• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – I.3. De theoretische legitimiteit van nader onderzoek

    I.3. De theoretische legitimiteit van nader onderzoek

    In het voorgaande hebben we nog geen duidelijk onderscheid
    aangebracht tussen enerzijds internationale criminele organisaties
    van uitheemse herkomst die in Nederland neerstrijken en anderzijds
    de mate van betrokkenheid van reeds gevestigde etnische groepen bij
    de georganiseerde misdaad. Beginnen we met het eerste.

    In de Nederlandse verhoudingen is het niet erg riskant om te
    stellen dat buitenlandse criminele groepen op Nederlands
    grondgebied bedrijvig zijn. In de alledaagse berichtgeving over
    georganiseerde criminaliteit is immers zo vaak sprake van
    binnenlands optreden van dergelijke groepen dat niemand nog kan
    betwijfelen of dit echt wel het geval is. Transnational Criminal
    Organizations
    (TCO) zoals Williams (1994) die noemt, hebben hun
    ontstaansbasis en hoofdkwartier in n land, maar zij opereren in de
    gehele wereld op plaatsen waar mogelijkheden bestaan voor hun
    produkten of diensten. Zij lijken op multinationale ondernemingen,
    maar het legale bedrijfsleven ontsluit zijn markt door middel van
    aanbod en onderhandeling. Soms lijkt het moeilijk om het legale en
    het illegale bedrijfsleven uit elkaar te halen. Wat is precies het
    verschil? Het zou van naveteit getuigen als wij zouden
    veronderstellen dat multinationale ondernemingen bij het veroveren
    van nieuwe markten geen gebruik maken van oneerlijke methoden. Het
    onderzoek naar corporate crime laat zien dat multinationals
    vaak betrokken zijn bij omkoperij van overheidsdienaren en
    corruptie van mogelijke zakenpartners en soms is er misschien ook
    wel sprake geweest van dreiging met geweld. Maar in het verloop van
    de gehele onderhandeling zijn dat toch niet meer dan
    nevenverschijnselen. Transnationale misdaadorganisaties daarentegen
    onderhandelen niet, zij proberen nationale overheden te ontwijken.
    Intimidatie en corruptie vormen het belangrijkste middel om voet
    aan de grond te krijgen. In dat geval hebben we met georganiseerde
    misdaad te maken.
    Als er in Nederland al twijfels zijn over transnationale
    misdaadondernemingen, dan hebben die enerzijds betrekking op de
    vraag in welke mate zij actief zijn – naast de Colombiaamse
    kartels, de Turkse en Marokkaanse groepen, de Russische mafia, de
    Nigeriaanse netwerken, ook de Chinese triades, de Italiaanse mafia
    en misschien zelfs de Japanse yakuza? -, en, omgekeerd, in welke
    mate allerhande autochtone Nederlandse criminele groepen zich in
    andere Westeuropese landen en in andere delen van de wereld dan
    West-Europa Azi, Afrika, Zuid- en Noord-Amerika aan georganiseerde
    criminaliteit schuldig maken. Anderzijds slaan die twijfels bovenal
    op de vraag naar de aard van de criminele activiteiten die
    buitenlandse groepen hier te lande ontplooien. Welke rol spelen –
    naast de drugshandel – wapen- en vrouwenhandel, afpersing,
    milieucriminaliteit etcetera in dit verband?

    Georganiseerde criminaliteit kan ook oorspronkelijk voortkomen
    uit etnische groepen, zonder dat dit is gebaseerd op een culturele
    traditie of een welomschreven organisatie in het land van hun
    herkomst. De Ieren kwamen in de Amerikaanse stadspolitiek in de
    tweede helft van de vorige eeuw naar voren bij de manipulatie van
    stembusuitslagen en het bedreigen van kiezers die misschien
    verkeerd zouden gaan stemmen. Deze racket wordt wel gezien als een
    eerste duidelijke manifestatie van de georganiseerde misdaad. Er
    bestond geen enkel verband met een geheimzinnige Ierse organisatie.
    Toen de joden rond de eeuwwisseling het gokwezen organiseerden werd
    hun bedrijvigheid als georganiseerde misdaad gezien, maar zonder
    dat er een band bestond met zoiets als een internationaal joods
    goksyndicaat. Toen de Italianen in de jaren twintig met de
    produktie, de smokkel en de verkoop van alcohol furore maakten,
    ontwikkelden zij een Amerikaanse variant van de mafia, maar ze
    voldeden aan een binnenlandse behoefte en de opkomst van deze
    georganiseerde misdaad kan zeer wel worden begrepen zonder het
    bestaan van een organisatie in Sicili. Etnische groepen die in
    Amerika thans leven in sociaal gemarginaliseerde omstandigheden
    (Chicano’s, Zwarten, Cubanen) zijn in de handel in drugs gegaan en
    ook die keuze kan men zich denken zonder besturing op afstand door
    generaals in de Gouden Driehoek of door de lords van de
    Zuidamerikaanse kartels. Zo is denkbaar dat gemarginaliseerde
    etnische minderheden in eigen kring misdaadorganisaties oprichten
    zonder te worden beheerst door transnationale criminele
    organisaties. In welke mate dit thans in Nederland gebeurt is nu
    nog de grote onbekende. Algemene cijfers over de criminaliteit van
    etnische groepen zeggen weinig over hun betrokkenheid bij
    georganiseerde misdaad en over dit onderwerp bestaan tot nu toe
    opmerkelijk weinig berichten.

    Welke zijn nu de mogelijke relaties tussen beide? Tussen
    transnationale criminele ondernemingen en de etnische groepen die
    zich hebben gevestigd in het land waar deze ondernemingen actief
    zijn, behoeft op zichzelf helemaal geen relatie te bestaan. De
    vestiging van dergelijke wereldomspannende netwerken kan heel goed
    over de hoofden van emigranten uit het herkomstland heen gaan. De
    mafia kan zich vestigen in landen zonder Siciliaanse emigranten en
    de aanwezigheid van een Siciliaanse immigrantengemeenschap
    impliceert op zichzelf niet dat de mafia er de kop opsteekt. In
    .1.2 waar de maatschappelijke legitimiteit van ons onderwerp aan de
    orde kwam, hebben we drie voorbeelden gegeven van relaties tussen
    beide waarbij de etnische groepen in kwestie slachtoffer zijn van
    transnationale misdaadondernemingen. Naast een neutrale relatie en
    een verhouding van dader tot slachtoffer, bestaat theoretisch een
    derde mogelijkheid en die is voor ons onderwerp zeer relevant, maar
    tegelijkertijd maatschappelijk het meest gevoelig. Ze kunnen ook
    samenwerken of in symbiotische relatie voorkomen. Uit de twee
    hoofdvragen van deze studie: in welke mate zijn internationale
    misdaadorganisaties actief? en welke zijn hun activiteiten?, volgt
    hier dan een derde vraag, namelijk die naar de operationele,
    financile en, ruimer, sociale relaties tussen die buitenlandse
    groepen en de (autochtone en allochtone) groepen die in Nederland
    zelf hun basis hebben, zowel binnen als buiten onze landsgrenzen.
    Deze vragen zullen verderop natuurlijk in de mate van het mogelijke
    worden beantwoord. Maar eerst de theorie.

    In aansluiting op hetgeen wat in de vorige paragraaf werd
    opgemerkt over de xenofobie die elders in de wereld bij vlagen de
    kop opsteekt wanneer hun betrokkenheid ter sprake wordt gebracht,
    is het goed om hier stil te staan bij de theoretische
    argumenten die pro en contra de betrokkenheid van
    etnische minderheden bij de georganiseerde misdaad spelen. We
    verdelen – for the sake of argument – de bewijsgronden naar
    twee kampen die de tegengestelde opinies verdedigen. Let wel: het
    gaat ons in het navolgende er alleen om te weten of allochtonen bij
    de georganiseerde misdaad betrokken zijn en niet om de vraag te
    beantwoorden of ze er meer bij zijn betrokken dan autochtone
    Nederlanders. Vergelijkende gegevens zijn eenvoudig niet
    voorhanden. Degenen die van oordeel zijn dat etnische achtergrond
    als verklarende variabele voor criminaliteit geen rol speelt voeren
    de volgende argumenten aan.

    a. Op voorhand bestaat geen theoretische reden om speciaal aan
    de variabele etnische achtergrond betekenis toe te kennen.
    Criminaliteit in het algemeen en dus ook georganiseerde
    criminaliteit is sterker vertegenwoordigd in lagere sociale
    groepen, in steden, onder jongeren, onder werklozen etcetera.
    Wanneer etnische groepen hoog scoren op een groot aantal van zulke
    risico-factoren, kan dat hun betrokkenheid voor een belangrijk deel
    verklaren. Volgens het recente Jaarverslag van de afdeling
    Delinquenten en Jeugd van het Ministerie van Justitie over 1994
    (zie pagina 16 van dat rapport) heeft thans vijftig procent van
    de
    gedetineerden een allochtone achtergrond. Dit is volstrekt
    disproportioneel ten opzichte van de acht twaalf procent die de
    naoorlogse immigranten en hun directe afstammelingen uitmaken van
    de Nederlandse bevolking. In hoeverre kan dit worden verklaard op
    grond van hun profiel in het bouwwerk van de Nederlandse
    statushirarchie? De Haan en Bovenkerk (1995) betogen dat als het
    gaat om criminaliteit van etnische groepen in het algemeen te
    gemakkelijk naar culturele verklaringen wordt gezocht, dat deze
    geen inzicht geven in de mate waarin minderheden bij criminaliteit
    zijn betrokken en dat zij hoogstens iets zeggen over de vorm waarin
    het zich manifesteert.

    b. De activiteiten waarmee allochtone misdaadgroepen zich
    bezighouden, dateren van vr het arriveren van immigranten en hun
    aankomst naar Nederland kan de opkomst van de georganiseerde
    misdaad dus niet verklaren. Prostitutie, gokken, koppelbazerij
    etcetera bestonden reeds voordat de grote naoorlogse immigratie op
    gang kwam. De stedelijke penose was grotendeels autochtoon.

    c. Een volgende mogelijke tegenwerping houdt in dat criminele
    activiteiten niet worden ontwikkeld door homogene etnische
    misdaadgroepen, maar door een naar etnische afkomst en
    nationaliteit gemleerd gezelschap. In de onderwereld zouden
    etnische scheidslijnen een minder belangrijke rol spelen;
    autochtonen en allochtonen werken vaak samen. In het eerder
    gereleveerde CRI-onderzoek kwamen we etnische variaties en nieuwe
    etnische combinaties tegen.

    d. Tenslotte laat zich de gedachte verdedigen dat de
    samenstelling en omvang van de markt in illegale goederen en
    diensten wordt bepaald door economische wetmatigheden en niet door
    de culturele achtergronden van degenen die erin doen. Zo zou er
    bijvoorbeeld een grotere overeenstemming tussen de Nederlandse en
    de Colombiaanse drugshandel kunnen bestaan dan tussen het
    Colombiaanse drugshandel- en het Colombiaanse prostitutiecircuit.
    Met name de drugsmarkt is zodanig lucratief dat men er handelaren
    tegen komt uit alle etnische groepen, inclusief de Nederlandse. Het
    is een empirische vraag of dit juist is. Colombianen zijn zowel
    actief in de drugshandel als in de prostitutie en het betreft vaak
    dezelfde daders of groepen.

    Welke argumenten kan men aanvoeren om de variabele etnische
    afkomst bij het begrijpen van georganiseerde misdaad wel aan de
    orde te stellen? De nu volgende samenhangen worden steeds
    gepresenteerd als theoretische veronderstelling. Of zij opgaan in
    de empirische werkelijkheid zal in onderzoek moeten blijken. a.
    Ofschoon veel oude stedelijke onderwerelden sterk lokaal
    georinteerd waren en soms ook nog zijn – de vraag naar sommige
    illegale goederen en diensten: prostitutie, gelegenheid tot gokken
    enzovoort is plaatselijk en de hulpbronnen voor het aanbod zijn
    eveneens lokaal te betrekken – hebben georganiseerde
    misdaadverbanden er nooit tegenop gezien, indien nodig, grenzen te
    overschrijden. De Grote Nederlandse Bende die vanuit de zuidelijke
    provincies van het tegenwoordige Nederland opereerde tussen 1790 en
    1799 strekte haar activiteiten uit tot Belgi en Duitsland (Egmond,
    1986). Voor de periode tussen 1650 en 1800 heeft Egmond (1994)
    laten zien dat bij wat toen gold als georganiseerde misdaad,
    sommige en met name de slecht gentegreerde allochtone groepen
    (zigeunerbenden en joodse netwerken) een prominente plaats innamen.
    Voor de veel grotere immigrantencategorien der Walen, Franse
    Hugenoten en later ook Duitsers, was dit niet het geval. Dit
    suggereert dat het behoren tot een immigrantencategorie op zichzelf
    niet zo veel zegt, maar dat de prognose ongunstig is als het
    gemarginaliseerde immigranten betreft. In sommige
    herkomstlanden van de hedendaagse georganiseerde misdaad bestaat
    een lange traditie en zijn uitgekristalliseerde misdaadorganisaties
    actief: de criminele organisaties van Sicili en de rest van
    Zuid-Itali, de Chinese triaden, de Japanse yakuza, de Colombiaanse
    kartels. Ook deze hebben altijd grensoverschrijdend geopereerd en
    dat is met de betere en meer massale transport- en andere
    communicatiemiddelen alleen nog maar sterker geworden. De
    hedendaagse georganiseerde misdaad bestaat uit global crime
    connections (Pearse en Woodiwiss, 1993). Deze organisaties zijn in
    welhaast de hele rijke Westerse wereld aangetroffen, in West-Europa
    en ook in onze buurlanden Belgi en Duitsland. Waarom zouden zulke
    organisaties halt houden bij de (nauwelijks meer bestaande)
    Nederlandse grens? Nederland moet juist bepaald aantrekkelijk zijn
    als internationaal knooppunt van handel, transport en communicatie.
    De Italiaanse anti-mafia-rechter Otello Lupacchini vertelde aan
    NRC/Handelsblad-journaliste Marjon van Royen (18.12.1993) over
    mafiosi die in Nederland grote bewegingsvrijheid hebben en, stelt
    hij, Iedere keer ontmoet ik bij mijn onderzoek naar de Banda della
    Magliana alle topfiguren in Nederland. Het lijkt wel een
    conferentieoord waar alle internationale drugsorganisaties elkaar
    ontmoeten. Nederland is aantrekkelijk als economie met een
    behoorlijk grote, koopkrachtige vraag; als land met een zeer harde
    munt en een betrouwbaar banksysteem; als land met de reputatie van
    een mild strafklimaat; als samenleving die tolerant staat tegenover
    deviant gedrag (seksindustrie, drugsbeleid). Let wel: het is
    waarschijnlijk dat dergelijke organisaties althans geprobeerd
    hebben om in Nederland voet aan de grond te krijgen. Dat is iets
    anders dan het leveren van bewijs dat dit werkelijk ook zo is.

    b. In de gehele Westeuropese gemeenschap voltrekt zich thans een
    proces van etnische onderklassevorming die een ingrijpende
    verandering teweeg brengt in de klassenstructuur van
    (post-)industrile samenlevingen.
    Nederland lijkt daar, ondanks een lange periode van gulhartig en
    volgehouden inspanning van het minderhedenbeleid en ondanks het
    voortbestaan van de verzorgingsstaat, niet aan te ontkomen (Van
    Amersfoort, 1974; Penninx, 1988; Roelandt, 1994). Er groeit een
    maatschappelijke onderlaag van mensen die aansluiting bij de
    centrale maatschappelijke instellingen (arbeidsmarkt, school,
    woningmarkt) verliezen en waarbij zich armoede en uitzichtloosheid
    openbaren die sociaal erfelijk kunnen worden en die zich tot op
    zekere hoogte autonoom voortplanten in volgende generaties. Binnen
    de onderklasse tekent zich een scherp gemarkeerd ongentegreerd
    etnisch segment af. Klassenlijnen, segregatie in woongebieden en
    etnische afscheiding versterken elkaar. Een dergelijke etnische
    onderklasse kan het reservoir vormen voor criminaliteit in het
    algemeen, die van tweede en volgende generaties in het bijzonder.
    De criminaliteit in het algemeen is vooral en in de eerste plaats
    een verschijnsel onder jonge mannen en loopt na het vier- of
    vijfentwintigste levensjaar af. Een bepaald gedeelte (bijvoorbeeld
    tien procent) ontwikkelt echter een langduriger criminele carrire.
    Onderklassevorming brengt bovendien het risico met zich mee van
    jeugdbendevorming en dan kunnen leiderstalenten tot ontwikkeling
    komen die bruikbaar zijn in het kader van de georganiseerde
    misdaad. Deze etnische onderklasse levert een reservoir van
    potentile kandidaten in die sfeer en maakt binnen de etnische
    gemeenschap aansluiting mogelijk met de georganiseerde misdaad in
    de landen van herkomst van henzelf of die van hun ouders en
    grootouders.

    c. De persistentie van etnische gemeenschappen wordt in de hand
    gewerkt door het specifieke naoorlogse migratiepatroon. Bij de
    klassieke emigratie naar de nieuwe werelden stelde men zich een
    volksverhuizing voor van mensen die alle schepen achter zich
    verbrandden en hun toekomst en loyaliteit volledig investeerden in
    het nieuwe land. De naoorlogse trek uit de voormalige kolonin naar
    het moederland is echter lang voorgesteld als een tijdelijke trek
    van studerenden bij wie een blijvende orintatie op de landen van
    herkomst gold als een teken van vaderlandsliefde. De migratie van
    gastarbeiders uit landen rond de Middellandse Zee was van meet af
    aan bedoeld als tijdelijke aangelegenheid. Politieke vluchtelingen
    en asielzoekers hopen weer terug te keren als de politieke
    omstandigheden zich in het land van herkomst ten goede hebben
    gekeerd. Dat van de vroegere landverhuizers in feite nogal wat
    mensen terugkeerden, en dat van de tijdelijke migranten nogal wat
    mensen in feite permanente immigranten werden, is voor hun
    politieke en sociale orintatie minder belangrijk dan de
    omstandigheid dat zij hun bestaan als zodanig definiren. De
    reusachtige toename van goedkoop en snel internationaal
    massatransport maakte een druk verkeer van migranten tussen de
    landen van herkomst en vestiging mogelijk, zij houdt sociale
    netwerken in beide landen actief en leidt gemakkelijk tot dubbele
    loyaliteit. Ten opzichte van het nieuwe land kan dit leiden tot een
    zekere achteloosheid aangaande de verplichtingen die voortvloeien
    uit het nieuwe burgerschap en onverschilligheid wat betreft de
    eventuele nadelige consequenties van hun handelen voor de
    autochtone bevolking. Mensen met een blijvende orintatie op het
    land van herkomst houden lang vast aan een eigen etnische cultuur
    en bouwen een eigen infrastructuur op. De opkomst van het etnische
    ondernemerschap voldoet daaraan en biedt een uitweg voor migranten
    die geen aansluiting vinden bij de autochtone arbeidsmarkt. Door
    Nederlanders is de exotische middenstand begroet als een verrijking
    van de multi-etnische samenleving en een teken van eigen
    initiatief. De infrastructuur biedt evenwel ook mogelijkheden voor
    het nestelen van allochtone georganiseerde misdaad wanneer (een
    deel van) deze middenstand die is aangesloten op het bronland van
    drugs, fungeert als distributieapparaat voor illegale goederen.

    d. De relatieve beslotenheid van etnische maatschappelijke
    instituties en eigen waarden en opvattingen vergemakkelijken het
    afschermen van illegale of onoorbare praktijken tegen
    overheidscontrole. Mensen handhaven hun eigen taal, ontwikkelen
    nieuwe codes en die blijven moeilijk toegankelijk voor
    overheidsinstanties die nog volstrekt autochtoon zijn samengesteld
    en door blanke Nederlanders worden gedomineerd. De
    informatiepositie van politie en justitie in etnische kringen is
    zonder meer bedroevend. Immigranten handhaven of ontwikkelen eigen
    sociale verbanden zoals de grootfamilie, patroon-clientverhoudingen
    en economische arrangementen zoals rotating credit associations en
    een informeel banksysteem. Dergelijke verbanden zijn functioneel
    voor het ontwikkelen van georganiseerde misdaad omdat zij gebaseerd
    zijn op etnische of familiale solidariteit; deze kan een
    functioneel equivalent vormen van conformiteit die wordt
    afgedwongen via het toepassen van een sanctiesysteem. De
    solidariteit strekt zich uit tot buiten de landsgrenzen; verraad
    aan de organisatie binnen Nederland heeft repercussies voor de
    achtergebleven familie in de landen van herkomst.

    e. Met de immigratie en de vestiging van etnische
    gemeenschappen, zijn ook de economische mogelijkheden voor de
    ontwikkeling van georganiseerde criminaliteit vergroot. De
    produkten en diensten waarin de georganiseerde misdaad handelt zijn
    vaak afkomstig uit hun landen van herkomst (hash uit Marokko,
    goedkope illegale arbeidskrachten uit Polen, etcetera). De landen
    van herkomst vormen ook afzetmarkten (gestolen auto’s naar
    Oost-Europa en Afrika, doorvoer van drugs naar Itali enzovoort) en
    zij bieden mogelijkheden om het verkregen kapitaal te beleggen. In
    de landen van herkomst zijn soms faciliteiten voor de
    georganiseerde misdaad aanwezig die in Nederland niet bestaan: het
    (effectief) ontbreken van een verbod op het witwassen van illegaal
    verworven vermogens bijvoorbeeld of de illegale toegankelijkheid
    tot vuurwapens. In de landen
    van herkomst is soms ook specifieke expertise aanwezig die voor
    takken van de georganiseerde misdaad nodig is (croupiers uit het
    voormalige Joegoslavi bijvoorbeeld of kenners van internationale
    rechtsstelsels). Weliswaar zijn Nederlanders bepaald
    kosmopolistisch genoeg om zulke mogelijkheden te exploiteren,
    migranten die met hun twee benen in beide landen staan, genieten
    een zeker voordeel, al was het alleen maar omdat zij zich in beide
    samenlevingen kunnen bewegen zonder op te vallen.

    f. Wij stellen ons georganiseerde misdaad voor als gedreven door
    puur economische motieven en dat is in directe zin altijd juist.
    Economische motieven kunnen evenwel in dienst staan van politieke
    belangen en dan wordt het beeld minder helder. Politieke strijd in
    de landen van herkomst kunnen repercussies hebben op gemeenschappen
    van immigranten. De wijze waarop de Turkse georganiseerde misdaad
    zich ten onzent manifesteert kan niet los worden gezien van de
    onafhankelijkheidsstrijd van de Koerden en de Turkse onderdrukking
    daarvan. De criminele activiteiten van mensen die afkomstig zijn
    uit het voormalige Joegoslavi zijn moeilijk te begrijpen zonder de
    oorlog en de voorbereiding daartoe in de jaren vr 1992. In hoeverre
    zijn dergelijke processen in Nederland aanwijsbaar?

    Gecombineerd met de dagelijkse berichtgeving over de
    georganiseerde criminaliteit in Nederland, de vaststellingen die in
    de CRI-inventarisaties zijn gedaan betreffende het aandeel van
    buitenlandse en allochtone criminele groepen in deze criminaliteit,
    geven deze zes overwegingen duidelijk aan dat een nader onderzoek
    naar hun aandeel niet misplaatst is, wetenschappelijk noch
    maatschappelijk.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken