• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VI – 9.2 Organisatie van het OM

    9.2 Organisatie van het OM

    De officieren van justitie staan in het hirarchische verband van
    het openbaar ministerie onder het gezag van de hoofdofficier van
    justitie, die aan het hoofd staat van n van de negentien
    arrondissementsparketten. Ieder arrondissementsparket valt onder n
    van de vijf ressortsparketten die alle worden geleid door een
    procureur-generaal. Samen vormen de vijf procureurs-generaal het
    College van procureurs-generaal dat als de centrale leiding van het
    OM fungeert. Daarenboven is de minister van Justitie zoals vermeld
    bevoegd bevelen te geven aan de individuele leden van het openbaar
    ministerie.

    9.2.1 Organisatiestructuur

    Arrondissementsparketten

    De hoofdofficier van justitie geeft leiding aan het parket. Hij
    is lid van het regionale college dat het bestuur van het
    regiopolitiekorps vormt, hij neemt deel aan het driehoeksoverleg
    met de korpschef en korpsbeheerder en de hoofdofficier van justitie
    heeft sinds de invoering van de Politiewet 1993 een
    instemmingsrecht bij belangrijke beheersaangelegenheden van het
    regiokorps van politie (zie hierover .9.3.2). Binnen een
    arrondissementsparket zijn onder de officieren van justitie de
    volgende rangen te onderscheiden: arrondissementsofficier van
    justitie eerste klas (zogenoemde eerste klassers)
    arrondissementsofficier van justitie en substituut-officier van
    justitie (artikel 59c RO). Sinds de reorganisatie van de politie
    zijn er in die arrondissementen, waarbinnen meer dan n

    politieregio vallen, voor de andere politieregio’s fungerend
    hoofdofficieren van justitie aangesteld.

    Het arrondissementsparket is binnen het OM de werkvloer voor de
    bestrijding van zware, georganiseerde criminaliteit. Het kader van
    de aanpak van zware, georganiseerde criminaliteit op
    arrondissementaal niveau is te vinden in jaarplannen of
    beleidsplannen. Daarin wordt de voor het OM benodigde
    organisatorische structuur voor de aanpak van zware, georganiseerde
    criminaliteit geschetst. Er is geen landelijke regeling die de
    organisatorische aanpak van de parketten uniformeert.

    In de meeste parketten is de zware criminaliteit in een
    bijzondere unit ondergebracht. In de regel omvat een dergelijke
    unit tevens een aantal andere specialismen zoals fraude en milieu.
    Aan de term zware criminaliteit wordt verschillend inhoud
    gegeven.

    Er zijn enkele arrondissementen die uitgaan van het principe dat
    elke officier van justitie elk type zaak moet kunnen behandelen en
    die derhalve de zware criminaliteit niet hebben ondergebracht in
    een aparte unit. Binnen de specialistische units werken
    verschillende officieren: zaaksofficieren (ook wel
    ZwaCri-officieren),
    CID-officieren, kernteam-officieren, milieu- en fraude-officieren.
    Zij dragen respectievelijk het gezag over het tactische onderzoek,
    het onderzoek door de Criminele inlichtingendienst (CID), het
    kernteam-onderzoek en de milieu- of fraude-onderzoeken.

    In Haarlem en Rotterdam zijn bijvoorbeeld soms twee
    officieren samen met n onderzoeksproject belast. Door de
    mogelijkheid van collegiaal overleg zou de (juridische) kwaliteit
    worden verhoogd. Beiden treden ter terechtzitting op waardoor de
    vervangbaarheid van de individuele officieren wordt benadrukt.

    De drie nu reeds fungerende landelijke officieren van justitie
    oefenen op grond van het aan hen gegeven mandaat van de Vergadering
    van procureurs-generaal gezag uit.

    Een landelijke standaard voor het takenpakket en de
    organisatorische plaats van de kernteam- en CID-officieren
    ontbreekt. Zo fungeren de kernteam-officieren doorgaans tevens als
    CID-officier voor het kernteam, maar niet steeds in hetzelfde
    institutionele kader. De CID-officier is in sommige gevallen voor
    deze functie min of meer vrijgesteld, terwijl de CID-officier in
    andere gevallen tevens hoofd van een unit is of andere taken
    vervult. De figuur van CID-officier van justitie is betrekkelijk
    nieuw. In de loop van de jaren tachtig is binnen de
    arrondissementsparketten een speciale officier van justitie belast
    met werkzaamheden in het kader van de CID-activiteiten. Hij wordt
    daartoe in elk arrondissement door de betrokken hoofdofficier
    aangewezen.

    De heer De Graaf :
    (…) Ik wil graag dat u mijn vraag beantwoordt. Ik vroeg of
    het gezag, de toetsing, het toezicht van het openbaar ministerie op
    de
    CID Kennemerland naar uw oordeel adequaat is
    geweest.
    De heer De Beaufort:
    Daar kom ik dus op. Als hoofdofficier zit je natuurlijk niet
    daar op schoot om te kijken hoe dat dagelijks gaat. De eerste taak
    die ik heb, is om te zorgen dat er capabele mensen beschikbaar zijn
    om dat werk te doen en dat die mensen daar de tijd voor hebben.
    Daarom refereerde ik net aan het woord tijd. In 1992, toen de heer
    Toeter dat werk deed, was het iets van: ach, dat doe je erbij. De
    heer Toeter was hoofd van een territoriale unit op ons parket. Ik
    bemerkte al betrekkelijk spoedig dat dit eigenlijk niet meer te
    combineren was. Er moest iemand apart voor worden aangetrokken en
    gedeeltelijk voor worden vrijgemaakt. Ik ga hierop in, omdat ik
    hier wil benadrukken hoe moeilijk dat is. Op een parket van iets
    minder dan 20 officieren zijn wij er met pijn en moeite in geslaagd
    om mevrouw Kuitert voor 50% hiervoor vrij te maken. Dan vraagt u
    mij: is dat adequaat? Ik denk dat wij op dat moment n van de eerste
    parketten waren die er berhaupt in zijn geslaagd om iemand daar
    voor een deel voor vrij te maken. De heer Snijders doet het nu voor
    100%.
    Noot

    In de wetgeving is er geen grondslag voor de CID-officier van
    justitie. Uit de nieuwe CID-regeling volgt wel dat de CID-officier
    van justitie aan de CID aanwijzingen kan geven. Artikel 2 lid 2 van
    de regeling luidt als volgt: De taakuitvoering, bedoeld in het
    eerste lid (het gaat hier om de taak van de CID, red.), vindt
    plaats binnen de door de CID-officier aangegeven kaders en met
    inachtneming van de door de betrokken CID-officier gegeven
    aanwijzingen.

    In de toelichting wordt hieromtrent het volgende opgemerkt:
    Vanwege de specialistische werkzaamheden van de
    criminele
    inlichtingendiensten is destijds besloten dat per arrondissement
    de hoofdofficier van justitie een CID-officier van justitie (…)
    aanwijst zodat ook op dit terrein van de opsporing de ingevolge
    artikel 148 van het Wetboek van Strafvordering opgedragen taak
    deugdelijk kan worden vervuld.
    Van der Veen gaf de
    kwaliteitseisen voor de CID-officier van justitie in zijn verhoor
    weer:

    De heer Van der Veen:
    De kenmerken waar ik altijd in het dagelijkse leiding geven
    vorm aan heb gegeven. De eerst is richting geven, gewoon de
    juridische kaders en vanuit die verantwoordelijkheid aan de slag
    gaan. Dat beperkt zich dan tot systemen, vanuit de invalshoek van
    de juridische kaders. Het tweede element waaraan ik altijd
    geprobeerd heb, vorm te geven en dat ik heel belangrijk vond, is
    het overbruggen van tegenstellingen. Ik doel dan op vakmatige
    tegenstellingen, want wij zitten op een terrein – dat weet u zelf
    ook, want daar is uw vraagstelling op gericht – waarop de grenzen
    van mogelijkheden en onmogelijkheden niet duidelijk liggen. In de
    dagelijkse praktijk word je geconfronteerd met verschillen in
    opvattingen in alle rangen, vanaf de rechercheurs en zo. Dus daar
    moet je in investeren. Het derde punt is wat ik altijd noem gewoon
    dagelijks aanwezig zijn. En wat bedoel ik met dagelijks aanwezig
    zijn? Dat heeft te maken met vertrouwen krijgen, vertrouwen geven
    en vertrouwen onderhouden.
    De heer De Graaf:
    U wilt daar in de toekomst een vierde kenmerk bij en dat is
    ongetwijfeld de toetsing van wat er precies gebeurt.
    De heer Van der Veen:
    Ja, van het beheer van systemen. Noot Een
    werkgroep heeft zich met de interne sturing, controle en toetsing
    beziggehouden. Noot En van de
    redenen voor de instelling van deze werkgroep was dat het aan
    geschreven normen bij het CID-werk ontbreekt. Ook de positie en
    taken van de CID-officier van justitie zijn niet duidelijk
    genormeerd. De werkwijzen en de organisatorische inbedding van de
    CID-officieren lopen nogal uiteen. Het komt nog niet veel voor dat
    de CID-officier van justitie zich uitsluitend bezig houdt met het
    CID-werk: sommige CID-officieren besteden een tiende deel van hun
    werktijd aan het CID-werk; anderen, bijvoorbeeld
    kernteam-CID-officieren, besteden meer dan de helft van hun tijd
    aan dit werk. Niet zelden is de CID-officier van justitie tevens
    hoofd van de Unit zware criminaliteit. Ook komt het – zeker in de
    kleinere arrondissementen – voor dat de CID-officier van justitie
    in bepaalde onderzoeken tevens als zaaksofficier optreedt. In de
    vergadering van het Cordinerend beleidsoverleg (CBO) van 28
    augustus 1992 is de wenselijkheid uitgesproken de officier van
    justitie algeheel vrij te stellen voor het inlichtingenwerk. Ook
    vanuit de CID wordt de behoefte geuit om de CID-officier van
    justitie steeds ter beschikking te hebben. De officieren van
    justitie worden in hun dagelijks werk bijgestaan door
    parketsecretarissen. Van oudsher is de parketsecretaris vooral
    betrokken bij het beheer van het dossier. De functie-inhoud is
    echter aan verandering onderhevig. In de grote onderzoeken
    vervaardigt de parketsecretaris ten behoeve van de officier van
    justitie aanzetten voor het requisitoir, onder meer in de vorm van
    bewijsoverzichten. Bij afwezigheid van de behandelend officier van
    justitie is de parketsecretaris de informatieschakel. Naar eigen
    ervaring hebben parketsecretarissen meer beleidsvrijheid dan
    voorheen. Met de inzet van opsporingsmethoden hebben zij geen
    bemoeienis. Het is de vraag of het OM in materieel en
    organisatorisch opzicht voldoende is toegerust om de zware,
    georganiseerde criminaliteit aan te pakken. De ambtelijke
    ondersteuning, de huisvesting, het materieel en andere faciliteiten
    schieten op veel punten te kort.

    Ressortsparketten

    Het hoofd van een ressortsparket, de procureur-generaal, wordt
    bijgestaan door advocaten-generaal. De advocaat-generaal heeft in
    het algemeen geen taak bij de opsporing van strafbare feiten. De
    wet kent de advocaat-generaal geen opsporingsbevoegdheid toe; hij
    vertegenwoordigt het openbaar ministerie tijdens de zitting in
    hoger beroep. In de praktijk is er een tendens om de
    advocaat-generaal te betrekken bij opsporingsonderzoek in bepaalde
    grote zaken. In het geval dat dit gebeurt, wordt zowel besproken
    wat aan de verdachte moet worden tenlastegelegd, als het
    verantwoord zijn van bepaalde opsporingsmethoden. De
    advocaat-generaal zal dergelijke methoden in hoger beroep immers
    voor zijn rekening moeten kunnen nemen.

    Parket bij de Hoge Raad

    Het parket bij de Hoge Raad neemt binnen het OM een bijzondere
    positie in. De belangrijkste taak van dit parket is de advisering
    van de Hoge Raad door middel van conclusies in civiele en
    strafzaken. Een taak bij de opsporing en vervolging heeft het
    parket bij de Hoge Raad niet.

    9.2.2 Reorganisatie OM

    In een rapport van de Stuurgroep versterking openbaar ministerie
    uit 1993, Het OM…om, werden enkele krachtige uitspraken
    gedaan, die de noodzaak van reorganisatie aankondigden: Het OM
    loopt gevaar. Dat maakt het noodzakelijk om een nieuwe visie op de
    parketten te ontwikkelen. Ook werd gesteld: Als men de agenda’s van
    de PG-vergadering bekijkt, dan valt het op dat de meeste
    onderwerpen die daarop staan, niet of slechts zijdelings met de
    taakuitvoering van de parketten te maken hebben. Noot
    Uit zorg over voortdurende berichten over tekortkomingen en
    tekortschietende aanpassingen bij het OM drong de Kamer bij de
    behandeling van de justitiebegroting 1994 aan op een onafhankelijk
    onderzoek. Hiertoe werd de Commissie openbaar ministerie onder
    voorzitterschap van J. P. H. Donner samengesteld. Op 8 juni 1994
    verscheen het rapport Het functioneren van het openbaar
    ministerie binnen de rechtshandhaving
    . Hierin constateert de
    commissie dat door de voortschrijdende differentiatie binnen en de
    toenemende verbreding van de rechtshandhaving en door de relatief
    gezien steeds schaarsere voor de rechtshandhaving beschikbare
    middelen het meer en meer noodzakelijk is geworden om te komen tot
    sturing, afstemming en prioriteitenstelling. Het rapport
    constateerde onduidelijkheid over de kerntaak van het OM. Het OM
    functioneerde niet voldoende als een eenheid, het OM werd aangeduid
    als een non-organisatie en het ontbrak aan landelijke leiding.

    De reorganisatie van het OM is langs de lijnen van het
    rapport-Donner, dat volgens de minister geen
    blauwdruk is voor de reorganisatie, ter hand genomen.
    Noot Per 1 januari 1995 werd A.W.H. Docters van Leeuwen
    benoemd tot procureur-generaal bij het gerechtshof te Den Haag en
    aangewezen als voorzitter van het College van procureurs-generaal.
    Dat college staat met ingang van die datum aan het hoofd van het
    OM. Het college wijkt in twee opzichten af van de vroegere
    Vergadering van procureurs-generaal: op het punt van de
    besluitvorming, aangezien onder omstandigheden de voorzitter
    beslist, en in de bevoegdheidsverdeling, waarbij een
    portefeuillehouder als zodanig mandaat krijgt van het college. De
    voorzitter is eerstverantwoordelijke voor onder meer het beheer
    (inclusief personeels- en benoemingenbeleid) en het
    reorganisatieproces. Deze door de minister van Justitie aangestelde
    procureur-generaal heeft een beslissende stem. Noot Bij
    de besluitvorming wordt naar consensus gestreefd, maar de minister
    sluit niet uit dat de voorzitter bij wijze van hoge uitzondering
    van zijn beslissende stem gebruik maakt. Noot Deze
    veranderingen moeten nog een formele basis krijgen. Hiervoor is een
    wetswijziging nodig. Dat de secretaris-generaal van het ministerie
    van Justitie niet meer als voorzitter optreedt, heeft volgens
    Suyver te maken met het verduidelijken van de
    verantwoordelijkheden:

    De heer Rouvoet:
    Dat brengt mij tot de relatie tussen departement en het OM.
    Er is per 1 januari wat veranderd in uw positie ten opzichte van de
    procureurs-generaal?
    De heer Suyver:
    Niet alleen met betrekking tot mijn positie. Wij hebben een
    hervorming van het OM aangevat. Er is een plan van aanpak gemaakt.
    Dat is op hoofdlijnen geaccordeerd door de Tweede Kamer. Dat houdt
    in, dat de verantwoordelijkheden helderder moeten worden
    onderscheiden. Het OM heeft een eigen verantwoordelijkheid, die
    bovendien in de wet is verankerd. De minister van Justitie is niet
    de baas van het OM. Zij is politiek verantwoordelijk. De
    secretaris-generaal of een andere ambtenaar van het
    ministerie
    van

    Justitie is niet de ambtelijke chef van het OM. Het OM heeft een
    eigen verantwoordelijkheid, in het Wetboek van Strafvordering en
    andere wetten verankerd. Dat betekent, dat je die
    verantwoordelijkheid ook duidelijk moet maken. Je moet haar leggen
    daar waar ze hoort te liggen. Het
    college van
    procureurs-generaal, het nieuwe bestuurscollege van het OM neemt
    die verantwoordelijkheid. Dat betekent dat er enige – niet te veel
    – zichtbare afstand behoort te zijn tussen het OM en de minister
    van Justitie. Natuurlijk moeten de verhoudingen en de
    overlegstructuren zodanig zijn, dat de minister behoorlijk wordt
    genformeerd om haar verantwoordelijkheid te kunnen dragen.

    De heer Rouvoet:
    Voor 1 januari was u de voorzitter van de vergaderingen van
    de procureurs-generaal.
    De heer Suyver:
    Inderdaad.
    De heer Rouvoet:
    Na 1 januari het College met een eigen voorzitter. Daarnaast
    is er de overlegvergadering.
    De heer Suyver:
    Daarnaast is er maandelijks een overlegvergadering met de
    minister van Justitie die hetzij zelf aanwezig is, hetzij
    vertegenwoordigd wordt door de secretaris-generaal.
    De heer Rouvoet:
    Heeft dat u op afstand gezet van het OM? Zo ja, hoe
    beoordeelt u dat?
    De heer Suyver:
    Ik vind de woorden op afstand zetten niet helemaal adequaat.
    Door die opzet zijn de verantwoordelijkheden duidelijk gemaakt. De
    OM-verantwoordelijkheid hoort daar te liggen. Bij de zeer
    regelmatige vergadering die werd voorgezeten door de
    secretaris-generaal, zoals dat vroeger het geval was – waarbij tal
    van departementale ambtenaren aanwezig waren – was die
    verantwoordelijkheid niet duidelijk. Dat was een mengsel van
    departementale en OM-verantwoordelijkheid in n vergadering
    verenigd. Dat is nu duidelijker uit elkaar gehaald. Die structuur
    voldoet tot op heden.
    Noot

    Anderen stellen dat in de nieuwe structuur de invloed van het
    ministerie wordt vergroot. De voorzitter zou een soort
    onderminister van Justitie zijn. Het ligt in de bedoeling dat hij
    de portefeuilles over de leden van het college verdeelt.

    In mei 1995 verscheen het Plan van aanpak reorganisatie
    openbaar ministerie.
    Noot Daarin wordt herhaald dat
    de kerntaak van het OM de strafrechtelijke handhaving van de
    rechtsorde is. Daarbij wordt het magistratelijke van het OM
    prominent belicht. Uit de kerntaak vloeit volgens de minister de
    noodzaak voort van een evenwichtige, rechtsstatelijke
    bevoegdheidsuitoefening. Bovendien moet het OM zijn
    strafrechtelijke interventies meer dan voorheen in een zeer
    gevarieerde omgeving plegen. Beide punten stellen op het punt van
    samenhang, consistentie en kwaliteit zware eisen aan de prestaties
    van het OM. Gesteld wordt dat daarvoor noodzakelijk is dat het OM
    als n organisatie wordt geconstrueerd, die binnen door de minister
    bepaalde grenzen doelen kan stellen en ook beschikt over de
    middelen om die doelen te realiseren. Het is noodzakelijk dat die
    organisatie als een eenheid functioneert. Wel zal bij de
    organisatie rekening moeten worden gehouden met de eigen aard van
    het OM.

    Met de voorgestelde reorganisatie wordt volgens de minister ook
    geprobeerd het gezag over de politie te versterken door het OM meer
    als eenheid te laten optreden.
    Daarvoor is het nodig dat het OM eenduidig optreedt in het
    gehele land en zich door niemand laat uitspelen, dat het een
    organisatie is die kwaliteit levert en daardoor respect verwerft
    waardoor het gezag als zodanig

    niet meer ter discussie staat en de politie zich goed bewust is
    van haar positie. In dat verband is het ook goed dat het OM die
    beheersrol heeft gekregen, want gezag zonder beheer is heel
    moeilijk tot gelding te brengen. Het is ook goed als de politie
    weet dat het OM bijvoorbeeld opsporingsmethoden centraal toetst en
    dat zij wat die methoden betreft onder het gezag van dat centrale
    OM moet werken, aldus de minister van Justitie.
    Noot
    In verband hiermee wordt een aantal maatregelen voorgesteld. In de
    visie van de minister zal het OM in de toekomst bestaan uit drie
    besluitvormingsniveau’s, namelijk de minister, het College van
    procureurs-generaal en de hoofden van de parketten.

    Het hoofd van het parket wordt integraal verantwoordelijk voor
    de verrichtingen van zijn parket. Zijn zeggenschap over
    beheersaangelegenheden wordt uitgebreid. De hoofdofficier zal een
    beslissende stem hebben in tal van beheersaangelegenheden, omdat de
    afhankelijkheid van het OM van het ministerie op dit vlak het
    dragen van de eigen verantwoordelijkheid van het OM voor opsporing
    en vervolging kan hinderen. De bevoegdheden die nu op ressortniveau
    liggen bij de procureur-generaal verschuiven naar boven, naar dat
    centrale college. Het College geeft centrale leiding aan het OM. De
    vergadering van procureurs-generaal is vervangen door dit college.
    Het ligt in de bedoeling dat het College bestaat uit tenminste drie
    en ten hoogste vijf leden. De instelling van het college wordt als
    volgt gemotiveerd:

    Volgens het rapport van de Commissie openbaar ministerie
    stuit deze ontwikkeling (gedoeld wordt op de ontwikkeling in de
    richting van een raad van commissarissen) echter op de spanning die
    bestaat tussen de landelijke rol van de procureur-generaal als
    portefeuillehouder en zijn rol van hoogste functionaris in het
    ressort (de zogenoemde dubbele loyaliteit). Die spanning belemmert
    de noodzakelijke eenheid van optreden en de vereiste
    besluitvaardigheid. Een landelijk
    College van
    procureurs-generaal dat de parketten waar nodig direct steunt,
    zal die spanning wegnemen en de procureurs-generaal in staat
    stellen zich te concentreren op de landelijke organiserende en
    regisserende taken.
    Noot Het College heeft tot taak
    eenheid in het beleid te scheppen, voorwaarden te scheppen
    waaronder de parketten optimaal kunnen functioneren (waaronder
    verdeling van het toegewezen budget over de verschillende
    parketten) en toezicht te houden op de parketten. Het College van
    procureurs-generaal zal samen met een ondersteunende staf een
    landelijk parket-generaal vormen. Het ligt in de bedoeling dat de
    centrale leiding niet langer ressortelijk wordt georganiseerd.
    Gedacht wordt aan een functionele indeling. De functionele
    procureur-generaal zal voor de landelijke beleidsvorming op de
    leiding van de parketten en op advocaten-generaal en officieren van
    justitie eerste klasse een beroep doen. De procureur-generaal heeft
    geen overkoepelende bevoegdheid en verantwoordelijkheid meer voor
    zijn ressort. Een advocaat-generaal wordt hoofd van het
    (ressorts)parket: het werk van het ressortsparket is beperkt tot de
    behandeling van strafzaken in hoger beroep. De ressortsparketten
    raken hun bestuurlijke taken kwijt. De geschetste veranderingen
    vergen wetswijziging.

    Na de reorganisatie zal de minister in de overlegvergadering met
    de leiding van het OM de beheers- en beleidsmatige kaders voor het
    OM vaststellen. Dit zal geschieden in een twee-jarige beleidsmatige
    plancyclus.

    De heer Rouvoet:
    Wat is de grote lijn van het departement? Zegt u: gezien
    hetgeen er aan de hand is en de politieke verantwoordelijkheid van
    de minister zullen wij er steeds meer bovenop moeten zitten om te
    voorkomen, dat er affaires ontstaan en zich incidenten blijven
    voordoen? Of zegt u: eigenlijk is het veel beter als wij het doen
    door het OM alle ruimte te geven? Als departement houden wij
    afstand van de feitelijke normering van de praktijk? Of stel ik dan
    twee dingen tegenover elkaar, die…
    De heer Suyver:
    Ik wil niet zo gauw zeggen, dat het departement afstand moet
    nemen. Het departement, de minister, hoort richting te geven, zowel
    op het punt van beleidslijnen en beleidskaders als op het punt van
    de normering van de wetgeving. Dat neemt niet weg dat zich
    incidenten zullen blijven voordoen.
    De heer Rouvoet:
    Zoekt u het vooral in zelf keuzes maken, zelf knopen
    doorhakken, zelf prioriteiten stellen of veel meer in nieuwe
    structuren, richting OM bijvoorbeeld?
    De heer Suyver:
    Ik geloof in de hervorming van het OM, zoals die nu wordt
    aangepakt. De wet moet ervoor worden gewijzigd. Daar moet die
    verantwoordelijkheid liggen, maar wel met inachtneming van de
    grenzen en de beleidskaders die de minister stelt. De minister moet
    ook de hoofdprioriteiten bepalen, als het gaat om het landelijk
    handhavingsbeleid. Het OM moet worden opgedragen om die
    prioriteiten te laten doorwerken.
    Noot

    Tijdens het algemeen overleg van 12 september 1995 stemde de vaste
    Commissie van justitie in met de grote lijnen van het Plan van
    aanpak. Noot

    Landelijk bureau OM (LBOM)

    In november 1994 verscheen het rapport Structuur van de aanpak van
    georganiseerde criminaliteit, uitgebracht ter uitvoering van een
    deel van het rapport van de commissie-Donner door een werkgroep
    onder voorzitterschap van de procureur-generaal-portefeuillehouder
    georganiseerde criminaliteit. In het rapport wordt de oprichting
    van een landelijk rechercheteam en een landelijk parket bepleit. In
    maart 1995 verscheen een projectplan landelijk bureau openbaar
    ministerie. Voorzien is in een geleidelijke invoering van het
    Landelijk Bureau OM (LBOM). Het LBOM zal het twintigste
    arrondissementsparket vormen. Het wordt belast met de volgende
    taken: gezagsuitoefening over het landelijk rechercheteam, alsmede
    de behandeling van strafzaken als gevolg van de activiteiten van
    het landelijk rechercheteam tot en met de fase van rechterlijke
    afdoening. Voorts moet het landelijk parket de
    procureur-generaal-portefeuillehouder ondersteunen bij zijn
    cordinerende en signalerende rol en zijn verantwoordingsplicht aan
    het College van procureurs-generaal. Daarbij gaat het onder meer om
    het opzetten of verbeteren van de criminaliteitsanalyse, het
    voorbereiden van de prioriteitenstelling voor de kernteams en het
    landelijk rechercheteam, het cordineren van het criminele
    inlichtingenwerk en de ontwikkeling van, het centrale toezicht op,
    de facilitering en de centrale begeleiding van de inzet van
    opsporingsmethoden. Dit landelijk parket zal zich vooral
    bezighouden met financieel rechercheren en met de afdoening van
    rechtshulpverzoeken die niet specifiek thuishoren in een bepaald
    arrondissement.

    De functionele sturing van het Bureau ligt bij het College van
    procureurs-generaal, en meer in het bijzonder bij de
    portefeuillehouder georganiseerde criminaliteit. Het Bureau wordt
    geleid door een hoofdofficier. Deze geeft leiding aan de drie
    landelijke officieren van justitie, twee zaaksofficieren die in de
    onderzoeken van het LRT het gezag uitoefenen, de secretaris van de
    Centrale toetsingcommissie en ondersteunend personeel. Het ligt
    niet in de bedoeling dat het landelijke bureau OM aanwijzingen zal
    geven aan de hoofdofficieren van justitie. Binnen het Landelijk
    Bureau OM in oprichting functioneren reeds drie landelijke
    officieren van justitie: de landelijk terreur-officier, de
    landelijk CRI-officier en de landelijk MOT-officier (melding
    ongebruikelijke transacties). Deze officieren hebben een
    cordinerende functie en geven zelf slechts leiding aan
    opsporingsonderzoeken met een specifiek karakter.

    De landelijk terreurofficier van justitie die tevens de schakel
    is tussen het OM en de BVD (zie verder hoofdstuk 8) is belast met
    de opsporing van delicten die de veiligheid van de Staat betreffen.
    De kerntaak ligt in de praktijk op het terrein van beleidsoverleg,
    cordinatie en advisering. De terreurofficier is voorts aangewezen
    als waarnemend officier in alle arrondissementen voor de opsporing
    van georganiseerde misdrijven van terroristische aard. Dit wil
    allerminst zeggen dat elk onderzoek met een terroristisch aspect in
    de praktijk door deze officier van justitie plaatsvindt. Doorgaans
    is het de arrondissementsofficier onder wiens verantwoordelijkheid
    het onderzoek geschiedt.

    Reeds in 1985 werd door de Vergadering van procureurs-generaal
    besloten een CRI-officier van justitie aan te stellen die in het
    hele land bevoegd was, in aansluiting op de ontwikkeling bij de
    politie die aan de Centrale recherche informatiedienst (CRI) een
    landelijke taak had toebedeeld. De CRI had vaak moeite een bevoegde
    officier van justitie te vinden, bijvoorbeeld in het geval nog niet
    duidelijk was waar het strafbare feit was gepleegd of zou gaan
    worden. De CRI-officier is als waarnemend officier belast met de
    opsporing indien en voor zolang geen bevoegde (lokale) officier kan
    worden aangewezen. Deze officier van justitie is de centrale
    autoriteit voor grensoverschrijdende observatie ingevolge het
    Verdrag van Schengen, de cordinator voor de rechtshulp met de
    Nederlandse Antillen, Aruba en Suriname, de nationale CID-officier
    van justitie, de cordinator voor internationale infiltratie en
    voorts onder meer nog belast met het justitile toezicht op de
    werkzaamheden van de buitenlandse drugliaison-officers in
    Nederland.

    De belangrijkste taak van de MOT-officier van justitie is het
    houden van toezicht op de wijze waarop het meldpunt ongebruikelijke
    transacties gemelde transacties beoordeelt op de noodzaak van
    verdere opsporings-/vervolgingsactiviteiten. Hij geeft leiding aan
    het beleidsoverleg tussen het MOT en het meldpunt en cordineert de
    bevragingen van het MOT-register door opsporingsinstanties, alsmede
    de informatie-uitwisseling tussen het meldpunt en buitenlandse
    politile meldpunten.

    9.2.3 Benoeming, ontslag, werving en opleiding

    De leden van het openbaar ministerie worden bij Koninklijk
    besluit aangesteld (artikel 51 lid 2, 62 lid 2 en 84 RO).
    Plaatsvervangend officieren van justitie worden door de minister
    van Justitie benoemd (artikel 59d RO). De kandidaten dienen de
    academische titel meester te hebben behaald (artikel 59b RO). Op de
    leden van het OM zijn de Ambtenarenwet en het Algemeen
    Rijksambtenarenreglement (ARAR) integraal van toepassing. Er zijn
    twee wegen voor toetreding tot het OM. Toetreding kan geschieden na
    een specifieke opleiding voor een functie bij de rechterlijke
    macht, algemeen aangeduid als de RAIO (rechterlijke ambtenaren in
    opleiding)-opleiding. De opleiding vindt hoofdzakelijk plaats in de
    praktijk. Aan het einde van het derde opleidingsjaar dient de
    rechterlijk ambtenaar in opleiding (raio) te kiezen voor de staande
    dan wel de zittende magistratuur. Ongeveer 40% van de raio’s kiest
    thans voor de staande magistratuur.
    Een andere weg is toetreding tot het OM buiten de RAIO-opleiding
    om. Vereiste is dat de jurist buiten de rechterlijke macht minimaal
    zes jaar maatschappelijke- en praktijkervaring heeft opgedaan.
    Voorts dient de kandidaat aan dezelfde vereisten te voldoen als de
    raio.

    Er zijn geen specifieke functie-eisen voor officieren van
    justitie belast met de bestrijding van georganiseerde criminaliteit
    (onder wie in dit verband ook de met de criminele inlichtingen
    belaste officieren van justitie worden bedoeld) geformuleerd. Deze
    zijn wel in voorbereiding. Ook plaatsvervangend en substituut
    officieren van justitie worden op dit terrein ingezet, soms zelfs
    raio’s aan het einde van hun stageperiode. De gedachte leeft dat op
    dit terrein wel enige ervaring vereist is. Stressbestendigheid,
    beslisvaardigheid, collegiale samenwerking en goede samenwerking
    met de politie zijn belangrijke factoren bij het vervullen van de
    functie van officier van justitie belast met de bestrijding van
    zware criminaliteit. Gezegd wordt dat dit werk slechts voor een
    beperkte periode verricht kan worden in verband met de zware
    emotionele belasting. In de praktijk wordt inderdaad doorgaans na
    enige tijd wel gerouleerd. Een speciale opleiding voor de
    ZwaCri-officier van justitie bestaat niet. Er zijn wel voor de
    functie relevante cursussen: de cursus georganiseerde
    criminaliteit, alsmede Pluk ze- en fraude-cursussen. Het staat de
    individuele officier van justitie vrij daaraan al dan niet deel te
    nemen. In de praktijk wordt wel beluisterd dat een dwingender kader
    wenselijk zou zijn.

    De heer De Graaf:
    Wat vereist de functie van een zware-criminaliteitsofficier
    in het bijzonder? Waarin onderscheidt zich die functie van andere
    officieren van justitie?
    De heer Valente:
    Die functie heeft bijzondere aspecten in die zin dat de
    kwaliteiten die in zijn algemeenheid bij een officier van justitie
    aanwezig moeten zijn verder uitgediept moeten worden. Daarnaast is
    het zo dat een officier zware criminaliteit heel anders te werk
    gaat. Een officier die gewone zaken doet, zit achter zijn bureau.
    Hij heeft wel contacten met de politie, maar dat zijn meer
    contacten met betrekking tot de inhoud van een proces-verbaal of
    het aantal zaken dat hij wil verwerken. Hij wacht gewoon af tot er
    een misdrijf geconstateerd of opgespoord wordt en afgerond wordt
    met een proces-verbaal. Dat proces-verbaal bereikt hem, de zaak
    wordt voorgeleid en vervolgens begint zijn werk als vervolgende
    instantie. De officier van justitie georganiseerde criminaliteit
    gaat heel anders te werk. Hij werkt projectmatig. Hij krijgt, zoals
    dat heet, een project aangeboden. Dat betekent dat een
    doelgroepering of een doel, een enkele crimineel, aangereikt wordt.
    Dat doel wordt omschreven middels een project. Hij krijgt een team
    en daaraan geeft hij leiding. Gedurende een tijd zal hij het
    onderzoeken van de zaken en het construeren van het bewijs moeten
    leiden. Vervolgens, als de zaak, meestal na een hele tijd, tot een
    afronding komt, zal hij na de aanhoudingen de verdere vervolging
    voor zijn rekening nemen. Dat betekent dat daarvoor niet alleen
    managementkwaliteiten vereist zijn. Hij moet ook nauwgezet met het
    opsporingswerk bezig zijn. Hij moet in mijn optiek ook over de
    kwaliteiten beschikken waarover een politiechef beschikt. Hij moet
    niet alleen in staat zijn om activiteiten van de opsporing in te
    schatten en te begeleiden. U weet dat een officier van justitie de
    leiding heeft bij het opsporingsonderzoek. Die leiding moet hij ook
    daadwerkelijk uitoefenen. Daarnaast is hij magistraat. Hij is de
    voorportaal van de rechter. Dat betekent dat hij in staat moet zijn
    om telkens te toetsen wat hij zelf heeft gedaan als leider van de
    opsporing.
    Noot

    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken