• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – 3.3. Een beeld van zeven belangrijke groepen

    3.3. Een beeld van zeven belangrijke groepen

    3.3.1. Octopus: tussen feit en fictie

    In de voorbije jaren is in de media bij herhaling het beeld van
    een octopus gebruikt om de top van de autochtone georganiseerde
    criminaliteit in Nederland te kenschetsen. Helemaal vreemd is het
    gebruik van dit beeld niet. Niet alleen wordt ook internationaal
    door allerhande media en auteurs de gedachte verdedigd dat het
    beeld van de octopus een adequaat middel is om uit te drukken wat
    de georganiseerde criminaliteit in werkelijkheid voorstelt, maar
    ook is het zo dat rond 1990 het onderzoek naar een bepaalde groep
    in de Randstad het octopus-onderzoek werd genoemd. Dus, het valt
    gemakkelijk te begrijpen waarom zelfs in sommige politiekringen nu
    nog wel over de octopus wordt gesproken.

    Maar al is de aanduiding van de top van de autochtone
    georganiseerde criminaliteit in Nederland met het woord octopus dan
    niet helemaal uit de lucht gegrepen, een feit is dat de top van
    deze criminaliteit er in werkelijkheid niet zo uitziet, als n
    organisatie waarvan de verschillende geledingen quasi automatisch
    functioneren als delen van n groot organisch geheel. Een dergelijke
    organisatie ben ik in de loop van mijn onderzoek niet tegengekomen,
    hoewel het voor een groot deel juist ook betrekking had op groepen
    die volgens de plaatjes een onderdeel van de octopus zouden moeten
    vormen. Laat ons dus het beeld van de octopus uit
    de discussie verbannen. Het doet meer kwaad dan goed, omdat het de
    ontwikkeling van een heldere kijk op de feitelijke situatie
    voortdurend belemmert.
    Wat ziet men dan wel, als men goed kijkt naar wat er
    realiter bestaat? Dan ziet men in eerste instantie honderden
    of liever: duizenden en duizenden mensen die binnen Nederland, maar
    voor een stuk ook daarbuiten, rechtstreeks en indirect met elkaar
    in verbinding staan. Pas in tweede instantie wordt zichtbaar dat
    hun onderlinge betrekkingen in vele gevallen luchtledig zijn, niets
    inhouden, nergens op slaan; het zijn niet meer dan relaties tussen
    bekenden van bekenden. Maar een aantal verbindingen hebben wel een
    rele betekenis voor de betrokkenen: die vormen de sociale netwerken
    waarvan zij deel uitmaken. In derde instantie ontdekt men dat in
    deze netwerken knooppunten zitten: mensen en groepen van mensen, en
    daarbinnen ook weer cliques of harde kernen, die machtsposities
    innemen en sleutelfuncties vervullen. Zij gaan onderlinge coalities
    aan om bepaalde grote projecten zonder al te veel risico’s te
    kunnen financieren, zij brengen elkaar, als het zo uitkomt, in
    contact met nieuwe zakenpartners: producenten en consumenten, zij
    wisselen materieel en personeel uit wanneer dat voor het klaren van
    klussen nodig is, enzovoort. Maar de belangen van de groepen kunnen
    ook in strijd zijn met elkaar, de persoonlijkheden van hun
    aanvoerders kunnen botsen. En dan wordt er niet samengewerkt. Of
    worden de conflicten op een gegeven moment met geweld beslecht. Dit
    is het algemene beeld dat de autochtone georganiseerde
    criminaliteit in Nederland, ook op topniveau, in realiteit te zien
    geeft.

    Hierna wordt een poging gedaan om, zoals al eerder werd
    aangegeven, een kwalitatieve analyse van zeven toonaangevende
    autochtone criminele groepen te presenteren. Deze analyse is nodig
    om wat zoven in abstracto werd gesteld, te concretiseren voor al
    wie genteresseerd is in de top van de georganiseerde criminaliteit
    in Nederland. Maar zomaar concretiseren gaat ook weer niet, want
    binnen deze top bestaan er aanzienlijke verschillen. De ene
    drugsgroothandelaar – want hier hebben we het vooral over – is de
    andere niet. Hierom is hierna, op grond van de voorkennis die er
    bij mij van de betrokken groepen bestaat, een onderscheid gemaakt
    tussen enkelvoudig samengestelde drugsgroothandelsgroepen enerzijds
    en meervoudig samengestelde drugsgroothandelsgroepen anderzijds. De
    betrekkelijkheid van dit onderscheid wordt onderstreept met het
    voorbeeld van drie groepen waarbij enkelvoud en meervoud op een
    aparte manier samengaan.

    3.3.2. De enkelvoudig samengestelde
    drugsgroothandelsgroepen

    Met een enkelvoudig samengestelde drugsgroothandelsgroep wordt
    hier een groep bedoeld, waarvan de organisatie en werking eigenlijk
    draaien om de exploitatie van n enkele drugslijn, althans zo’n lijn
    op n enkel land: Marokko, of Libanon, of Pakistan. Van deze groepen
    zijn twee voorbeelden meer n detail bekeken. De ene groep was
    ontstaan uit een in beginsel hele reguliere internationale
    handelsactiviteit (A), de andere groep had haar origine op een
    woonwagenkamp (B). Maar wie er de baas was, was zowel voor de leden
    van groep A als voor die van groep B volkomen duidelijk. Dat was er
    maar n. Beiden leidden de groepen met straffe hand.

    Beide groepen exploiteerden een hash-lijn op Marokko. Om de
    organisatie van transporten te regelen, de distributie van partijen
    en de financile afwikkeling van de omzet, werd ieder van de bazen
    bijgestaan door een vijftal personen. Dezen kenden onderling een
    zekere taakverdeling. Waar sommigen vooral verantwoordelijk waren
    voor de hashhandel in enge zin – invoer en verkoop -, daar moesten
    anderen instaan voor de investeringen die waren gedaan. Een zeker
    verschil tussen beide groepen is dat in het geval van A de harde
    kern van medewerkers minder door familiale relaties werd
    samengehouden dan in het geval van B; de clique van groep B
    vertoonde veel scherpere familietrekken (broer en zwager).
    Verschillend is ook de omvang en samenstelling van de mensen die om
    de inner circle draaiden. Bij groep A telde deze kring van
    personen zo’n 30 tot 40 man, waaronder vijf transporteurs, twee
    monteurs van bergplaatsen en drie incasseerders. Deze kring
    was bij groep B slechts zo’n 15 tot 20 personen groot, vooral
    transporteurs (2) en chauffeurs, en verder nog een enkele
    zaakwaarnemer. Terwijl de baas van groep B heel duidelijk relaties
    onderhield met enkele grote meervoudige drugsgroothandelsgroepen in
    Nederland (zie hierna), vooral die welke ook worden geleid door
    kampers, onderhield de aanvoerder van groep A dergelijke relaties
    ook wel, maar waarschijnlijk niet op die schaal en met die
    intensiteit als de baas van groep B. De voorman van groep A had
    overigens meer last om de groep bij elkaar te houden dan de baas
    van groep B. Hij moest vaker op (dreiging met) geweld tegen zijn
    eigen mensen een beroep doen dan het hoofd van groep B. In hoeverre
    dit verschil moet worden toegeschreven aan het verschil in omvang
    en samenstelling van beide groepen, valt niet te zeggen. Beide
    groepen handelden hoofdzakelijk in hash. Een verschil tussen groep
    A en groep B is dat de eerstgenoemde groep deze handel tot op
    zekere hoogte bedreef samen met allochtone compagnons, afkomstig
    uit het bronland. Maar hoe dan ook, beide groepen moesten de hash
    in het desbetreffende land ophalen. Dit gebeurde deels met tevoren
    geprepareerde vrachtwagens, deels per schip in containers. Om deze
    illegale handel beter te camoufleren, ging groep B verder dan groep
    A: zij richtte hiervoor in haar woonplaats
    speciale handelsfirma’s op. Groep B stond trouwens – toen ze door
    de politie werd aangepakt – op het punt om op dezelfde manier een
    drugslijn op te zetten naar een West-afrikaans land; de
    quasi-handelsfirma was al opgericht, de directeur al aangesteld. De
    hash was enerzijds bedoeld voor binnenlandse consumptie. Groep A
    stootte delen van haar partijen zo vlug mogelijk door naar een
    vijftal netwerken van coffeeshops in haar eigen streek; groep B
    zette eveneens een deel van haar import af bij coffeeshops in de
    buurt, maar had ook grotere afnemers her en der in het Zuiden van
    het land; daarenboven kon ze wat spul kwijt in haar coffeshop – in
    tegenstelling tot groep A die geen eigen winkelketen had.
    Anderzijds werden kleinere partijen hash rechtstreeks – vanaf het
    bronland (groep A) – en indirect via Nederland (groep A en groep B)
    naar Engeland en Denemarken verhandeld; voor deze hash-export werd
    gebruik gemaakt van ervaren tussenhandelaren. Beide groepen
    realiseerden met de import en doorvoer van hash op jaarbasis een
    forse winst; in het geval van groep A wordt die geschat op 10 tot
    20 miljoen gulden. Dit geld werd voor een klein deel besteed aan de
    verhoging van de eigen welstand, inclusief de aankoop van riante
    woonhuizen. Maar voor het grootste deel werd het genvesteerd in
    bedrijven. Groep A investeerde vooral in bedrijven in de
    automobielsector, groep B belegde het geld vooral in bedrijven in
    de horecasector. Daarbij moet wel worden bedacht dat er voortdurend
    (zwart) geld in al deze bedrijven moest worden gepompt om ze in
    stand te houden; erg renderende beleggingen waren het dus niet.
    Anders dan de baas van groep A die zich rechtstreeks en volop
    bemoeide met de gang van zaken in de betrokken bedrijven, hield de
    baas van groep B zich juist zoveel mogelijk op de achtergrond. Zijn
    financile en zakelijke betrokkenheid werd niet alleen weggemoffeld
    door de bedrijven in kwestie onder te brengen in naar Amerikaans
    recht opgezette vennootschappen, maar ook door de feitelijke
    leiding erover zo goed als volledig in handen te geven van zijn
    naaste medewerkers. Dit belangrijke verschil wordt voor een stuk
    verklaard door het feit dat de legale bedrijvigheid van groep A de
    baas altijd nauw aan het hart had gelegen, terwijl de aanvoerder
    van groep B van oudsher helemaal geen affiniteit had met de sector
    waarin hij semi-legaal voor ondernemer speelde.

    Wat vooral maakt dat de criminaliteit van deze groepen kan
    worden gerekend tot de georganiseerde criminaliteit, is het gegeven
    dat beide – buiten de gebruikelijke werkwijzen in het bedrijven van
    drugshandel – ook probeerden om eventueel overheidsoptreden in hun
    richting te voorkomen en te blokkeren. Dit vond plaats op drie
    manieren. In de eerste plaats door op beperkte schaal – maar groep
    A wel veel meer dan groep B – aan contra-observatie te doen, dat
    wil zeggen informatie in te winnen over het optreden van politie en
    justitie, onder andere via observatie, maar ook via het afluisteren
    van verbindingen (groep A). Op de tweede plaats – maar nauw
    aansluitend bij het voorgaande – door middel van corruptie, zowel
    in de kring van politie als in een (ander) hoogstrelevant
    overheidsbedrijf. En met succes: men werd voortdurend bijgepraat
    over bepaalde politile manoeuvres. Op de derde plaats langs de weg
    van intimidatie. Beide groepen hebben het tot nu toe gelaten bij
    (zeer) ernstige dreigementen in de richting van politie en
    justitie. Ten aanzien van potentile politie-informanten en dus,
    nadien, mogelijke getuigen is het echter niet bij dreigementen
    gebleven. Groep A nam een enkele keer ook haar toevlucht tot
    ernstige mishandeling van een vroegere medestander om te voorkomen
    dat hij zou gaan praten tegen de politie.

    3.3.3. De meervoudig samengestelde
    drugsgroothandelsgroepen

    Waar bij enkelvoudige drugsgroothandelsgroepen de baas zich al
    bij al, zij het soms ook via tussenpersonen, intensief bemoeit met
    de concrete exploitatie van zijn ene drugslijn, daar houdt de baas
    bij meervoudige drugsgroothandelsgroepen zich juist verre van de
    praktische uitbating van de verschillende drugslijnen die hij heeft
    opgebouwd, overgenomen of veroverd. Men zou ook kunnen zeggen dat
    in het eerste geval de baas nog op een taktisch niveau opereert,
    waar in het tweede geval de baas op strategisch niveau bezig is. De
    kopmannen van de groepen waarom het in deze subparagraaf gaat,
    voldoen in elk geval aan dit profiel. Hun opkomst in de
    internationale drugsgroothandel dateert uit de jaren tachtig. De
    een (C) – een kamper – werd toen – samen met een compagnon – al
    aangezien als een van de grootste handelaren van Nederland. Hij
    controleerde via bepaalde transporteurs – met veel contacten in de
    wereld van het legale vervoer – drie hashlijnen uit Pakistan en
    Libanon, in 1988 samen goed voor zo’n dertig ton. De partijen
    werden veelal via de havens van Lissabon en/of Antwerpen per schip
    of per vrachtwagen in containers naar Nederland gebracht en hier
    grotendeels klaargemaakt voor doorvoer/export naar Engeland; dit
    deel van de transportketen werd toevertrouwd aan andere
    transporteurs dan die welke voor de import instonden. Verder had
    men ook toen al het sterke vermoeden dat betrokkene in meer zaken
    was betrokken dan drugshandel. Hij zou met name ook in de
    vuurwapen(groot)handel en in de oliehandel actief zijn. Tenslotte
    twijfelde de politie er niet aan of hij had verschillende mensen
    laten ombrengen. In elk geval onderhield hij nauwe contacten met
    twee lieden die als killers bekend staan.

    De ander (D) komt uit een heel andere wereld dan de
    kampers-wereld. Hij groeide op in de schaduw van een van de
    grootste drugsdealers in de periode waarom het hier gaat: de jaren
    tachtig. Aanvankelijk speelde hij met name voor bodyguard van de
    grote baas en bouwde in die hoedanigheid een huiveringwekkende
    reputatie in het milieu op; zijn naam werd constant in verband
    gebracht met de liquidatie van verschillende personen. Later
    ontpopte hij zich meer en meer als de tweede man van de organisatie
    en nam – in de schaduw van de voorman – een aantal van diens
    cordinerende taken over. Hierom was, op het moment dat de grote
    baas uitviel, zijn bedje min of meer gespreid. Zonder al te veel
    problemen kon hij zowel de erfenis als de staande boedel overnemen.
    De voorwaarden voor een verdere opgang in de internationale
    drugshandel waren aanwezig.

    Het feit dat de beide kopmannen op hetzelfde niveau opereren,
    wil natuurlijk nog niet zeggen dat zij hun (werk-)omgeving op
    dezelfde manier organiseren. C zou men in vergelijking met D
    wellicht kunnen typeren als een loner die eigenlijk niemand
    anders om zich heen heeft dan een vaste raadgever, een oude vriend
    in de misdaad. D, daarentegen, heeft niet zo’n rechterhand, is
    alleen de baas, maar heeft zich wel omringd met een kleine
    hofhouding van bodyguards, chauffeurs, klusjesmannen,
    woningbeheerders en andere. Het kan heel goed zijn dat dit verschil
    in entourage een weerspiegeling vormt van een belangrijk
    stijlverschil in leiderschap. C leidt eigenlijk geen groep, in een
    wat engere zin van het woord, maar heeft gaandeweg – halverwege de
    jaren tachtig bijvoorbeeld werkte hij met heel andere mensen dan
    rondom 1990 – over de hele wereld een hecht netwerk van relaties
    met zijn gelijken opgebouwd. Hij geniet kennelijk groot vertrouwen
    bij de hoofdleveranciers van drugs in Azi (en wellicht ook
    Zuid-Amerika), staat goed bekend bij de grote afnemers in
    Noord-Amerika (Verenigde Staten n Canada) en West-Europa, en kent
    in Nederland de mensen, de transporteurs, die – op het moment dat
    er grote partijen (tientallen tonnen hash, duizenden kilo’s cocane)
    verscheept moeten worden – over de middelen, althans de
    mogelijkheden, beschikken om het vervoer ervan van begin tot het
    eind te organiseren: schip kopen, bemanning erbij zoeken,
    (misleidende) vaarroutes uitstippelen, enzovoort; deze
    transporteurs, dat spreekt welhaast vanzelf, doen hiernaast gewoon
    hun eigen werk. Met andere woorden, C is meer een makelaar in
    illegale goederen dan de leider van een criminele groep. En als
    zodanig probeert hij dan ook het risico van het transport (hier zit
    wel de grootste winst aan vast, maar ook het grootste risico) te
    spreiden, deels in de richting van de leveranciers (een deel – soms
    50% – van de prijs wordt pas afgerekend wanneer de partij in
    veilige haven is), deels in de richting van de transporteurs en
    afnemers: die nemen naar rato van hun vermogen en belangstelling
    ieder ook een deel van de investering voor hun rekening. Er is in
    Nederland zeker n belangrijke partij drugs in beslag genomen
    waarvan aan de kleuren van de verpakking te zien was, zo wordt
    althans gedacht, dat zij was gefinancierd door zes verschillende
    groothandelaren/transporteurs. Verder is vastgesteld dat er nauwe
    relaties (hebben) bestaan met bepaalde advocaten(kantoren) en
    financile adviseurs.

    D is in vergelijking met C wel de man aan de top. Hij bemiddelt
    niet zozeer tussen belanghebbende partijen – producenten,
    transporteurs en consumenten -, maar regisseert in grote lijnen de
    criminele hoofdactiviteiten van zo’n zes tot zeven groepen – of
    beter nog cliques die rond n of twee aanvoerders zijn gegroepeerd.
    Deze groepen, cliques, worden weliswaar aangestuurd door de topman
    maar binnen het grofweg aangegeven kader doen en laten ze wat ze
    willen; daarbuiten mogen ze best ook nog allerlei eigen handel
    drijven. Hun verhouding tot de topman is per definitie dus niet zo
    doorzichtig. En dat houdt die man ook graag zo, denkt men. Want hoe
    ondoorzichtiger die verhouding is, des te moeilijker valt te
    bewijzen dat hij de grote man van de criminele organisatie is. Hij
    vermijdt dus zoveel mogelijk directe persoonlijke contacten met
    zijn aanvoerders en opereert het allerliefst ver achter de
    schermen. Dit betekent onder meer dat hij het liefst vanuit het
    buitenland opereert, zo min mogelijk contact met zijn mensen zoekt
    via verbindingen die afgeluisterd respectievelijk geregistreerd
    kunnen worden, financile transacties als het even kan buiten
    Nederland afwikkelt, zich in Nederland zelf zo onopvallend mogelijk
    gedraagt, festijnen voor zijn medewerkers bij voorkeur in een ander
    land organiseert, etcetera. Het feit dat het hier bovenal om een
    meervoudige drugsgroothandelsgroep gaat, wil zeggen dat er ook
    allerlei bedrijven en mensen deel van uitmaken:
    transportondernemingen, geldkoeriers, handelsfirma’s, beheerders
    van loodsen. Al met al kan deze kring van bedrijven en mensen goed
    100 tot 150 personen tellen. Daarnaast onderhoudt de baas nauwe
    relaties met bepaalde (advocaten- en notaris-)kantoren, en heeft
    hij vaste connecties met onder andere een garagebedrijf, een
    reisbureau, een communicatiecentrum en de medische wereld.

    Het is wellicht haast overbodig om erop te wijzen dat de
    ondoorzichtige, weinig formele, laat staan bureaucratische,
    structuur van deze beide groepen, geen zwak punt van ze is. Die is
    juist uiterst functioneel voor criminele organisaties! Niet alleen
    biedt zij een belangrijke bescherming tegen doeltreffend
    overheidsoptreden, maar ook stelt zij de desbetreffende groepen in
    staat om heel snel in te spelen op veranderingen in hun omgeving:
    plotse aanbiedingen op de markt, opkomst van andere criminele
    groepen, enzovoort.

    De verschillen in leiderschap en organisatorische structuur
    tussen groep C en groep D keren ook terug in de manier waarop de
    drugsgroothandel zelf wordt bedreven. Groep C heeft zich in de
    voorbije jaren helemaal toegelegd op de internationale
    drugsgroothandel in de vorm van zr riskante maar, als ze slagen,
    ook zr lucratieve projecten. Deze projecten bestaan uit de
    verscheping van – naar verhouding – enorme hoeveelheden
    hash en cocane vanuit de bronlanden naar afzetmarkten in Australi,
    Noord-Amerika en West-Europa; de hoeveelheden zijn vaak zo groot
    dat ze – terwille van de hoogte van de consumptieprijzen – niet in
    een klap aan land worden gebracht, maar gedeeltelijk op de zeebodem
    in containers worden weggezet. Een aantal van deze projecten is,
    ondanks alles, toch geheel of ten dele mislukt: grote partijen hash
    en cocane zijn door binnenlandse en buitenlandse autoriteiten
    inbeslaggenomen en transporteurs zijn tot enkele jaren
    gevangenisstraf veroordeeld. Hierom wordt er de laatste tijd
    naarstig gezocht naar andere mogelijkheden om grote partijen te
    vervoeren. Het past helemaal bij de werkwijze van deze groep dat
    zij zich niet bezighoudt met de verdere distributie van de drugs in
    de desbetreffende landen; dat laat zij helemaal over aan de
    afnemers ter plaatse. Hiermee is dan meteen n van de belangrijke
    verschillen met groep D aangegeven. Deze groep handelt ook
    rechtstreeks met landen buiten Nederland, maar levert daarnaast ook
    direct aan (ketens van) coffeeshops in eigen land; daarenboven
    verhandelt zij nog een deel van de gemporteerde partijen in een
    aantal van de horeca-gelegenheden die ze in de voorbije jaren in
    bezit heeft gekregen. Een ander belangrijk verschil is dat groep D
    niet al haar energie richt op de realisering van enkele grote
    gemeenschappelijke projecten met verschillende transporteurs, maar
    dat haar subgroepen eigenlijk voortdurend bezig zijn een of meer
    van haar drugslijnen te exploiteren, dat wil zeggen doorlopend
    ervoor te zorgen dat kleinere en grotere partijen zo veilig
    mogelijk worden opgehaald, vervoerd en afgeleverd.

    Overigens worden (delen van) beide groepen ervan verdacht niet
    alleen in de drugsgroothandel te zitten, maar ook een niet
    onaanzienlijke rol te spelen in de internationale wapenhandel. In
    het geval van groep D is hiervan het onomstotelijke bewijs
    geleverd. In het geval van groep C is het bij vermoedens gebleven,
    omdat er op dit punt nooit gericht onderzoek in haar richting werd
    gedaan.

    Niet goed is aan te geven waar de inkomsten die jaarlijks door
    meervoudige drugsgroothandelsgroepen worden gegenereerd, blijven,
    onder meer vanwege het internationale karakter van de bijbehorende
    geldstromen. Duidelijk is wel dat een deel van de middelen nodig is
    om de handel voort te zetten: aankoop van partijen, financiering
    van hun transport, enzovoort, waarbij het niet uitgesloten is dat
    beide groepen proberen ook in andere segmenten van de drugsmarkt
    een rol van betekenis te gaan spelen. Zo ligt er het bericht dat n
    van beide bezig is met investeringen in de kweek van nederwiet. Het
    past echter bij het karakter van groep D dat zij in dit opzicht
    waarschijnlijk een stap verder gaat dan groep C, en wl in een
    aantal landen een bepaald soort bedrijven opkoopt die op de langere
    termijn de infrastructuur moeten leveren voor een veilige, en dus
    zo winstgevend, mogelijke organisatie van de drugshandel – van
    import tot en met distributie in West-Europa. In het geval van
    groep C zijn nimmer dergelijke strategische aankopen waargenomen.
    Maar ook groep D beperkt zich niet tot besteding van de inkomsten
    aan de voortzetting en/of uitbreiding van de drugshandel. Zij,
    althans haar hoofdman, is namelijk ook bezig zich in te kopen in
    vitale economische sectoren van een ver buitenland – haast buiten
    het zicht en zeker buiten het bereik van de Nederlandse overheid.
    Groep C doet dit laatste, voorzover bekend, niet. Via een
    gecompliceerd internationaal netwerk van bedrijven en banken poogt
    zij vooral legaal in Nederland te investeren. Het ligt voor de hand
    dat een deel van deze investeringen plaatsvindt in de sector van
    het onroerend goed. Voor een deel worden zij mogelijk ook
    daarbuiten gedaan – in sectoren waar men dit niet zo vlug zou
    verwachten.

    Tot slot mag zeker niet voorbij worden gegaan aan de methoden
    die door deze groepen worden gehanteerd om hun bedrijvigheid af te
    schermen tegen de overheid. Wanneer deze – zoals hiervoor is
    gebeurd – worden ingedeeld in de gebruikelijke categorien:
    contra-informatie, corruptie en intimidatie, dan kan in de eerste
    plaats worden gesteld dat contra-informatie zeker tot het
    repertoire van beide groepen behoort. Wat de toepassing van
    corruptie aangaat, is het zo dat beide groepen het gebruik van dit
    middel niet schuwen, met name niet in de sfeer van de politie.
    Verder zijn er signalen dat groep D doelbewust gebruik maakt van
    intimidatie om de opsporing van haar illegale activiteiten lam te
    leggen, en in dit verband, denkt men, n keer zelfs zover is gegaan
    dat zij een informant van de politie uit de weg heeft geruimd.
    Groep C werkt in dit opzicht meer rechtstreeks en bedreigt
    regelrecht politiemensen die via hun onderzoek te dicht in zijn
    buurt komen. Tenslotte poogt de voorman van groep D – zo wordt
    aangenomen – niet alleen bepaalde media te gebruiken voor de
    uitschakeling van zijn belangrijkste tegenstanders in de overheid –
    gewoon door discrediterende berichten over hen te laten
    verspreiden, maar tracht hij ook via de media, en vooral via
    journalisten met wie hij een vaste relatie onderhoudt, een zo
    gunstig mogelijk imago van zichzelf te creren. Vanzelfsprekend om
    te voorkomen dat hij op den duur – ook in de ogen van het publiek –
    terecht het grote mikpunt van politie en justitie wordt.

    3.3.4. Tussen de enkelvoudig en de meervoudig samengestelde
    drugsgroothandelsgroepen

    in:
    drie voorbeelden

    Hiervoor zijn de enkelvoudig samengestelde en de meervoudig
    samengestelde drugsgroothandelsgroepen met opzet tegenover elkaar
    geplaatst. Zo komen de onderlinge verschillen tussen deze groepen
    het scherpst tot uitdrukking. Maar deze polarisering van het beeld
    van de werkelijkheid mag niet uit het oog doen verliezen dat er
    tussen de extremen in allerlei belangrijke overgangsvormen bestaan.
    Hiervan worden er hierna drie in beeld gebracht waarover tamelijk
    veel informatie beschikbaar is. Maar er vallen zeker meer
    voorbeelden in de Nederlandse context aan te wijzen. De drie
    onderhavige groepen hebben een aantal punten gemeenschappelijk. Ten
    eerste stammen zij uit de kring van woonwagenbewoners, zelfs in
    belangrijke mate uit n en dezelfde familie; voorzover hun leden
    zelf niet meer op woonwagenkampen wonen, staan dezen wel nog
    dagelijks in contact met bewoners van deze oorden. Ten tweede zijn
    deze groepen alle drie betrokken bij de drugsgroothandel, in die
    zin dat zij tw of meer drugslijnen exploiteren; zij zijn ook wel
    actief (geweest) in andere criminele sferen, bijvoorbeeld illegale
    autohandel en illegaal gokken, maar dit gaat meestal slechts om een
    nevenactiviteit. Ondanks de betrokkenheid van hun groepen bij
    meerdere drugslijnen kunnen de bazen het niet laten om zich volop
    te bemoeien met de exploitatie van deze lijnen; het zijn met andere
    woorden nog tactici en geen strategen. En wat deze groepen, en
    speciaal hun leiders, ten derde, ook gemeen hebben is hun
    bereidheid om grof geweld te gebruiken – zeker tegen eigen mensen,
    tegen compagnons (leveranciers), en tegen concurrenten op de markt;
    over enkele van hun voormannen en hun leden doen al jaren
    bloedstollende verhalen de ronde. Een belangrijk verschilpunt
    tussen de drie groepen is echter dat de ene groep niet alleen in
    meer windrichtingen drugslijnen poogt op te zetten dan de andere
    groep, maar dat zij ook verder is, respectievelijk verder wil gaan,
    met de ontwikkeling van eigen infrastructuur en logistieke
    middelen. Uitgaande van dit graduele verschilpunt ligt het voor de
    hand om de bespreking van de drie groepen aan te vangen met de
    groep die het minst ontwikkeld is. De familiale kern van groep E
    bestond uit drie personen. Zij zaten (ook) in de (illegale)
    autohandel en werkten nauw samen met enkele (drie)
    (staf)medewerkers van een reinigingsbedrijf, een schoonmaakbedrijf
    en een coating bedrijf. Een stuk of wat (vier vijf) personen
    verrichtten allerhande hand- en spandiensten. Alles bij

    elkaar bestond de groep dus uit ruim tien man. De leider van de
    groep was via loan sharking, onder andere ten opzichte van
    een bekende plaatselijke hash-dealer, terechtgekomen in de
    hashhandel op Marokko. Zijn contacten in Marokko liepen via
    Marokkaanse kennissen in Nederland. De transporten werden echter
    uitgevoerd door Nederlandse mensen, gerecruteerd in het
    caf-circuit, die in financile problemen zaten en zo een kans zagen
    snel van deze problemen af te komen. En inderdaad, mede afhankelijk
    van de omvang van de partij die moest worden opgehaald – en haar
    omvang varieerde van enkele tientallen kilo’s tot meer dan 2.000 kg
    -, kregen de transporteurs, naast hun reiskostenvergoeding (10.000
    gulden), een geldbedrag dat kon oplopen tot 150.000/200.000 gulden.
    Maar de risico’s waren ook niet gering. Niet alleen werden
    ettelijke transporten in Marokko, Frankrijk en Spanje onderschept
    met alle gevolgen voor de chauffeurs vandien, maar de leider van de
    groep had er ook geen moeite mee om transporteurs die niets mee
    terugbrachten of die (een deel van) de partij onderweg waren
    kwijtgespeeld, te mishandelen, soms zeer ernstig, of een geldelijke
    boete op te leggen. Voor het transport werd gebruik gemaakt van
    zelf geprepareerde busjes, compleet met vervalste papieren. De
    transporteurs kregen een dubbele set reispapieren mee om in de
    omringende landen hun aanwezigheid in Marokko te kunnen
    versluieren. In 1992 werd evenwel in Belgi een reisbureau opgezet
    met de bedoeling om via bussen van dit bureau hash uit Marokko te
    gaan smokkelen. Dit plan is ook uitgevoerd. De hash die aldus werd
    aangevoerd, was alleen bestemd voor de lokale, regionale, markt.
    Via hun zakenrelaties in de schoonmaakwereld begonnen de voormannen
    van de groep in 1993 contact te zoeken met chemische bedrijven in
    Tsjechi, duidelijk met de bedoeling om daar illegaal grondstoffen
    te (laten) produceren en/of te (laten) kopen die geschikt zijn voor
    de vervaardiging van amphetamine en XTC; ook werd erover gesproken
    om in dit land, alleen of in samenwerking met anderen, zulk een
    bedrijf op te richten. In de onderhandelingen met de
    Duits-Tsjechische partners was in elk geval bij herhaling sprake
    van de levering van grote hoeveelheden grondstof naar Nederland.
    Eind 1993 reikten de plannen nog verder. Toen ging men met de
    directie van een chemisch bedrijf in Skopje, Macedoni, gesprekken
    aan over de jaarproduktie van nog grotere hoeveelheden van deze
    stof. Maar noch het ene noch het andere project ging uiteindelijk
    door. Het bleef allemaal bij de illegale aanschaf van beperkte
    hoeveelheden basisstoffen in Duitsland; zeker n levering mislukte
    (als gevolg van politie-ingrijpen), minstens drie andere leveringen
    slaagden. De aldus gemporteerde stoffen werden in Nederland
    doorverkocht aan personen die volop synthetische drugs
    produceerden. Later bleek dat op instigatie van de top van de groep
    een kleine hoeveelheid amphetamine door verder onbetekenende
    transporteurs was gesmokkeld naar Engeland.

    Groep E maakte geen gericht gebruik van contrastrategien in de
    richting van de overheid. Natuurlijk probeerde men zo min mogelijk
    over de telefoon te zeggen, natuurlijk werd allerhande
    verbindingsapparatuur op naam van anderen gezet, maar van pogingen
    om door middel van contra-observatie of intimidatie
    overheidsoptreden te belemmeren of tegen te gaan, was geen sprake.
    Alleen viel het op hoe gemakkelijk de
    topman van de groep op lokaal en provinciaal niveau contacten kon
    leggen met overheidsinstanties. Maar toen hij daar op een gegeven
    moment zijn zin niet kreeg, viel hij even uit zijn rol en
    intimideerde de ambtenaar in kwestie vrij ernstig.

    De aanvoerder van groep F bouwde in de loop van de jaren tachtig
    de reputatie op een geweldenaar te zijn. Hij pleegde, zowel in
    Belgi als in Nederland, overvallen, stond bekend als een
    ripper van partijen drugs, zowel uit de handen van Hollandse
    als uit de handen van met name Marokkaanse groepen, en werd, ook in
    het milieu, verantwoordelijk gehouden voor de liquidatie van
    ettelijke personen. De clique om hem heen was toen niet zo groot,
    hooguit zo’n vijf man, maar stond wel in contact met alle
    toenmalige groten in de Nederlandse criminele wereld, zeker de
    kampers onder hen. Nadat deze clique door arrestatie en liquidatie
    was geruneerd, bouwden de leiders een nieuwe formatie op, ditmaal
    veel groter en hoofdzakelijk actief in de drugshandel. Dat er ook
    illegale wapenhandel en betrokkenheid bij illegaal gokken in het
    spel zijn (geweest), wordt niet uitgesloten geacht.

    Dat deze groep F, in haar nieuwe gedaante, een maat groter was
    dan groep E blijkt al direct uit haar omvang en samenstelling. De
    kopman werd dagelijks bijgestaan door een soort van
    raadgever/beheerder, maar kon, al naar gelang het nodig was, ook
    terugvallen op een advocaat, een accountant, een bankemploy en een
    medewerker van een Kamer van Koophandel; zij hielpen hem bij het
    uitdokteren van witwasconstructies (via Luxemburg), het wegmoffelen
    van zwart geld uit de boekhouding van zijn Nederlandse bedrijven en
    andere. Zo’n vier vijf familieleden kregen bedrijven en bedrijfjes
    op hun naam, moesten koerieren met geld en werden betrokken bij de
    organisatie en afwikkeling van drugstransporten. Twee
    klusjesmannen, die een vertrouwenspositie genoten, zorgden voor de
    veiligheid van de hoofdman. Samen met anderen – men spreekt van
    zowel kampers als van Joegoslaven – stond n van de familieleden ook
    in voor de afstraffing van degenen die fouten maakten.

    De eerste en voornaamste drugslijn die deze groep exploiteerde,
    was, alweer, een lijn op Marokko. De relaties ginds werden niet
    alleen gelegd via Marokkaanse contacten hier in Nederland, maar ook
    via een Nederlander die in Marokko een bedrijf had, in financile
    problemen was geraakt, door de baas van de groep uit de knoei was
    geholpen en in ruil hiervoor allerlei hand- en spandiensten moest
    verrichten: koeriers uit Nederland opvangen, partijtjes cocane,
    bestemd voor de upper ten in Marokko, opslaan, etcetera. Aan
    de Nederlandse kant van de Marokkaanse lijn was het van hetzelfde
    laken een pak. Hier werden – zoals zo vaak gebeurt (zie het rapport
    over de transportbranche) – de eigenaren van een klein
    transportbedrijf dat door de onderschepping van een hashtransport
    in financile problemen kwam, ook door de aanvoerder financieel op
    de been geholpen. Vervolgens moesten zij wel voor hem op Marokko
    blijven rijden. En om de werkelijke business van dit bedrijf
    te verdoezelen, werd verder genvesteerd in een bedrijfje van een
    andere man die door de leider financieel van de ondergang was
    gered. Via dit bedrijfje werd een reguliere goederenstroom op gang
    gebracht om de stroom drugs te camoufleren. Uiteindelijk werd ook
    nog op een heel andere plaats in Nederland een bedrijf opgericht.
    Maar het had dezelfde functie: afdekken van de toevoer van hash uit
    Marokko. In de tijd dat deze infrastructuur werd opgebouwd
    ontstonden nieuwe plannen voor de uitbouw van de illegale
    onderneming. Op de eerste plaats werden plannen gemaakt, samen met
    mensen die bij de voorman ook in het krijt hadden gestaan, om
    hennep uit Nigeria, via een eigen bedrijf (in keramiek) in Roemeni,
    naar een onderneming in de Randstad te sluizen. Heel dit circuit
    werd ook metterdaad opgebouwd, maar de benutting ervan stokte door
    interne conflicten in de groep. Dezelfde methode werd toegepast om
    drugs, vooral herone, vanuit India te laten komen. Via twee
    contactpersonen in dit land, waarvan er n (in 1988) een tijd in de
    Bijlmer-bajes heeft gezeten maar toen hieruit met de hulp van
    bewaarders is ontsnapt, werd eerst een legale stroom van
    (waardeloze) goederen naar een bedrijf in Nederland op gang
    gebracht, en werd deze connectie vervolgens gebruikt voor het
    transport van de genoemde drug. Voorts werden er contacten gelegd
    met allerlei sleutelpersonen in Suriname. Dit gebeurde kennelijk
    met de bedoeling om een deel van de cocanehandel naar West-Europa
    in handen te krijgen. Er werd zelfs al een schip in gereedheid
    gebracht om deze nieuwe lijn zoveel mogelijk in eigen beheer te
    kunnen exploiteren. Dit schip is waarschijnlijk nooit voor dit doel
    gebruikt, maar er wordt niet aan getwijfeld dat er via deze lijn,
    op de een of andere manier, wel al cocane in de richting van
    Nederland is gekomen. Tenslotte gaan er verhalen dat deze groep ook
    betrokken is geweest bij de import van grote hoeveelheden
    grondstoffen voor de aanmaak van synthetische drugs, maar deze
    meldingen zijn nooit goed uitgezocht. Zoals ook niet verder is
    nagegaan wat er op een gegeven moment waar was van het bericht dat
    zij de ambitie had om de afzet van deze drugs in heel Nederland –
    vooral bij dancings en discotheken – onder haar controle te
    brengen.

    Er is verder geen twijfel aan dat deze groep al het mogelijke
    deed om haar interne communicatie geheim te houden: geen
    (auto-)telefoons op eigen naam, zoveel mogelijk gebruik van codes
    en dergelijke. Complementair hieraan werd alles en iedereen onder
    observatie genomen dat/die een gevaar voor de groep kon betekenen.
    Wie het zou wagen met de politie te praten, wist wat hem/haar voor
    straf te wachten stond: heel het gamma, van mishandeling, via
    marteling, tot liquidatie toe; dat had een van de companen nog
    eens
    ondervonden toen hij buiten de hoofdman om een eigen drugslijn
    dacht te kunnen beginnen. Een interessant punt in dit verband is
    dat hij medewerkers die in binnen- of buitenland werden
    aangehouden, onmiddellijk van juridische bijstand voorzag, om via
    zijn raadslieden zo goed mogelijk op de hoogte te blijven van de
    vorderingen van het strafrechtelijk onderzoek en de rol van zijn
    mensen daarin (door het al dan niet afleggen van belastende
    verklaringen bijvoorbeeld). Regelrechte intimidatie van politie en
    justitie vond niet plaats, maar dit neemt niet weg dat de reputatie
    van de aanvoerder een meedogenloos geweldenaar te zijn intimiderend
    werkte. Opmerkelijk is dat hij er niettemin in slaagde om
    corruptief getinte relaties te ontwikkelen met, zoals al werd
    gezegd, een medewerker van een Kamer van Koophandel, en een
    medewerker van het consulaat van een van de landen die hiervoor
    zijn genoemd. Een van zijn bodyguards beschikte, zij het ook buiten
    de eigen regio, over nauwe contacten met politiemensen op voor hem
    vitale posities. De ene werkte bij een CID, de andere bij een
    observatiegroep.

    Tenslotte moet worden gezegd dat er nog niet zoveel zicht
    bestaat op de (besteding van de) revenuen van deze groep. Een
    belangrijk deel werd zeker aangewend om de genoemde infrastructuur
    op te bouwen. Een ander deel is in Nederland via slinkse wegen
    genvesteerd in legale bedrijven, speciaal in de automobielsector.
    Naar de rest is men nog op zoek.

    Groep G dan is de groep die het dichtst de omvang en de (infra-)
    structuur van de meervoudig samengestelde drugsgroothandelsgroepen
    benadert. Ook deze groep wortelde in de wereld van de
    woonwagenbewoners en wordt zelfs heden ten dage nog, ook in eigen
    kring, tot de kampers-groepen gerekend. Zij ontsproot, op het einde
    van de jaren tachtig, uit een andere criminele groep van kampers.
    Deze groep was enerzijds actief in de (illegale) kleinhandel in
    textiel en meubilair, en anderzijds volop betrokken bij de
    financiering en de bescherming van diverse (illegale) gokhuizen.
    Het conflict dat op een gegeven moment met een andere groep
    uitbarstte over de controle op deze gokhuizen, bracht haar echter
    ernstig in moeilijkheden: een zoon van de leider werd
    doodgeschoten, een andere zoon werd veroordeeld tot een lange
    gevangenisstraf. Het einde van de groep was zo ongeveer nabij, toen
    kort daarop ook nog een schoonzoon en diens broer, coming
    men
    in de hashhandel, werden geliquideerd. In het kielzog van
    deze gebeurtenissen verlieten diverse min of meer belangrijke
    uitvoerende leden (bodyguards, chauffeurs, koeriers, een zakenman)
    de al wat ouder wordende hoofdman en sloten zich aan bij de groep
    (G) waarom het hier werkelijk te doen is. Deze groep werd ook
    geleid door een kamper, maar de vier andere kernleden stammen in
    het geheel niet uit de kampers-wereld. Naast de al genoemde
    zakenman die vooral instond voor het onderhouden van contacten met
    de overheid en het legale zakenmilieu, gaat het hier om personen
    die voordien al, in verschillende steden, op enige schaal met een
    eigen clubje actief waren geweest in de handel in hash en mogelijk
    ook cocane. Waarom zij in 1988-1989 samen gingen met de (nieuwe)
    aanvoerder is niet helemaal duidelijk. Een van de belangrijke
    redenen is waarschijnlijk geweest dat zij beschutting bij hem
    zochten tegen potentile vijanden in hun eigen milieu: personen die
    het op hun partijen respectievelijk materile middelen en/of geld
    hadden gemunt, rippers kortom. Want men mag niet uit het oog
    verliezen dat de kopman al vanaf het begin van de jaren tachtig,
    als chauffeur en bodyguard van een tamelijk belangrijke
    internationale drugshandelaar, een schrikbarende reputatie had
    opgebouwd. Hij had echter niet alleen een goede reputatie maar ook
    een wereldwijd netwerk van contactpersonen in de drugshandel.
    Wanneer iedereen wordt meegeteld die op de een of andere manier
    iets van doen had met de drugsgroothandel van de groep, dan komt
    men gemakkelijk op 50 60 personen. In werkelijkheid draaide de
    groep echter op een man of 25. Afgezien van enkele familieleden die
    allerlei hand- en spandiensten verrichtten, behoorden hiertoe
    enerzijds een aantal figuren die beschikten over loodsen, die
    transporten konden uitvoeren, die met speedboten overweg konden,
    etcetera, en anderzijds kapiteins, of althans zeelieden, die in den
    vreemde de partijen moesten gaan ophalen. Een deel van deze
    stuurlui had al jaren niets anders gedaan dan drugs over de
    wereldzeen gevaren, een deel was op deze tak van scheepvaart
    overgestapt, omdat ze het in meer reguliere sectoren niet hadden
    kunnen bolwerken. Verder cirkelden om de groep ook nog wat personen
    die de hoofdman en zijn secondanten regelmatig adviseerden omtrent
    de oprichting van rechtspersonen, het opzetten van ondernemingen,
    de aankoop van onroerende goederen en het witwassen van gelden. Bij
    deze personen moet men denken aan belastingadviseurs, makelaars en
    bancaire specialisten, maar zeker ook n advocaat; deze werd echter
    tot de inner circle gerekend. De voorman van deze groep zat,
    ondanks haar betrekkelijke grootte, boven op haar interne relaties,
    taktische operaties en externe contacten; er gebeurde niets
    belangrijks of hij wist ervan. Maar om de hele groep ook in
    moeilijke tijden bij elkaar te houden, werden de beproefde middelen
    ingezet. In geval van aanhouding konden de achterblijvers rekenen
    op de nodige (financile) ondersteuning. En dat men raad wist met
    mensen die het waagden uit de pas te gaan lopen, ondervond de
    verkoper van een schip: hij werd – toen de financile afwikkeling
    van deze transactie niet naar wens verliep – door de leden van de
    kerngroep zwaar mishandeld; en passant sloegen zij ook de inboedel
    van zijn huis kort en klein.

    De groep verdiende het grote geld met de exploitatie van vijf
    belangrijke en minder belangrijke drugslijnen.
    De belangrijke lijnen waren die op Libanon, op Pakistan en op
    Marokko; langs deze lijnen werd hoofdzakelijk hash aangevoerd, maar
    – langs de tweede – mogelijk ook herone, denken politiemensen. De
    minder belangrijke lijnen waren die op Columbia (cocane) en die op
    Nigeria/Ghana (hash – in ruil voor auto’s). Om met name de drie
    eerstbedoelde lijnen zo goed mogelijk te kunnen exploiteren, kocht
    de groep achtereenvolgens op zijn minst tien zeewaardige schepen en
    maakte ze klaar voor drugstransporten (inbouwen van geheime
    bergplaatsen en dergelijke). De hele taktiek kwam er vervolgens dan
    op neer om de partijen richting Noordzee te brengen en ze daar op
    kleinere en snelle boten over te laden, geschikt voor aanlanding op
    de Hollandse kust. Vervolgens werden ze dan in (overigens nooit
    ontdekte) schuilplaatsen weggeborgen en in grotere en kleinere
    hoeveelheden uitgeleverd aan zowel lokale en regionale handelaren
    als aan (inter-)regionale dealers respectievelijk dealers uit de
    omringende landen (Engeland, Duitsland, Belgi, Frankrijk, Spanje en
    de Scandinavische landen). Hoe succesvol de groep, in de jaren dat
    zij floreerde, is geweest, valt moeilijk in te schatten. Bekend is
    natuurlijk wel dat een niet onbelangrijk aantal partijen op weg
    naar Nederland is onderschept of, om ontdekking te voorkomen,
    overboord is gezet. Maar hoe belangrijk het andere deel is geweest,
    valt niet goed te zeggen.

    Door de politie is becijferd dat de groep in twee jaar tijd zo’n
    12 13 miljoen gulden nodig heeft gehad om haar drugshandel op gang
    te houden. Daarenboven heeft de kerngroep in deze periode zo’n vier
    miljoen genvesteerd in c.q. uitgegeven aan de aankoop van onroerend
    goed (twee cafs, enkele woonhuizen), de oprichting van een
    garagebedrijf, de aanschaf van auto’s met het oog op de eigen
    autohandel, de koop van pleziervaartuigen en juwelen. Maar hiermee
    was het verdiende geld niet op. De gedachte is dan ook dat er in
    binnen- en buitenland heel wat miljoenen cash zijn verborgen en op
    bankrekeningen zijn weggezet. Het feit dat bij verschillende
    aankopen de zogenaamde loan back-truc werd toegepast, is op
    zijn minst een indicatie voor dit laatste.

    Ten slotte dient gezegd te worden dat ook deze groep weinig
    contra-activiteiten tegen de overheid ontplooide. Men ging er –
    mede op aangeven van een PTT-beambte – van uit dat de groep werd
    gevolgd en afgeluisterd, en dus werden de werkwijzen enigermate aan
    deze veronderstelling aangepast. Maar van echte, operationele,
    contra-informatie is nooit sprake geweest. Intimidatie van politie
    en justitie heeft – in objectieve zin – ook niet plaatsgevonden.
    Wel voelden sommige mensen bij tijd en wijle dat er een soort
    dreiging van de groep hun richting uit kwam, en zij namen dan ook
    maatregelen om bij enig teken van onraad in actie te kunnen
    komen.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken