• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – II.5. Georganiseerde criminaliteit onder Surinamers in Nederland

    II.5. Georganiseerde criminaliteit onder Surinamers in
    Nederland

    Tot ver in de jaren zeventig is er geen reden om de
    criminaliteit onder Surinamers als apart vraagstuk aan de orde te
    stellen. Als met de komst van sociaal zwakke immigranten wel
    problemen ontstaan, zoals in de Amsterdamse Bijlmermeer en op de
    Rotterdamse Kruiskade, wordt het politiek niet als correct
    beschouwd om het verschijnsel bij de naam te noemen. Het ministerie
    van Justitie heeft in al in de jaren tachtig besloten de etnische
    afkomst van personen die bij criminaliteit zijn betrokken, niet
    meer te registreren teneinde stigmatisering te voorkomen. Het was
    evenmin bon ton om specifiek culturele criminaliteitsbevorderende
    factoren te releveren. Een aanmerkelijk deel van de kinderen in de
    Surinaams-Creoolse volksklasse groeit op in onvolledige gezinnen.
    Van alle Surinaamse huishoudens is 32 procent uit een noudergezin
    en voor de subcategorie der Creolen zelfs meer dan de helft.
    Vergelijk dit met een percentage voor de Nederlandse bevolking in
    haar geheel van 7 en bijvoorbeeld Marokkanen van 3 procent (Van
    Praag, 1989). Dit gezinstype draagt volgens van Niekerk (1992) bij
    tot armoede, uitkeringsafhankelijkheid en maatschappelijk
    isolement. In de loop van de jaren tachtig verdwijnt de
    aanvankelijke schroom. Buiks (1983) schreef toen een gedurfd
    rapport over Creoolse jongens in Rotterdam die hun leven
    organiseerden rond verslaving aan herone en rond de tegencultuur
    van de Rasta-beweging, of die de exuberante levensstijl van een
    zogenaamde wakaman ten toon spreidden. Het vraagstuk werd
    hier nog opgevat als een probleem van beklagenswaardige
    randgroepjongeren: de wakaman zijn jongens die met
    versluierend woordgebruik voor hun levensonderhoud zijn overgegaan
    op praktijken die de omringende samenleving als illegaal of
    crimineel aanmerkt (Buiks, 1983, 127). Bij nadere lezing van de
    tekst blijken deze praktijken te bestaan uit niet minder dan
    huisbreken, bankroven en vooral poederverkopen (p. 117). De
    criminaliteit van Surinaamse jongens in de jaren zeventig en het
    begin van de jaren tachtig is nauw verbonden met de verslaving aan
    drugs. De misdaad die daaruit voortvloeit, is vooral
    verwervingscriminaliteit. Met georganiseerde drugshandel hebben ze
    dan nog weinig te maken. Zij zijn er de slachtoffers van of vormen
    als kleine dealers het onderste echelon van deze handel. Dat
    verandert aan het einde van de jaren tachtig. Livio Sansone deed in
    1992 verslag van zijn belevenissen over een periode van 1981 tot
    1990 met eenzelfde groep Creoolse jongens in Amsterdam. Die jongens
    komen op allerlei manieren aan hun inkomen, maar daartoe behoren
    ook zogenaamde zwarte hossels, illegale dingen. In de periode dat
    hij ze onderzoekt, neemt het verslavingsprobleem sterk af. De
    Surinaamse junkies vormen tot op zekere hoogte een uitstervend
    cohort. Zij gaan over op de verkoop van drugs. Het begint met
    kleine straatdealers die plastic zakjes uitventen met een gram
    hash. Zij streven er echter naar om huisdealer te worden. Het
    koffiehuizencircuit van Amsterdam groeit in de jaren tachtig
    explosief en voorziet een internationale
    toeristen-consumenten-markt van drugs. Desondanks, stelt Sansone
    vast, blijven de Surinaamse dealers onderaan in die markt hangen.
    Hun ostentatieve levensstijl (scherpe kleren, overvloedige gouden
    sieraden) is niet erg geschikt om zich als etnisch ondernemer op te
    werken naar een hoger niveau. Bovendien zijn zij buitengewoon
    ongeorganiseerd en de politie laat Sansone weten dat het geen enkel
    probleem is om
    Creoolse dealers te laten verklaren over hun concurrenten. Hier
    zien we iets terug van wat in Suriname krabbenpolitiek wordt
    genoemd. Zoals krabben elkaar bij de poten naar omlaag trekken
    zodat zij de ton individueel niet uitklimmen, zo staan volkscreolen
    elkaar niet toe beter af te zijn dan zijzelf (Brana-Shute,
    1979).

    Nu heeft Sansone met zijn onderzoeksmethode slechts 59 jongens
    in hun carrire gedurende de jaren tachtig kunnen volgen. Als er
    toch jongens bij zouden zijn die in het betreffende tijdvak door
    zouden stijgen naar hogere niveaus, is de kans dat hij die in zijn
    steekproef aantreft, erg klein. We weten echter zeker dat enkelen
    echt tot de georganiseerde misdaad zijn doorgedrongen. In de kring
    onmiddellijk rond Klaas Bruinsma in Amsterdam die ongeveer tien
    personen omvatte, zaten ook Surinaamse Creolen. Het is echter de
    vraag of we deze personen moeten beschouwen als onderdeel van de
    Surinaamse georganiseerde misdaad of veeleer als deelnemers aan
    Hollandse groeperingen. Het gaat hier om geassimileerde Surinamers
    die niet betrokken waren bij de cocane-handel en die niet waren
    aangesloten op het beschreven netwerk in Suriname, maar om mensen
    die in de eerste plaats handelden in hash en die hun contacten
    hebben in de Nederlandse onderwereld. De bekendste figuren waren
    onderdeel van groeperingen die in deze reeks in de rapportage over
    autochtone groeperingen thuishoren. Dat neemt niet weg dat zij hun
    banden met Suriname (of de Nederlandse Antillen) hebben behouden
    met het oog op de belegging van de opbrengsten van hun
    activiteiten. Zij bezitten er onroerend goed, speedboten en
    tenminste n van hen heeft de politieke oppositie tegen Bouterse
    financieel gesteund.

    Welke vormen van georganiseerde misdaad komen nu voor bij
    groepen die wel grotendeels Surinaams zijn? Om te beginnen is uit
    de informatie die ons ten dienste staat duidelijk dat ook in het
    zwaardere werk alle etnische groepen voorkomen die Suriname rijk
    is. Dit geldt in elk geval voor de drugshandel. Buiten de sfeer van
    de handel in drugs komen we enkele berichten tegen over Surinaamse
    bendes die zich toeleggen op het stelen, omkatten en verhandelen
    van auto’s. In een geval gaan die auto’s naar Suriname toe, in een
    ander geval naar Marokko. In de grote steden zijn enkele Surinaamse
    ondernemers werkzaam op de markt van het onroerend goed die je niet
    goed anders kunt aanduiden dan als huisjesmelkers. Zij hebben in
    gevallen van conflict met huurders, het geweld niet geschuwd. Maar
    dit verschijnsel kunnen we moeilijk rekenen tot de georganiseerde
    misdaad. We treffen Surinaamse souteneurs aan die echt als groep
    opereren en die prostitues dwingen hun verdiensten af te staan.
    Twintig jaar geleden was het souteneurschap onder Surinamers een
    bekende deviante bezigheid (vergelijk ons rapport over
    georganiseerde criminaliteit in Amsterdam). Nu lijkt daar eigenlijk
    weinig meer van over. Veel levert deze zoektocht overigens niet op.
    Het lijkt erop of al wat zich aan onderwereld in Surinaamse kring
    profileert, zich heeft gestort op de cocanehandel. Het is een
    bedrijvigheid die andere typen georganiseerde criminaliteit uit de
    markt prijst. De informatie die over dit onderwerp bij de politie
    bestond, gaat over twee stadia in de keten van de drugshandel. Er
    is vrij veel bekend over de grotere organisaties die via Suriname
    en ook de Nederlandse Antillen en Aruba grote partijen cocane
    verzenden naar Nederland. De band met de verschillende militairen
    met hun vliegveldjes en enkele grote drugshandelaren in Suriname is
    redelijk bekend. Hierboven hebben we dit reeds globaal aangegeven.
    Verder weten plaatselijke politiekorpsen vaak wel wie de lokale
    dealers zijn of vanuit welke panden drugs worden verkocht. Over wat
    daar tussenin gebeurt is weinig bekend. Hieraan is goed te zien hoe
    de opsporingsinstanties in Nederland werken. Er wordt veel
    genvesteerd om kennis op te doen over de grote bazen, in de hoop
    een hele aanvoerlijn te ontmantelen en grote partijen drugs te
    onderscheppen. Wanneer de smokkelwaar de douane eenmaal is
    gepasseerd, valt de belangstelling weg. Over het distributienetwerk
    in Nederland is veel minder bekend. De CRI heeft in Nederland zeven
    organisaties gedentificeerd die min of meer voldoen aan de door
    haar gehanteerde criteria om te kunnen worden gerekend tot
    georganiseerde misdaad. Deze rapportage maakt niet de indruk dat er
    echt sprake is van duidelijk gemarkeerde en strak-geleide
    verbanden. De kennis die plaatselijke politiekorpsen bezitten over
    hun verkooppunten van drugs is weinig relevant omdat men deze niet
    zelden ongemoeid laat als ze geen overlast of problemen van
    openbare orde opleveren en dit zijn geen beginpunten van onderzoek
    naar een hele keten. Er is echter een alternatieve verklaring
    mogelijk voor het informatiegebrek omtrent het distributienetwerk
    in Nederland. Die luidt dat het helemaal niet zo duidelijk
    georganiseerd is. Anders dan bijvoorbeeld de Colombiaanse
    organisaties die grote partijen van honderden of duizenden kilo’s
    drugs in een keer per container Nederland binnen sluizen, geschiedt
    het transport hier in kleine hoeveelheden door honderden personen
    en via duizenden vrachten tegelijk. Er zijn koeriers die een of
    enkele kilo’s meenemen. Slanke vrouwen die een ruim-vallende jurk
    kunnen dragen en zwangere vrouwen zijn op een bepaald moment
    favoriet, dan weer zijn er mensen die als slikker de overtocht
    maken, maar eigenlijk kan iedereen het doen: terugkomende
    vakantiegangers of speciaal voor dit doel geworven jongeren. Dit
    laatste komt veelvuldig voor. Een groep die in discotheken jongeren
    ronselt, rekent het koerieren af met een prettig verblijf in een
    hotel op Curaao. Bij het werven zal het woord drugs niet vallen. Er
    is slechts sprake van een weldoener die zijn zieke oma moet
    opzoeken en hij stuurt nu iemand langs met een pakketje. De hele
    tocht is prima georganiseerd door de handelaar. Er bestaan systemen
    waarbij door de koeriers zelf of door de organisator van het
    transport een
    onderlinge verzekering wordt afgesloten. Bij iedere vlucht naar
    Europa lopen een paar van hen tegen de lamp, de overigen staan
    garant voor de ondersteuning van de achtergebleven familie. In het
    algemeen valt er bij het aantreffen van drugs weinig meer te
    ontkennen, maar soms wordt in een emotioneel relaas naar voren
    gebracht dat men door de militairen is gedwongen om drugs mee te
    nemen op straffe van represailles tegenover achtergebleven familie.
    Is dit werkelijk het geval of is het een verhaal waarvan men hoopt
    dat Nederlandse functionarissen er een zekere sympathie voor op
    kunnen brengen? In sommige gevallen zijn koeriers op grond van deze
    overweging heengezonden of is het smokkelen hun door de rechter
    niet aangerekend. Drugs worden tevens meegevoerd in de constante
    goederenstroom die aan Surinaamse en Antilliaanse adressen in
    Nederland wordt verzonden. Het poeder wordt aangetroffen in
    zendingen groente en fruit, in etnisch-culturele voorwerpen, in
    keramiek en in eterniet-pijpen. Wat betekent het precies wanneer
    een Surinaamse groentehandelaar bij de douane wordt opgepakt omdat
    de aan hem gerichte zending cocane bevat? Hij claimt niets te
    weten, het is er in Suriname buiten zijn medeweten ingestopt,
    iemand heeft zijn handel verwisseld. Er zijn bona fide
    groentehandelaren die zich gedwongen zien voorzorgsmaatregelen te
    nemen. Niet iedereen wil, zoals n van hen recentelijk overkwam,
    worden geconfronteerd met een nietsvermoedende klant die thuis bij
    het afpellen van een banaan merkt dat er wit poeder in zit en naar
    de politie stapt. Het is in ieder geval duidelijk dat het thans
    nogal bloeiende Surinaamse bedrijfsleven in Nederland (toko’s,
    goudwinkels etcetera) een uitstekend distributieapparaat vormt. Als
    de hypothese juist is dat de drugs niet alleen in grote
    hoeveelheden binnenkomen maar ook in kleine porties en via een
    omvangrijke stroom van mensen en goederen, dan kan het niet anders
    of de controlemechanismen zijn onvoldoende of lek. Dit doet de
    vraag rijzen in hoeverre de import van cocane uit Suriname wordt
    begunstigd door de corruptie van ambtenaren.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken