• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VII – IV.3. De handel in vrouwen

    IV.3. De handel in vrouwen

    IV.3.1. De landelijke situatie

    De handel in vrouwen wordt ook in deze tijd nog beschouwd als de
    meest karakteristieke vorm van mensenhandel (Adviescommissie
    etc.,1992). Algemeen wordt aangenomen dat het er bij dit soort
    handel om gaat dat vrouwen onder dwang tot prostitutie worden
    gebracht. In Nederland wordt sedert het begin van de jaren tachtig
    beleidsmatig veel aandacht besteed aan de (bestrijding van)
    vrouwenhandel, maar dit wil niet zeggen dat er sindsdien een beter
    beeld van de aard en omvang van deze vorm van criminaliteit is
    ontstaan (Fijnaut, 1993; Van Mens, 1992). De voornaamste reden
    hiervan is dat er nog nooit een systematisch onderzoek naar het
    dark number van dit delict is ingesteld. De landelijke
    cijfers die omtrent vrouwenhandel beschikbaar zijn, weerspiegelen
    slechts de gevallen die bij de ene of de andere instantie bekend
    zijn geworden. De
    werkelijke omvang van de vrouwenhandel in Nederland is dus
    onbekend. En het viel buiten de perken van het onderhavige
    onderzoek om meer licht te brengen in zijn dark number. In
    de periode 1988 – 1994 kreeg de Stichting tegen Vrouwenhandel een
    toenemend aantal meldingen van vrouwenhandel. Dit aantal schommelde
    in de eerste jaren van deze periode rond de 70, in de latere jaren
    (1993 en 1994) liep het spectaculair op, tot 88 respectievelijk
    168. Sedert het begin van de jaren negentig heeft een toenemend
    aantal van deze meldingen betrekking op gevallen van vrouwenhandel
    waarbij daders en slachtoffers afkomstig zijn uit Midden- en
    Oost-Europa, met name uit Rusland, Oekrane, Hongarije, Tsjechi en
    Polen (International Organization for Migration, 1995). Het aantal
    meldingen dat resulteerde in een aangifte hield volgens de gegevens
    van de genoemde Stichting geen gelijke tred met de stijging van het
    aantal meldingen als zodanig. Zo werden in 1992 36 aangiften
    gedaan, in 1993 54 en in 1994 67 (Stichting tegen Vrouwenhandel,
    1994). Dat lang niet alle aangiften (al dan niet gedaan met de hulp
    van de Stichting) uitmonden in heuse strafzaken, is overigens
    gebleken uit het onderzoek van De Boer (1994). Zij registreerde in
    1988 12 van zulke zaken, in 1989 8, in 1990 2, in 1991 3 en in 1992
    10.

    Vrouwenhandel wordt gemakkelijk gelijkgesteld aan georganiseerde
    criminaliteit. Wanneer echter wordt nagegaan hoe deze handel in
    concreto wordt bedreven, dan moet worden vastgesteld dat zij in
    veel gevallen helemaal niet beantwoordt aan de kenmerken die aan
    zulke criminaliteit worden toegeschreven (Fijnaut, 1994). Ook de
    gevallen die in het kader van dit onderzoek nader zijn bekeken,
    kunnen niet allemaal zonder meer als uitingen van georganiseerde
    criminaliteit worden gekwalificeerd. Waar het gaat om de mensen, de
    groepen die vrouwenhandel bedrijven, moet vr alles worden opgemerkt
    dat ons geen onderzoeken bekend zijn geworden waarin autochtone
    criminele groepen duidelijk een hoofdrol spelen. Dit wil niet
    zeggen dat autochtone Nederlanders, met name Nederlandse
    seksclubeigenaren, in deze handel geen rol spelen. Dat doen zij
    namelijk wel. Maar hun rol blijft meestal beperkt tot die van
    afnemer van vrouwen die door buitenlanders, respectievelijk
    buitenlandse criminelen of criminele groepen hierheen worden
    gebracht. Slechts in enkele gevallen is er sprake van nauwe
    samenwerking tussen Nederlandse seksclubeigenaren en buitenlanders
    bij de organisatie zelf van de handel. Dat heel wat
    seksclubeigenaren zich wl schuldig maken aan de mede-exploitatie
    van buitenlandse vrouwen die zij in hun clubs hebben opgenomen,
    staat buiten kijf. Voor zover wij hebben kunnen nagaan, gaat het
    bij de buitenlanders niet om personen of groepen van Surinaamse,
    Turkse, Chinese, Italiaanse of Colombiaanse origine. Verder is ons
    n geval van vrouwenhandel uit Marokko gemeld. De beschikbare
    informatie heeft met andere woorden hoofdzakelijk betrekking op
    personen en groepen uit Rusland, Polen, Oekrane, Tsjechi en
    voormalig Joegoslavi. Deze bevinding strookt dus helemaal met het
    algemene beeld dat terzake bij de Stichting tegen Vrouwenhandel van
    de situatie bestaat.

    Bestudering van de dossiers waarin deze buitenlandse
    vrouwenhandelaren figureren, leert dat zij lang niet altijd
    opereren in de vorm van min of meer hechte criminele groepen.
    Grosso modo kan hun organisatie in vier categorien worden
    onderverdeeld. Ten eerste blijkt er in sommige gevallen helemaal
    geen sprake te zijn van zoiets als een criminele groep die over
    langere tijd gericht vrouwenhandel pleegt, maar slechts van een
    allegaartje van personen uit heel Oost-Europa die langs allerlei
    wegen in contact komt met seksclubeigenaren hier in Nederland. Dit
    was enkele jaren geleden bijvoorbeeld het geval in Leeuwarden. In
    een zaak die enige tijd geleden in Eindhoven speelde, lag het weer
    helemaal anders. Hier kwam de politie tot de ontdekking dat n
    enkele Rus figureerde als makelaar tussen vrouwenronselaars in St.
    Petersburg en een hele reeks seksclubeigenaren in het Zuiden van
    Nederland. Van een Russische criminele groep hier te lande was geen
    sprake. En of de betrokken man de vertegenwoordiger was van een
    criminele groep in St. Petersburg, kon niet worden uitgemaakt. De
    gevallen waarin groepen een rol spelen die nog het dichtst in de
    buurt komen van de groepen die worden bedoeld in de door ons
    gehanteerde definitie van georganiseerde criminaliteit, zijn de
    gevallen van Joegoslavische vrouwenhandel. Enerzijds kan hierbij
    worden gedacht aan het geval – zoals dat recentelijk in Rotterdam
    werd ontdekt – waarin een wat ongeregelde bende Joegoslaven, met de
    hulp van handlangers in de betrokken landen, vrouwen uit
    Midden-Europa naar Nederland haalde en ze hier onderbracht in eigen
    en andermans seksclubs. Anderzijds moet worden gerefereerd aan een
    geval dat in de voorbije jaren in Groningen heeft gespeeld. In dit
    geval wilden ettelijke Joegoslavische cliques kennelijk meer dan
    een deel van de vrouwenhandel in de richting van deze stad in
    handen krijgen. Zij probeerden duidelijk ook een belangrijk stuk
    van het plaatselijke prostitutiewezen onder controle te brengen.
    Uiteindelijk is dit laatste hen niet gelukt.

    De manier waarop de vrouwenhandel werd bedreven, komt in de
    onderzochte gevallen gewoonlijk min of meer overeen met de
    beschrijving die hiervan in de recente Handleiding van de
    collegevergadering van procureurs-generaals
    is gegeven. Bij
    herhaling was er immers sprake van bedrog, uitbuiting en dwang ten
    aanzien van de betrokken vrouwen. Zij hadden onder valse
    voorwendsels ingestemd met de reis naar Nederland. Zij werden
    verplicht om exorbitant hoge reis- en verblijfkosten te betalen,
    terwijl de inkomsten grotendeels of volledig werden afgenomen. Zij
    werden met dwang, geweld en/of chantage geprest om zich te
    prostitueren. Zij moesten werken in abominabele
    arbeidsomstandigheden. En daarenboven werd somtijds
    bewust gepoogd om optreden van de overheid te voorkomen door de
    vrouwen af te houden van het doen van aangifte. Ook hierbij werden
    de bekende middelen gebruikt, zoals dreigen met geweld en
    suggereren dat de politie corrupt is.

    Ook in die spaarzame gevallen waarin de politie heeft willen
    nagaan, welke de verdiensten van de betrokken vrouwenhandelaren
    waren geweest, waar deze inkomsten waren gebleven of hoe zij waren
    besteed, is zij daarin eigenlijk nooit ten volle geslaagd. Het is
    vrijwel steeds gebleven bij de opsporing, en eventueel de
    vervolging, van de personen in kwestie.

    IV.3.2. De plaatselijke situatie

    Bij vergelijking van de situatie in Amsterdam met die in Arnhem,
    Nijmegen en Enschede, springt onmiddellijk in het oog dat die in
    diverse opzichten heel verschillend is.
    Het grootste verschil oogt kwantitatief: waar in Amsterdam in de
    voorbije vijf jaren ettelijke grote vrouwenhandelzaken zijn
    opgepakt, daar heeft in de voorbije periode alln in Nijmegen n zo’n
    zaak gespeeld (Poolse vrouwenhandel), terwijl in Enschede kennelijk
    slechts werd nagegaan of een plaatselijke seksclubeigenaar zich
    mogelijk schuldig maakte aan de handel in, vooral Braziliaanse,
    vrouwen. Nog opmerkelijker is evenwel het verschil tussen Amsterdam
    en Arnhem op dit punt. Ofschoon de laatstgenoemde stad het op n na
    (Spijkerkwartier) grootste prostitutiecentrum in Nederland
    herbergt, heeft zich hier – in tegenstelling tot Amsterdam –
    blijkbaar gn enkele vrouwenhandelzaak voorgedaan. De politie heeft
    er in elk geval geen melding van gemaakt. En in de jaaroverzichten
    van de Stichting tegen Vrouwenhandel komt Arnhem als plaats van
    melding/aangifte ook niet of nauwelijks voor. Dit frappante
    verschil vraagt natuurlijk om een verklaring. Mogelijk moet die –
    tegen de achtergrond van het verschil in omvang tussen het
    prostitutiewezen in Amsterdam en dat in Arnhem – worden gezocht in
    het feit dat in Arnhem de markt wordt beheerst door een vrij klein
    aantal personen dat nauw samenwerkt met de politie ter plaatse,
    terwijl in Amsterdam vrij veel personen de markt delen en de
    politie aldaar jaren geen stringente controle heeft uitgeoefend op
    de exploitatie van prostitutie.

    In het verlengde van vorenstaande opmerking kan er nog op worden
    gewezen dat de vrouwenhandel in Amsterdam zo ongeveer alle
    varianten kent die zich in de voorbije jaren heel verspreid door
    het land hebben voorgedaan, gaande van eerder kleinschalige vormen
    van losse handel tot betrekkelijk grootschalige handel door vaste
    cliques die zonder twijfel vele kenmerken van georganiseerde
    criminaliteit vertoont. Verder valt ook hier op hoe gewelddadig met
    name Joegoslavische bendes in dit verband opereren, zowel ten
    opzichte van hun vrouwen, als ten aanzien van elkaar en van
    mogelijke niet-Joegoslavische tegenstanders. Herbij moet worden
    aangetekend dat al tijden lang het verhaal gaat dat een of meer van
    deze bendes zich op De Wallen ook schuldig maakt/maken aan
    afpersing van (andere) seks-exploitanten. Als dit verhaal waar is,
    dan is het – naast wat er in Groningen is voorgevallen – een
    aanwijzing temeer dat in elk geval sommige Joegoslavische bendes
    erop uit zijn op een gegeven territorium een monopolie in een
    bepaalde sector te verwerven. Dit is heel zeker een ontwikkeling
    die eigen is aan georganiseerde criminaliteit.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken