• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – 4.2. De produktie en distributie van synthetische drugs

    4.2. De produktie en distributie van synthetische
    drugs

    In de voorbije jaren zijn er tientallen onderzoeken ingesteld
    naar de produktie en distributie van synthetische drugs. Uit een
    rapport over een belangrijk deel van deze onderzoeken is gebleken
    dat in elk geval de zogenaamde laboratoria die bij de vervaardiging
    van deze drugs werden gebruikt, overwegend waren gesitueerd in
    Amsterdam, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. Deze laboratoria
    waren ingericht op zeer uiteenlopende lokaties: woonschepen,
    flatwoningen, loodsen, kelders, silo’s, enzovoort. Uit het feit dat
    er in deze laboratoria maar liefst 145 verschillende chemicalin
    werden aangetroffen, mag worden afgeleid dat er bij de productie
    van synthetische drugs nog heel wat wordt gexperimenteerd. Waarbij
    wel moet worden aangetekend dat een groot deel van deze chemicalin
    gewoon waren gekocht bij bekende firma’s in Nederland, Belgi en
    Duitsland. De meeste produktiemiddelen (glaswerk,
    tabletteermachines, pompen) waren afkomstig van Nederlandse en
    Belgische bedrijven en fabrieken. De vervaardiging van synthetische
    drugs is – economisch gezien – dus een meer normale activiteit dan
    men op het eerste gezicht wellicht zou denken. De XTC-zaak die
    bijna vijf jaar geleden door het vroegere IRT Noord-Holland-Utrecht
    onder de naam Extase werd gedraaid, heeft laten zien dat de
    produktie en distributie van synthetische drugs somtijds in handen
    is van een vrij goed-georganiseerde criminele groep en dat er
    enorme sommen geld mee kunnen worden verdiend (Cortebeeck, 1994).
    Deze groep was van gemengde, Belgisch-Nederlandse, origine. Zij
    telde zo’n twintig personen die – alleen of met anderen – betrokken
    waren bij alles wat er zoal komt kijken bij een illegale
    onderneming als deze: de aanschaf van panden, de inrichting van
    laboratoria, de aankoop van grondstoffen, het produceren van de
    drugs, de distributie van de pillen, de beveiliging van de
    lokaties, de investering van de winsten en andere. Volgens experts
    van de CRI had de organisatie in totaal de beschikking gehad over
    een bedrag van maximaal 264 miljoen en minimaal 72 miljoen ten
    behoeve van de aanwending in diverse activa. Hiervan kon, in
    relatie tot de kasadministratie, evenwel slechts 15 miljoen worden
    getraceerd. Tegenover een groep als deze die indertijd zonder
    twijfel tot de top van de georganiseerde criminaliteit had kunnen
    worden gerekend, staan tal van groepen die qua organisatie noch qua
    omzet kunnen tippen aan de bende waarom het in het Extase-onderzoek
    ging. Uit het rapport waarnaar hiervoor reeds werd verwezen, kan
    immers worden opgemaakt dat men in heel wat onderzoeken slechts is
    gestoten op enkele mensen die van A tot Z het hele productieproces,
    met alles wat hierbij hoort, gaande moesten houden. Hoe
    kleinschalig veel van deze groepjes wel niet werkten, blijkt met
    name uit het feit dat er nauwelijks sprake was van
    arbeidsverdeling. De organisator (financier, leverancier) werkte
    gewoon met de laborant mee om er het beste van te maken. Daarnaast
    is er ook een tussencategorie van groepen. Dat zijn de groepen, of
    beter gezegd, de netwerken die, op zichzelf genomen, wel enige
    organisatiegraad vertonen, maar die daarenboven hetzij voor de
    leverantie van grondstoffen, hetzij voor de afzet van hun
    producten, hetzij voor de gewelddadige inning van schulden, in meer
    of mindere mate afhankelijk zijn van figuren in de top van de
    georganiseerde criminaliteit. Om te achterhalen hoe deze netwerken
    er uitzien, zijn in Noord-Brabant twee recente onderzoeken naar de
    produktie en distributie van synthetische drugs onder de loupe
    genomen.
    Onderzoek A bracht aan het licht dat in een bedrijfspandje in een
    middelgrote stad amphetamine werd vervaardigd. Niet het hele
    produktieproces werd hier afgewikkeld. Enkele keren werden bepaalde
    bewerkingen uitgevoerd in woonhuizen in de Randstad. En het draaien
    van de pillen gebeurde uiteindelijk weer op een andere plaats in
    het land. Deze geografische spreiding van het produktieproces
    (branden, kristalliseren en tabletteren) had zeker tot doel om het
    risico van ontdekking te verkleinen. Te zelfder tijd vormde zij
    echter ook een weerspiegeling van het netwerk dat hier bezig
    was.

    In die middelgrote stad ging het om twee geroutineerde
    laboranten die met de hulp van drie vier andere personen het
    desbetreffende lab gaande hielden. De grondstoffen die zij nodig
    hadden, werden aangeleverd door een vijftal personen, waarvan er
    zeker n niet alleen criminele antecedenten heeft in de sfeer van de
    drugshandel, maar ook in die van de wapenhandel. Deze
    legaal-verkrijgbare stoffen werden betrokken van chemische
    bedrijven in Nederland en Belgi. De illegale stoffen werden, zo
    wordt vermoed, verkregen van een importante drugsgroothandelaar die
    alleen danwel samen met andere groothandelaren deze grondstoffen en
    masse illegaal in Oost-Europa aankoopt. In dit geval zit dus hier
    reeds n van de schakels met de top van de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland.

    De amphetamine werd voor een deel in de eigen stad zelf verkocht
    via een tamelijk bekende plaatselijke dealer. Maar een deel van de
    amphetamine werd, in de een of andere fase van bereiding, ook
    rechtstreeks naar de Randstad overgebracht. Dit gebeurde via een
    kleine familie (zes personen) die op diverse manieren nauwe
    betrekkingen onderhield met de laboranten in Brabant en hun
    omgeving. Was de produktie van de amphetamine nog niet voltooid,
    dan rondde deze familie, met de hulp van een van de laboranten, ter
    plaatse eerst het produktieproces af, soms in de meest primitieve
    omstandigheden. Het eindprodukt werd in Amsterdam deels verkocht
    aan enkele personen – waaronder leden van de Hells Angels – die het
    direct exporteerden naar met name Engeland, en deels aan
    verschillende lokale mensen die er ieder op hun manier mee deden
    wat zij wilden. Een van hen had vergevorderde plannen om er samen
    met een goede bekende uit de kermiswereld op een andere plaats
    zoveel mogelijk pillen van te maken. Deze man staat, zo wordt
    vermoed, op zijn beurt ook weer nauw in contact met een van de
    (andere) cht belangrijke drugsgroothandelaren in de stad. Als dit
    inderdaad het geval is, dan was de cirkel rond. Dan was dit netwerk
    dus als het ware opgespannen tussen twee toppers van de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland: n in Brabant, en n in
    Holland. Opnieuw een voorbeeld dus van de manier waarop de
    Hollands-Brabantse connectie op de hogere niveaus soms uitpakt.

    Sommige van de tussenpersonen en uitvoerders in dit netwerk
    hadden evenwel nog ambitieuzere plannen. Samen met een man van die
    streek, die ze hier in de gevangenis hadden leren kennen,
    investeerden zij in de inrichting van een laboratorium in
    Zuid-Europa. Vanuit Nederland werd er om te beginnen apparatuur
    geleverd. Vervolgens werden de benodigde grondstoffen overgebracht
    en gingen enkelen van hen naar het buitenland om drugs te
    produceren. Dit avontuur liep echter slecht af. Niet alleen kreeg
    men onenigheid met de man in kwestie over de kwaliteit van het
    geleverde werk, maar ook het ingrijpen van de politie in Nederland
    maakte het onmogelijk om het karwei ginds af te maken.

    In de periode januari 1994-april 1995 heeft deze groep honderden
    kilo’s amphetamine geproduceerd en dus zowel in de tussenhandel als
    in de verkoop van pillen veel geld hebben verdiend. Hoeveel geld er
    door wie – na aftrek van de gemaakte kosten – werd verdiend, is nog
    niet becijferd. Maar wanneer men bedenkt dat de tien kilo
    amphetamine die aan de Hells Angels werd verkocht f.32.000,-
    opleverde waarvan schoon f.10.000,- overbleef, dan krijgt men enig
    idee van de orde van grootte van de winst. De winst heeft in elk
    geval in de miljoenen gelopen. De uitvoerende mensen hebben, zo is
    de indruk althans, het verdiende geld onder meer besteed aan de
    aflossing van schulden, het maken van vakantiereizen, de aanschaf
    van auto’s en boten, het drijvend houden van hun bedrijfjes. De
    leidinggevende mensen hebben het voor een belangrijk deel, denkt
    men, zo veilig mogelijk weggezet in het buitenland.

    In dit netwerk ging het er soms bepaald ruig aan toe, met name
    op momenten dat er onenigheid ontstond over
    prijs-kwaliteit-kwesties en/of over schulden. Iedereen hield
    rekening met de mogelijkheid van gewelddadige confrontaties en
    bewapende zich. Bij een familie in Amsterdam werden bij de
    huiszoekingen vijf vuurwapens gevonden. Van (dreiging met) geweld
    in de richting van politie en justitie is in dit onderzoek tot op
    heden echter geen sprake geweest. Men verwacht ook niet dat dit
    vlug zal gebeuren, ofschoon een van de meer belangrijke leden van
    het netwerk in het verleden heeft bewezen gewelddadige acties tegen
    de overheid te durven uitvoeren: hij bevrijdde eens een van zijn
    vrienden gedurende diens overbrenging naar de gevangenis en
    ontwapende bij deze gelegenheid de betrokken politiemensen. Wel is
    men geconfronteerd met mobiele contra-informatie, maar niet in
    Brabant. Dit overkwam het team enkel tijdens observatie-acties in
    Amsterdam, door de bekende groep scannerfreaks aldaar. Op het punt
    van corruptie constateerde men op een gegeven moment dat een
    vrouwelijk lid van de reserve-politie door een van de verdachten
    onder druk werd gezet om hem allerlei vertrouwelijke informatie te
    verschaffen.

    In het vorige onderzoek (A) werd gaandeweg duidelijk dat de
    mensen die het centrale laboratorium
    voorzagen van grondstoffen, ook andere laboratoria in Brabant
    bevoorraadden. Welke dit zijn, en hoeveel, werd echter niet
    nagegaan door de politie. Niettemin roept dit gegeven het beeld op
    van een situatie waarin n criminele groep meerdere laboratoria op
    gang houdt. Dit is duidelijk een andere situatie dan die welke werd
    gereconstrueerd in onderzoek B, althans in een viertal onderzoeken
    dat hier op de noemer B wordt samengebracht. In deze situatie was
    er veeleer sprake van n laboratorium dat op een gegeven moment
    werkte voor drie cliques in Brabant en Limburg die op allerlei
    manieren al vaker met elkaar hadden samengewerkt.

    Elk van deze drie cliques telde vier man, waarvan er n duidelijk
    leider was. Zij spanden zich elk voor zich zr in om zowel via een
    soort van gezamenlijke tussenpersoon als via eigen handlangers het
    laboratorium te laten draaien. Via de bedoelde tussenpersoon werden
    twee laboranten gezocht, werd (eerst in Brabant, later in Limburg,
    en dan weer in Brabant) een geschikte lokatie gezocht (de bekende
    schuurtjes en garages), en werd tenslotte het laboratorium
    ingericht. Op een onnavolgbare manier werd voorts, nu eens door n
    van de groepjes, dan weer door twee of drie samen, gezorgd voor de
    noodzakelijke grondstoffen, de vervanging van kapot instrumentarium
    en de afname van het eindprodukt, amphetamine. Helemaal vlekkeloos
    verliep de samenwerking niet. Er was bij herhaling ruzie over wie
    wat moest doen en wat moest betalen, maar ook ontstond er op een
    gegeven moment een fikse ruzie tussen de tussenpersoon en n van de
    cliques over de kwaliteit van het geleverde eindprodukt en daarmee
    ook over de betaling. Deze ruzie liep zo hoog op dat de persoon in
    kwestie, uit vrees voor liquidatie, voor langere tijd onderdook in
    Rusland. De materile oorzaak van het geschil was overigens gelegen
    in het feit dat tijdens de aanmaak van een bepaalde partij
    amphetamine het instrumentarium het begaf, een deel van het
    tussenprodukt verloren ging en het eindprodukt met ander spul werd
    aangelengd om de afgesproken hoeveelheid te halen. Hoe dan ook, de
    tussenpersoon verdween uit het beeld en zijn functie werd
    overgenomen door de leider van n van de resterende cliques. Het
    laboratorium werd in het kielzog van dit conflict verplaatst naar
    Limburg.

    De meeste van de betrokken personen zitten al veel langer, om
    niet te zeggen: al heel lang, in de produktie en distributie van
    synthetische drugs. Niet allemaal, maar tenminste n van hen is
    opgegroeid temidden van de illegale alcoholstokers van na de
    oorlog. Hij belichaamt dus als het ware de traditie die er op het
    vlak van de illegale produktie van verboden spullen in Brabant
    bestaat. Bovendien hebben sommigen van hen nog heel wat andere
    antecedenten, bijvoorbeeld in de sfeer van de valsmunterij. Maar
    wat ons hier natuurlijk vooral interesseert, is of er ook in dit
    warrige netwerkje van cliques, op een hoger niveau, meer eenheid
    zit. Waarschijnlijk in dit geval niet, of toch niet in dezelfde
    mate als in het vorige geval. Men neemt aan dat deze cliques en er
    zijn er hoogstwaarschijnlijk nog meer – op het punt van de
    verkrijging van de onmisbare illegale grondstoffen uit het
    voormalige Oostblok allemaal afhankelijk zijn van een importeur uit
    de buurt die een drugshandelaar van topformaat kan worden genoemd.
    Maar men betwijfelt ten sterkste of deze man ook de afzet van het
    eindprodukt controleert. Hiervan zijn in de loop van de onderzoeken
    in elk geval geen sporen ontdekt. De clique die betaalt voor de
    nodige illegale grondstoffen, doet verder wat hij wil. Dat is:
    zoekt zelf naar de afzetkanalen, de dealers, voor zijn
    halffabrikaten en pillen. Deze kant van de distributie werd echter
    niet nauwkeurig bekeken door de politie. Ook de verdachten die na
    hun aanhouding bereid waren een verklaring af te leggen dat waren
    niet de aanvoerders van de onderscheiden cliques -, zeiden niet te
    weten waar hun amphetamine bleef. Een enkeling dacht dat ze voor
    het buitenland was bestemd. Dit laatste gegeven zegt iets over de
    manier waarop deze netwerken zijn georganiseerd: los-vast, ook om
    de schade van mogelijke overheidsingrijpen zoveel mogelijk te
    beperken. Daarom werd er bewust zoveel mogelijk gebruik gemaakt van
    de nieuwste telefonische en semafonische apparatuur of, als het
    niet anders kon, van, voor de politie, moeilijk afluisterbare
    telefoonaansluitingen. Ook de toepassing van primitieve codes was
    helemaal ingeburgerd. De bewaking van de laboratoria stelde op het
    moment dat er door de politie werd ingegrepen, nog niet veel voor,
    maar er waren plannen om haar serieus te verbeteren. De afscherming
    tegen politie en justitie ging evenwel niet zover dat allerhande
    contra-strategien werden toegepast. Noch van contra-informatie,
    noch van intimidatie, noch van corruptie heeft de politie iets
    gemerkt. Waar de cliques het verdiende geld in investeerden –
    buiten de voortzetting van hun handel -, werd evenmin nagegaan
    tijdens het politie- onderzoek. Het onderzoeksteam zag wel dat een
    deel van de revenuen via buitenlandse rechtspersonen werd
    weggesluisd, maar had niet de mogelijkheid dat spoor te volgen.
    Voor het overige wordt vermoed dat zij ten dele ook zijn
    genvesteerd in de aankoop respectievelijk de bouw van particuliere
    woningen (in Belgi) en in enkele bestaande horeca- en
    automobielbedrijven in de buurt.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken