• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – VI.2. De uitwaaiering van de Italiaanse mafia over Europa

    VI.2. De uitwaaiering van de Italiaanse mafia over
    Europa

    Maar de Italiaanse mafia is niet binnen de grenzen van Itali
    gebleven. Heden ten dage opereren in elk geval de cosa nostra, de
    ‘ndrangheta en de camorra wereldwijd. Deze internationalisering, om
    niet te zeggen:
    globalisering, van de Italiaanse mafia kan niet in haar geheel met
    een paar woorden worden verklaard. Vrij algemeen wordt aangenomen
    dat dit proces als het ware op gang is gebracht door de massale
    emigratie van Italianen uit het Zuiden van hun land naar
    Noord-Amerika, Australi en, ook niet onbelangrijk, West-Europa. Hun
    emigratie bracht niet alleen met zich mee dat zich in een aantal
    Italiaanse gemeenschappen in het buitenland al vlug dezelfde
    mafiose praktijken ontwikkelden als in het vaderland, althans in
    Sicili en Calabri, maar impliceerde ook dat de mafia-families die
    in Itali zo goed en zo kwaad als het ging, trachtten te overleven,
    in die buitenlandse gemeenschappen als vanzelf de nodige
    natuurlijke bondgenoten vonden voor internationale criminele
    activiteiten. En hiermee wordt geraakt aan de tweede factor die de
    internationalisering van de Italiaanse mafia zo heeft bevorderd: de
    illegale handel in de verboden verdovende middelen en dus, op de
    achtergrond, de strafbaarstelling van het gebruik van deze middelen
    (Rey en Savona, 1993). Hoe dit proces in zijn werk is gegaan, werd
    met name onderzocht in de Verenigde Staten. Waarom dit onderzoek
    juist hier, en niet in Australi, Canada of West-Europa, plaatsvond,
    behoeft geen ingewikkelde verklaring. Precies in dit land heeft de
    mafia zich vanaf het einde van de 19e eeuw in hoog tempo ontwikkeld
    tot een cosa nostra die in macht en rijkdom niet onderdoet voor
    haar Siciliaanse tegenhanger (Nelli, 1976; Rimanelli, 1992).
    Aanvankelijk, op het einde van de vorige eeuw, manifesteerde de
    Italiaans-Amerikaanse mafia zich vooral in de vorm van criminele
    bendes immigranten, waaronder gewezen leden van de Siciliaanse
    mafia en de Napolitaanse camorra, die zich binnen de Italiaanse
    gemeenschappen zelf, vooral die in New Orleans en New York,
    schuldig maakten aan allerhande criminaliteit, maar zeker ook aan
    afpersing. In de kring van de tweede generatie-immigranten uit
    Itali deed zich in het begin van deze eeuw evenwel een nieuwe
    ontwikkeling voor. Ondernemende figuren in hun midden probeerden
    zich toen meester te maken van de klassieke zwarte markten in de
    grote steden: illegaal gokken, prostitutie en verdovende middelen.
    En niet zonder succes. Dit bleek zonneklaar op het moment dat de
    Drooglegging werd afgekondigd in 1920: samen met vooral Joodse en
    Ierse groepen werkten zij zich al snel op tot grootmeesters in de
    illegale produktie en distributie van alcohol. Na de Drooglegging
    (1920-1932) investeerden zij grote delen van hun fortuin niet
    alleen in het (il)legale gokwezen en de prostitutie, maar ook in
    legale sectoren van de economie, zoals de bouw- en
    textielnijverheid. In de jaren vijftig en zestig tenslotte begaven
    de Italiaans-Amerikaanse mafia-families zich volop in de illegale
    drugshandel. De zogenaamde Pizza Connection liet onverbloemd zien
    hoe eendrachtig zij hierbij samenwerkten met de Siciliaanse cosa
    nostra (Alexander, 1988; Jacobs, 1994; Jamieson, 1992).

    In West-Europa heeft zich niet een soortgelijke ontwikkeling
    voorgedaan als in de Verenigde Staten. Dit is een feit. In dit deel
    van Europa is in de voorbije honderd jaar niet zoiets als een cosa
    nostra tot wasdom gekomen. Waarom dit niet zo is, werd tot nu toe
    nimmer onderzocht. Maar gelet op de geschiedenis van de Amerikaanse
    cosa nostra ligt het voor de hand dat wie zulks wil onderzoeken, op
    verschillende vragen een antwoord moet zien te geven. Punt n: uit
    welke streken kwamen de emigranten die naar Duitsland, Frankrijk,
    het Verenigd Koninkrijk, Belgi en Nederland trokken? En punt twee:
    de vraag naar het beleid dat in de onderscheiden landen werd
    gevoerd rond twijfelachtige diensten en goederen als illegaal
    gokspel, seks, alcohol en drugs. Werkte dat hier ook – of juist
    niet! – het ontstaan van zwarte markten in de hand waarin
    Italiaanse mafiosi en andere gangsters zich als vissen in het water
    voelen? Hoe het antwoord op deze vragen ook luidt, het kan niet
    verhullen dat er sedert een aantal jaren wl sprake is van een
    zekere uitwaaiering van de Italiaanse mafia over Europa. Voor wat
    West-Europa betreft, werd deze ontwikkeling voor het eerst goed
    zichtbaar in Duitsland. Na de val van De Muur in 1989 bleek al vlug
    dat mafia-groepen ook in Midden- en Oost-Europa actief werden. Voor
    de hedendaagse overkomst van de Italiaanse mafia naar West-,
    Midden- en Oost-Europa worden heel verschillende, maar wel elkaar
    aanvullende verklaringen gegeven. Wanneer men deze verklaringen
    beziet vanuit Itali, in het bijzonder ook vanuit de positie van de
    Italiaanse mafia zelf, dan kunnen ze als volgt worden gerangschikt.
    In de eerste plaats bewerkstelligden enerzijds de interne
    mafia-oorlogen en anderzijds de steeds doeltreffender acties van
    politie en justitie, dat heel wat leden en aanhangers van
    mafia-clans hun heil zochten in de omringende landen, en vooral in
    die landen waar zich eerder al grote Italiaanse gemeenschappen
    hadden gevormd, zoals in Duitsland, Frankrijk en Belgi. Deze
    landen, deze gemeenschappen, boden hen immers ruime kansen om zich
    te onttrekken aan de wraak van vroegere bondgenoten en aan de greep
    van de Italiaanse overheid. In de tweede plaats bracht de
    toenemende betrokkenheid van de drie voornaamste mafia-geledingen
    bij de internationale drugshandel haast als vanzelf met zich mee
    dat zij zich over de grenzen van Itali waagden, zowel om de in- en
    uitvoer, en voor een stuk ook de distributie, van de desbetreffende
    drugs (herone en cocane) in Europa te kunnen regelen, als om de
    gigantische winsten die met deze handel werden behaald, via
    witwasoperaties veilig te stellen. En in de derde plaats mag
    natuurlijk niet uit het oog worden verloren dat het voor de mafia
    ook heel aantrekkelijk was om in West-Europa en wat later ook in
    Midden- en Oost-Europa haar criminele activiteiten te ontplooien.
    Hier floreren allerhande grote zwarte markten, terwijl in veel van
    de betrokken landen de overheid in het geheel niet berekend is op
    de bestrijding van mafia-groepen (Falcone, 1992).

    Het zou te ver voeren om hier land voor land na te gaan hoe de
    overkomst van de Italiaanse mafia zich heeft
    voltrokken. Noodgedwongen moet deze ontwikkeling dus in enkele
    algemene lijnen worden geschetst. Op grond van het al eerder
    genoemde rapport van het Italiaanse Ministerie van Binnenlandse
    Zaken over de georganiseerde misdaad in Itali kan allereerst worden
    gesteld dat de mafia tegenwoordig nog volop in de internationale
    drugshandel zit. Nog steeds verhandelt zij herone en hash uit Azi
    naar Europa en Amerika, en cocane van Zuid-Amerika, soms via
    Noord-Amerika, naar Europa. Opmerkelijk hierbij is dat de camorra
    in hoog tempo een even belangrijke rol in deze handel is gaan
    spelen als de cosa nostra en de ‘ndrangheta, vooral dan in de
    cocanehandel. Verder bedrijven alle drie deze geledingen van de
    Italiaanse mafia binnen Europa een zeer levendige wapenhandel, in
    het bijzonder in en rondom de burgeroorlog in voormalig Joegoslavi.
    De wapens in kwestie worden niet alleen betrokken uit Oost-Europa,
    maar ook uit Duitsland en Belgi. Typisch voor de Apulische
    mafia-groepen is de grootschalige illegale handel in
    tabaksprodukten (vooral sigaretten), voor een stuk samen met
    Russische criminele bendes, zowel in Itali als buiten Itali. Dat de
    Italiaanse mafia tot op de dag van vandaag haar zwarte geld nog
    steeds voor een deel witwast in Zwitserland klinkt misschien wat
    ongeloofwaardig, maar is toch nog steeds waar. Zij zet evenwel ook
    belangrijke witwasoperaties op via banken en bedrijven in
    Middeneuropese staten (Ministry of the Interior, 1994; Violante,
    1994). Dit zeker incomplete Italiaanse beeld van de uitwaaiering
    van de mafia over Europa sluit goed aan op het beeld dat het BKA
    van haar penetratie in Duitsland heeft gegeven. In 1992 kwam deze
    centrale recherche informatiedienst tot de vaststelling dat de
    Siciliaanse mafia actief is in de meeste (West-)Duitse staten (7),
    de camorra in 5, de ‘ndrangheta in 4, de sacra corona unita in 3,
    en de stidda ook in 3. Hun medestanders en handlangers opereren
    vooral in steden als Mannheim, Stuttgart, Heidelberg, Mnchen,
    Hamburg, Frankfurt en Keulen. De delicten waaraan zij zich het
    meest schuldig maken, zijn drugs- en wapenhandel, afpersing en
    oplichting. Hoe gewelddadig het hierbij tot op de dag van vandaag
    toegaat, is in de Duitse journalistieke literatuur uitvoerig
    gedocumenteerd (Leyendecker et al., 1992; Scherer, 1993;
    Raith, 1989). Een serieuze analyse van de tegenwoordige manoeuvres
    van de Italiaanse mafia in Frankrijk is nimmer gepubliceerd. Veel
    verhalen hieromtrent komen niet veel verder dan het wapenfeit van
    de cosa nostra in de jaren zeventig: de onttroning van Marseille
    als draaischijf van de heronehandel op Amerika (Galante en Sapin,
    1979). De aanhoudende berichten over vrstrekkende penetratie van de
    mafia in Frankrijk brachten niettemin het Franse Parlement in 1992
    tot het besluit om een onderzoek in te stellen. De desbetreffende
    onderzoekscommissie bracht in januari 1993 verslag uit in het
    Rapport sur les moyens de lutter contre les tentatives de
    pntration de la mafia en France
    . Ofschoon de conclusies van dit
    rapport niet onomstreden zijn, bieden zij toch voldoende houvast
    voor de stelling dat het actieterrein van de Italiaanse mafia
    tegenwoordig niet meer is beperkt tot het Zuiden van Frankrijk maar
    zich ook uitstrekt tot andere delen van het land, in het bijzonder
    Grenoble en omgeving. Wat de activiteiten van de mafia zelf
    aangaat, zijn er duidelijke aanwijzingen dat zij nog steeds is
    betrokkken bij de handel in verdovende middelen en bij al dan niet
    legale kansspelen, maar ook dat zij ondertussen een zekere positie
    heeft opgebouwd in de bouwindustrie. Dat er verder ook in Frankrijk
    allerhande mafiose witwasoperaties plaatsgrijpen, ligt voor de
    hand. Een aantal van deze bevindingen worden overigens
    onderschreven door bekende journalisten (Calvi, 1993). Wat Belgi
    betreft, blijkt uit allerhande nieuwsberichten dat mafia-groepen,
    of toch in elk geval leden hiervan, zich niet alleen al sinds de
    jaren zeventig in dit land schuilhouden, maar hier ook
    daadwerkelijk activiteiten ontplooien. Deze gegevens verwijzen
    nogal eens naar de grote Italiaanse gemeenschappen in Walloni en in
    Brussel. De activiteiten welke die groepen en personen er
    ontplooien, hebben vooral betrekking op de handel in verdovende
    middelen, maar ook op illegale wapenhandel, koppelbazerij en
    systematische afpersing. Recentelijk (20 januari 1994) heeft vooral
    de uitlevering aan Itali van P. Di Mora, op het eerste gezicht een
    ijverige restauranthouder in Charleroi, aangetoond dat deze
    berichten echt serieus moeten worden genomen; hij vertegenwoordigde
    de Siciliaanse Cuntrera-clan in Belgi. Eerder al had de aanhouding
    van een aantal Italianen in het Brusselse, op 7 januari 1993,
    overduidelijk laten zien dat al die berichten duidelijk een kern
    van waarheid bevatten. Bij deze actie (Braccio genoemd,
    ofwel: arm) ging het vooral om Italianen die zijn verbonden met de
    mafia-clan van Madonia uit het Siciliaanse Caltanissetta, en die
    volop zijn betrokken bij de handel en distibutie in verdovende
    middelen, zowel herone als cocane. Maar langer geleden hadden
    Belgische kranten ook reeds diverse keren onheilspellende dingen
    bericht. Hierbij kan worden verwezen naar de aanhouding van F.
    Ferrera te Brussel, berucht mafia-leider in Catania, bedreven in de
    smokkel van verdovende middelen en diamanten (14-9-1991), en de
    aanhouding van vier mafiosi, in de periode van 27 april tot 3 mei
    1992, in het Luikse, die deel uitmaken van de Siciliaanse
    Russo-clan, betrokken bij overvallen, afpersingen, wapenhandel en
    handel in verdovende middelen. Het heeft er, kortom, alles van dat
    ook Belgi inderdaad op diverse vlakken een operatie-gebied van de
    Italiaanse mafia is geworden (Fijnaut, 1993; De Pauw, 1993; Ilegems
    en Sauviller, 1995).

    Bovenstaande schetsen van de situatie in enkele omringende
    landen laten er geen misverstand over bestaan dat de uitwaaiering
    van de Italiaanse mafia over Europa momenteel een feit is.
    Natuurlijk kan nog worden getwist over de vraag welke mafia’s en
    welke mafia-families op welke manieren precies waar bij welke
    vormen
    van georganiseerde misdaad zijn betrokken, maar dat het zover is,
    staat vast. Hiermee is vanzelfsprekend niet gezegd dat nu ook in al
    die landen Italiaanse toestanden heersen. Zowel waar het gaat om de
    verwevenheid van mafia-families en overheden, als op het punt van
    de controle over legale nijverheden, zijn de verschillen tussen de
    situatie in Itali en die in andere (West-)Europese landen nog heel
    groot. Of zij zo groot zullen blijven wanneer de Italiaanse mafia
    in dit deel van West-Europa meer en meer ingeburgerd raakt, is
    overigens een vraag die in dit verband voor de hand ligt. Zij kan
    met de hulp van het Amerikaanse voorbeeld evenwel niet goed worden
    beantwoord, omdat er op een aantal belangrijke punten grote
    verschillen tussen de Verenigde Staten en West-Europa bestaan,
    bijvoorbeeld waar het gaat om de organisatie van het lokale
    politieke systeem en de institutionele positie van de vakbonden.
    Maar dit voorbeeld maant wel tot behoedzaamheid. Want, zoals
    rechter Falcone bij herhaling heeft onderstreept, de mafia is
    wonderwel in staat zich aan te passen aan nieuwe, andere en
    veranderende omstandigheden.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken