstanties.

    De voorzitter:
    De vraag is of het niet dienstig is dat beter te regelen,
    vooral waar het gaat om de verantwoordelijkheid die een officier
    van justitie op zich neemt als hij of zij van die informatie verder
    gebruik maakt voor opsporingsdoeleinden.
    De heer Docters van Leeuwen:
    Dat lijkt mij op zichzelf niet nodig, in ieder geval niet om
    deze specifieke reden. Iets anders is dat ook de
    BVD deel
    uitmaakt van de rechtsstaat en zich dus ook moet houden aan de
    jurisprudentie van de Europese Commissie voor de rechten van de
    mensen en van het hof. Het hof stelt nu, dat is ook laatst naar
    voren gekomen in een uitspraak van de Raad van State die overigens
    ging over openbaarheid, dat ook de
    BVD duidelijk moet
    voldoen aan het kenbaarheidsvereiste en het
    voorzienbaarheidsvereiste. Dat slaat ook terug op deze situatie. De
    burger moet weten wanneer de
    BVD zich met iets bemoeit en
    wat er dan kan gebeuren. In dat kader lijkt het mij dat wij zeer
    goed moeten kijken of die procedure niet toch een wettelijke
    grondslag moet krijgen.
    Noot

    8.3.2 Samenwerking tussen BVD en politie

    Binnen elk korps van de regiopolitie fungeert een regionale
    inlichtingendienst (RID). Vr de reorganisatie van de politie werd
    gesproken van plaatselijke inlichtingen dienst (PID; ook aangeduid
    als politieke
    inlichtingendienst). De RID heeft enerzijds een taak ten behoeve
    van de openbare orde onder verantwoordelijkheid van de burgemeester
    en anderzijds een taak ten behoeve van de BVD onder
    verantwoordelijkheid van de korpschef en het hoofd van de BVD. De
    regionale korpschef fungeert als schakel tussen RID en BVD.

    De samenwerking tussen BVD en de politie is onderwerp van
    verschillende commissies geweest. In dit verband valt te wijzen op
    het rapport van de werkgroep Relatie politie BVD.
    Noot Deze werkgroep heeft in 1991 enkele aanbevelingen
    gedaan ten behoeve van de rol van de BVD in de nieuwe
    politie-organisatie. Tussen de korpschef en de BVD dient bilateraal
    overleg plaats te vinden. Ook wordt gepleit voor overleg tussen het
    hoofd van de BVD (of de directeur Democratische rechtsorde) en de
    Raad van hoofdcommissarissen. De werkgroep geeft in overweging om
    te komen tot een platform voor overleg tussen BVD en RID teneinde
    op functionele wijze ervaringen uit te wisselen. In het rapport van
    de werkgroep wordt voorts aanbevolen om de werkzaamheden van de RID
    en de Criminele inlichtingendienst (CID) binnen de regio op elkaar
    af te stemmen. Observatiemiddelen moeten voor de RID beschikbaar
    komen en van analysemogelijkheden moet gebruik kunnen worden
    gemaakt. Opleidingen van personen werkzaam binnen RID en BVD dienen
    op elkaar te worden afgestemd. Het hoofd van de BVD zou
    verantwoordelijk moeten zijn voor de werkzaamheden van de RID in
    het kader van een BVD-taak.

    De informatie van de RID is niet toegankelijk voor de CID. De
    medewerkers van de RID voelen zich vrij om informatie die in het
    kader van de openbare orde-taak is vergaard zonder meer door te
    geven aan de CID. In Amsterdam heeft men ten behoeve daarvan een
    CID-tipformulier ontwikkeld. Daarin wordt ook de bron van de
    informatie aan de CID kenbaar gemaakt. Het is niet uitgesloten dat
    de bron wordt overgenomen door de CID. Informatie uit het
    BVD-traject wordt uitsluitend gexploiteerd via ambtsberichten dan
    wel met toestemming van de BVD. Als een BVD-agent Noot
    vrijwel uitsluitend criminele informatie zou produceren, zal de BVD
    voorkeur hebben die bron over te dragen aan de CID.

    Het project Hermandad betreft de samenwerking tussen de BVD
    enerzijds en de politie en bijzondere opsporingsdiensten
    anderzijds. Noot Inmiddels zijn met de korpsen afspraken
    gemaakt dat de BVD bepaalt ten behoeve waarvan mensen van de RID
    die voor de BVD werken, kunnen worden ingezet. Zij kunnen
    werkzaamheden verrichten ten behoeve van een projectteam en vallen
    dan onder de leiding van de teamleider van de BVD.

    In het kader van het project Hermandad is aandacht voor de
    overdracht van informatie van de politie (met name van de CID) aan
    de BVD. Artikel 22 van de Wet op de inlichtingen en
    veiligheidsdiensten biedt hiervoor, zoals vermeld, de basis. Om
    voor de BVD onduidelijke redenen betracht de CID grote
    terughoudendheid bij de overdracht van informatie aan de BVD. Het
    principe voor wat, hoort wat zou hierbij opgaan. De politie stoort
    zich aan de eenzijdigheid van de relatie met de BVD. De BVD geeft
    zelf namelijk spontaan nooit informatie aan de CID. In gevallen
    waarin informatie aan de BVD is gegeven, wordt van de kant van de
    BVD daaromtrent nooit meer enig bericht vernomen.

    De BVD streeft ernaar uiterlijk 1 april 1997 met de RID-en een
    goede werkverhouding te hebben, die zich ook in de praktijk
    bewijst. Deze werkverhouding zal te zijner tijd onderwerp zijn van
    een evaluatie.

    8.3.3 Samenwerking BVD – politie/justitie in concrete
    strafrechtelijke onderzoeken

    De BVD neemt niet deel aan strafrechtelijke onderzoeken. Wel
    treden BVD-medewerkers soms op als liaison naar de politieteams.
    Dit is bijvoorbeeld het geval in het COPA-team.

    De heer Rabbae:
    Ik kom nu bij de samenwerking met de politie in de
    criminaliteitsbestrijding. U werkt samen met een aantal

    kernteams inzake de zware criminaliteit?
    De heer Van Helten:
    Wij werken samen met de politie. Wij hebben niet een
    concrete samenwerkingsvorm met de
    kernteams van de politie.
    Wij hebben wel contacten met de politie en dat geldt voor de
    politie in totaliteit.
    De heer Rabbae:
    Wilt u zeggen dat u geen liaisons hebt? Dat u geen mensen
    geparkeerd hebt bij
    kernteams?
    De heer Van Helten:
    Nee, niet bij alle kernteams. In sommige gevallen
    zullen wij een liaison hebben omdat de overlapping van de
    raakvlakken zodanig is, dat het nuttig is. Maar dat is meer om
    ervoor te zorgen dat wij een analysebijdrage kunnen geven aan het
    totaal dan dat wij ons mede bezighouden met het bestrijden van
    criminaliteit.
    Noot

    De liaisons hebben tot taak na te gaan welke informatie van de BVD
    mogelijk relevant is voor strafrechtelijk onderzoek. Indien de BVD
    over bruikbare informatie beschikt, wordt deze uitsluitend via een
    ambtsbericht van het hoofd van de BVD aan een team ter beschikking
    gesteld. Met het ter beschikking stellen van gegevens uit onderzoek
    van de BVD ten behoeve van strafrechtelijk onderzoek is de BVD zeer
    voorzichtig. Ook is het mogelijk dat het team beschikt over voor de
    BVD relevante informatie die aan de BVD wordt overgedragen.
    Mogelijke raakvlakken tussen BVD- en justitieel onderzoek worden
    niet structureel genventariseerd. Van aanmelding van de onderzoeken
    over en weer is geen sprake. De CRI beschikt overigens wel over een
    overzicht van alle lopende en afgeronde strafrechtelijke
    onderzoeken. Daar kan de BVD vrijelijk – zonder tussenkomst van de
    landelijke officier van justitie – over beschikken.

    8.3.4 De landelijke officier van justitie

    Bij het landelijk bureau OM is een drietal landelijke officieren
    van justitie werkzaam. En daarvan heeft terreur, spionage en de BVD
    in de portefeuille. Sinds kort is mensensmokkel hieraan toegevoegd.
    Deze landelijk officier speelt een rol bij de
    informatieverschaffing van de BVD aan het OM in het kader van
    artikel 12 WIV. Zo kreeg de commissie een ambtsbericht onder
    ogen, waarin aan een officier van justitie werd meegedeeld dat bij
    een huiszoeking niet alle aanwezige verdovende middelen waren
    gevonden en in beslag genomen. Dit ambtsbericht werd opgesteld twee
    dagen nadat de informatie reeds mondeling aan de officier van
    justitie was doorgegeven. In het ambtsbericht werd aangegeven dat
    de informatie afkomstig was uit een kwetsbare bron. Ook werd aan de
    onderzoekers inzage verschaft in de onderliggende stukken. Daaruit
    bleek dat een agent van de
    BVD bij toeval informatie over
    deze zaak ter ore was gekomen en dat hij hierover op eigen
    initiatief telefonisch contact met de
    BVD had
    opgenomen.

    Bij dergelijke ambtsberichten zou het als regel gaan om
    bijvangst: nevenproducten van de BVD. Het komt vaker voor dat in
    ernstige, spoedeisende gevallen een telefonische melding aan de
    officier van justitie in het arrondissement voorafgaat aan het
    ambtsbericht. Alvorens een ambtsbericht uitgaat, vindt overleg
    plaats met de landelijke officier van justitie. Hierbij wordt wel
    extra informatie gegeven die niet is bestemd voor de officier van
    justitie in het arrondissement, bijvoorbeeld informatie afkomstig
    van een zusterdienst van de BVD. Het overleg wordt door de
    landelijke officier van justitie gebruikt om de hardheid van de
    aangeboden informatie na te gaan. Het komt voor dat in dat kader
    ook inzage in onderliggende stukken plaatsvindt. Het overleg vindt
    plaats met de voor de operatie verantwoordelijke teamleider.
    Daarbij kan ook de inzet van de inlichtingenmiddelen aan de orde
    zijn. In de periode van half november 1994 tot begin april 1995
    zijn er vier vijf ambtsberichten uitgegaan.

    De voorzitter:
    Door de politiek is altijd gezegd: er moet een sterke
    scheiding zijn tussen wat de
    BVD doet en wat justitie doet.
    Nu wordt materiaal van de
    BVD door justitie gebruikt. In de
    Tweede Kamer is altijd gezegd: de

    BVD is geen opsporingsinstantie. Maar helpt de BVD toch
    niet gewoon de opsporing?

    Mevrouw Van der Molen-Maesen:
    Nee, zij helpen niet, maar zij doen iets. Vervolgens help ik
    of het OM de politie.
    De voorzitter:
    Zoiets moet juridisch toch beter geregeld worden. Nu is er
    sprake van een truc en lijkt het erop dat u de informatie heeft
    ingezameld.
    Mevrouw Van der Molen-Maesen:
    Ik vind dit helemaal geen truc. De gang van zaken is heel
    zuiver en die houden wij ook heel zuiver. Zodra er sprake is van
    strafbare feiten bij de opsporing, zeg ik: ho, ho, niet de

    BVD

    doet dit. Ik zorg er dan wel voor, dat er een gerechtelijk
    vooronderzoek komt en dat de politie eraan begint. Zodra er sprake
    is van criminaliteit gaat
    BVD niet met het werk verder. Dan
    wordt gezegd: ho, stop, kom met mij praten. Vervolgens gaat het
    andere traject beginnen. Het een is heel zuiver gescheiden van het
    ander.
    Noot De informatie van de BVD wordt opgenomen
    in een door de landelijke officier van justitie opgesteld
    proces-verbaal. Dat proces-verbaal begint dan als volgt: Op … is
    door de BVD een ambtsbericht opgesteld dat is gezonden aan de
    landelijke officier van justitie. De integrale tekst van het
    ambtsbericht wordt opgenomen en zo mogelijk nog aangevuld met eigen
    informatie.

    De voorzitter:
    En als de BVD informatie krijgt doordat zij direct
    afluistert. Dat mag de
    BVD doen, maar justitie niet. Is het
    bewijs dan toch rechtmatig verkregen?
    Mevrouw Van der Molen-Maesen:
    Ja, als de BVD dat direct afluisteren maar
    doet in zaken waarin hij bevoegd is af te luisteren op grond van de
    Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dat is mijn visie.
    Dus het moet gaan om informatievergaring in zaken waarbij de
    democratische rechtsorde of de staatsveiligheid in het geding is.
    De
    BVD moet niet afluisteren als men daar de georganiseerde
    criminaliteit of iets dergelijks wil bekijken. Als de ambtenaren
    van de
    BVD echter op grond van hun bevoegdheid direct
    afluisteren mag ik, omdat zij de informatie rechtmatig hebben
    verkregen, die in strafzaken gebruiken. Dat vind ik.

    Noot

    De BVD bepaalt welke informatie aan de landelijke officier van
    justitie wordt verstrekt; deze heeft niet de mogelijkheid gerichte
    verzoeken om informatie te doen. Wel kan de BVD als expert op
    bepaalde terreinen
    optreden. Onlangs is dat gebeurd ten behoeve van het kernteam dat
    zich bezighoudt met de criminaliteit door Oosteuropeanen.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken