• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – IV.6. Marokkanen in Nederland

    IV.6. Marokkanen in Nederland

    De emigratie van Marokkanen naar West-Europa is officieel in de
    jaren zestig geregeld in werfakkoorden. Met Duitsland werd zo’n
    overeenkomst waarin alle procedures voor werving en tewerkstelling
    waren geregeld, gesloten in 1963, Frankrijk volgde in 1964, Belgi
    ook in 1964 en Nederland kwam wat achteraan met een werfakkoord in
    1969. De werving heeft formeel niet langer dan vier jaar geduurd,
    want bij de (olie)crisis van 1973 werd zij stopgezet. Daarna is de
    immigratie doorgegaan in de vorm van primaire en secundaire
    gezinshereniging. In het eerste geval laat een (voormalige)
    gastarbeider zijn gezin overkomen, in het tweede geval huwt een
    kind met een legale verblijfsstatus in Nederland met een Marokkaan
    uit Marokko. Verder is er
    een migratiecircuit van illegalen. Toen Shadid (1979) aan het einde
    van de jaren zeventig een grote representatieve steekproef van
    Marokkaanse arbeiders ondervroeg, ontdekte hij dat slechts 13
    procent van hen via de officile werving was gekomen. Velen hadden
    eerder in Frankrijk gewerkt en kwamen daarna door naar Nederland.
    Obdeijn (1993) heeft onlangs gereconstrueerd hoe het
    migratiepatroon zich heeft ontwikkeld. Hij schrijft dat
    verschillende wervingscommissies op hun eigen houtje het land
    doorkruisten op zoek naar sterke jonge mannen (met een gaaf gebit)
    en dat ze in feite deden wat een aantal louche lokale bemiddelaars
    zeiden. Waren de eerste emigranten eenmaal vertrokken, dan volgde
    de rest spontaan via het welbekende proces van kettingmigratie.
    Door dit mechanisme is de afkomst van de Marokkaanse migranten
    regionaal zeer beperkt. De Marokkanen in Frankrijk zijn grotendeels
    afkomstig uit de Soesstreek rond Agadir (dat in de koloniale
    periode onder Frans bewind stond) en er zijn veel studenten onder
    die uit steden kwamen. De Marokkaanse immigrantengroep in Frankrijk
    is sociaal meer gevarieerd samengesteld dan waar ook in Europa. De
    Marokkanen in Belgi zijn grotendeels afkomstig uit de steden in het
    noorden (Tanger, Tetuan, Larache, Chefchaouen en Ouazzane). Die in
    Nederland zijn voor 80% afkomstig uit het voormalige Spaanse
    protectoraatsgebied in de Rif dat onderontwikkeld is gebleven en
    dat bevindt zich dicht bij het gebied van waaruit de
    cannabis-cultuur zich verbreidt. Het opleidingsniveau van de
    Marokkaanse gastarbeiders naar Nederland was zeer laag, 70% had
    zelfs geen lager onderwijs genoten en een intellectueel kader
    (zoals in Frankrijk) ontbrak geheel. De reden waarom door het
    Nederlandse bedrijfsleven vooral in de Rif is geworven, is volgens
    Obdeijn nogal prozasch. De Nederlandse werfagenten zochten de minst
    ontwikkelde bevolking, omdat daarvan de grootste mate van
    gedweeheid werd verwacht en de koning van Marokko zag ze gaarne een
    lastige bevolkingsgroep wegvoeren.

    Dat het de Marokkaanse gemeenschap in Nederland niet voor de
    wind is gegaan, is neergelegd in werkelijk honderden
    wetenschappelijke rapporten en beleidsnota’s. Het globale beeld is
    er een van hopeloze sociale achterstand en culturele ontwrichting.
    Natuurlijk doen algemene cijfers geen recht aan de interne variatie
    binnen een groep. Buys (1993) vraagt speciaal aandacht voor
    Marokkaanse jongemannen die hun weg in Nederland wel goed hebben
    kunnen vinden en Crul (1994) stelt op grond van onderzoek vast dat
    de echte tweede generatie van Marokkanen (dus niet de anderhalve
    generatie die in Nederland maar weinig naar school is gegaan) het
    op school helemaal niet zo slecht doet. Maar het totaalbeeld is
    vooralsnog weinig hoopgevend. Niet meer dan een kwart van het
    Marokkaanse arbeidspotentieel verricht feitelijk betaalde arbeid
    (Veenman en Mertens, 1994: 112) en vrouwen vrijwel helemaal niet.
    Van al degenen die wel werken kan tweederde worden gerekend tot de
    laagste twee functiecategorien van de arbeidsmarkt (tegen niet meer
    dan 22% van autochtone Nederlanders). Dat Marokkanen ook binnen het
    spectrum van etnische groepen niet de allerlaagste gemiddelde
    inkomens laten zien is alleen te verklaren uit de hoge uitkeringen
    die zij gemiddeld genieten vanwege het hoge kindertal (Martens en
    Veenman, 1994: 142). Samen met de Turken behoren de Marokkanen tot
    de sociale categorie die feitelijk het slechtst is gehuisvest en
    die in dit opzicht ook de minste aspiratie vertoont (Van Praag,
    1990). Op school behalen Marokkanen gemiddeld de slechtste
    resultaten en vertonen het hoogste drop-out-percentage (Kloprogge
    e.a., 1994). Een deel van de Marokkaanse gemeenschap profileert
    zich als etnische ondernemer in slagerijen en de horeca, maar hun
    percentage is klein als dat wordt vergeleken met het aantal kleine
    zelfstandige ondernemers in andere etnische groepen (Van den
    Tillaart, 1993: 164). Een dergelijk ongunstig maatschappelijk
    profiel vormt een voedingsbodem voor criminaliteit. Zowel de
    slechte maatschappelijke vooruitzichten in absolute zin als ook de
    relatieve deprivatie dragen daartoe bij. Marokkaanse jonge mannen
    lopen bij het zoeken naar werk tegen een geweldige blokkade van
    discriminatie op. Bij een wetenschappelijke situatie-test waar
    mensen met volmaakt gelijke kwalificaties maar ongelijke etnische
    achtergrond, solliciteren op werkelijk bestaande vacatures, maakten
    Marokkaanse jonge mannen geen schijn van kans (Bovenkerk, Gras en
    Ramsoedh, 1995). Deze etnische groep onderscheidt zich van de
    andere ook nog door een grote generatiekloof. Veel Marokkaanse
    gezinnen zijn ontregeld door de aanhoudende onenigheid tussen
    vaders en zonen. Overal waar Marokkanen wonen in Nederland – hun
    vestigingspatroon volgt het algemene beeld van gastarbeid in
    Nederland (ze wonen in en rond de oude industriesteden, in de grote
    steden en in kleinere centra) – ziet de politie zich geconfronteerd
    met een reusachtig probleem van criminaliteit van Marokkaanse
    jongens (vergelijk Junger en Zeilstra, 1989; Werdmlder, 1990;
    Bovenkerk, 1992). Nu gaat het hier grotendeels om vermogensdelicten
    (inbraak en zo) en dat heeft op zich weinig te maken met
    georganiseerde misdaad. Maar het schept wel de voorwaarden om een
    deel van jeugddelinquenten door te laten gaan in een carrire in de
    zware misdaad. De randgroep die Werdmlder een aantal jaren lang
    volgde, leverde tenslotte enkele professionele misdadigers op. Dit
    verschijnsel wordt, zoals alle georganiseerde misdaad, nauwelijks
    zichtbaar in de algemene criminaliteitsstatistiek. Overigens kunnen
    dezelfde jongeren wel degelijk een rol spelen in de drugshandel en
    volgens de hier gehanteerde definitie worden gerelateerd aan
    georganiseerde misdaad.

    In dit hoofdstuk hebben wij reeds uiteengezet dat de
    (georganiseerde) misdaad in Marokko zo weinig gewelddadig is. Dat
    geldt ook voor Marokkanen in Nederland. Zij scoren niet hoog als
    het gaat om geweldscriminaliteit (Werdmlder en Meel, 1993) en ook
    het aantal liquidaties in het milieu is gering. Bij
    alles wat we te horen hebben gekregen en in alle materiaal dat wij
    onder ogen hebben gehad, waren niet meer dan n bericht over een
    rippartij op Marokkanen door Antillianen, n bericht over een
    Marokkaanse coffeeshophouder die zich genoodzaakt zag rolluiken
    voor de ruiten aan te brengen toen iemand zich kwam wreken omdat de
    geleverde hash van inferieure kwaliteit was geweest, en n bericht
    over de gijzeling (door een Nederlandse bende) van een Marokkaan
    die zijn schuld nog moest betalen. In alle gevallen zijn zij
    slachtoffers en geen daders van geweld. Wij hebben deze
    betrekkelijke geweldloosheid binnen Marokko zelf in verband
    gebracht met de beheersstructuur van de overheid. Hier is de vraag
    aan de orde of haar invloed zich ook tot Nederlands grondgebied
    uitstrekt. Het is zonder meer duidelijk dat de geldzendingen naar
    huis van de emigranten een belangrijke bron vormen van de
    Marokkaanse economie en de overheid doet er alles aan om deze te
    continueren. In alle landen met Marokkaanse gastarbeiders is door
    de overheid een beheersstructuur opgezet die bestaat uit
    ambassades, consulaten, filialen van Marokkaanse banken,
    moskeebesturen; zelfs onderwijzers die overkwamen in het kader van
    het verzorgen van onderwijs in eigen taal en cultuur speelden
    hierin een rol (Lucassen en Kbben, 1992: 97). De culturele
    vereniging Amicales werd van deze beheersing het brandpunt
    en symbool. De emigranten behoorden hun plichten tegenover het
    koninkrijk te vervullen en van meet af aan was duidelijk dat
    politieke discipline zou worden afgedwongen door dwarsliggers van
    het politieke systeem lastig te vallen tijdens hun vakanties in
    Marokko of door hun achtergebleven familie onder druk te zetten.
    Die initiatieven en vooral Amicales zijn bekritiseerd als
    vormen van ontoelaatbare inmenging door een rechtse politieke
    organisatie in andere landen. In de jaren tachtig kwam de Unie van
    Marokkaanse Moslimorganisaties in Nederland (UMMON) daarvoor
    in de plaats. Rabbae (1993) heeft laten zien dat ook die in feite
    niet anders is dan een mantelorganisatie van de Marokkaanse
    overheid. Deze activiteiten vormen een rem op het inburgeren van
    Marokkaanse emigranten en dat lijkt ook de bedoeling te zijn. Deze
    ontwikkeling bereikte een dramatisch hoogtepunt toen de koning in
    het midden van de jaren tachtig verklaarde dat het niet in de
    bedoeling lag dat zijn onderdanen gebruik zouden maken van het
    stemrecht dat zij in Nederland voor lokale verkiezingen hadden
    verkregen. Deze ingreep was strijdig met de bedoelingen van het
    Nederlandse minderhedenbeleid. In de jaren negentig is het toneel
    weer veranderd. Thans voert de Marokkaanse overheid een buitenlands
    cultureel en politiek offensief om de verkeerde indruk weg te
    nemen. Journalisten, beoefenaren van de wetenschap, bestuurders en
    ambtenaren van politie en justitie worden door de Marokkaanse
    overheid uitgenodigd het land te bezoeken met de bedoeling zich
    ervan te overtuigen dat Marokko een moderne staat is en geen
    achterlijke tribale gemeenschap. Onder het motto dat je er zelf
    geweest moet zijn om er over te kunnen oordelen, spreken de
    reislustigen zich bij thuiskomst positief over het bewind uit. De
    Marokkaanse minister van Migratiezaken is in Nederland tegenover de
    minister die het minderhedenbeleid in haar portefeuille had,
    mevrouw Dales, komen verklaren dat hij persoonlijk niet tegen de
    integratie van Marokkanen in hun nieuwe vestigingslanden gekant
    was. Het is de vraag of Nederlandse politici en ambtenaren
    voldoende vertrouwd zijn met de subtiliteiten van de Marokkaanse
    diplomatie. Twee jaar daarvoor had koning Hassan II zelf tijdens
    een interview op de Franse televisie (in het programma 7 sur 7)
    verklaard dat Marokkanen wel Marokkaan moesten blijven. Hiermee was
    niets miszegd, maar de boodschap was in de Marokkaanse gemeenschap
    meer overtuigend overgekomen dan de persoonlijke gevoelens van de
    Migratie-minister. Wij gaan er dan ook vanuit dat ondanks alle
    interne en steeds wisselende strijdtonelen binnen de Marokkaanse
    gemeenschap, de invloed van de Marokkaanse overheid nog steeds
    aanzienlijk is.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken