• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – I.2. De maatschappelijke legitimiteit van nader onderzoek

    I.2. De maatschappelijke legitimiteit van nader
    onderzoek

    Onderzoek naar georganiseerde criminaliteit door buitenlandse en
    allochtone groepen is een gevoelige aangelegenheid. Het kan, als er
    niet zorgvuldig mee wordt omgegaan, gemakkelijk voedsel geven aan
    racistische vooroordelen en politieke organisaties die
    vreemdelingenhaat kapitaliseren in de kaart spelen. Dat dit geen
    loze bewering is, werd hiervoor al aangegeven. In de Verenigde
    Staten, vanwaar veel criminologische inzichten afkomstig zijn, is
    de georganiseerde misdaad en in het bijzonder de
    Italiaans-Amerikaanse mafia, bij herhaling verheven tot soortbegrip
    en voorgesteld als een geheime samenzwering die elders wordt
    opgezet en waarvan de deelnemers de in zichzelf gezonde politiek,
    economie en samenleving van Amerika hebben overrompeld en
    gecorrumpeerd. De angst voor deze sinistere buitenlandse octopus
    komt in de Amerikaanse politiek op gezette tijden naar boven om in
    een wervelend samenspel van de media, de politiek, het Openbaar
    Ministerie, de politie, comits van bezorgde burgers, populaire
    wetenschap, en ook film en bellettrie, te worden afgeschilderd als
    onzegbaar machtig. Dit draagt het gevaar van de Amerikaanse
    moral panic in zich (Chambliss, 1995). Het werk van veel
    vakcriminologen is tot op zekere hoogte een voor de hand liggende
    reactie op deze angstige voorstelling van zaken. Zij hebben
    veelvuldig getracht deze these van de alien conspiracy te
    weerleggen. Wat op zijn beurt weer aanleiding kan zijn om het
    probleem ten onrechte te bagatelliseren en dan zijn we nog verder
    van huis want het verschijnsel verdwijnt niet vanzelf. In een
    recent rapport van de Verenigde Naties (United Nations, 1994) wordt
    de internationalisering van de activiteiten die de hiervoor
    genoemde buitenlandse groepen ontplooien, vooral toegeschreven aan
    de algehele globalisering van het maatschappelijk leven, en verder
    – gespecificeerd voor individuele landen – in verband gebracht met
    enerzijds de mogelijkheden om ergens op een illegale manier snel
    groot geld te verdienen en anderzijds de mate van risico om op een
    doeltreffende manier door de overheden aldaar te worden bestreden.
    Met andere woorden, in dit rapport wordt uitgegaan van de
    grondgedachte dat daar waar hoge winsten zijn te behalen en de
    overheid – om wat voor reden dan ook: onvoldoende organisatie,
    corruptie en intimidatie, acceptatie van bepaalde ontwikkelingen –
    zwak is of berust in de gang van zaken, de bekende transnationale
    groepen zullen neerstrijken. Over de rol die (ook) binnenlandse
    allochtone criminele groepen en de gemeenschappen waarvan zij deel
    uitmaken, in zo’n een proces kunnen spelen, wordt met geen woord
    gerept. Waarom aan hun belangrijke rol wordt voorbijgegaan, wordt
    niet verantwoord. Maar vreemd is het wel, want het is onderhand
    bijvoorbeeld een feit van algemene bekendheid dat de snelle
    penetratie van Italiaanse mafia-groepen in Duitsland alles te maken
    heeft met de aanwezigheid van grote Italiaanse gemeenschappen in
    veel Duitse steden. Mafiosi kunnen gemakkelijk onderduiken in deze
    gemeenschappen en zich zo onttrekken aan de greep van de Justitie
    in hun eigen of een ander land. Het is voor bepaalde mafiosi en hun
    handlangers veiliger om vanuit deze gemeenschappen crimineel actief
    te zijn in Itali dan vanuit de plaatselijke gemeenschappen in dit
    land zelf. En het is vanzelfsprekend ook niet zo moeilijk voor hen
    om eerst en vooral in zo’n grote Italiaanse gemeenschap als die in
    Duitsland medestanders te recruteren. Hoe dan ook, dit merkwaardige
    stilzwijgen in het desbetreffende rapport maakt iets van het
    ongemak zichtbaar waarmee over de betrokkenheid van allochtonen,
    etnische minderheden of immigranten in het algemeen, bij de
    georganiseerde criminaliteit wordt gesproken.

    Het niet onderkennen van het probleem is in onze ogen echter
    niet aanvaardbaar voor de samenleving als geheel, maar ook niet
    voor de etnische groepen in kwestie. We willen vier redenen naar
    voren brengen waarom naar ons inzicht nader onderzoek naar deze
    netelige kwestie maatschappelijk is gendiceerd. Ten eerste zijn
    landgenoten de eerste slachtoffers van de georganiseerde misdaad
    die stamt uit hun land van herkomst. Dat
    geldt voor de mafia, bijvoorbeeld waar startende etnische
    ondernemers worden afgeperst of personeel opgedrongen krijgen
    (Bovenkerk, 1992: 66-67). In het hoofdstuk over de Chinese triades
    zullen we zien dat de Landelijke Federatie van Chinese Organisaties
    in Nederland zelf in 1994 openbaar aan de orde stelt dat zoveel
    restauranthouders en andere gevestigde zakenlieden worden
    afgeperst. Ten tweede kan associatie met de georganiseerde misdaad
    ook desastreuze gevolgen hebben voor het aanzien van de gehele
    nationale groep waaruit de betrokkenen voortkomen. Dat dit gebeurt,
    pleit misschien niet voor het onderscheidingsvermogen van degenen
    die hun oordeel over een gehele bevolkingsgroep baseren op het
    wangedrag van enkelen hunner, maar zo werkt het wel. Immigranten
    hebben er om deze twee redenen alle belang bij dat goed wordt
    uitgezocht wat het probleem precies is. Zij hebben evenveel recht
    op bescherming als alle burgers van Nederland.

    Een derde overweging heeft tot op zekere hoogte ook betrekking
    op het slachtofferschap van de betrokken etnische categorie.
    Georganiseerde misdaad gaat in eerste instantie om het vergaren van
    zoveel mogelijk geld, maar bij nadere beschouwing spelen op de
    achtergrond vaak politieke motieven en economische belangen een
    rol. Zonder iets af te doen aan de individuele verantwoordelijkheid
    van mensen die zich in Nederland met georganiseerde misdaad
    inlaten, mag toch wel worden gesteld dat zij, binnen breder
    politiek verband beschouwd, soms ook de gemanipuleerde uitvoerders
    zijn van criminele projecten van (voormalige) machthebbers in het
    land van hun afkomst. We zullen verderop bijvoorbeeld zien dat de
    criminele problemen van een deel van de Surinaamse gemeenschap in
    Nederland onmiddellijk te maken had met de militaire coup in
    Suriname, de aansluiting die de militaire machthebbers tot stand
    brachten met de Colombiaanse drugskartels en met de
    anti-Nederlandse propaganda onder Surinamers in Nederland die een
    aantal hunner in staat stelt de morele grens naar de georganiseerde
    misdaad over te steken. Ons vierde argument luidt dat de opkomst
    van georganiseerde misdaad, meer nog dan enige andere vorm van
    criminaliteit, kan worden beschouwd als een indicatie van
    maatschappelijke achterstand, gebrek aan integratie, ontwrichting
    van de migrantengemeenschap en de vorming van een etnische
    onderklasse. Natuurlijk verkeren ook autochtone groepen in een
    positie van achterstand en hun absolute aandeel in de onderklasse
    (als we in Nederland al van zoiets mogen spreken) is zelfs veel
    groter. Toch is er alle aanleiding om aan te nemen dat de effecten
    van deze sociale mechanismen voor immigranten ernstiger zullen zijn
    en bovendien (vanwege de verbinding met uiterlijk zichtbare
    etniciteit) moeilijk omkeerbaar. W.J. Wilson heeft met tien jaar
    onderzoek in de grote steden van de Verenigde Staten laten zien dat
    een ecologische concentratie van armoede, etnische en raciale
    segregatie, een grotere woonmobiliteit, het opbreken van de
    gezinsstruktuur en een gebrek in aansluiting op sociale netwerken
    en hulpbronnen, voor minderheden veel ongunstiger uitpakt dan voor
    arme blanken (Sampson en Wilson, 1995). Aan dergelijk onderzoek
    zitten haken en ogen, zoals ook zal blijken bij een nadere
    uitwerking in I.3. en in Nederland moet dit nader worden
    uitgeplozen. Hier blijft het bij de constatering dat aangetoonde
    participatie in de georganiseerde misdaad een teken kan zijn voor
    maatschappelijke ontwrichting van etnische groepen en om die reden
    is het de moeite waard om er een uitspraak over te doen.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken