• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – 2.1. Het bendewezen in de achttiende eeuw

    2.1. Het bendewezen in de achttiende eeuw

    Een van de eerste belangrijke hedendaagse studies over dit
    onderwerp was van de hand van H. van den Eerenbeemt (1970) over het
    bendewezen in de meierij van ‘s-Hertogenbosch rond 1800. Zij liet
    zien hoe in dit gebied uit de kring van niet-gevestigde burgers:
    bedelaars, marskramers, voddenkooplieden, kermisgasten, enzovoort,
    keer op keer kleinere bendes werden geformeerd die, geholpen door
    hun lotgenoten ter plaatse, links en rechts inbraken en overvallen
    pleegden. De bendes die al meer dan twee eeuwen lang tot de
    verbeelding spreken, zijn de roversbendes die in de achttiende eeuw
    vooral in (het huidige) Zuid-Limburg huis hielden: de bendes van de
    zogenaamde bokkerijders. Over deze bendes is in de voorbije eeuwen
    natuurlijk veel geschreven, maar een van de weinige omvattende
    onderzoeken over hun opkomst, samenstelling en bedrijvigheid, en
    ondergang, is niet zo lang geleden afgerond door A. Blok (1991).
    Uit dit onderzoek blijkt, dat de leden van deze bendes ook
    overwegend uit de streek zelf kwamen. En – parallel aan de leden
    van de Bossche bendes – hadden zij in het algemeen ook zwervende
    beroepen (marskramers, vilders, verarmde ambachtslieden), die
    maatschappelijk geen aanzien genoten. De samenhang die de bendes
    van deze marginalen kenmerkte, berustte vooral op de banden van
    verwantschap en buurtschap. Daarnaast speelde het besef te behoren
    tot een soort van geheim subversief genootschap zeker ook wel een
    rol hierbij. Net als in het geval van de Bossche bendes school de
    kracht van de bokkerijders-bendes voor een groot stuk in de zwakte
    van de overheid. De grote institutionele verdeeldheid van politie
    en justitie belemmerde de effectieve bestrijding van al deze bendes
    zeer.

    De belangrijkste studies zijn in de voorbije jaren evenwel
    geschreven door F. Egmond (1986, 1994). Zij heeft voor het eerst
    inzichtelijk gemaakt wat voor soorten bendes in de zeventiende en
    achttiende eeuw allemaal rondspookten in dit deel van West-Europa:
    het gebied dat zich buiten de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden
    uitstrekte tot in steden als Parijs en Mainz. Naast min of meer
    autochtone Hollandse, Zeeuwse en Brabantse bendes waren dat
    (allochtone) bendes vreemde soldaten, zigeunerbendes en joodse
    netwerken. Deze bendes onderscheidden zich – afgezien van hun
    geografische herkomst en sociale samenstelling – op een aantal
    punten zeker van elkaar: hun omvang, hun bestaansduur, hun
    operatiegebied, hun professionaliteit en andere. Maar zij hadden
    ook wel een gemeenschappelijke noemer: de marginale positie van hun
    leden, of althans de bevolkingsgroepen en/of beroepsgroepen waaruit
    zij voortkwamen. Aangaande dit punt stemmen de conclusies van alle
    studies tot nu toe overeen.

    Wat de andere auteurs door de beperktheid van hun studie-object
    echter niet hebben kunnen zien, is dat in de loop van de tweede
    helft van de achttiende eeuw niet alleen de zigeunerbendes
    verdwenen, dat wil zeggen als gevolg van de ongenadige repressie
    inderdaad ten dele werden uitgeroeid, en ten dele ook opgingen in
    andere bendes, maar ook de andere (etnische en autochtone
    christelijke -) bendes begonnen samen te werken en zich aaneen te
    sluiten. Deze verbinding van de al langer bestaande criminele
    netwerken uit het Noorden en het Zuiden van het hiervoor omschreven
    territorium werd zr bevorderd door de revolutionaire toestanden die
    in dit gebied op het einde van de achttiende eeuw ontstonden, maar
    zij resulteerde – zoals Egmond schrijft –
    niet in een gentegreerd crimineel circuit, laat staan in een
    centraal georganiseerde onderwereld op het platteland. Net zo min
    als er in die tijd sprake was van n samenhangende onderwereld in en
    tussen de steden. Ook hier had men veeleer te maken met in elkaar
    overvloeiende netwerken van dieven en inbrekers. En allicht waren
    er op tal van plaatsen raakpunten tussen de rurale en stedelijke
    onderwerelden. Wie enige ordening wil brengen in de relaties die de
    hiervoorbedoelde bendes met elkaar en met hun omgeving
    onderhielden, kan dit waarschijnlijk nog het beste doen door ze te
    situeren op een mobiliteitsschaal. Aan het ene uiteinde kunnen dan
    de (inter-)nationale etnische bendes worden geplaatst: enerzijds de
    joodse bendes – die gewoonlijk in kleine groepen opereerden, maar
    die op hun beurt onderdelen waren van los gestructureerde en
    wijdvertakte netwerken – en anderzijds de zigeunerbendes – veeleer
    in de vorm van grotere familiegroepen die door de provincin
    trokken. Aan het andere uiteinde horen dan de lokale bendes thuis
    die hun activiteiten beperkten tot hun onmiddellijke woonomgeving
    of de regio’s waarin hun leden rondzwierven. Deze bendes waren voor
    het volvoeren van hun criminele activiteiten erg afhankelijk van
    hun plaatselijke contacten. Maar zij vormden tevens de steunpunten
    voor de niet-etnische interregionale Hollandse en Brabantse bendes
    die onder meer door hun samenstelling – zij telden veel immigranten
    in hun rangen – de band met de plaatselijke gemeenschappen in meer
    of meerdere mate hadden verloren.

    Wat er nu op het einde van de achttiende eeuw gebeurde, was dat
    door ondernemende aanvoerders vanuit lokale bendes grote
    roversbendes werden geformeerd. Een van deze bendes was de Grote
    Nederlandse Bende. Haar eerste tak kwam grotendeels in het
    voormalige Hertogdom Brabant tot stand, in 1789-1790, en wordt dan
    ook de Brabantse Bende genoemd (minstens 56 man sterk, voor het
    merendeel joden). Zij maakte haar bloeiperiode door in de jaren
    1794-1796, maar viel in dit laatste jaar als gevolg van de
    arrestatie van een aantal belangrijke figuren uiteen. Een groot
    deel van deze bende vertrok hierop naar Zuid-Limburg, naar
    Meerssen, en vormde hier, samen met andere rovers, de tweede tak:
    de Meerssener Bende, waarvan de leden – in 1798 omvatte ze ook weer
    ruim 50 rovers – vooral in het Rijnland diefstallen en overvallen
    pleegden. Een van haar hoofdmannen verplaatste in 1797 zijn
    activiteiten naar Holland, waar de steden Rotterdam en Den Bosch de
    uitvalsbases vormden voor de strooptochten van de zogenaamde
    Hollandse Bende in Zuid- en Noord-Holland, West-Brabant en de
    streek rondom Den Bosch. Wat later trok een andere hoofdman van de
    Meerssener Bende met zijn vaste companen ook naar Brabant – ook
    naar Den Bosch. Deze harde kern vormde het centrum van wat later de
    vierde tak van de Grote Nederlandse Bende is genoemd, de
    Noord-Brabantse Bende (1797-1799).

    In haar boek over deze Bende dist Egmond vele details over haar
    samenstelling, organisatie, werkwijze en cultuur op. Met het oog op
    wat in de latere hoofdstukken volgt, wil ik slechts op een paar
    aspecten wijzen. Ten eerste dat ook de leden van deze Bende – in
    meerderheid joden en verder vooral christenen – in het algemeen
    voortkwamen uit bevolkingslagen en beroepsgroepen aan de rand van
    de samenleving; wellicht verklaart dit iets van de hang van hun
    aanvoerders naar rijkdom, aanzien en prestige. Ten tweede dat de
    Bende werd geleid door kerels die niet alleen over enig
    organisatietalent beschikten, maar ook in hun eigen kring hun gezag
    wisten te handhaven – ook al door verhalen dat ze eerder al
    tegenstanders hadden geliquideerd. Ten derde dat haar kracht – en
    zeker die van de Hollandse Bende – school in het feit dat zij
    enerzijds allerlei hele en halve ambachtslieden telde die goed
    thuis waren op het platteland, en anderzijds veel mannen die met
    scheepvaart te maken hadden (gehad) en zodoende in staat waren te
    voorzien in de behoefte van de Bende aan snel, veilig en goedkoop
    vervoer. En tenslotte dat het succes van de vier opeenvolgende
    Bendes voor een belangrijk stuk ook stoelde op de aanwezigheid van
    een grote achterban: de joodse gemeenschappen in de steden, de
    lokale niet-etnische bendes op het platteland.

    Deze configuratie van de georganiseerde criminaliteit in de
    achttiende eeuw mag zeker niet zomaar worden gehanteerd als een
    model om sociaal-geografisch structuur aan te brengen in de
    organisatie van de hedendaagse autochtone georganiseerde
    criminaliteit in Nederland. Maar bij bestudering van de dossiers
    over deze criminaliteit springen op zijn minst zekere parallellen
    in het oog. Hierbij kan zowel worden gedacht aan de synergie die
    samenwerking tussen Brabanders en Hollanders kennelijk somtijds
    bewerkstelligt, als aan de noodzakelijke samenhang tussen de top en
    de basis van de georganiseerde criminaliteit in ons land. De opbouw
    van dit rapport draagt in elk geval de sporen van de impressie dat
    de situatie op het einde van de achttiende eeuw en die op het einde
    van de twintigste eeuw naast belangrijke verschillen zeker ook
    belangrijke gelijkenissen vertonen.

    Overigens is het niet onbelangrijk om te vermelden dat de bloei
    van de roversbendes viel in een periode van grote maatschappelijke
    veranderingen in Europa. Zij gingen ten onder toen de nieuwe staten
    hun interne organisatie – goeddeels volgens het
    Revolutionair-Napoleontische model – op orde hadden gebracht. Toen
    slaagden zij er in enkele jaren tijd in om een eind te maken aan
    het internationale bendewezen (Fijnaut, 1989).


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken