• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VII – IV.2. De handel in drugs

    IV.2. De handel in drugs

    IV.2.1. De overheersende rol van de drugshandel in de
    georganiseerde criminaliteit

    De ontwikkeling van de georganiseerde criminaliteit in Nederland
    vanaf het begin van de jaren zeventig is nauw verbonden met de
    opkomst van een omvangrijke nationale en internationale
    consumentenmarkt in drugs en met de introductie van commercile
    handel, distributie en verkoop van verdovende middelen. Het lijdt
    geen
    twijfel of de handel in drugs heeft andere vormen van zware
    criminaliteit voor een belangrijk deel verdrongen en grote
    zuigkracht uitgeoefend op de onderwereld en de individuele personen
    die daar hun inkomsten verwerven. Vergeleken met het overwinnen van
    de obstakels op de burgerlijke weg die leidt tot maatschappelijk en
    economisch succes is de drempel voor toetreding in de drugshandel
    laag. Formele diploma’s en gespecialiseerde kennis worden hier niet
    gevraagd. De pakkans bij de uitvoering van criminele projecten is
    gering en dat geldt zeker voor de jaren zeventig en tachtig toen de
    politie de import en handel van cannabis vrijwel ongemoeid liet.
    Het simpele verschil tussen de prijzen van inkoop en verkoop van
    drugs is zo groot dat handelaren de vangst van n of enkele partijen
    contrabande gemakkelijk kunnen overleven. De vervangingswaarde van
    de inbeslaggenomen kapitaalgoederen die nodig zijn voor de
    produktie, het transport en de distributie van drugs, is naar
    verhouding tot de waarde van het produkt zelf zo laag dat men het
    verlies wel kan velen. Sommige onconventionele eigenschappen
    strekken wel tot aanbeveling om in deze handel te floreren.
    Drugshandelaren moeten over voldoende lef en koelbloedigheid
    beschikken om in deze (niet door de overheid gereglementeerde en
    beheerste) markt geweld te gebruiken om hun belangen te verdedigen
    als dat nodig is of om daar althans effectief mee te dreigen, en
    zij moeten voldoende sluwheid aan de dag kunnen leggen om het
    voortdurende gevaar om door de handelspartner of de concurrent te
    worden bedrogen, het hoofd te kunnen bieden. Verder is het vooral
    een kwestie van het voorhanden hebben van vrij besteedbaar kapitaal
    om de smokkel van grote partijen te financieren. Wie bezaten die
    lef en arglistigheid en wie hadden de beschikking over zo’n grote
    hoeveelheid onbelast kapitaal om de groothandel in drugs van de
    grond te krijgen?

    De aanzuigende werking van de drugshandel blijkt historisch uit
    een grote verandering binnen de onderwereld, uit de breuk in veel
    grote criminele carrires en uit de opkomst van een nieuw type
    criminelen. In grote steden zoals Amsterdam ging een deel van de
    oude penose die zich tot dan toe verenigd wist in de wereld van de
    prostitutie, over op de handel en verkoop van soft en hard drugs.
    In Brabant, met haar lange traditie van sluikhandel (boter,
    sigaretten), gingen verschillende smokkelaars over op de import en
    handel in narcotica. Personen die voorheen illegaal alcohol
    stookten, zagen in enkele gevallen kans om in technisch nogal
    klungelige laboratoria chemische drugs te produceren. En ook de
    ruige minderheid onder de woonwagenbevolking die door de politie
    met de verzamelnaam kampers wordt aangeduid, bleek over de juiste
    mix van eigenschappen en hulpbronnen te beschikken. Zij hadden
    ervaring met de grijze en zwarte economie, zij bezaten een geduchte
    reputatie als het ging om de bereidheid list en geweld te
    gebruiken, zij beschikten over zwart geld dat afkomstig was uit
    andere criminele ondernemingen en zij wisten zich effectief van de
    buitenwereld af te schermen door zich vooral te bewegen binnen de
    eigen kring. Ook buiten deze sferen van wat wel de onderwereld
    wordt genoemd, is in individuele carrires van heel wat oudere
    drugshandelaren het belangrijke moment aan te wijzen waarop zij
    overgingen van (bank)roof, heling of pooierij op de handel in
    drugs. De stap terug werd naar onze indruk zelden of nooit gemaakt
    en dat bewijst de financile aantrekkingskracht van de branche.
    Jongere handelaren zijn vaak direct in deze tak van bedrijvigheid
    binnengetreden, niet zelden nadat zij die zelf in de jaren zeventig
    als drugsgebruiker hadden leren kennen. De roemruchte carrire van
    de Amsterdamse Klaas Bruinsma (1954-1991) vormt daarvan een goede
    illustratie. Deze verlegging van illegale activiteiten in de
    criminele wereld doet denken aan de geschiedenis van de
    Drooglegging in de Verenigde Staten in de jaren twintig. De
    illegale branches van de prostitutie, het gokken en ook die van
    bankroof en zwendel, verloren toentertijd criminele talenten aan de
    handel in alcoholische drank. De overgang op de handel in drugs
    speelde zich in Nederland af in de afgelopen tien twintig jaar. Hij
    vormde een onderdeel van de opkomst van een wereldwijde onderwereld
    (zowel in de ontwikkelde landen als in sommige landen van de Derde
    Wereld) die zich heeft kunnen ontplooien als gevolg van de
    strafbaarstelling en de strafrechtelijke vervolging van de handel
    in en het gebruik van drugs. Om het belang van de drugshandel voor
    de georganiseerde criminaliteit in Nederland te kunnen preciseren,
    zou men graag beschikken over een verantwoorde schatting van de
    omvang van de wereldmarkt, het aandeel van West-Europa daarbinnen,
    en daarbinnen weer het relatieve aandeel van Nederland. Hoe groot
    is de Nederlandse markt voor de verschillende soorten van drugs in
    absolute zin? De schattingen hiervan zijn ofwel erg globaal van
    aard of fragmentarisch. In alle schattingen is de (West)europese
    consumentenmarkt naast die van Noord-Amerika verreweg de grootste.
    Maar welke aandeel heeft Nederland nu precies? Bij vergelijking van
    landen in Europa worden in de literatuur steeds Rotterdam en
    Amsterdam met nadruk genoemd; de eerste stad omdat zich hier de
    grootste haven van de wereld bevindt en de tweede vanwege zijn
    cosmopolitische ambiance. Maar hoe belangrijk zijn deze steden voor
    de georganiseerde criminaliteit echter als we ze vergelijken met
    Marseille, Londen, Frankfurt, Madrid of Palermo?

    Het relatieve belang van Nederland en zijn steden in de
    drugshandel kan enigermate worden bepaald aan de hand van cijfers
    die zijn verkregen bij de studie van vijf stadia in de keten van
    producent tot consument: (a) de produktie van drugs, (b) de
    handelsroutes die ze volgen, (c) de hoeveelheden drugs die (aan de
    grenzen) worden geconfisceerd, (d) de omvang van de
    consumentenmarkten en (e) de hoeveelheden geld die de handel
    opbrengt. Andere cijfers dan die welke betrekking hebben op deze
    momenten in de handelsketen bestaan er bij
    ons weten niet.

    De omvang van de drugsproduktie

    De omvang van de handel in drugs in Nederland zou berekend
    kunnen worden als de proportie van de handel in alle drugs die de
    wereld voortbrengt. Vr de oorlog was Nederland belangrijk als land
    waar drugs werden verwerkt en van waar zij werden
    uitgevoerd. Er werden herone, morfine en cocane gexporteerd
    naar China en andere landen in de Derde Wereld. Na de oorlog worden
    deze stoffen het land ingevoerd, ook al zijn er tekenen dat
    iets van de produktie weer terugkomt. Als gevolg van het
    uitvoerverbod op chemicalin die nodig zijn om cocane-HCl te
    raffineren in Colombia wordt nu uit dat land ook het halffabrikaat
    cocanebase gemporteerd; het eerste cocane-laboratorium
    waarin dit tot poeder wordt gemaakt is in Nederland onlangs reeds
    aangetroffen. Thans bereikt ons echter herone uit de Gouden Sikkel
    (Pakistan, Iran, Irak, Afghanistan), de Gouden Driehoek in
    Zuidoost-Azi (Thailand, Birma en Cambodja) en in toenemende mate
    ook uit Zuid-Amerika (Colombia). Cocane komt in hoofdzaak uit de
    landen in Zuid-Amerika, die de Gouden Ruit vormen: Venezuela,
    Bolivia, Peru, Colombia en Brazili. Cannabis komt voor zover het
    gaat om hash uit Marokko, Pakistan, Libanon, Afghanistan, India,
    Nepal en enkele andere landen in het Midden-Oosten. Marihuana is
    afkomstig uit Thailand, Colombia, Jamaca, Nigeria en andere landen.
    Op Nederlandse bodem worden chemische drugs vervaardigd (XTC,
    amfetamine, designer drugs) en wordt er nederwiet (marihuana)
    geteeld. Hoe groot is de produktie? Het lijkt redelijk te
    veronderstellen dat de schatting van de produktie beter is naarmate
    dichter bij huis wordt gemeten. De opbrengst van nederwiet werd in
    1993 door de CRI geschat op 20 ton, door de onafhankelijke
    onderzoeker en cannabiskenner Janssen op 40 ton en door de
    onderzoeksbureaus Van Dijk, Van Soomeren en Partners en Steinmetz
    op maar liefst maximaal 84 ton op jaarbasis (zie Van Dijk etc.,
    1995 voor al deze schattingen). Als de variatie van schatting zo
    dicht bij huis al zo groot is, hoe staat het dan met de cijfers op
    wereldschaal en in landen waar we een gebrekkige telling moeten
    verwachten? De cijfers die reeds jaren lang in soorten en maten
    voor de produktie van verschillende soorten drugs worden
    gepubliceerd door instellingen zoals het Amerikaanse ministerie van
    Justitie, Interpol en het onafhankelijke onderzoekscentrum te
    Parijs: Observatoire Gopolitique des Drogues, verschillen nog meer
    van elkaar. Het hangt er maar helemaal vanaf waar en wanneer
    tellingen worden verricht. Als gevolg van verschuivingen in de
    drugseconomie zelf, maar meer nog door het verplaatsingseffect dat
    het gevolg is van internationale politieke druk op
    drugsproducerende landen, gaan trouwens sommige produktiegebieden
    ten onder en bloeien andere weer op. Het klassieke voorbeeld is de
    verplaatsing van de heronehandel uit Turkije na Amerikaanse druk in
    het midden van de jaren zeventig toen the French connection werd
    opgerold. Twee jaar lang was het heel moeilijk om in Amerika aan
    herone te komen; de prijzen stegen geweldig. Dat laatste vormde een
    aansporing voor handelaren in andere landen (Mexico, Zuidoost-Azi)
    om deze lucratieve markt over te nemen. De aanvoerroute was vanaf
    dat moment minder doorzichtig en voor de autoriteiten moeilijker
    onder controle te krijgen (Rasmussen en Benson, 1994).

    Als het dus zo moeilijk is om op wereldschaal de omvang van de
    drugsproduktie vast te stellen, wat zeggen de beschikbare cijfers
    dan over het aandeel van Nederland? Het enige dat wij veilig kunnen
    zeggen is dat de nederwiet sterk in opkomst is, dat er chemische
    drugs worden gefabriceerd en dat het als land van import bij alle
    schattingen van bestemmingsgebieden van de wereldproduktie een
    flinke partij meeblaast. Maar alle cijfers suggereren een grotere
    mate van exactheid dan er in werkelijkheid is.

    Het volume van de handelsstromen

    Een tweede mogelijk meetpunt ligt aan het begin of het einde van
    de verschillende routes die drugs over de wereld volgen. Korf en
    Verbraeck (1990 en 1993) beschrijven hoe herone over land wordt
    aangevoerd langs de Balkanroutes via Turkije en Bulgarije en dan
    langs Roemeni en Hongarije, via Griekenland en Itali of (gewaagd)
    via de zuidelijke republieken van het GOS naar West-Europa. Het
    gaat over zee vanuit Zuidoost-Azi en nu ook vanuit Zuidamerikaanse
    exporthavens. Herone bereikt Nederland ook door de lucht wanneer
    reizigers uit de bronlanden het in kleinere hoeveelheden meenemen.
    Cocane komt in scheepsladingen uit Zuid-Amerika direct naar de
    havens van alle landen van West- en Zuid-Europa of via tussenstops
    in West-Afrika of Marokko. Hash komt thans in de eerste plaats uit
    Marokko. Het bereikt ons via vrachtvervoer over de weg of met
    terugkerend gemotoriseerd vakantieverkeer; via zeeschepen en
    pleziervaartuigen over zee; via lijnvluchten of met particuliere
    vliegtuigjes door de lucht. Verder komt het met kleinere of grotere
    schepen uit Libanon, Pakistan en India na eerst over land te zijn
    gebracht uit Afghanistan, Nepal en andere landen. Marihuana wordt
    per schip ingevoerd uit onder andere Colombia, Thailand, Jamaca en
    Nigeria. De routes die chemische drugs volgen en dat is dus onder
    andere vanuit Nederland, zijn minder duidelijk. Nederland is niet
    alleen belangrijk vanwege zijn eigen consumentenmarkt, maar meer
    nog als
    doorvoerland naar het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Duitsland,
    Belgi, Frankrijk, Itali, Scandinavi en landen in Oost-Europa. Het
    land ontvangt ook weer van de anderen. Hoe deze stromen precies
    lopen is niet zeker. Kunnen we op grond van schattingen over de
    omvang van deze handelsstromen iets zeggen over de plaats van
    Nederland in de internationale wereld van de drugshandel? Het zou
    voor ons doel mooi zijn als de omvang van de stroom werd gemeten
    aan het beginpunt, bij het verlaten van het land van export. De
    hoeveelheid van de door politie en douane op dit punt
    geconfisceerde verdovende middelen zou een maat op kunnen leveren.
    Zo is echter het volume van de handelsstroom zelden gemeten omdat
    een groot deel van de drugs reeds in beslag wordt genomen voordat
    de partijen zijn geadresseerd. In de praktijk wordt het volume dan
    ook meestal bepaald op grond van de inbeslaggenomen hoeveelheid
    drugs in het land van import. Daarvan zijn de plaats van vertrek en
    bestemming bekend. Dit zou op zichzelf een goede maat kunnen
    zijn.

    De hoeveelheden inbeslaggenomen drugs

    Het enige dat we zeker weten is de hoeveelheid drugs die in
    beslag wordt genomen op de plaats van bestemming. Dit levert de
    volumecijfers op die in de literatuur het meeste worden genoemd. We
    weten echter niet welk deel dit absolute minimum is van het totale
    ingevoerde volume. Men gaat er gewoonlijk van uit dat een vast deel
    wordt ontdekt, bijvoorbeeld 10%. De schatting van het totale volume
    van gemporteerde drugs bestaat dan natuurlijk uit de eenvoudige
    vermenigvuldiging van de geconfisceerde hoeveelheid met tien. Er
    zijn ook andere schattingen in omloop. Bij het Douane Informatie
    Centrum (DIC) in Rotterdam meent men over zo’n uitgekiende
    opsporingsmethode te beschikken (het opmerken van anomalien in
    plaatsen van verzending en bestemming, de lading en de route in de
    bills of lading) dat meer wordt gepakt. Cannabishandelaren
    die door de hierbovengenoemde Van Dijk, Steinmetz en anderen werden
    genterviewd zeggen er vanuit te gaan dat ongeveer een derde van hun
    handel in handen van de opsporingsinstanties valt. In feite zijn
    dit echter allemaal volkomen ongeverifieerde schattingen. Hoe
    wisselend de inbeslaggenomen hoeveelheid in feite is, blijkt uit
    onderstaande figuren betreffende de hoeveelheden inbeslaggenomen
    drugs in Nederland over een reeks van meer dan 20 jaren.

    Afgezien van enkele onregelmatigheden blijkt uit deze cijfers
    wel een algemene toename en die zou scherper zichtbaar gemaakt
    kunnen worden door de figuren te tekenen op grond van
    voortschrijdende gemiddelden. Maar ook deze cijfers geven geen
    uitsluitsel, want de algemene toename van het geconfisceerde volume
    kan zowel betekenen dat de pakkans groter wordt als dat er meer
    drugs worden ingevoerd. Hierbij mag verder worden aangetekend dat
    volgens cijfers in de recente nota Het Nederlandse drugsbeleid;
    Continuteit en verandering
    Nederland zeker niet onderdoet voor
    andere Europese landen wat betreft de inbeslagneming van verdovende
    middelen. In 1994 werden hier te lande (veel) meer kg. cocane,
    cannabis en amfetamine gepakt dan in landen als Frankrijk,
    Duitsland, Belgi en Spanje (p.40).

    De omvang van de consumentenmarkt

    Om te bepalen hoe groot de markt voor Nederlandse
    drugshandelaren is, zijn we er niet door alleen in Nederland te
    kijken. Buitenlanders komen in Nederland inkopen doen en
    Nederlandse handelaren leveren aan het buitenland. We weten niet
    hoe groot die markten zijn en welk deel daarvan door Nederlandse
    handelaren wordt bediend. De Zwart en Mensink (1993) hebben een
    vergelijking gemaakt tussen de aantallen mensen die in
    verschillende Europese landen aan hard drugs zijn verslaafd. In
    Nederland zouden dat er 21 tot 25 duizend zijn, in Duitsland loopt
    de schatting uiteen van 80.000 tot 100.000, in Belgi van 15.000 tot
    20.000, in Frankrijk van 120.000 tot 150.000, in Groot-Brittanni
    van 100.000 tot 150.000, in Itali van 150.000 tot 200.000,
    enzovoort. In de zojuist geciteerde drugsnota worden gelijkaardige
    cijfers genoemd (p.5). Veel zeggen doen die cijfers echter niet
    voor ons probleem. Zij laten alleen zien dat de markt voor
    Nederlandse handelaren in potentie veel en veel groter is dan de
    nationale markt alleen.

    De opbrengst van drugshandel

    Een laatste mogelijkheid om het belang van de drugshandel te
    meten voor de georganiseerde criminaliteit is te berekenen hoe
    groot de omzet is, hoe groot de winst en hoe groot het crimineel
    verkregen vermogen is dat in aanmerking komt om te worden
    witgewassen. Ook hier worden weer van allerlei bedragen genoemd die
    flink van elkaar verschillen en die bij nadere bestudering van de
    bron op weinig meer blijken te berusten dan op natte-vinger-werk.
    In een rapport dat het bureau van McKinsey in 1991 ten behoeve van
    de Stichting Maatschappij en Politie heeft vervaardigd, wordt
    plompverloren het bedrag genoemd van 10 miljard Nederlandse guldens
    aan wit te wassen geld per jaar. Die schatting berust op wat
    tijdens vraaggesprekken met criminologen en andere deskundigen zo
    maar is geopperd, maar zonder dat blijkt hoe zij dit
    beargumenteren.
    De Working Group on Statistics and Methods van de Financial Action
    Task Force (onderdeel van de OECD) heeft op grond van de geschatte
    omzet in 1989 de bruto-opbrengst van drugshandel in de Verenigde
    Staten en Europa berekend op 300 miljard US Dollar. Voor herone zou
    in Europa de netto-opbrengst 2,13 miljard dollar bedragen en voor
    cannabis 7,5 miljard dollar. Van Duyne (1993) heeft aangetoond dat
    deze schattingen op onaanvaardbare aannamen zijn gebaseerd. Een
    andere methode bestaat eruit te veronderstellen dat 10% van alle
    geld dat in omloop is op de een of andere manier besmet is en dat
    daarvan weer een deel illegaal is verkregen door de georganiseerde
    misdaad en daarvan weer een deel door drugshandelaren. Ook die
    aannamen (ook hier weer een welhaast magische assumptie van 10%)
    berusten op weinig meer dan natte-vinger-werk. Over welk geld
    hebben we het als een tiende wordt verondersteld? Baar geld of ook
    giraal geld? De schattingen gaan steeds over winsten, maar hoe
    realistisch zijn de schattingen van de kosten die drugshandelaren
    moeten maken?

    De nieuwste schatting van de opbrengst komt van de eerder
    genoemde Van Dijk, Steinmetz en anderen (1995) en heeft betrekking
    op de Nederlandse markt voor soft drugs. Zij komen tot de slotsom
    dat de binnenlandse omzet aan soft drugs een waarde van 0,8 miljard
    gulden bedraagt, dat voor een waarde van 1,8 miljard wordt
    gexporteerd naar het buitenland, dat de transitohandel door
    Nederland (waar geen enkele transactie in Nederland aan te pas
    komt) 3,9 miljard waard is en voor de internationale handel die wel
    door Nederlanders wordt georganiseerd, maar die het land niet eens
    aandoen, komen zij tot het fantastische bedrag van 12,5 miljard per
    jaar. Deze poging is alleszins de moeite waard, maar ook dit
    rapport levert geen definitieve waarheid op. Met name de schatting
    van het enorme bedrag aan internationale handel berust op weinig
    meer dan de indruk van de genterviewde godfathers dat de geschatte
    jaarlijkse omzet van hash en marihuana 10 tot 20% bedraagt van het
    totaal aan transito-handel en internationale handel. En door een
    schatting van de transito-handel, op grond van gegevens over
    inbeslaggenomen soft drugs van de CRI, van het aldus berekende
    totaal af te trekken, houdt men voor internationale handel een
    omzet over van 1450 ton. Dit is goed voor 12,5 miljard gulden per
    jaar. De huidige regering heeft in haar recente drugsnota kennelijk
    slechts een deel van deze cijfers voor haar rekening willen nemen,
    in het bijzonder de schatting van de binnenlandse omzet aan soft
    drugs (inclusief de verkoop aan drugstoeristen).

    Het resultaat van deze zoektocht door de wereld van cijfers over
    produktie, inbeslaggenomen hoeveelheden, de omvang van markten en
    de criminele opbrengst is bepaald teleurstellend. Als n ding
    duidelijk is, dan is het wel dat we niets exact weten. Er zijn
    aanwijzingen genoeg voor de uitspraak dat Nederland werkelijk een
    aanzienlijke rol speelt in de wereldhandel in drugs, en dat geldt
    vooral voor soft drugs maar ook voor hard drugs, maar er zit niet
    anders op dan toe te geven dat we de preciese omvang niet kennen.
    Hoe groot de rol is die Nederland speelt temidden van andere
    Europese landen kunnen we onmogelijk zeggen. Er bestaat nog steeds
    alle ruimte voor zowel onderschatting als overschatting van het
    probleem.

    IV.2.2. De organisatie van de drugshandel

    IV.2.2.1. De politieke economie van de handel in drugs Tot nu
    toe is het in de discussie over de georganiseerde
    drugscriminaliteit gebruikelijk om haar op te vatten als de som van
    alle door de politie en justitie gedentificeerde groepen of
    netwerken. En de meest voorkomende gespreksonderwerpen zijn:
    hoeveel groepen zijn dat? Hoe groot zijn ze? Zijn er centrale
    leidersfiguren en hoe strak en hirarchisch zijn de groepen
    georganiseerd? Schermen zij zich af tegen tegen overheidsinventie?
    Investeren zij in legale sectoren van de economie? Het denken in
    termen van concrete en afgrensbare groepen sluit goed aan bij de
    strafrechtelijke praktijk. Wanneer een groep strafrechtelijk wordt
    vervolgd, wordt veelvuldig de figuur van artikel 140 Sr gebruikt
    die deelname strafbaar stelt aan een organisatie die criminele
    doeleinden nastreeft. Ook in onze analyse maken wij gebruik van
    deze definiring van het verschijnsel, voor een deel noodgedwongen
    omdat wij ons moeten verlaten op de rapportages die de politie ons
    erover heeft geleverd. We zullen echter zien dat de betrokken
    groepen in werkelijkheid minder duidelijk zijn af te grenzen dan in
    de strafrechtelijke voorstelling lijkt en verder dat ze minder
    duurzaam zijn, wisselend van samenstelling en minder strak
    hirarchisch georganiseerd dan de politie het vaak voorstelt en dat
    is voor ons reden om geen concreet aantal groepen te noemen, maar
    toch blijft ons denkmodel hier gebaseerd op het idee van groepen,
    netwerken of dadervelden zoals onze Oosterburen dat deel van de
    plaatselijke onderwereld noemen waaruit de leiders van criminele
    groepen kunnen putten. Bij veel autochtone groepen of door
    autochtone chefs geleide netwerken in de wereld van de drugshandel
    is deze voorstelling van zaken goed te verdedigen omdat zij hier
    hun hoofdzetel hebben en omdat de meeste activiteiten en de meeste
    betrokken personen door de politie op Nederlands grondgebied kunnen
    worden waargenomen. Voorts opereren zulke handelsorganisaties in
    Nederland in zodanig isolement van de rest van de samenleving, dat
    zij als relatief aparte structuren kunnen
    worden onderzocht.
    Dit ligt anders als het gaat om drugshandelsgroepen die
    transnationaal opereren en die in het buitenland hun hoofdkwartier
    hebben. De Nederlandse politie neemt slechts fragmenten van zulke
    groepen waar. Zij ziet zaakwaarnemers, inkopers en handelsreizigers
    die een cosmopolitische gezelschap vormen dat zich op de
    Nederlandse markt van drugs beweegt. Of ze ziet het smokkel- en
    distributiegedeelte als einde van een lange keten die vanuit het
    bronland een drugslijn vormt. Het gaat bij zulke groepen, of het nu
    groepen van de gevestigde Italiaanse mafia betreft of meer recent
    opgekomen Turkse criminele drugsgroepen, om groepen die als geheel
    groter, zelfs veel en veel groter zijn dan Nederlandse groepen en
    om groepen die verknoopt zijn met het bedrijfsleven, de politiek en
    de bureaucratie in de landen waar zij hun activiteiten ontplooien.
    De grootste Nederlandse hash-handelsgroep is in omvang niet te
    vergelijken met de Colombiaanse kartels, de Italiaanse mafia of de
    Marokkaanse hashgroepen en hun invloed op de Nederlandse politiek
    en economie is naar verhouding gering. Om het optreden van zulke
    drugshandelsgroepen in Nederland in volle omvang te begrijpen, is
    een andere wijze van beschouwen noodzakelijk. In navolging van
    onder andere Italiaanse en Franse auteurs (Bandini con suis, 1993,
    en dan vooral de bijdrage van Santino; Observatoire Gopolitique des
    Drogues, 1994) die ons voorgingen in de studie van de geschiedenis
    van zulke groepen, de analyse van hun economische systemen, de
    beschrijving van de sociale oorzaken van hun opkomst en het
    onderzoek van de sociale, economische en politieke vervlechtingen
    met de machtscentra in de landen waar zij actief zijn, duiden wij
    deze wijze van benaderen aan met de term politieke economie.

    Dit heeft implicaties voor de manier waarop wij de
    georganiseerde drugscriminaliteit van internationaal opererende
    groepen willen bekijken. De vraag is dan steeds welke rol het
    gedeelte dat in Nederland met strafrechtelijk onderzoek zichbaar is
    geworden, speelt voor het geheel van de groep in kwestie of voor de
    hele betreffende sector van de drugshandel of -economie. Bij die
    vraag komt bepaald aan de orde uit welke maatschappelijke lagen of
    onderdelen van de Nederlandse samenleving degenen afkomstig zijn
    die bij de handel in drugs zijn betrokken. Welke
    sociaal-economische klassen zijn erbij betrokken? Welke regionale
    groepen? Welke etnische categorien? Welke leeftijdsklassen of
    generaties? Zo gesteld, zal het antwoord op deze vragen al gauw
    grotere of zelfs veel grotere aantallen mensen opleveren die bij de
    georganiseerde misdaad zijn betrokken dan de optelling van personen
    die voorwerp zijn van strafrechtelijke aandacht. Er zijn meer
    mensen (uit een bepaalde bevolkingscategorie) bij georganiseerde
    misdaad betrokken dan die strafrechtelijk worden vervolgd. Toch kan
    de drugshandel niet floreren of blijft de vorm waarin hij zich
    manifesteert, onbegrijpelijk zonder hen te kennen. In bepaalde
    allochtone milieus hebben zich aparte circuits ontwikkeld van
    drugshandel, vaak zijn daarbij gezinnen of hele families betrokken.
    Slechts n of enkele mannen in zo’n familie plegen strafbare feiten
    van de soort waarvoor de politie belangstelling heeft. Vrouwen die
    bijvoorbeeld de bergplaats bewaken of kinderen die kleinere
    hoeveelheden drugs van de ene plaats naar de andere brengen, zijn
    voor de politie minder interessant. Toch vervullen zulke mensen een
    essentile rol. Dat geldt ook voor al degenen die het met de
    drugshandel verkregen vermogen binnen de legale economie brengen,
    bijvoorbeeld door huizen te laten bouwen. Deze andere wijze van
    beschouwen verklaart de discrepantie die kan optreden tussen de
    wijze waarop de politie en justitie de georganiseerde criminaliteit
    zien en onze analyse die waar mogelijk de logica van de politieke
    economie volgt. Zo zijn voor de politie van Amsterdam in
    strafrechtelijk opzicht enkele honderden handelaren binnen het
    Turkse drugsmilieu werkelijk van belang als het erom gaat de
    plaatselijke heronehandel in te dammen, maar wordt vanuit deze
    beschouwingswijze het net wijder gespannen, dan wordt – scherp
    geteld; aan de hand van een speciaal gegevensbestand van de
    Amsterdamse politie -, de betrokkenheid van 1.880 volwassen mannen
    in de periode 1 januari 1991 – 18 september 1995 zichtbaar.

    In hoeverre stelt het materiaal waarover wij beschikken, ons in
    staat om zulke vragen van wijdere strekking te beantwoorden? In de
    wetenschappelijke literatuur komen soms aanduidingen voor van de
    milieus of risicogroepen waaruit individuele drugshandelaren
    afkomstig zijn. Enkele woonwagenmilieus worden genoemd, sommige
    oude wijken in grote steden, een mondaine zelfkant van de
    kunstwereld, enkele etnische minderheden. Er bestaat echter geen
    studie waarin de mate van betrokkenheid van zo’n milieu is
    beschreven. Dat is jammer want we zouden graag de gegevens die we
    van de politie hebben gekregen over een aantal Hollandse groepen
    aanvullen met een beschrijving van de sociale wereld van waaruit
    zij opereren. Een groep die volgens politiegegevens uit tien
    misdadigers bestaat, zou, als we alle betrokkenen tellen, tot het
    niveau van de straatdealers toe, wel eens honderd of meer mensen
    kunnen omvatten. We zijn iets beter in staat om het gehele circuit
    van de drugshandel te beschrijven als het gaat om de allochtone
    milieus waarbinnen bepaalde circuits van mensen de uitvoerders zijn
    van drugsgroepen die hun hoofdzetel hebben in de bronlanden van de
    verschillende gemporteerde drugs. Dat we hiervan wat meer weten,
    heeft in dit geval weinig te maken met selectieve aandacht door de
    politie. Wanneer zij meer weet van Turkse georganiseerde misdaad
    komt dat doordat het opsporen van heronehandel hoog op haar
    prioriteitenlijst staat en die is voor een belangrijk deel (zij het
    lang niet exclusief, want Chinezen, Colombianen en Nederlanders
    blazen ook hun partijtje mee) in handen van Turkse groepen. Over de
    politieke en economische situatie in de landen van herkomst die
    drugshandel mogelijk maken bestaat wetenschappelijke literatuur en
    dat geldt ook voor andere landen waar de betreffende groepen zijn
    neergestreken. Over de sociale en economische condities waarin
    etnische minderheden in Nederland leven zijn wij op grond van
    jarenlang volgehouden sociaal-wetenschappelijk onderzoek veel beter
    genformeerd dan over autochtone achterstandsgroepen, er zijn in
    deze kringen intellectuelen die ons inlichten over de relatief
    overzichtelijke wereld van hun etnische groep en we beschikken over
    enkele beschrijvingen van de politie waarbij onze wetenschappelijke
    vraag wel is gesteld. Ofschoon zich zeer wel laat beredeneren dat
    etnische minderheidsgroepen die zijn aangesloten op de bronlanden
    voor drugs en waarbinnen een kansarm gedeelte zich ontwikkelt tot
    een maatschappelijke onderklasse, prominent in deze vorm van
    georganiseerde criminaliteit vertegenwoordigd zijn, kunnen we
    weinig met zekerheid zeggen over hun relatieve aandeel zolang we
    niet beschikken over het resultaat van zulk soort onderzoek rond
    autochtone criminele groepen. Een opmerkelijk gegeven vormt in dit
    verband niettemin het relatief grote aantal moorden die door de
    politie zijn geklassificeerd als liquidaties in de georganiseerde
    criminaliteit en waarvan de overgrote meerderheid te maken heeft
    met afrekeningen in de sfeer van de drugshandel. Bij de 31
    liquidaties in 1994 zijn 32 daders gevonden (bij sommige
    liquidaties waren meer daders schuldig, bij 17 liquidaties bleven
    de daders onbekend) en daarvan waren er 3 autochtone Nederlanders;
    de overige (vooral Turken, Surinamers, Antillianen) waren afkomstig
    uit allochtoon milieu. Dat is veel als we bedenken dat allochtonen
    in Nederland (afhankelijk van de definitie van allochtonen) tussen
    de 8 en 12 procent van de bevolking uitmaken. IV.2.2.2. Een beeld
    van de betrokken groepen

    IV.2.2.2.1. De rol van autochtone groepen

    Laat ons meteen aan het begin van deze paragraaf afrekenen met
    de gedachte dat de top van de Nederlandse drugshandel de vorm van
    een octopus heeft aangenomen. Er zijn geen aanwijzingen voor het
    bestaan van een groot organisch geheel dat functioneert op commando
    van n brein en waarbinnen geledingen quasi-automatisch
    functioneren. De wereld van de Nederlandse groothandel in drugs
    laat zich beter beschrijven als een uitgebreid netwerk waarbinnen
    duizenden personen, vaak in formaties van cliques en groepen, door
    middel van losse of vaste relaties aan elkaar zijn verbonden of
    waar zulke relaties via vrienden van vrienden gemakkelijk zijn te
    leggen als dat zakelijk nodig is. In dat netwerk zijn knooppunten
    te ontwaren en personen en groepen met meer macht dan anderen. Erg
    stabiel zijn veel van die relaties niet. De belangen van groepen of
    groepjes kunnen strijdig zijn en de persoonlijkheden van de bazen
    kunnen botsen. Men kan elkaar ontlopen of het conflict uitvechten
    door middel van geweld. Er vormen zich daarna nieuwe
    action-sets om een bepaalde klus te klaren (gezamenlijke
    financiering, uitlenen van materieel en personeel) of coalities van
    langere duur. Hierom kan de structuur van de drugshandel goed
    worden verwoord met het Engelse fission and fusion.
    Voorzover we de totstandkoming van dit uitgebreide netwerk thans
    kunnen reconstrueren, lijken twee historische ontwikkelingen van
    eminent belang. De eerste betreft de contacten tussen Nederlandse
    schippers en Pakistaanse hashhandelaren voor de kust van Dubai in
    het begin van de jaren zeventig. De schippers waren er
    gestationeerd voor de uitvoering van waterbouwkundige werken en de
    Pakistani werden klaarblijkelijk met hun handel in cannabis en ook
    herone door de Amerikanen met rust gelaten omdat de opbrengst van
    deze handel werd gebruikt in de strijd tegen het communisme in
    Afghanistan. De historische parallel met het gunnen van vrijheid
    voor de ontwikkeling van de heronehandel in de Gouden Driehoek tien
    jaar daarvoor, dringt zich op. Als geldschieters voor grote
    partijen hash traden enkele Nederlandse kampers op en toen hun
    kapitaalsvoorraad niet langer toereikend was, vonden zij de
    Femis-bank bereid deze functie te vervullen. Achteraf gezien mag
    het verbazing wekken dat grote internationale misdaadorganisaties
    zoals de Italiaanse mafia, deze Hollandse avonturiers hun gang
    hebben laten gaan. Berustte deze vrede op zee op onderlinge
    afspraken?

    De tweede ontwikkeling die heeft geleid tot het ontstaan van de
    Nederlandse groothandel in drugs is de vorming van de groep van
    Klaas Bruinsma in Amsterdam in de jaren tachtig. Er is veel over
    deze groep geschreven en gespeculeerd. Wij telden een inner
    circle
    van ongeveer tien man. Daaromheen bewogen zich enkele
    tientallen figuren die bijzondere functies vervulden (advocaten die
    Bruinsma van advies dienden; geweldsspecialisten; eigenaren van
    horecapanden en dergelijke) en die op afroep beschikbaar waren. De
    groep dreef op zijn persoonlijk organisatietalent en op zijn
    leiderskwaliteiten. En als er een figuur is geweest in de
    geschiedenis van de georganiseerde criminaliteit in Nederland die
    met zijn groep wilde beantwoorden aan het stereotype van de
    Amerikaanse mafia-baas, was hij het wel. Het lijkt zelfs niet te
    gewaagd om te veronderstellen dat hem dat zijn leven heeft gekost.
    Met zijn opzichtige grootdoenerij trok hij niet aflatende aandacht
    van de pers, vooral Het Parool. De man die voor de moord op
    Bruinsma (1991) door de rechter werd veroordeeld, was een
    ex-politieman die optrok met een groep van Joegoslaven. In
    Nederland laten zich thans aan de top van de georganiseerde
    criminaliteit verschillende typen van groepen
    onderscheiden. Enkelvoudig zijn de groepen die een enkele
    hashlijn beheren op Marokko, Libanon of Pakistan en waar een baas
    dagelijks leiding geeft. En zo’n groep telt wel 30 40 man
    (inclusief transporteurs, automonteurs, incasseerders), een andere
    is 15 20 man sterk. Meervoudig samengestelde groepen
    exploiteren meer lijnen tegelijk. De chefs kunnen beroep doen op
    ettelijke subgroepen en blijven zelf zoveel mogelijk op de
    achtergrond werkzaam. En van deze groepen wordt geleid door iemand
    die vooral optreedt als makelaar tussen producenten en afnemers;
    hij brengt transporten tot stand van continent tot continent zonder
    dat Nederland wordt aangedaan. Een andere groep exploiteert
    tenminste drie lijnen en de hash die per vrachtauto of in
    geprepareerde containers per schip wordt aangevoerd, is zowel voor
    de Nederlandse markt als voor doorvoer naar elders in Europa
    (Engeland!). Op afstand regisseert de baas hiervan een
    ondoorzichtig samenstel van subgroepen en dat maakt hem in zijn
    doen en laten flexibel. In totaal telt de kring van bedrijven en
    mensen om hem heen zo’n 100 tot 150 personen. Tussen deze twee
    uitersten in organisatievorm en leiderschap laten zich gemengd
    samengestelde
    groepen onderscheiden. Deze groepen waarvan de
    harde kern gewoonlijk maar enkele leden telt, zijn ook bepaald
    ondernemend als het gaat om het organiseren van allerlei andere
    illegale activiteiten (autohandel, gokken). Maar zij zijn vooral
    sterk in het opzetten van steeds weer nieuwe lijnen van
    verschillende soorten drugs (Nigeria, Roemeni, India, Suriname bij
    de n; Libanon, Pakistan, Marokko, Colombia en Nigeria bij de
    ander). Overigens worden sommige van de bovenbedoelde groepen ervan
    verdacht ook in cocane te handelen.

    Groepen die zich bezig houden met de ontwikkeling, de produktie
    en de distributie van synthetische drugs (XTC, amfetamine, designer
    drugs) hebben een wat andere signatuur en lijken minder omvangrijk.
    De grootste die is opgerold door het vroegere IRT
    Noord-Holland/Utrecht, bestond uit 20 man en dat waren deels mensen
    uit Noord-Brabant en deels Belgen. De overige groepjes zijn veel
    kleiner en omvatten vaak niet meer dan twee of drie mensen. Wel
    zijn deze groepjes aan elkaar gelieerd en het vermoeden bestaat dat
    zij bijvoorbeeld voor de financiering en import van grondstoffen
    en/of voor de export van de pillen afhankelijk zijn van personen
    uit de top van de georganiseerde drugscriminaliteit. Het
    vervaardigen van synthetische drugs behoort ook tot het repertoire
    van de Hells Angels. Deze wereldomspannende organisatie werd in de
    Verenigde Staten vanaf het midden van de jaren tachtig erkend als
    een criminele groepering die banden onderhoudt met de Amerikaanse
    cosa nostra. Het chapter van de Hells Angels in Amsterdam is
    het grootste van Nederland en neemt ten overstaan van de andere
    chapters een vooraanstaande plaats in. Zij handelen in meer dan
    synthetische drugs. Zij handelen ook in wapens en zijn eveneens
    actief in takken van criminaliteit als afpersing. Om te
    concretiseren hoe een autochtone drugshandelsgroep die zowel in
    soft en hard drugs als (vermoedelijk) in synthetische drugs deed,
    is georganiseerd en werkt, geven we hier het voorbeeld van de groep
    die in het deelrapport over de rol van autochtone groepen in de
    georganiseerde criminaliteit is gedoopt tot groep F. De aanvoerder
    van deze groep bouwde in de loop van de jaren tachtig de reputatie
    op een geweldenaar te zijn. Hij pleegde zowel in Belgi als in
    Nederland overvallen, stond bekend als een ripper van
    partijen drugs, zowel uit de handen van Hollandse als uit de handen
    van met name Marokkaanse groepen, en werd ook in het milieu,
    verantwoordelijk gehouden voor de liquidatie van ettelijke
    personen. De clique om hem heen was toen niet zo groot, hooguit
    zo’n vijf man, maar stond wel in contact met alle toenmalige groten
    in de Nederlandse criminele wereld, zeker de kampers onder hen.
    Nadat deze clique door arrestatie en liquidatie was geruneerd,
    bouwden de leiders een nieuwe formatie op, ditmaal veel groter en
    hoofdzakelijk actief in drugshandel. Dat er ook illegale
    wapenhandel en betrokkenheid bij illegaal gokken in het spel zijn
    (geweest), wordt niet uitgesloten geacht.

    Dat deze groep, in haar nieuwe gedaante, een maat groter was dan
    sommige andere gemengd samengestelde drugshandelsgroepen blijkt al
    direct uit haar omvang en samenstelling. De kopman werd dagelijks
    bijgestaan door een soort raadgever/beheerder, maar kon, al
    naargelang het nodig was, ook terugvallen op een advocaat, een
    accountant, een bankemploy en een medewerker van de Kamer van
    Koophandel; zij hielpen hem bij het uitdokteren van
    witwasconstructies (via Luxemburg), het wegmoffelen van zwart geld
    uit de boekhouding van zijn Nederlandse bedrijven en andere. Zo’n
    vier vijf familieleden kregen bedrijven en bedrijfjes op hun naam,
    moesten koerieren met geld en werden betrokken bij de organisatie
    en afwikkeling van drugstransporten. Twee klusjesmannen, die een
    vertrouwenspositie genoten, zorgden voor de veiligheid van de
    hoofdman. Samen met anderen – men spreekt van zowel kampers als van
    Joegoslaven – stond n van de familieleden ook in voor de
    afstraffing van degenen die fouten maakten.

    De eerste en voornaamste drugslijn die deze groep exploiteerde,
    was een lijn op Marokko. De relaties ginds werden niet alleen
    gelegd via Marokkaanse contacten hier in Nederland, maar ook via
    een Nederlander die in Marokko een bedrijf had, in financile
    problemen was geraakt, door de baas van de groep uit de knoei was
    geholpen en in ruil hiervoor allerlei hand- en spandiensten moest
    verrichten: koeriers uit Nederland opvangen, partijtjes cocane,
    bestemd voor de upper ten in Marokko opslaan, enzovoort. Aan
    de Nederlandse kant van de Marokkaanse lijn was het van hetzelfde
    laken een pak. Hier werden de eigenaren van een klein
    transportbedrijf dat door de onderschepping van een hashtransport
    in financile problemen kwam, ook door de
    aanvoerder financieel op de been geholpen. Vervolgens moesten zij
    wel voor hem op Marokko blijven rijden. En om de werkelijke
    business van dit bedrijf te verdoezelen, werd verder genvesteerd in
    een bedrijfje van een andere man die door de leider financieel van
    de ondergang was gered. Via dit bedrijfje werd een reguliere
    goederenstroom op gang gebracht om de stroom drugs te camoufleren.
    Uiteindelijk werd ook nog op een heel andere plaats in Nederland
    een bedrijf opgericht. Maar het had dezelfde functie: afdekken van
    de toevoer van hash uit Marokko.

    In de tijd dat deze infrastructuur werd opgebouwd ontstonden
    plannen voor de uitbouw van de illegale onderneming. In de eerste
    plaats werden plannen gemaakt, samen met mensen die bij de voorman
    ook in het krijt hadden gestaan, om hennep uit Nigeria, via een
    eigen bedrijf (in keramiek) in Roemeni, naar een onderneming in de
    Randstad te sluizen. Heel dit circuit werd ook metterdaad
    opgebouwd, maar de benutting ervan stokte door interne conflicten
    in de groep. Dezelfde methode werd toegepast om drugs, vooral
    herone, vanuit India te laten komen. Via twee contactpersonen in
    dit land, waarvan er n (in 1988) een tijd in de Bijlmer-bajes heeft
    gezeten maar hieruit met de hulp van bewaarders is ontsnapt, werd
    eerst een legale stroom van (waardeloze) goederen naar een bedrijf
    in Nederland op gang gebracht, en werd deze connectie vervolgens
    gebruikt voor het transport van de genoemde drug. Voorts werden er
    contacten gelegd met allerlei sleutelpersonen in Suriname. Dit
    gebeurde kennelijk met de bedoeling om een deel van de cocanehandel
    naar West-Europa in handen te krijgen. Er werd zelfs al een schip
    in gereedheid gebracht om deze nieuwe lijn zoveel mogelijk in eigen
    beheer te kunnen exploiteren. Dit schip is waarschijnlijk nooit
    voor dit doel gebruikt, maar er wordt niet aan getwijfeld dat er
    via deze lijn, op de een of andere manier, wel al cocane in de
    richting van Nederland is gekomen. Tenslotte gaan er verhalen dat
    deze groep ook betrokken is geweest bij de import van grote
    hoeveelheden grondstoffen voor de aanmaak van synthetische drugs,
    maar deze meldingen zijn nooit goed uitgezocht. Zoals ook niet
    verder is nagegaan wat er op een gegeven moment waar was van het
    bericht dat zij de ambitie had om de afzet van deze drugs in heel
    Nederland – vooral bij dancings en discotheken – onder controle te
    brengen.

    Het lijdt verder geen twijfel dat deze groep al het mogelijke
    deed om haar interne communicatie geheim te houden: geen
    (auto)telefoons op eigen naam, zoveel mogelijk gebruik van codes en
    dergelijke. Complementair hieraan werd alles en iedereen onder
    observatie genomen dat/die een gevaar voor de groep kon betekenen.
    Wie het zou wagen met de politie te praten, wist wat hem/haar voor
    straf te wachten stond: heel het gamma, van mishandeling, via
    marteling, tot liquidatie toe; dat had een van de companen
    ondervonden toen hij buiten de hoofdman om een eigen drugslijn
    dacht te kunnen beginnen. Een interessant punt in dit verband is
    dat hij medewerkers die in binnen- of buitenland werden
    aangehouden, onmiddellijk van juridische bijstand voorzag. Niet uit
    goedertierenheid of rechtschapenheid, maar om via zijn raadslieden
    zo goed mogelijk op de hoogte te blijven van de vorderingen van het
    strafrechtelijke onderzoek en de rol van zijn mensen daarin (door
    het al dan niet afleggen van belastende verklaringen bijvoorbeeld).
    Regelrechte intimidatie van politie en justitie vond niet plaats,
    maar dit neemt niet weg dat de reputatie van de aanvoerder een
    meedogenloos geweldenaar te zijn, soms wel, ook ongemerkt,
    intimiderend werkte op de onderzoekers. Opmerkelijk is dat hij er
    niettemin in slaagde om corruptief getinte relaties te ontwikkelen
    met, zoals al eerder werd gezegd, een medewerker van de Kamer van
    Koophandel, en een medewerker van het consulaat van een van de
    landen die hiervoor zijn genoemd. Dit zou hem, werd wel beweerd,
    ook zijn gelukt met een poltieambtenaar. Maar dit vermoeden is bij
    een vermoeden gebleven. Wel beschikte een van zijn bodyguards, zij
    het ook buiten de eigen regio, over nauwe contacten met
    politiemensen op voor hem vitale posities. De ene werkte bij een
    CID, de andere bij een observatiegroep. Tenslotte moet worden
    gezegd dat er nog niet zoveel zicht bestaat op de (besteding van
    de) revenuen van deze groep. Een belangrijk deel werd vast en zeker
    aangewend om de genoemde infrastructuur op te bouwen. Een ander
    deel, zo denkt men, is in Nederland via slinkse wegen genvesteerd
    in legale bedrijven, speciaal in de automobielsector. Naar de rest
    is men nog op zoek.

    IV.2.2.2.2. Het aandeel van buitenlandse groepen
    Alle buitenlandse of transnationale misdaadgroepen die in Nederland
    zijn gesignaleerd, houden zich wel bezig met de handel in drugs,
    maar hun functie verschilt naar de plaats die hun bemoeienis
    inneemt binnen de reeks van activiteiten tussen produktie en
    consumptie. Deze groepen kunnen in drie categorien worden
    onderverdeeld. Er zijn groepen waarvan het hoofdkwartier ligt in de
    produktielanden van drugs (Colombia en andere Zuidamerikaanse
    landen). Vervolgens zijn er groepen die hun hoofdzetel hebben in de
    landen waar drugs worden gekocht en geconsumeerd (Itali). Tenslotte
    zijn er groepen die worden geleid vanuit landen waar drugs noch
    worden geproduceerd noch geconsumeerd, en die zich slechts
    toeleggen op smokkelen (China, Ghana, Nigeria). Ook zijn er
    transnationale groepen die ook wel in drugs handelen maar voor wie
    dit in Nederland helemaal geen hoofdactiviteit vormt (de Russische
    mafia en de bendes van voormalige Joegoslaven). Daarover slechts
    enkele zinnen aan het einde van deze paragraaf. We zullen deze
    groepen in
    de aangegeven volgorde behandelen. Telkens wordt ook stilgestaan
    bij de vraag hoe de verhouding is tussen deze misdaadgroepen en de
    immigrantengemeenschap in Nederland.
    De Colombiaanse kartels produceren, verwerken, transporteren
    en verkopen cocane, marihuana en ook herone en gros. Zij vormen
    zeer grote organisaties als men de tienduizenden mensen telt die in
    het bronland bij de verschillende handelingen betrokken zijn. Toch
    moeten ze niet worden voorgesteld als grote hecht georganiseerde en
    centraal gecordineerde mega-bedrijven. De bazen regelen vanuit hun
    kantoren het opkopen van de grondstof, de raffinage daarvan, het
    smokkeltransport overzee en zij zorgen ervoor dat de talrijke
    functies worden vervuld (interne discipline, afscherming tegen de
    overheid, witwassen en dergelijke) zonder welke hun omvangrijke
    activiteiten niet ongestoord zouden kunnen plaatsvinden, maar al
    deze processen verlopen zodanig autonoom dat succesvol
    strafrechtelijk of zelfs militair optreden tegen n daarvan het
    functioneren van de kartels niet wezenlijk aan kan tasten. Om
    dezelfde reden hebben zij het risico gespreid door filialen op te
    richten in Zuidamerikaanse buurlanden. De cocane komt daarom ook
    naar Nederland via Brazili en Venezuela en (zoals verderop zal
    blijken) via Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba. Nederland
    is voor de kartels belangrijk omdat zij grote partijen ineens per
    container Europa binnenvaren en daarvoor zijn de havens van
    Rotterdam en Amsterdam geschikt. Vanaf het midden van de jaren
    tachtig zijn door de Nederlandse opsporingsinstanties Colombiaanse
    verkopers gesignaleerd die vier van de acht grote
    kartelorganisaties vertegenwoordigen die in heel Europa (Spanje,
    Duitsland) actief zijn. De Colombiaanse immigrantengemeenschap in
    Nederland is klein en onvoldoende maatschappelijk gentegreerd om
    een eigen handelsinfrastructuur op te kunnen zetten die voor de
    kartelorganisaties bruikbaar zou zijn om de import van drugs te
    verzorgen. Dat neemt niet weg dat veel van de Colombianen die hier
    verblijven op enigerlei wijze met de drugshandel van doen hebben.
    Dat geldt trouwens ook voor andere Latino’s; bij de drugshandel
    zijn ook Argentijnen en Chilenen betrokken geweest. De verkopers
    van grote partijen zijn de centrale figuren en zij zijn vooral op
    zoek naar Nederlandse handelsfirma’s die op regelmatige basis zaken
    doen met landen in Zuid-Amerika of West-Afrika om aldus een
    smokkellijn op te zetten.

    Van de Italiaanse mafia zijn in Nederland in het
    bijzonder vertegenwoordigers waargenomen van verschillende clans
    die samen de camorra vormen en die zetelen in en rond de
    stad Napels. In de landen om ons heen ( Belgi, Duitsland) hebben
    zich veel grotere groepen immigranten uit Itali gevestigd dan in
    Nederland en zij leven tot op zekere hoogte nog – ook anders dan in
    Nederland – bij elkaar in kolonies van mensen die uit dezelfde
    landstreek afkomstig zijn. Dit biedt grote mogelijkheden voor leden
    van de mafia om er in onder te duiken. De vertegenwoordigers van de
    camorra-clans hebben in Nederland geen steunpunt in een
    Napolitaanse kolonie en hun activiteiten gaan grotendeels over de
    hoofden van Italiaanse immigranten heen. Er zijn trouwens ook
    Italiaanse misdaadondernemers in de drugshandel actief, die geen
    duidelijke band met n van de grote mafia-groepen onderhouden; zij
    komen hier alleen heen om drugs aan te kopen voor hun eigen markt
    en andere Europese consumentenmarkten. De vertegenwoordigers van de
    camorra onderhouden in Nederland vooral goede betrekkingen met een
    aantal Colombiaanse groothandelaren en zij ontmoeten elkaar in een
    aantal woonhuizen en restaurants die zij hebben gehuurd of gekocht.
    In meer dan tien grotere en ook kleinere gemeenten zijn zij
    aangetroffen. Dat hun handel niet tot de grootste in Nederland
    behoort, blijkt uit het feit dat de politie in hun bezit slechts
    hoeveelheden aantreft van n of enkele kilo’s. Dat de mafia hier
    weinig macht heeft wordt ook aangetoond door incidenten als het
    volgende. Enkele Antillianen die een geslaagde rip-partij op
    Italianen uitvoerden, werden wel bedreigd, maar niet echt
    aangepakt. Chinezen behoren vanaf de Eerste Wereldoorlog tot de
    oudste etnische groepen in Nederland en ondanks het feit dat velen
    individueel zijn geassimileerd, hebben zij mede als gevolg van
    nieuwe immigratiebewegingen, steeds een betrekkelijk gesloten
    gemeenschap gevormd. Op zichzelf biedt die naar-binnen-gerichtheid
    van de Chinezen de mogelijkheid voor criminele infiltratie die door
    de overheid slecht wordt opgemerkt. Bij zulke organisaties denkt
    men aan de beruchte triaden, omvangrijke geheime
    genootschappen sedert de zeventiende eeuw, die strak hirarchisch
    zijn georganiseerd en die functionarissen hebben met bloemrijke
    namen die bijzondere afdelingen regeren. Uit hedendaagse
    beschrijvingen van de triaden in Hong Kong, de Verenigde Staten en
    ook Engeland en Frankrijk blijkt dat het thans grotendeels gaat om
    groepen met kernen van een of twee man en een kring van
    medestanders. Zulke groepen die in Nederland de vertegenwoordigers
    zijn van de 14 K, de Tai Huen Chai en de Ah Kong en die opereren
    vanuit Hong Kong, Bangkok, Maleisi en Singapore, smokkelen vooral
    herone die zij betrekken uit de Gouden Driehoek. Rond 1980 hebben
    de Chinezen hun eerste plaats op deze markt verloren omdat zij
    stevig werden aangepakt door de politie en doordat de Turkse
    groepen met een betere kwaliteit herone geducht concurreerden. Dat
    wil echter niet zeggen dat zij geheel zijn verdreven. Er wordt nog
    steeds herone gemporteerd en gedistribueerd. Hun klanten zijn onder
    meer Nederlandse handelaren.

    Vanaf het midden van de jaren tachtig zijn in Nederland cliques
    waargenomen van drugssmokkelaars uit Nigeria en Ghana. Zij vormen
    een onderdeel van Ghanese en Nigeriaanse netwerken die
    wereldwijd opereren. Door groepen in deze landen wordt in
    Zuidoost-Azi herone aangekocht en cocane in Zuid-Amerika. Ook
    handelen zij in cannabisprodukten. De bestemmingslanden van hun
    smokkelwaar zijn
    Noord-Amerika en Europa. Hun gemeenschappen in Nederland zijn
    klein, niet erg hecht en zij zijn onvoldoende maatschappelijk
    gentegreerd om de mogelijkheden voor smokkel in Nederland ten volle
    uit te buiten. In Amsterdam is wel sprake van een zekere vermenging
    met een gedeelte van de zwarte Surinaamse bevolking. Hun zakelijke
    leven speelt zich af in en rond coffeeshops, restaurants en hotels.
    De omvang en macht van deze netwerken in Nederland worden gauw
    overdreven. Het gaat eerder om kleine groepjes van smokkelaars dan
    om criminele groepen die vele activiteiten ontplooien.

    Tenslotte nog iets over de zogenaamde Russische mafia uit
    Rusland en andere republieken van de voormalige Sovjetunie. Ook zij
    is bij een onderdeel van de drugseconomie betrokken, speciaal door
    grondstoffen te leveren die nodig zijn voor het vervaardigen van
    synthetische drugs. Verder fungeren Russische misdadigers als
    inkopers van drugs voor de Oosteuropese markt, maar voor hen vormt
    dit een ondergeschikte activiteit. Ook bij (voormalige)
    Joegoslavische bendes is wel drugshandel waargenomen, maar
    de rol van deze groepen lijkt in dit opzicht toch eerder parasitair
    en te berusten op hun specialisme: geweld. Beide groepen moeten het
    stellen zonder wortels in deze samenleving. Het aantal Russische
    immigranten is miniem en de Joegoslavische onderwereld heeft weinig
    van doen met de gemeenschap van (voormalige) gastarbeiders uit
    Zuidslavische republieken. Beide groepen zijn minder relevant voor
    de handel in drugs. Daarom zal er in dit hoofdstuk niet meer op
    worden teruggekomen.

    IV.2.2.2.3. De betrokkenheid van allochtone groepen
    Het historische toeval wil dat de landen waaruit in de jaren zestig
    en zeventig grote aantallen mensen naar Nederland zijn gekomen,
    zich in de jaren tachtig en negentig hebben ontwikkeld tot
    vooraanstaande producenten en transitohandelaars van de
    belangrijkste drugssoorten voor de Europese markt. Uit Turkije komt
    veruit de meeste herone, de Surinaamse en Nederlands-Antilliaanse
    zowel als de Arubaanse connectie sluiten Colombia met zijn
    cocanehandel aan op Europa, Marokko heeft zich ontwikkeld tot de
    belangrijkste producent van hash. In al deze landen hebben zich
    recentelijk grote criminele drugsgroepen ontwikkeld of heeft de
    reeds bestaande onderwereld zijn aandacht verlegd naar de handel in
    drugs. Zij zijn evenzeer verbonden met de politieke en economische
    machtscentra van hun land als de transnationale groepen dat zijn in
    Itali of Colombia.

    De groepen in Turkije kunnen worden onderverdeeld in drie
    soorten. Er is een klassieke mafia die zich vroeger bezig hield met
    allerhande smokkel, afpersing en het verlenen van illegale diensten
    op het niveau tussen de staat en de plaatselijke (stads)bevolking.
    Op zichzelf heeft deze klassieke mafia geen vaste banden met
    politieke bewegingen, ook al verleent zij er soms hand- en
    spandiensten aan. De betrokken groepen hebben zich thans toegelegd
    op de verwerking van opium tot herone en het smokkelen daarvan naar
    West-Europa. Verder zijn er drugshandelsgroepen die duidelijk
    banden onderhouden met de Grijze Wolven ter rechterzijde in het
    politieke spectrum en met de ultra-nationalistische politieke
    beweging die daar bijhoort, de MHP. Ter linkerzijde is bij enkele
    splinterpartijen wel drugshandel aangetoond, maar bij de grote
    Koerdische linkse beweging PKK met welke de Turkse overheid zich in
    staat van gewapend conflict weet, is dat niet zo. Toch heeft de PKK
    er indirect wel mee te maken omdat deze organisatie zakenlieden
    afperst en zeker ook rijke drugshandelaren. Koerden spelen bij de
    handel in herone een grote rol omdat zij uit het Oosten en
    Zuidoosten van het land afkomstig zijn en geografisch aansluiting
    vinden bij de buurlanden waar de opium vandaan komt. Evenwel: de
    raffinage en de export ervan kan thans bij welhaast alle
    bevolkingsgroepen in Turkije worden waargenomen.

    De cocanesmokkel uit Suriname is begonnen nadat de sergeants die
    hun coup pleegden in 1980, contact hadden gemaakt met Colombiaanse
    drugsbaronnen. Thans vormt een combinatie van enkele Hindostaanse
    zakenlieden die de financiering voor hun rekening namen, de
    militairen die het transport toelieten en een aantal opgeklommen
    drugsbaronnen in Suriname een geducht machtscomplex. Mensen uit
    alle etnische groepen die Suriname rijk is, doen mee: Creolen,
    Hindostanen, Javanen (minder) en bosnegers (als koeriers). De
    Nederlandse Antillen en Aruba spelen een rol als plaats van
    ontmoeting tussen vertegenwoordigers van de Colombiaanse kartels en
    grootimporteurs uit Europa. Voorts worden nogal wat drugs
    gesmokkeld door vliegtuigpassagiers naar Schiphol en andere
    Europese luchthavens.

    In Marokko heeft de hashproduktie zich tot een bloeiende
    bedrijfstak ontwikkeld. Men kan zich alle bedrijvigheid niet
    voorstellen zonder de actieve betrokkenheid van de ambtenarij op
    alle niveau’s van het patrimoniale bestuurssysteem dat in dit land
    bestaat. Ook wordt aangenomen dat het koninklijk hof direct bij de
    hash-export is betrokken. Het land is in elk geval in toenemende
    mate van de inkomsten uit de drugshandel afhankelijk geworden nu
    het zenden van spaargelden door gastarbeiders met het verstrijken
    van de emigratiejaren aan het afnemen is als de belangrijkste
    inkomstenbron van het land. Voor een goed begrip van de
    ontwikkeling van de georganiseerde misdaad in de kring der etnische
    minderheden is inzicht in deze politieke en economische connecties
    onontbeerlijk.

    Veel immigranten uit deze landen hebben hun weg in Nederland
    goed gevonden, maar een aanmerkelijk
    gedeelte bevindt zich sociaal-economisch in een achterstandspositie
    en in cultureel opzicht verkeert dit deel nog grotendeels buiten de
    Nederlandse samenleving. Dat komt onder andere omdat een deel van
    de migranten nog steeds economisch en cultureel gerienteerd blijft
    op de landen van herkomst. Ook uit historische studies over wat
    vroeger de georganiseerde misdaad heette – vergelijk Egmond, 1994,
    over de prominente rol van Joden en Zigeuners in de achttiende eeuw
    – weten we dat de combinatie van geringe sociale kansen en een
    cultureel marginale positie een belangrijke risicofactor kan vormen
    voor de aansluiting op criminele groepen. De werkloosheidscijfers
    van Surinamers, Antillianen, Arubanen, Turken, Koerden en
    Marokkanen in Nederland liggen drie tot vier maar zo hoog als het
    Nederlandse gemiddelde. Zij die wel betaalde arbeid verrichten,
    zijn sterk oververtegenwoordigd in de laagste twee
    functiecategorien. Voor immigranten uit het Carabische gebied geldt
    dat minder, maar Turkse en Marokkaanse immigranten wonen overwegend
    in de slechtste buurten van de steden en stadjes en in huizen van
    de geringste woonkwaliteit. In zulke buurten leveren de scholen
    minder leerlingen af die doorgaan naar middelbare en hogere
    opleidingen dan gemiddeld. De schoolprestaties van sommige
    subgroepen van de kinderen en kleinkinderen van de immigranten zijn
    heel behoorlijk, maar gemiddeld genomen blijven deze kinderen
    achter en verliezen zij op de arbeidsmarkt de concurrentie van
    Nederlandse autochtone leeftijdsgenoten. Deze sociale achterstanden
    werken daarenboven cumulatief. Hierom zijn deze groepen door de
    overheid aangewezen tot de belangrijkste doelgroepen van het
    minderhedenbeleid.

    De sociale achterstand wordt in de verzorgingsstaat Nederland
    zowel gemitigeerd als verhuld, maar de kans is levensgroot dat zich
    binnen deze immigrantengroepen een aparte etnische onderklasse
    ontwikkelt waarbij de relatieve armoede en het gebrek aan
    maatschappelijke kansen sociaal overerfelijk worden (Roelandt,
    1994). Binnen de etnische minderheden komt grote
    status-concurrentie voor waarbij maatschappelijk succes wordt
    afgemeten aan materile welstand zowel in Nederland als in het land
    van herkomst. De tweede generatie vergelijkt zijn kansen met
    Nederlandse leeftijdsgenoten. Een deel van de werkloos geworden
    immigranten of van de nieuwe starters op de arbeidsmarkt neemt het
    initiatief zich te vestigen als zelfstandige ondernemer. Er zijn in
    alle drie gevallen bijzondere redenen waarom immigranten de morele
    grens kunnen oversteken om op de drugshandel over te gaan. In het
    Turkse geval kan politieke overtuiging of ook dwang meespelen, voor
    sommige Surinamers biedt de antikolonialistische gezindheid van
    machthebbers een zeker excuus, veel Marokkanen zien niet in waarom
    een lucratief exportartikel niet kan worden verkocht in een land
    waar de overheid het gebruiken van cannabis toestaat. Het ontbreken
    van zo’n morele drempel biedt criminele groepen de mogelijkheid om
    vaste voet te krijgen in de beschreven sociaal weinig kansrijke
    segmenten van minderheidsgroepen. Meestal gaat het bij de
    georganiseerde criminaliteit die in den vreemde opereert – en dat
    geldt zeker voor de beschreven transnationale criminele groepen –
    om slechts betrekkelijk weinig actieve misdadigers. Maar hier
    hebben zich binnen de gevestigde etnische minderheden
    drugshandel-circuits ontwikkeld waarbij mensen zijn ingeschakeld in
    allerlei rollen (handelaar, geldschieter, bewaker van
    drugs-voorraden, koerier etcetera) en daarom is hun aantal veel
    groter. In tegenstelling tot de transnationale groepen die we zoven
    beschreven, zijn die drugshandelsgroepen hecht verankerd geraakt in
    de grootste gevestigde etnische minderheden en zijn deze voor een
    deel van hun inkomsten en welvaart van de georganiseerde
    criminaliteit afhankelijk geworden. De Turkse en Koerdische groepen
    zijn overal waargenomen waar immigranten uit Turkije zich in groten
    getale hebben gevestigd met misschien wat meer belangrijke centra
    in Amsterdam, Rotterdam en Arnhem. Surinamers en Antillianen wonen
    disproportioneel in de grote steden en de cocane-smokkel vindt men
    dan ook vooral in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en ook Eindhoven.
    Marokkanen worden in coffeeshops aangetroffen in het hele land,
    maar ook hier zijn enkele duidelijke centrale handelspunten aan te
    wijzen, bijvoorbeeld in het Gooi en in Brabant. Omdat er in de
    voorbije jaren – om de reden die eerder werd genoemd – veel
    onderzoeken zijn gedaan naar de Turkse heronehandel, bestaat er een
    tamelijk goed zicht op de organisatie van de families die zich met
    deze handel bezighouden. In Arnhem is hij in handen van vijf
    Koerdische families die deels solistisch opereren, deels nauw
    samenwerken. Zij halen de herone zelf rechtstreeks uit Turkije en
    distribueren haar in Amsterdam en Rotterdam, maar ook in Duitsland,
    Frankrijk, Spanje, Engeland en Belgi. Het gaat hier om omvangrijke
    families die met het oog op de drugshandel ook nog een veelheid van
    andere Turken inschakelen voor het uitvoeren van allerlei klusjes.
    In een tussenbalans van de Arnhemse recherche uit 1992 wordt
    gesteld dat er ongeveer 900 Koerdische en Turkse personen
    rechtstreeks in verband konden worden gebracht met de heronehandel.
    Uit het eigen onderzoek is gebleken dat in periode 1990-1995 in
    totaal 524 Turkse mannen door de Arnhemse politie zijn gergistreerd
    wegens drugshandel en bezit van drugs. In Rotterdam was in het
    begin van de jaren negentig een Turkse familie actief die enkele
    tientallen Turkse en Koerdische verwanten in dienst had om de
    distributie van de herone ter plaatse adequaat te kunnen
    afhandelen. Een politieel onderzoek naar hashhandel in het Gooi dat
    in het begin van de jaren negentig werd uitgevoerd, wees uit dat
    deze handel werd gecontroleerd door drie Marokkaanse families. Deze
    families waren gevormd door Marokkaanse arbeiders die in de jaren
    zeventig waren komen werken bij bedrijven in de streek. Het waren
    mensen zonder veel opleiding: de meesten waren analfabeet en nadat
    zij in de jaren zeventig en tachtig uit
    het arbeidsproces waren getreden, was de overgrote meerderheid
    werkloos gebleven. De vreemdelingendienst kenschetste ze als een
    niet gentegreerde, kansloze groep en onder de tweede generatie had
    een aantal jongens reeds een flinke criminele antecedentenlijst
    opgebouwd. Hilversum bleek te fungeren als distributiecentrum voor
    (door Nederlandse transporteurs) uit Marokko aangevoerde hash.
    Nederlandse en Marokkaanse klanten kwamen hier in het groot (tot
    duizend kilo toe) inkopen. De klant zette zijn auto neer op een
    aangewezen plek en overhandigde de groothandelaar in het koffiehuis
    zijn sleutels als de koop was gesloten. Een koerier reed de auto
    naar een geheime plaats waar de gekochte hash achterin werd geladen
    en daarna werd de auto op een andere plaats neergezet. De klant
    kreeg zijn autosleutels terug en kreeg te horen waar hij zijn auto
    op kon halen. De politie was verbaasd over de openheid waarmee deze
    handel werd bedreven. Zij ontdekte een soort raad van bestuur van
    de organisatie in engere zin. De oudste zonen beheerden tien
    koffiehuizen, een slagerij, een videotheek, een lunchroom en een
    shoarmazaak. Andere familieleden vormden het personeel in deze
    middenstand. Sommigen fungeerden als koeriers; daar waren ook
    kinderen bij die hoeveelheden hash achter op hun fiets vervoerden.
    Anderen stelden (tegen betaling van f.25,- per kilo) hun huis of
    schuurtje ter beschikking als bergplaats. De politie kwam tot de
    slotsom dat van een aanzienlijk deel van alle Marokkaanse families
    in het Gooi tenminste n gezinslid direct aan de hashhandel deelnam
    of daar indirect van profiteerde.

    IV.2.3. De werkwijzen die worden gebezigd

    IV.2.3.1. De infrastructuur van de drugshandel
    Drugshandelaren kunnen het niet stellen zonder gebruik te maken van
    de bestaande legale infrastructuur of zonder die zelf op te
    richten. Dat kost veel geld en een deel van de opbrengsten vloeit
    hiernaar toe. Voor de rechercheurs en accountants die
    strafrechtelijk en financieel onderzoek verrichten – onder andere
    om te kunnen bepalen hoeveel aan crimineel verworven vermogen kan
    worden geconfisceerd – levert het steeds weer de nodige
    hoofdbrekens op om de omvang van deze werkelijk gemaakte kosten te
    berekenen. In deze paragraaf zal worden getoond hoe de
    infrastructuur van de drugshandel in de richting van Nederland er
    uitziet. Eerst komt de faade die moet worden opgetrokken om
    de import een legitiem aanzien te geven. Hier kunnen in beginsel
    alle bedrijven voor worden gebruikt die uit het buitenland
    importeren of die georganiseerd vanuit Nederland internationaal
    zaken doen. Importen exportfirma’s zijn gewild, vooral wanneer deze
    vertrouwen wekken door reeds lang en volgens vaste routine zaken te
    doen met firma’s in het land waar de drugs vandaan komen.
    Nederlandse firma’s die zaken doen met Zuid-Amerika, om welke
    produkten het ook gaat, mogen zich verheugen op bijzondere
    belangstelling van vertegenwoordigers van de Colombiaanse kartels.
    Daar is een bedrijf bij dat zaden exporteert, een firma die hout
    importeert, een bedrijf dat schoenpoetsmachines verkocht, een zaak
    waar men zonwerende folie te koop heeft, enzovoorts. Nederlandse
    drugshandelaren richten zelf ook wel dekmantelfirma’s op en ook
    daar gaat het om handel die tussen beide landen aannemelijk is.
    Vooral het transport van bederfelijke waar (bijvoorbeeld bloemen of
    vlees) is populair omdat de dounane soms coulant is en het
    transport zonder al te veel controle door laat gaan. Allochtone
    drugshandelaren maken gebruik van de eigen middenstand die de
    etnische groepen voorziet van produkten uit het land van herkomst:
    tropische groenten uit Suriname, noten en thee uit Turkije,
    bevroren vis uit Marokko. De omvang van deze gevarieerde
    nep-infrastructuur is niet bekend.

    Daarna komt de fase van het transport en dat kan gaan
    over land, over zee en door de lucht. Nederland is een
    aantrekkelijk land omdat het een echt transportland is en omdat het
    beschikt over de nodige expertise. Drugs komen over de weg
    nog steeds wel met personenauto’s van echte of zogenaamd
    terugkerende vakantiegangers: de smokkel door zogenaamde mieren.
    Voor grotere partijen worden vrachtauto’s gebruikt en dan worden de
    drugs meegenomen, verstopt in de lading of in het chassis, de
    wanden (vandaar ook de voorkeur voor koelwagens), de
    brandstoftanks, de reservebanden en nog meer. Voorheen
    organiseerden Nederlandse drugshandelaren transporten met hash
    vanuit Marokko vanaf de producent tot aan de koper. De Marokkaanse
    handelaren hebben echter de afgelopen jaren aan macht gewonnen en
    hebben de rol van de Nederlanders gereduceerd tot die van
    transporteurs. Wie het thans toch op zijn eigen houtje probeert –
    en er zijn chauffeurs die voor een aanlokkelijk aanbod op een grote
    parkeerplaats of in het chauffeurscaf zwichten – loopt het grote
    risico (na een tip van de handelaar) door de douane te worden
    gepakt. Volgens opgave van de FNV-Vervoersbond zitten thans zo’n 40
    Nederlandse vrachtwagenchauffeurs wegens hashsmokkel in Marokkaanse
    gevangenissen. Turkse herone-smokkelgroepen maken gebruik van eigen
    transportbedrijven (in het Zuiden van het land is een
    provincieplaats Kilic met een mafia-familie die een groot deel van
    het wegtransport beheerst) maar zij laten vaak Hollandse of althans
    Westeuropese chauffeurs rijden omdat die minder argwaan wekken.
    Verder maken wij uit het ons ter beschikking gestelde
    politiemateriaal op dat 30 op zichzelf bonafide Nederlandse
    bedrijven zich met drugssmokkel hebben beziggehouden, maar dit
    aantal, dat
    overigens ten dele ook betrekking heeft op bedrijven die betrokken
    zijn (geweest) bij de smokkel van hash uit Marokko, is stellig te
    klein en berust op ongelijksoortige en incomplete gegevens. Het is
    verder waarschijnlijk dat juist jonge en kleine bedrijven die in
    financile problemen zitten daarvoor worden gebruikt, maar
    aangetoond is dit niet. Zeker is tenslotte dat enkele Hollandse
    drugshandelsgroepen over een doeltreffend informatiesysteem in de
    transportwereld beschikken om de zwakke broeders eruit te halen. De
    cocane en marihuana uit Zuid-Amerika en vooral de hash uit Marokko
    komen ook over zee. Behalve de drugs die door individuele
    toeristen (bijvoorbeeld in hun zeewaardig zeiljacht) worden
    meegenomen, gebeurt de smokkel via reguliere
    scheepvaartondernemingen. Grote partijen gaan veel met containers.
    Er worden twee smokkelmethoden toegepast: (a) op de ladingbrieven
    wordt een andere lading voorgewend, de vaarroute wordt verkeerd
    opgegeven of er wordt aan een onverdachte klant geadresseerd en (b)
    de contrabande wordt in de legale lading verstopt en daarbij valt
    op hoe kunstig smokkelaars de drugs in vormen persen om er
    onopgemerkt de douane mee door te komen. Er zijn geen aanwijzingen
    dat criminele groepen de gehele, administratief nogal ingewikkelde,
    route in de Rotterdamse haven controleren. De kunst is hier om
    controle te ontlopen. De smokkel vanuit Suriname verloopt voor een
    deel ook op deze manier. Die van Chinese smokkelgroepen evenzeer:
    zij verzenden honderden kilo’s herone tegelijk per schip vanuit
    Bangkok. Een Nederlandse groep die wordt geleid door kampers had
    een tijdlang een kleine eigen vloot over de zeen varen. Met haar
    schepen bracht deze groep de drugs aan land door die vlak voor de
    kust over te laden op kleinere motorboten die ze vervolgens
    razendsnel overbrachten naar speciaal ingerichte bergplaatsen. Veel
    drugs worden gesmokkeld door de lucht. Er zijn koeriers die
    ze meenemen als passagier, er zijn bemanningsleden die smokkelen,
    de waar wordt verstopt in de vracht of wordt met eigen vliegtuigen
    aangevoerd. De Colombiaanse kartels hebben nog wel geprobeerd om
    voor de kust van Ierland dezelfde methode toe te passen die het
    voor de Noordamerikaanse kust zo goed had gedaan: het droppen van
    grote, goed ingepakte partijen op zee, maar dat is mislukt. Uit
    Suriname, de Antillen en Aruba gaat het met koeriers en dat geldt
    ook voor de groepjes smokkelaars uit Ghana en Nigeria. Chinese
    smokkelaars werken op dezelfde manier en verstoppen de drugs in
    partijen kleding en in bagage. Uit het materiaal dat wij onder ogen
    hebben gehad over de luchthaven Schiphol blijkt dat hier de
    controle verre van waterdicht is en dat daarom hier veel drugs door
    kunnen komen. De controle op deze drukke luchthaven gaat snel en is
    oppervlakkig en er zijn in de voorbije jaren dan ook heel wat
    platte functionarissen opgespoord (in de schoonmaaksector, bij de
    catering, bij de bagage-afhandeling, bij de expeditie, bij de
    marechausse en bij de douane). Wanneer de drugs eenmaal Nederland
    zijn binnengekomen, moeten zij verdekt worden opgeslagen (safe
    house
    , stash). Dat gebeurt in bedrijfsruimten van
    overigens bonafide en onopvallende firma’s die zowel op oude als op
    nieuwe industrieterreinen staan. Er worden ook loodsen en
    woonschepen gebruikt die men aan de rand van veel steden aantreft.
    Dit zijn ook nogal eens de plaatsen waar synthetische drugs worden
    vervaardigd. Maar er zijn ook particulieren die hun woonhuizen en
    schuren beschikbaar stellen. De groothandel vindt verder plaats in
    verkoopkantoren. Dat zijn in het geval van Nederlandse
    hashhandelaren vaak moderne gebouwen in de industriezones rond de
    steden. Marokkaanse en Turkse handelaren opereren vanuit hun
    koffiehuizen. Zij kopen hier per week een stoel en toegang tot de
    telefoon (zodat met Turkije kan worden gebeld); na betaling door de
    klant verbergt een handlanger de gekochte waar in diens auto, die
    hij vervolgens op een aan te wijzen plaats op kan halen. Chinese
    drugshandelsgroepen gebruiken voor de distributie hun
    infrastructuur van restaurants, videotheken en (illegale)
    gokhuizen. Surinaamse smokkelaars maken gebruik van de etnische
    winkelstand.

    Drugshandelaren hebben ook ontmoetingsruimten nodig waar
    zij zaken kunnen doen. Net als in het legale zakenleven gebruiken
    zij daarvoor caf’s, restaurants en hotels, maar ook seksclubs zijn
    populair. Hier zien we hoe een deel van de horeca al dan niet
    bewust ruimte geeft voor criminele activiteiten. Hoe groot die
    betrokkenheid van de horeca precies is, valt onmogelijk te zeggen
    op grond van ons materiaal. Volgens vertegenwoordigers van deze
    branche zelf gaat het hier om een aanzienlijk probleem. Als we dit
    alles overzien dan kan het niet anders of veel personen die
    werkzaam zijn in de legale economie, moeten op de hoogte zijn van
    drugshandelsactiviteiten of moeten tenminste vermoeden wat onder
    hun neus gebeurt, en dit geldt ook voor mensen die wonen in de
    buurten waar zich de drugshandel afspeelt. Dat is in feite altijd
    het zwakke punt van georganiseerde criminaliteit: zowel de afnemers
    van illegale goederen en diensten als degenen die op de een of
    andere wijze zijn betrokken bij de verwerking, het transport of de
    financiering weten goed wat er gebeurt (Potter, 1994). Criminele
    groepen kunnen trachten zich daartegen af te schermen door
    vrijplaatsen te scheppen waar ongenode gasten niet worden
    toegelaten. Bij de kampers die zo’n prominente rol spelen in de
    Nederlandse drugshandel, is dit al veel langer zo; zij zijn
    afkomstig uit woonwagencentra waar burgers zelden een stap zetten.
    Dat geldt ook voor de Hells Angels die eigen honken bouwen en ze
    voorzien van allerlei veiligheidsvoorzieningen waarmee zij
    buitenstaanders effectief buiten de poort houden. Het geldt ook
    voor sommige straten of delen van straten in steden die door
    criminele groepen worden gecontroleerd: daar wonen mensen uit
    hetzelfde sociale milieu of van dezelfde etnische groep en degenen
    die het niet bevalt staat de mogelijkheid open te verdwijnen of
    zwijgzaam toe te geven aan
    de intimidatie. Zulke ruimtes hebben veel weg van wat de Amerikanen
    no-go areas noemen, maar dat zijn dat niet. Met die term
    wordt uitgedrukt dat de overheid en haar dienaren het terrein niet
    opdurven anders dan ondersteund door een overmatige troepenmacht.
    Zulke vrijplaatsen of reservaten kent Nederland niet. Er bestaan
    ook nergens getto’s in de zin dat een hele buurt door n etnische
    groep wordt bewoond (en dat ook alle leden van die etnische groep
    in die ene buurt wonen). Alleen al de greep van de overheid op de
    huurwoningdistributie is daarvoor te groot.

    IV.2.3.2. De toepassing van geweld
    Geweld of beter nog: het effectief dreigen met geweld, is zeker ook
    onlosmakelijk met de georganiseerde drugscriminaliteit verbonden en
    vervult vele functies (Amir, 1995). Intern wordt geweld aangewend
    om discipline in de groep te handhaven of door individuele
    misdadigers met leidersaspiraties om op te klimmen in de hirarchie.
    Extern geweld kan dienen om het aandeel in de markt dat door
    anderen wordt bedreigd, te beschermen, of om het eigen marktaandeel
    uit te breiden. Het niveau van zware geweldpleging tot en met
    liquidaties is in Nederland vanaf de achttiende eeuw uitzonderlijk
    laag (Spierenburg, 1993); Nederlanders reageren dan ook geschokt
    als geweld wordt toegepast (Franke, 1991). Maar het aantal gevallen
    van doodslag neemt toch langzaam toe (Van den Eshof en Weimar,
    1991; Berghuis en De Jonge, 1993) en het is volstrekt duidelijk dat
    dit onder andere te maken heeft met de opkomst van de handel in
    drugs. De grootstedelijke penose is van karakter veranderd met de
    introductie van vuurwapens in de jaren zeventig. De figuur van de
    drugshandelaar Klaas Bruinsma staat voor die omslag symbool. Hij
    wordt er in politiekringen van verdacht opdracht te hebben gegeven
    tot zes aanslagen op concurrenten of afvallige medestanders,
    waarvan er drie dodelijk afliepen; zelf was hij betrokken bij drie
    schietpartijen. Verder mag niet uit het oog worden verloren dat de
    Brabantse smokkelaars in de jaren vijftig in een heuse
    geweldsspiraal met de politie en de douane waren betrokken. En
    overigens kennen ook de kampers een traditie van gewelddadigheid.
    Het aantal liquidaties bedraagt op dit ogenblik, althans voor zover
    dat bij de politie bekend is, 30 40 per jaar. Dit is heel laag in
    vergelijking met landen waar de georganiseerde criminaliteit
    werkelijk belangrijk is. In Colombia is dat het cijfer voor een
    grote stad in n week. Zeker zijn we van dit cijfer overigens
    allerminst want hoeveel van de persoonsverdwijningen per jaar zijn
    in feite gecamoufleerde en niet ondekte moorden? In ieder geval
    wordt per jaar wel op dezelfde manier geteld en daarom staat vast
    dat het aantal liquidaties toeneemt. De directe aanleidingen tot
    moordpartijen in het drugsmilieu zijn doorgaans hetzelfde: er zijn
    (af)betalingsproblemen, er is een rippartij gepleegd of er is er
    een afgeslagen, een potentile getuige voor justitie moet uit de weg
    worden geruimd of iemand wordt vermoord omdat bekend wordt dat hij
    als verklikker is opgetreden. Achter deze aanleidingen gaat
    doorgaans de grotere oorzaak schuil dat concurrentie met geweld
    wordt uitgevochten. Want men moet goed voor ogen houden dat in de
    drugshandel geweld steeds een afgeleide is van de
    ongereglementeerde marktomstandigheden waarin deze illegale handel
    nu eenmaal moet opereren. Het is hier geen doel op zichzelf zoals
    wel het geval is bij sommige andere vormen van georganiseerde
    criminaliteit zoals afpersing of loan sharking.
    Uitzonderingen op deze regel vormen groepen die via hun
    geweldsspecialisatie bij de drugshandel betrokken raakten zoals de
    Hells Angels en enkele groepen van kampers die zich hebben
    opgewerkt met de opbrengsten van het rippen van Marokkaanse groepen
    of het onderscheppen van drugstransporten uit Libanon en Pakistan.
    Als er echter in het algemeen weinig concurrentie bestaat, zal het
    geweldsniveau bij de drugshandel laag zijn. Juist deze
    omstandigheid verklaart waarom het autochtone Nederlandse
    drugsmilieu althans tot en met de jaren tachtig relatief weinig
    gewelddadig was. De druk van de autoriteiten was niet groot omdat
    de handel in hash nogal met rust werd gelaten en de markt
    expandeerde zodat er voor nieuwelingen plaats was zonder dat de
    gevestigde handelaren hoefden in te leveren. Als deze
    veronderstelling juist is, zou de toegenomen belangstelling van
    justitie en politie voor de cannabis-handel moeten leiden tot een
    verhoogd geweldsniveau in kringen van handelaren. Hierboven werd al
    aangegeven dat het aandeel van autochtone Nederlanders bij
    liquidaties bepaald laag is als we het vergelijken met dat van
    allochtonen. Wellicht is dit voor een deel schijn omdat Hollanders
    zoveel mogelijk in het geniep slachtoffers maken, terwijl executies
    in allochtoon milieu vaak theatrische trekken (vergelijk ook de
    Turkse gewoonte om kleinere overtredingen te bestraffen met het
    vernederende afsnijden van een oor) vertonen en juist wel moeten
    worden opgemerkt ten einde afschrikkend te kunnen werken. De
    oververtegenwoordiging van allochtone slachtoffers en (bekend
    geworden) daders is echter zo groot (steeds 3 tot 4 maal zo groot
    als bij autochtonen) dat we er gevoeglijk van kunnen uitgaan dat er
    echt een bijzonder probleem is. De variatie in het niveau van zware
    geweldpleging tussen verschillende etnische groepen is trouwens nog
    opvallender. Waar hangt dat vanaf? In het geval van de moorden in
    het Chinese milieu is steeds sprake van harde concurrentie op een
    beperkte markt die onder druk staat van politieel ingrijpen
    (herone) en dan gaat het om een strijd om de macht tussen triaden
    en bendes die overigens uitstijgt boven het niveau van drugshandel.
    Oorlogen in het Chinese milieu vonden plaats in het midden van de
    jaren zeventig in Amsterdam, maar na 1991 is er opnieuw een golf
    waargenomen van tot nu toe 13 aanslagen met 14 doden en
    3 gewonden. In de Turkse heronehandel is het aantal liquidaties het
    hoogst. Dit wordt mogelijk verklaard door (a) export van politieke
    strijd, zoals blijkt uit betrokkenheid van Grijze Wolven en PKK,
    (b) het aanzienlijke vuurwapenbezit onder Turkse en Koerdische
    mannen, zowel in Turkije als daarbuiten, (c) een gewelddadige
    culturele traditie rond kwesties van eerwraak (Yesilgz, 1995). In
    deze sfeer is echter (d) ook sprake van concurrentie om het
    marktaandeel. De ruzie tussen een gezeten criminele familie in
    Rotterdam en nieuwelingen die hun in 1992 de macht betwistten,
    kostte na interventie vanuit Turkije niet minder dan 11 doden. De
    overige etnische criminele groepen tonen een veel lager
    geweldsniveau. In het geval van de Italianen en Colombianen komt
    dat vooral doordat zij met zo weinig mensen in Nederland zijn en
    ook omdat zij in Nederland slechts bepaalde activiteiten
    ontplooien. Dat laatste geldt eveneens voor Ghanese en Nigeriaanse
    criminele groepen. Hun geweldsniveau is zeer laag; zij bestaan hier
    ook uit niet veel meer dan cliques van smokkelaars die elkaar niet
    in de weg zitten. Het geweld in criminele Surinaamse, Antilliaanse
    en Arubaanse kring is wel hoger maar lang niet zo hoog als dat van
    de Chinezen en Turken. Marokkaanse drugshandelaren scoren tenslotte
    opmerkelijk laag, afgezet tegen het totale aantal landgenoten in
    Nederland en gelet op hun aanzienlijke rol in de hashhandel. Dit
    wordt enerzijds wellicht verklaard door de geringe omvang van het
    wapenbezit in Marokko en dat komt weer doordat de overheid zeer
    actief wapensmokkel tegengaat teneinde geen bedreiging te laten
    ontstaan van de centrale macht (zoals in het buurland Algerije
    thans wel het geval is). Anderzijds heeft het mogelijk te maken met
    het feit dat het samenwerkingsverband van drugslords en
    overheidsdienaren in Marokko (vooral de militairen zijn in dit
    verband relevant) de touwtjes stevig en tot over de grenzen in
    handen heeft.

    IV.2.4. De besteding van inkomsten

    Strafrechtelijk-financieel onderzoek is nog jong. De
    pluk-ze-wetgeving die beoogt om vermogenscriminaliteit af te remmen
    door illegaal verkregen vermogens confisceerbaar te maken dateert
    van 1993, maar nu reeds blijken verschillende onderzoeken
    interessante gegevens op te leveren over de wijze waarop de
    drugshandel en andere vormen van georganiseerde misdaad werken.

    Als de handel wordt gecontinueerd, wordt de opbrengst ten eerste
    gestoken in de aankoop van nieuwe handelswaar. Verder zagen we
    hiervoor al dat er een reeks faciliteiten moet worden bekostigd
    voordat tot verkoop kan worden overgegaan: kosten voor transport,
    opslag, kantoorruimte, telefoon, ontmoetingsplaatsen en zelfs voor
    het scheppen van kleine enclaves. Voorts dienen controlerende
    overheidsinstanties en personen te worden omgekocht. In Marokko is
    de prijs voor corruptie soms bij de aankoopprijs inbegrepen (men
    koopt hash plus de weg en de haven), maar meestal wordt het
    betrokken bedrag apart betaald. Voor de drugshandel op Nederland
    kan deze kostenpost overigens nooit hoog zijn, want in dit verband
    wordt eerder de strategie der ontwijking gehanteerd dan die van
    corruptie.

    Dan kosten de medewerkers in vaste dienst (vertegenwoordigers,
    bodyguards) veel geld en ook de losse krachten die komen op afroep
    (chauffeurs, incasseerders). Hun gages zijn doorgaans hoog omdat de
    risico’s van aanhouding door de politie gecompenseerd moeten
    worden. Een chauffeur die een flinke partij hash per container uit
    Marokko haalt, ontvangt daarvoor enkele tienduizenden tot
    (uitschieter) 150.000 gulden. Een misdaadondernemer die goed is
    voor zijn personeel en die zijn eigenbelang op wat langere termijn
    in het oog houdt, zorgt ook nog voor het levensonderhoud van de
    alleengebleven familie als de man in de gevangenis zit. Tenslotte
    zijn er nog kosten voor juridische bijstand en de honoraria van
    notarissen, makelaars en accountants die investeringen in de legale
    economie mogelijk maken. Van wat er over blijft wordt een deel
    gebruikt voor persoonlijke uitgaven en een ander deel voor
    investeringen in andere activiteiten. Voor beide is het nodig het
    illegaal verkregen vermogen te voorzien van een schijnbaar legale
    herkomst. De eerste fase van deze gedaanteverwisseling kan bestaan
    in het wisselen van de verkregen valuta. IV.2.4.1. Het wisselen van
    crimineel geld

    De wijze waarop Nederlandse criminele groepen hun vermogens
    witwassen via binnen- en buitenlandse banken komt aan de orde in
    hoofdstuk VI. Op deze plaats wordt alleen ingegaan op het
    wegsluizen van gelden naar landen buiten Europa omdat de meeste
    allochtone en buitenlandse misdaadgroepen haast uitsluitend in
    drugs handelen en zij hun gelden langs andere dan Nederlandse
    kanalen laten terugvloeien naar hun land van herkomst.

    Het eerste dat opvalt is dat de meeste landen waar de
    drugshandelsgroepen vandaan komen, geen wetgeving hebben die
    witwassen verbiedt. Dat geldt met name voor Turkije en Marokko en
    daar worden de opbrengsten dan ook vaak direct per koerier naartoe
    gebracht. Via verzamelrekeningen bij zogenaamde rep-offices kunnen
    gelden ook naar Turkse banken worden overgemaakt. In Marokko
    bestaan off shore-banken die zich aan controle van de overheid
    onttrekken en waarheen zonder veel plichtplegingen geld kan worden
    overgemaakt.
    Voorts wordt geld naar Marokko gebracht via traditionele sociale
    verbanden zoals gilden en banken van lening. Bij het wegsluizen van
    drugswinsten naar Suriname wordt in Hindostaanse kring het systeem
    van ponton-bankieren toegepast. De gelden die voor Colombia zijn
    bestemd worden soms via wisselkantoren gestuurd en ook wel giraal
    overgemaakt via landen waar het bankgeheim nog volop intact is. In
    Colombia is witwassen weliswaar verboden, maar het wisselen van
    crimineel geld gebeurt niettemin via het bestaande bankstelsel. In
    het geval van de Chinese bendes wordt het bankwezen in Hong Kong,
    geruggesteund door een streng bankgeheim en mild overheidsoptreden,
    als witwasmachine gebruikt. Of ook Italiaanse mafiagelden in
    Nederland op grote schaal worden gewisseld, is niet duidelijk.

    IV.2.4.2. De persoonlijke uitgaven
    Heel veel van de winst van drugsverkoop die overblijft na aftrek
    van de kosten gaat op aan het voeren van een uitbundige
    levensstijl. Nederlandse drugshandelaren, maar het geldt ook voor
    Surinaamse en Antilliaanse handelaren en tot op zekere hoogte ook
    voor handelaren uit de tweede generatie van andere allochtone
    groepen, spenderen graag hun geld aan de bouw en aankoop van huizen
    en zeewaardige jachten. Zij rijden in (geleasde) luxe auto’s,
    dragen dure kleding, extravagante horloges en bij de horeca zijn ze
    graag geziene gasten vanwege hun gulheid. Drugshandelaren van alle
    nationaliteiten spenderen een hoop geld in legale en illegale
    casino’s en in gokhuizen.

    Allochtone drugshandelaren vertonen een veel minder verkwistend
    uitgavenpatroon. Turkse en Marokkaanse drugshandelaren lijden
    eerder een leven dat men van uitgewerkte gastarbeiders verwacht.
    Zij zijn sober, zij ontvangen niet zelden een uitkering en vallen
    niet op. Alle opbrengsten worden vervoerd naar het vaderland. Daar
    leeft men op ruime voet en investeert men in de legale economie.
    Vertegenwoordigers van transnationale groepen doen al evenveel
    moeite om onopvallend door het leven te gaan. Ook zij leiden zolang
    zij in Nederland verblijven een bescheiden leven. Dat geldt ook
    voor Chinezen, maar naar verhouding wordt er in hun kring wel veel
    gegokt.

    IV.2.4.3. Investeringen in bedrijven en onroerend goed Over de
    objecten waarin Nederlandse drugshandelaren hun winsten investeren
    zijn we in het algemeen niet goed ingelicht. Wel is duidelijk dat
    hier te lande geld wordt belegd in de sfeer van het onroerend goed
    en dat er horeca-zaken mee worden gekocht (ook als die niet nodig
    zijn vanwege hun facilitaire functie). Ook wordt vermoed dat er
    soms aandelen mee worden aangeschaft in bedrijven, bijvoorbeeld in
    automobielfirma’s en commercile sportcentra. Hoe groot deze
    investeringen zijn is onbekend. Verder wordt er genvesteerd in het
    sponsoren van allerlei sportieve en recreatieve evenementen.
    Hierbij gaat het om het verkrijgen van sociaal aanzien. Dit is wat
    in Zuid-Amerika narco-filantropie wordt genoemd.

    In de geschiedenis van de georganiseerde criminaliteit in de
    Verenigde Staten blijkt steeds weer hoe gangsters hun winsten
    aanwenden om bedrijven te kopen waarmee zij voortaan legaal kunnen
    werken. Georganiseerde misdaad vormt met andere woorden soms een
    curieuze ladder voor sociale mobiliteit (Bell, 1960). Aan wie thans
    legaal succesvol opereert, worden geen lastige vragen gesteld over
    het verleden. We hebben hier gedurende ons onderzoek goed op gelet,
    maar zulke gevallen zijn we in Nederland niet tegengekomen.
    Rechercheurs konden ook geen voorbeelden noemen van voormalige
    drugshandelaren van wie nu zeker is dat zij als zakenlieden
    uitsluitend legaal werken. Wellicht is de geschiedenis van de
    handel in drugs in Nederland daarvoor nog te jong.

    Van alle criminele groepen in de sfeer van de etnische
    minderheden kan men zeggen dat zij meer beleggen in hun achtergrond
    daar dan dat zij investeren in hun toekomst hier. Surinaamse
    handelaren bouwen prachtige huizen in Paramaribo die daar bekend
    staan als coke-bungalows of zij beginnen een winkel of een
    supermarkt. Turken en Marokkanen volgen tot op zekere hoogte het
    gastarbeiderspatroon. Zij bouwen huizen, kopen grond, of richten
    een winkel in en verwerven daarmee aanzien en sparen voor de oude
    dag die zij zich voorstellen thuis te zullen slijten. Veel mensen
    van de eerste generatie keren echter niet terug en hun kinderen
    voelen er weinig voor om te gaan wonen in de primitieve
    omstandigheden van het platteland waar hun ouders hebben gebouwd.
    Zij zullen op een gegeven moment die huizen te koop aanbieden en
    het gevaar is groot dat de huizenmarkt instort. Meer profijtelijke
    investeringen worden thans gedaan in de toeristenindustrie in het
    land van herkomst, maar ook in Spanje. En er wordt geld weggezet op
    banken in Liechtenstein en Luxemburg.

    Vanuit Nederland is men geneigd om de georganiseerde
    criminaliteit te zien als een soort van vermogenscriminaliteit
    zonder meer. Hiervoor werd echter al aangegeven dat er in veel
    landen politieke belangen mee zijn gemoeid. De Marokkaanse overheid
    doet haar uiterste best om vreemde valuta binnen te loodsen die
    haar onderdanen in den vreemde genereren. Zij stelt gunstige
    voorwaarden vast voor het beleggen
    in de bouw en in het toerisme. Zij hoopt met geldzendingen een deel
    van de grote infrastructurele werken zoals de aanleg van een
    stuwdam te kunnen financieren. Er zijn drugshandelaren gesignaleerd
    die investeren in de bouw van moskeen met een fundamentalistische
    inslag en ook dat heeft een politieke dimensie. Turkse politieke
    bewegingen te rechterzijde drijven onder andere op de inkomsten uit
    drugs. Te linkerzijde drijft de PKK voor een deel op de afgeperste
    opbrengsten uit de handel in drugs. Ook zijn er in Turkije rijke
    drugshandelaren die beleggen in sportverenigingen (voetbal). De
    politieke beweging rond de voormalige legerleider Bouterse doet mee
    aan de volgende parlementsverkiezingen en hij gedraagt zich met de
    uitdeling van voedsel onder de armen als een echte Zuidamerikaanse
    drugslord.

    IV.2.5. Plaatselijke variaties van het beeld

    In deze afsluitende paragraaf wordt kort nagegaan hoe de
    drugshandel zich over Nederland heeft verspreid, in welke mate de
    onderscheiden groepen in de Randstad en daarbuiten vertegenwoordigd
    zijn, of hun werkwijze (inclusief het gebruik van geweld) in de
    verschillende delen van Nederland overeenkomt en of er naast
    overeenkomsten ook verschillen bestaan in de wijze waarop het geld
    wordt besteed. Omdat de lokale situaties in Amsterdam en in het
    stedentrio Enschede, Arnhem en Nijmegen in het bijzonder door ons
    onder de loep zijn genomen, zullen deze als referentiepunten
    dienen.

    Is de groothandelsmarkt in Nederland sterk gecentraliseerd of
    niet? De handel in illegale goederen tendeert volgens de gangbare
    Amerikaanse economische theorie over georganiseerde misdaad
    (Schelling, 1967) altijd naar concentratie en monopolievorming. De
    overheid kan immers op een illegale markt niet regelend optreden en
    de ondernemers maken gebruik van andere middelen dan alleen de
    kracht van hun concurrentie. Als dit voor de drugshandel in
    Nederland zou opgaan, mag men enkele grote groepen verwachten in
    plaats van een heleboel kleine en ligt het voor de hand te
    veronderstellen dat de hoofdstad daarbij zou domineren. Het
    tegendeel blijkt echter waar. De markt is heel open,
    groothandelaren en drugshandelsgroepen zijn werkelijk over het hele
    land verspreid en het distributienetwerk is zo fijnmazig dat de
    consument tot in de kleinste stadjes toe alle soorten drugs
    gemakkelijk kan verkrijgen. Hij hoeft daarvoor niet naar de grote
    stad te gaan. De prijzen voor drugs van goede kwaliteit zijn in
    Nederland bovendien laag vergeleken met die in de buurlanden. En
    ook dit duidt niet op kunstmatige monopolie vorming maar op een
    betrekkelijke normalisering van de branche. De enige activiteit die
    de markt wel steeds dreigt te verstoren, is het rippen. Zowel in
    Amsterdam als in de steden in Oost-Nederland komt dit met enige
    regelmaat voor.

    De openheid van de markt blijkt ook als men kijkt naar de
    groepen die zich met de handel bezighouden. Weliswaar spelen
    Amsterdam en Rotterdam een centrale rol als knooppunten in de
    handelsstromen, maar lokale handelaren doen zelf ook zaken met
    verkopers in het buitenland. In Amsterdam bevinden zich Colombianen
    en Nederlanders die trachten drugslijnen op te zetten waardoor
    Europa wordt aangesloten op Zuid-Amerika. Een handelaar uit
    Enschede heeft echter ook een directe band met Colombia. Als zijn
    partij marihuana in de Amsterdamse haven per container is
    gearriveerd haalt hij hem daar zelf op om in Enschede te verkopen.
    Dit geldt ook voor de drugshandel in allochtoon etnisch milieu. De
    groothandel in herone is overal in Nederland voor een groot deel in
    handen van Turkse of Koerdische families. Die zijn met hun
    coffeeshops in de verschillende wijken van Amsterdam net zo goed
    als in die van Arnhem en Nijmegen vertegenwoordigd en verder in
    alle Nederlandse plaatsen van enige omvang. Deze handel is ook nog
    in een ander opzicht erg open: een aanzienlijk deel van de
    plaatselijke mannelijke Turkse bevolking is zowel in Amsterdam als
    in de twee genoemde Gelderse steden in enigerlei hoedanigheid bij
    deze heronehandel betrokken. Er is wel sprake van variatie die
    parallel loopt met het vestigingspatroon van de immigranten en dit
    patroon is weer tot stand gekomen via het mechanisme van
    kettingmigratie. In Arnhem wonen veel Koerden en de heronehandel is
    daarom hier ook vooral een Koerdische aangelegenheid. In Amsterdam
    zijn veel Turkse handelaren die in politiek opzicht lijnrecht
    tegenover linkse Koerdische bewegingen staan. Cocane komt in
    kleinere hoeveelheden Amsterdam binnen via koeriers, via
    postpakketjes en via vrachtzendingen uit Suriname en de Antillen.
    In Arnhem wordt hetzelfde waargenomen: hier hebben Surinamers
    eveneens een lucratieve lijn opgezet. Nederlanders en Marokkanen
    domineren de handel in cannabis in Amsterdam, in Rotterdam en in
    andere grote steden. In Enschede, Arnhem en Nijmegen is het precies
    zo. Ook hier speelt het toeval van het migratiepatroon van
    Marokkanen een rol. De kernen van hun hashhandel zijn soms zeer
    lokaal en worden bepaald door de plaats van herkomst in Marokko.
    Van Chinezen is geweten dat zij nog steeds in de heronehandel
    zitten en dat is onder andere in Amsterdam ook wel waargenomen.
    Over de Chinese drugshandel is echter in het algemeen bij de
    Nederlandse politie niet zo veel bekend. In de Oostnederlandse
    steden is hij niet gesignaleerd, maar dat kan ook betekenen dat de
    politie ter plaatse weinig inzicht heeft in de distributiekanalen
    van de Chinese middenstand. Vertegenwoordigers van de grote
    transnationale misdaadgroepen concentreren zich wel in hoofdzaak in
    Amsterdam. Toch zijn ook Colombianen in kleinere steden waargenomen
    die daar een onopvallend leven leiden. Een Italiaanse criminele
    groep was in Utrecht actief en individuele Italiaanse misdadigers
    zijn waargenomen in sommige kleinsteedse pizzeria’s. De
    Ghanezen en de Nigerianen schijnen wel vrijwel uitsluitend vanuit
    Amsterdam te opereren. In Amsterdam is een belangrijke categorie in
    de Nederlandse drugshandel opvallend afwezig: de kampers.
    Natuurlijk komen die ook wel naar de hoofdstad om zaken te doen,
    maar zij wonen er niet en hun uitvalsbasis is ergens anders in de
    Randstad of elders in Nederland. Een nogal voor de hand liggende
    reden voor deze afwezigheid is het ontbreken van woonwagenkampen in
    Amsterdam. In de drie onderzochte steden in het Oosten van het land
    komen de kampers wel weer prominent in beeld. De
    softdrugshandelaren vallen er op door hun intimiderende
    optreden.

    Is er iets te zeggen over de geografische differentiatie van het
    geweldsniveau dat aan de drugshandel is verbonden? In Amsterdam is
    het etnische milieu bekend waarbinnen zich de 23 liquidaties hebben
    afgespeeld op de in totaal 262 sterfgevallen die mogelijk waren toe
    te schrijven aan moord in de periode tussen 1989 en 1995. 6
    liquidaties vonden er plaats in het autochtone milieu en bij de 17
    liquidaties in het allochtone milieu waren de Turken, de
    (voormalig) Joegoslaven en de Colombianen oververtegenwoordigd. De
    onderzochte steden in Oost-Nederland hebben ook hun deel gehad.
    Turkse families in Arnhem die nauw zijn betrokken bij de
    heronehandel, zouden in de jaren 1989-1990, volgens zeer
    voorzichtige schattingen van de politie, binnen en buiten Arnhem
    ongeveer 7 liquidaties hebben uitgevoerd. Nijmegen scoort niet zo
    hoog met twee Turkse moorden en de moord op een Nederlander, en dit
    zijn dan vermoedelijk ook nog geen echte liquidaties geweest.

    Het is niet zo interessant om de werkwijzen van de verschillende
    drugsgroothandelsgroepen naar regio’s in Nederland te
    differentiren. De modi operandi stemmen grotendeels overeen. Er
    zijn in Amsterdam wel buurten verregaand door de plaatselijke
    drugshandelaren gedomineerd (geweest). De Mercatorbuurt was zo’n
    wijk waar het straatbeeld lange tijd werd beheerst door de handel
    in herone en waar Turkse criminele organisaties door het aankopen
    van winkels en woonhuizen de omgeving zodanig beheersten dat zij
    hun activiteiten enigszins af konden schermen. Het duidelijkste
    voorbeeld van dominantie door de georganiseerde misdaad wordt
    echter geleverd door het Amsterdamse Wallen-gebied. 90% van de
    bedrijven- en huizenvoorraad – en dat is voor Nederland een
    ongewoon hoog percentage – is hier in particuliere handen en dat
    biedt natuurlijk heel wat mogelijkheden tot criminele infiltratie.
    De prostitutie-scene zelf is niet zo problematisch – de eigendom
    van prostitutiebedrijven is opmerkelijk gefragmenteerd – maar de
    horeca in het Amsterdamse Wallen-gebied is volgens de politie voor
    een belangrijk deel in handen van 16 welbepaalde criminele groepen.
    En omdat de problemen op straat niet los te zien zijn van de
    eigendomsverhoudingen in de buurt, laat zich, juist ook op grond
    van de analyse die de politie van het bureau Warmoesstraat hiervan
    heeft gemaakt, de stelling verdedigen dat de sociale problemen in
    de buurt en de vraagstukken van openbare orde geen verschijnselen
    vormen die los staan van de georganiseerde criminaliteit; zij
    hebben alles met elkaar te maken. Hier is trouwens ook goed te zien
    dat niet alleen de verkoop van drugs een groot probleem van
    georganiseerde criminaliteit vormt, maar ook de omstandigheid dat
    de onroerend-goed-markt er wordt verstoord door de belegging van de
    ongecontroleerd grote winsten die in de drugshandel worden gemaakt.
    In de stad Arnhem doet zich, zij het op minder grote schaal,
    precies hetzelfde probleem voor. Het Spijkerkwartier is hier de
    raamprostitutiebuurt en het is dat geworden als gevolg van gericht
    overheidsbeleid. De buurt wordt aan de ene kant begrensd door
    panden waar Nederlandse uitbaters van prostitutiebedrijven
    resideren. Daar achter is echter in de loop van de afgelopen vijf
    jaar een heel eigen Turkse infrastructuur verrezen die door de
    heronehandelaren wordt beheerd. Turken huren doorgaans in sociaal
    zwakkere buurten, maar hier hebben zij volgens opgave van de
    politie tussen de 50 en 100 panden (winkels en woningen)
    aangekocht. Er zijn winkeltjes die levensmiddelen verkopen,
    restaurants, koffie- en theehuizen, pizzeria’s, shoarmazaakjes en
    reisbureaus. Hier is een Koerdisch-Turkse wijk ontstaan waar legale
    en illegale activiteiten door elkaar lopen en waar de Nederlandse
    autoriteiten weinig zicht meer op hebben. Het vormt een enclave die
    criminele activiteiten zoals drugshandel aan de openbaarheid
    onttrekt.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken