• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VII – V.5. De bouwnijverheid

    V.5. De bouwnijverheid

    In ons land is de bouwnijverheid een economische sector waar
    veel geld in omgaat. Criminele groepen zouden in deze sector dus
    met racketeering een vaste bron van inkomsten kunnen
    aanboren. De sector is in elk geval erg gevoelig voor een
    dergelijke illegale praktijk. Standaardisering van complete
    projecten is in de bouwnijverheid vrijwel onmogelijk. Er moet ter
    plekke worden gebouwd. Bovendien is het bouwproces uiterst
    arbeidsintensief waardoor de kosten per produktie-eenheid erg hoog
    liggen. In de bouwnijverheid moet personeel trouwens altijd naar de
    bouwplaats worden gebracht in tegenstelling tot andere
    bedrijfstakken die hun produktie naar gebieden met goedkopere
    arbeidskrachten kunnen verplaatsen. Haar kwetsbaarheid wordt nog
    verhoogd door de grote onderlinge concurrentie. Verder moeten
    bouwondernemers altijd onder grote tijdsdruk werken. De
    bouwnijverheid is ook zeer gefragmenteerd en flexibel. Het grote
    aantal bouwbedrijven biedt aan ruim 330.000 mensen werk. De meeste
    bedrijven hebben nauwelijks zelf personeel in dienst en bestaan
    relatief kort. Dit korte bestaan wordt mede in de hand gewerkt door
    de snelheid waarmee kan worden teruggekeerd in de bouwnijverheid.
    Het is in Nederland vrij eenvoudig met een nieuwe onderneming tot
    de bouwnijverheid toe te treden (personeel, kennis en
    kapitaalgoederen zijn makkelijk in te huren of via een katvanger te
    koop). Het aantal faillissementen in de bouwnijverheid is dan ook
    groter dan in andere bedrijfstakken. Volgens een recente analyse
    (Corten, 1994) is 36% van de nieuwe ondernemingen binnen drie jaar
    failliet. De belangrijkste reden hiervan is het gebrek aan eigen
    vermogen of kapitaal. In hoeverre er ook sprake is van frauduleuze
    faillissementen is niet duidelijk.

    Tenslotte mag niet uit het oog worden verloren dat
    bouwondernemers erg afhankelijk zijn van het aanbod van opdrachten.
    Zij moeten, om die te verwerven, zich vaak onderwerpen aan een
    openbare aanbestedingsprocedure die een scherpe calculatie van de
    kosten vereist. Discontinuteit in opdrachten houdt telkens weer
    gevaar in voor het voortbestaan van een bouwbedrijf. Juist in een
    periode tussen twee opdrachten is een bedrijf kwetsbaar.

    In de bouwnijverheid is er een hoog dark number van de
    gepleegde werkgeversfraudes. Hierdoor is het niet alleen moeilijk
    een compleet beeld van dit soort criminaliteit te schetsen, maar
    blijven ook de daders buiten het zicht van onderzoekers. In de
    dossiers die het Sociaal Fonds Bouwnijverheid (SFB) ter beschikking
    heeft gesteld, blijken vooral de eigenaren en boekhouders de
    verdachten te zijn. De grote moeilijkheid voor zowel
    wetenschapsbeoefenaren als opsporingsambtenaren is echter dat op
    basis van deze schaarse gegevens niet kan worden vastgesteld of
    criminele groepen deze fraudes in scene hebben gezet of dat de
    aannemers en de boekhouders slechts als speelbal hebben gefungeerd.
    Het is echter zo dat vrijwel alle werkgeversfraudes betrekking
    hebben op de arbeidskosten. Door middel van fraude met
    G-rekeningen, van illegale tewerkstelling van personeel en andere
    wordt per jaar voor miljoenen aan de bedrijfsfondsen en aan de
    belastingen onttrokken. Deze vormen van criminaliteit wijzen
    evenwel allemaal op organisatiecriminaliteit om het hoofd boven
    water te houden in een sterk concurrerende markt dan op illegale
    activiteiten van criminele groepen. Het feit dat koppelbazen de
    laatste jaren weer actief zijn geworden, doet aan deze vaststelling
    niets af. Koppelbazerij komt inderdaad weer voor in het oosten van
    het land, in Brabant en in Limburg. Maar – zo moet
    daaraan direct worden toegevoegd – deze koppelbazen zijn allen
    actief op de Duitse (en soms Belgische) markt. In de Nederlandse
    bouwnijverheid zijn koppelbazen niet of nauwelijks bedrijvig. De
    Wet Ketenaansprakelijkheid blijkt een succesvol wapen tegen
    koppelbazen te zijn geweest. Door deze wet is het in ieder geval de
    hoofdaannemers minder aantrekkelijk gemaakt in te gaan op zeer
    verleidelijke aanbiedingen van dubieuze tussenpersonen of
    koppelbazen. Op deze wijze wordt ook voorkomen dat ongewild
    criminele groepen het bedrijf worden binnengelaten.

    Ook langs andere weg is nagegaan of er sprake is van infiltratie
    van de bouwnijverheid door criminele groepen. En wel door te
    onderzoeken of aannemers het slachtoffer worden van afpersing,
    brandstichting, bommeldingen en bomaanslagen, van systematische
    diefstal van bouwmaterialen en gereedschappen, van fysiek geweld,
    van ontvoeringen en liquidaties. Dit alles gebeurt namelijk in
    landen waar de bouwnijverheid wel door de georganiseerde
    criminaliteit wordt gecontroleerd. Maar in Nederland zijn hiervoor
    geen aanwijzingen gevonden. Deze conclusie wordt mede ondersteund
    door de analyse van de dossiers van de 25 regiokorpsen en van het
    SFB en andere politile gegevens. Deze analyse toont aan dat in
    Nederland in de bouwnijverheid ook geen buitenlandse of allochtone
    criminele groepen actief zijn. Noch de Italiaanse mafia, noch
    Chinese triades, noch Japanse yakuza-groepen, die in hun land van
    herkomst alle zeer actief zijn in de bouwnijverheid, zijn hier
    aangetroffen. Maar er zijn ook geen Marokkaanse, Turkse,
    Colombiaanse, Surinaamse/Antilliaanse, Nigeriaanse, Ghanese,
    Joegoslavische en Russische netwerken of groepen in de Nederlandse
    bouwnijverheid gesignaleerd. En de studies die in Amsterdam,
    Enschede, Nijmegen en Arnhem werden verricht, hebben geen ander
    resultaat opgeleverd.

    Het probleem kan ook nog van een andere kant worden onderzocht,
    namelijk de kant van de vakbonden. In Nederland hebben de vakbonden
    een belangrijke en legitieme positie in de samenleving verworven
    als belangenbehartigers van de werknemers. Deze positie is
    voornamelijk verkregen door een jarenlange coperatieve opstelling
    ten opzichte van de overheid en de werkgevers in Nederland, zonder
    overigens de eigen verantwoordelijkheid en de eigen belangen uit
    het oog te verliezen. De vakbonden, ook die in de bouwnijverheid
    actief zijn, hebben geen gewelddadige historie achter zich. Er
    bestaat een hoge organisatiegraad van de beide bouwbonden van het
    FNV en het CNV. Meer dan de helft van alle bouwvakkers in Nederland
    zijn lid van een van deze bonden. Maar in tegenstelling tot hun
    Amerikaanse collega’s zijn Nederlandse bouwvakkers niet
    afhankelijk van vakbonden om een baan te krijgen. Ook verzorgen de
    vakbonden in Nederland niet de opleiding van vakmensen waardoor zij
    niet kunnen optreden als leveranciers van arbeiders met vakkennis.
    Voorts is de organisatie van Amerikaanse vakbonden heel anders dan
    die van de vakbonden in Nederland: de vakbonden zijn hier niet
    georganiseerd naar het type werk, dus niet gefragmenteerd, en zij
    zijn, in tegenstelling tot de bonden in de VS, aan een sterke,
    interne democratische controle onderworpen. Zij hebben verder ook
    geen financile belangen in de bouwnijverheid. Niettemin is het
    belangrijk om hier te stellen dat er ook geen feiten bekend zijn
    geworden die wijzen op bedreiging van vakbondsbestuurders of
    kaderleden in Nederland door criminele groepen. Ontvoeringen,
    liquidaties, bomaanslagen en afpersingen zijn verschijnselen
    waarvan de Nederlandse vakbonden de laatste vijf jaar nimmer
    slachtoffer zijn geworden. Vakbondsbestuurders zijn niet per
    definitie gevrijwaard van corruptie, maar dat er in Nederland
    corrupte vakbondsbestuurders zijn, is uiterst onwaarschijnlijk,
    zeiden al degenen die hieromtrent zijn genterviewd.

    Op grond van bovenstaande overwegingen en empirische
    aanwijzingen kan worden geconcludeerd dat in Nederland geen sprake
    is van enige betrokkenheid van de georganiseerde criminaliteit bij
    de bouwnijverheid. Deze algemene conclusie laat de kwetsbaarheid
    van de bouwnijverheid voor criminele groepen onverlet. De bouw
    heeft een groot aantal kenmerken die haar kwetsbaar maken voor
    infiltratie door de georganiseerde criminaliteit. Die kenmerken
    bepalen in hoge mate evenwel ook de mogelijkheden voor
    organisatiecriminaliteit die, zoals wij hebben gezien, vaker
    voorkomt dan de officile cijfers aangeven.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken