• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – IV.4. Het koninklijk hof en de drugshandel

    IV.4. Het koninklijk hof en de drugshandel

    Het koninkrijk Marokko is een autoritair geregeerde staat,
    waarin het parlement slechts beschikt over beperkte corrigerende
    bevoegdheden en waar de koning en hoge hofdignitarissen in feite
    alle belangrijke beslissingen nemen. Alleen de koning mag de
    minister-president benoemen en alleen hij bezit de bevoegdheid het
    parlement naar huis te sturen. De rechterlijke macht is
    onafhankelijk maar de koning heeft alle belangrijke benoemingen in
    handen doordat het Ministerie van Justitie is aangewezen als een
    zogenaamd souvereiniteitsdepartement. Het bestuursapparaat is een
    vrij zuiver voorbeeld van wat de beroemde socioloog Max Weber in
    het begin van deze eeuw de patrimoniale bureaucratie heeft genoemd.
    Ambten zijn persoonsgebonden en taken worden juist niet zonder
    aanziens des persoons uitgeoefend. De structuur van de ambtenarij
    bestaat uit een zich op de verschillende niveaus repeterende reeks
    van patroon-clintverhoudingen (Driessen, 1990). Bestuurlijke
    corruptie is in een dergelijk systeem endemisch, of beter nog: voor
    zover patronage algemeen is aanvaard, is het als criminele
    categorie zelfs onbestaanbaar. Getoetst aan het officile recht dat
    op Franse leest is geschoeid, is er echter wel degelijk sprake van
    wijdverbreide corruptie. Van verschillende gouverneurs en caids
    (districtshoofden) is zonder meer vastgesteld dat zij actief
    meewerken aan criminele (cannabis-)organisaties of dat zij zelf de
    drugsbaronnen zijn. De Marokkaanse en de Franse pers doen verslag
    van reeksen van dergelijke recente corruptiegevallen. Ze hebben
    betrekking op leden van de gendarmerie, het leger, de politie en de
    douane. De drugsbaronnen zijn bovendien genfiltreerd in de
    Marokkaanse politiek. Zij worden aangetroffen in rechtse partijen
    (zoals de Ressemblement National des Independants), maar ook wel
    bij links. Hun macht werd zo bedreigend dat het Ministerie van
    Binnenlandse Zaken zich genoodzaakt zag bij de verkiezingen van
    1992 niet minder dan 400 kandidaten van de kieslijsten te
    verwijderen vanwege betrokkenheid bij de drugshandel.

    In de top van dit bestuur regeert de koning op grond van zijn
    goddelijke recht en zijn bestuur bestaat in feite uit het uitdelen
    van belangen en gunsten in ruil voor concrete diensten en
    loyaliteit. Hij zorgt ervoor dat de verdeeldheid die in deze
    samenleving bestaat tussen etnische categorien, stammen, sociale
    klassen en politieke partijen, op peil wordt gehouden zodat hij als
    arbiter kan blijven optreden (Richard en Waterbury, 1990). Koning
    Hassan II geniet een absolutistische reputatie (Perrault, 1990) en
    zijn bewind wordt door
    internationale organisaties zoals Amnesty International, de
    Wereldbank en ook het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden fel
    bekritiseerd. In een dergelijk systeem is het ondenkbaar dat de
    omvangrijke drugshandel kan floreren zonder de actieve medewerking
    of althans de passiviteit van het ambtelijke apparaat. Dit doet de
    vraag rijzen of en in hoeverre de koning zelf bij deze handel is
    betrokken. Het is buitengewoon lastig om deze vraag te
    beantwoorden. De bekendste beschuldiging in deze richting is
    afkomstig van de journalist Moumen Diouri (1992), maar zorgvuldige
    lezing van hoofdstuk V, paragraaf 6 van zijn boek A qui
    appartient le Maroc?
    , waarin deze beschuldiging is
    opgeschreven, levert toch geen overtuigend bewijs op. Verder
    schrijft Ali Bourequat, voormalig medewerker van de Marokkaanse
    inlichtingendienst, die enkele jaren geleden onder Amerikaanse
    politieke druk na 18 jaar gevangenschap in een geheime kerker is
    ontslagen: Hasj is voor Marokko een ware goudmijn. Zodra Hassan II
    aan de regering kwam, hebben Nederlandse technici zich in het land
    gevestigd om toezicht te houden op de verbouwing van kif, het
    bereiden van plakken hash en het conserveren van het sap ervan
    (Bourequat, 1994: 34).


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken