• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – III.4. Turken in Nederland

    III.4. Turken in Nederland

    Per 1 januari 1994 woonden (legaal) 202.604 Turken en Koerden in
    Nederland. Daarvan is nog maar een klein deel wat wij in Nederland
    tweede generatie noemen, 66% procent is van de eerste of de
    anderhalve (dat wil zeggen wel in Turkije geboren, maar als kind
    naar Nederland gekomen) generatie. Hun vestigingspatroon
    correspondeert met de werving van Turkse gastarbeiders in de jaren
    zestig. Er wonen relatief veel Turken in provincies met destijds
    oude en aflopende industrietakken (textiel, metaal): Overijssel,
    Gelderland en Noord-Brabant en in de drie grootste steden,
    respectievelijk Rotterdam, Amsterdam en Den Haag. Zo’n tien jaar
    nadat de stroom van gastarbeiders op gang was gekomen, stelden
    Duitse onderzoekers vast dat de Turken in Duitsland bepaald een
    gunstige sociaal-economische selectie vormden van de bevolking (zie
    voor een recente samenvatting: Centre for Turkish Studies, 1993) en
    in hun voetspoor volgden ook Nederlandse auteurs zoals Penninx en
    Van Renselaar (1978) die meenden dat Nederland als later
    wervingsland Turkse gastarbeiders van een iets lager peil had
    ontvangen dan Duitsland, maar dat het aantal mensen afkomstig uit
    het moderne Westen van Turkije, het aantal geschoolden en het
    aantal mensen met een behoorlijke arbeidservaring tamelijk hoog
    was. Akgndz (1993) heeft deze stelling onlangs nog eens herhaald.
    Het wonderlijke is dat de etnografie van Turkse gemeenschappen in
    Nederland een heel ander beeld te zien geeft. Risvanolu-Bilgin en
    anderen (1986) troffen ook heel eenvoudige en traditionele gezinnen
    aan. De Vries (1987) stuitte op een verstikkende sociale controle
    die eerder past bij een dorpsgemeenschap dan bij een modern
    cultuurpatroon, Feddema (1992) vond naast Westerse ingestelde ook
    heel traditionele en conservatieve Turkse jongeren. Hoe is deze
    discrepantie te verklaren? Yesilgz (1995) heeft de hypothese van de
    positieve selectie aan een grondig onderzoek onderworpen en komt
    tot de conclusie dat die grotendeels berust op schijn. De laatste
    kortdurende vestigingsplaats vr emigratie naar Nederland lag wel
    vaak in het Westen van Turkije, maar de meeste gastarbeiders waren
    afkomstig uit Anatoli. De emigranten hadden wel opgegeven onderwijs
    te hebben genoten, maar dat had niet erg veel voorgesteld; het
    volgen van een kleine cursus was in een bepaalde fase van het
    migratieproces voorwaarde geweest om berhaupt te mogen vertrekken.
    Het hield bijvoorbeeld helemaal niet in dat de abiturinten konden
    lezen en schrijven. Pas gedetailleerde reconstructies van het
    proces van kettingmigratie, zoals ondernomen door Den Exter (1993)
    en Den Exter en Kutlu (1993) laten zien wat er precies is gebeurd.
    Aanvankelijk waren er ondernemende eenlingen die hun geluk
    beproefden door als turist naar Europa te gaan. Daar vonden
    ze werk en ze keerden met de opbrengst daarvan terug. Familieleden
    en andere dorpsbewoners volgden hun welvarende voorbeeld en na het
    sluiten van een wervingsaccoord tussen Turkije en Nederland in 1964
    volgde massa-emigratie. In 1974, na de economische teruggang
    (oliecrisis), stopte de werving. De migratiestroom was heel
    plaatselijk bepaald, inwoners van de stad Eskisehir gingen
    bijvoorbeeld naar Belgi, die van het Zuidoostelijk gelegen
    Gaziantep naar Nederland. De Turken van Hoorn zijn voor 80%
    afkomstig uit Gaziantep, die van Medemblik voor 50% en die van Olst
    eveneens voor 50%. In feite is het dus misleidend om te spreken van
    de Turkse gemeenschap. Zij vormt eerder een staalkaart van
    gemeenschappen uit dorpen, districten en provincies in Turkije. Het
    is een reproduktie van gemeenschappen uit de provincies Konya,
    Kayseri in het Westen en het midden van Anatoli en van de
    oostelijke streek langs de Zwarte Zee en het overwegend door
    Koerden bevolkte Oosten en Zuidoosten van het land. De Turken in
    Nederland leven overwegend in regionaal verband. Zij huwen met
    partners uit dezelfde streek, zij komen in de koffiehuizen met
    streekgenoten samen (vaak aan de naam, bijvoorbeeld Zwarte Zee,
    Kara Deniz, te herkennen) en zij ondernemen gezamenlijk
    bepaalde projecten voor het dorp van herkomst zoals het schenken
    van een ambulance of het zenden van hulp bij een aardbeving. De
    plaatselijke burgemeesters komen bij de emigranten uit hun dorp in
    Nederland op bezoek om hen aan hun afkomst te herinneren. Over en
    weer is tussen verschillende Turkse gemeenschappen vaak heel weinig
    contact, oude negatieve stereotypen overheersen. De immigratie is
    intussen grotendeels voltooid. Na het stoppen van de officile
    werving ging een aantal gastarbeiders terug, maar hun
    gemeenschappen in Nederland groeiden toch als gevolg van
    gezinshereniging en gezinsvorming (mensen met een verblijfstitel
    huwen iemand direct uit Turkije). Verder zijn er toeristen,
    illegale arbeiders en (tegenwoordig) weinig kansrijke asielzoekers
    (Bcker, 1992).

    De gastarbeiders waren aanvankelijk gedreven door armoede en de
    wens hun lot te verbeteren. Maar vanaf het moment dat zij met hun
    volledige gezin eenmaal in West-Europa waren gevestigd, raakten de
    Turken verstrikt in een harde onderlinge concurrentie om aanzien,
    status en rijkdom. Alkan en Kabdan (1994) laten zien dat
    Turken zich niet in Nederland positioneren door hun aspiratieniveau
    af te stemmen op het gangbare Nederlandse niveau, maar dat andere
    Turken hun referentiekader vormen. Wie van de Turkse dorpsgenoten
    of buurtbewoners heeft het eerst een televisietoestel, een auto,
    een hoog inkomen? Wie ziet kans z’n kinderen naar een goede school
    te zenden? De verdiensten in West-Europa worden voor een belangrijk
    deel ook genvesteerd in het dorp van herkomst, er worden huizen
    gebouwd, er wordt grond aangekocht, er worden winkels geopend. De
    strijd om status wordt op twee fronten gestreden: in het
    emigratieland en in het dorp van herkomst. Er zijn in Turkse dorpen
    bezittingen aangetroffen die op het eerste gezicht niet bruikbaar
    lijken: te grote huizen, onhandig grote landbouwmachines,
    elektrische apparatuur in een dorp zonder aansluiting op het
    elektriciteitsnet, maar als status-uitgaven is deze aanschaf wel
    degelijk functioneel. Aanvankelijk ging het hun economisch goed.
    Tot in het begin van de jaren zeventig kenden Mediterrane
    allochtonen geen werkloosheid (Veenman, 1994: 67 e.v.) en zij
    merkten zelfs niets van de lichte recessie in 1967-1968. Autochtone
    werknemers vertrokken uit de ongeschoolde arbeid terwijl daar ruime
    vraag naar bestond. De recessie van het begin van de jaren zeventig
    en vooral de herstructurering van de Nederlandse economie in de
    jaren tachtig veroorzaakten echter werkloosheid in het algemeen, de
    weinig geschoolde gastarbeiders werden daar onevenredig door
    getroffen. Naar welke maatstaf hij ook meet, Veenman (1994) stelt
    thans in zijn survey onder allochtonen geweldige achterstanden vast
    op de arbeidsmarkt en daardoor ook in inkomen. De
    arbeidsparticipatiegraad van Turken bedraagt 55% tegen 63% voor
    autochtone Nederlanders; hun werkloosheidsgraad bedraagt 31% tegen
    7% voor autochtonen; de werkloosheidsduur is relatief lang. De
    volgende (anderhalve) generatie heeft weliswaar veel meer onderwijs
    genoten, maar hun arbeidsmarktpositie is niet beter dan die van hun
    ouders. De weinig florissante maatschappelijke positie op andere
    terreinen hangt hier nauw mee samen. Veenman (1994) laat zien dat
    de kwaliteit van hun huisvesting laag is, dat ze in de slechtste
    delen van de stad wonen en dat het door hun kinderen gerealiseerde
    opleidingsniveau gemiddeld laag is. Het Inspraakorgaan Turken
    signaleert het ontstaan van een groep Turkse randgroepjongeren (Tas
    et al., 1991).


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken