• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage VIII – VII.5. Colombianen in Nederland en hun criminaliteit

    VII.5. Colombianen in Nederland en hun criminaliteit

    Volgens opgave van het Centraal Bureau voor de Statistiek hadden
    zich in 1994 2.049 personen legaal gevestigd op Nederlands
    grondgebied met een Colombiaans nationaliteit en nog eens 6.864
    Colombiaanse mensen beschikten daarnaast ook nog over de
    Nederlandse nationaliteit. Hun aantal neemt gestaag toe: in 1991
    waren dat nog slechts 1.610 mensen met enkel de Colombiaanse en
    5.605 mensen met een dubbele nationaliteit. Wie dit precies zijn is
    niet bekend. Colombianen behoren niet tot de doelgroepen van het
    Nederlandse minderhedenbeleid en, net zoals bij andere
    Latino-bevolkingen, is er geen onderzoek naar hen gedaan. En ding
    is wel heel duidelijk: ongeveer twee derde bestaat uit vrouwen. Is
    hier ook sprake, zoals in Engeland, van Colombiaanse hulpen in de
    huishouding? Het is wel waarschijnlijk dat er zich enkele politieke
    vluchtelingen onder bevinden die in de jaren zeventig zijn
    gearriveerd, maar veel kunnen dit er niet zijn. Wel volstrekt
    duidelijk is het grote aantal prostitues onder deze vrouwen. Zij
    hebben niet zelden eerst gewerkt in het beroemde prostitutiekamp
    Campo Allegre op Curaao en van daaruit hebben zij, net zoals
    prostitues uit de Dominicaanse Republiek en ook uit de Nederlandse
    Antillen zelf, de oversteek gemaakt. Dat zovele van hen een dubbele
    nationaliteit bezitten, kan betekenen dat een aantal van hen met
    Hollandse mannen (ex-klanten?) is gehuwd. Er bevinden zich ook
    nogal wat zusters onder en dat duidt op kettingmigratie. De trek
    van Colombiaanse prostitues naar Nederland is al meer dan 15 jaar
    oud en gaat vooraf aan de import van drugs. Verder leeft in
    Nederland een onbekend aantal illegale Colubianen. Wie met de
    plaatselijke politie daarover praat, krijgt gemakkelijk de indruk
    dat eigenlijk alle Colombianen in Nederland – en dat geldt zeker
    het aantal illegale Colombianen wier aantal wij per definitie niet
    kennen – wel op de een of andere manier zijn verbonden met de
    handel in drugs. Maar het gezichtspunt van de politie is
    noodzakelijkerwijs selectief en Colombianen buiten het criminele
    circuit komen niet in hun vizier. De Argentijnse criminoloog Damian
    Zaitch is met een etnografisch onderzoek naar deze gemeenschap
    begonnen. Hij treft in Amsterdam en Rotterdam een rijk
    verenigingsleven aan dat op zichzelf helemaal niet met de wereld
    van de drugs hoeft te zijn verbonden. Er zijn politieke clubs,
    culturele verenigingen, migranten-zelfhulporganisaties en
    feministische groeperingen. Hij stuit eveneens op kerkelijke
    organisaties die taalcursussen geven. Maar hij ontwaart ook een
    uitgebreid horeca-circuit, een aantal (vecht-)sportscholen waar
    Colombianen veel komen en dansgelegenheden waar de connectie met de
    cocanehandel wel bestaat. Zaitch verwondert zich over de open en
    ontspannen manier waarop onder Colombianen in Nederland met cocane
    wordt omgegaan. Op grond van wat wij daar in het bijzonder in
    Amsterdam over aantreffen en waarvan verslag is gedaan in het
    Amsterdamse rapport in deze serie, lijkt de uitspraak te verdedigen
    dat een aanmerkelijk deel van de kleine Colombiaanse gemeenschap op
    de een of andere manier wel degelijk een rol speelt bij de import
    en de distributie van drugs.

    De eerste maal dat Colombianen op Nederlandse bodem in flagrante
    delicto met cocane werden aangetroffen is aan het einde van de
    jaren tachtig op Schiphol. Politie en justitie wisten niet goed wat
    zij ermee aan moesten. Tegenwoordig wordt een gestage stroom
    mula’s gepakt met n of enkele kilo’s en het is duidelijk dat
    ze hebben gesmokkeld om zich aan een treurig bestaan in Colombia te
    ontworstelen. Janine Janssen (1994) schreef een etnografische
    studie over deze vrouwen in Nederlandse detentie. De vraag of ze
    wisten wat ze deden en of zij in vrijheid handelden, was minder
    relevant als hun vrijheid om niet in te gaan op een verleidelijk
    aanbod van een smokkelorganisatie neerkwam op een uitzichtloos
    bestaan. Ofschoon de Officier van Justitie en de rechter in ons
    strafrechtssysteem in hun eis en vonnis rekening behoren te houden
    met de persoonlijke omstandigheden waarin de verdachten zich
    bevinden, passen zij in feite het uniforme tarief toe van een jaar
    gevangenisstraf per kilo. Na afloop van de staf worden ze uitgezet
    (om overigens in enkele gevallen toch weer met nieuwe verstopte
    kilo’s terug te komen). Een gedeeltelijk oplossing is gevonden door
    voor Colombianen een visumplicht in te stellen. Geheel
    overeenkomstig de criminologische theorie van het
    verplaatsingseffect, krijgt vanaf dat ogenblik het vliegveld van
    Frankfurt (Duitsland eist geen visum) met Colombiaanse
    drugskoeriers te maken. Gemeten naar de kwantiteit is de smokkel
    per zeecontainers in grote schepen die op Zuidamerikaanse havens
    varen, van veel en veel groter gewicht. Hier komt Nederland
    prominent in beeld met de grootste haven ter wereld. Op 28 februari
    1990 ving de Haarlemse politie in een loods in IJmuiden een partij
    diepgevroren passievruchtsap met daarin verborgen niet minder dan
    2658 kilo cocane. Op dat ogenblik was dit verreweg de grootste
    drugsvangst in Europa en nu werd duidelijk dat de Colombiaanse
    kartels hun smokkelrepertoire met zulk bulk-vervoer hadden
    uitgebreid. Het bracht de justitie in verwarring, want hoe moet je
    bij meer dan tweeneenhalve ton nog de n-jaar-per-kilo-regel aan
    straf toepassen? Er werden voor Nederlandse begrippen uitzonderlijk
    hoge straffen uitgedeeld (tot 15 jaar) en de officier van justitie
    richtte zich over de hoofden van de verdachten heen tot het volk om
    aan de hand van
    een zware eis duidelijk te maken dat dit niet door de beugel kon.
    Een Nederlandse vrouw die met haar kleine onderneming in dit drama
    een centrale rol speelde, vertelde aan Bovenkerk hoe zij daarin
    terecht was gekomen (Bovenkerk, 1995a). Vertegenwoordigers van een
    organisatie uit Cali hebben jarenlang in Nederland gezocht naar de
    goede contacten. Ze zochten naar firma’s die boomstekjes op en neer
    voeren tussen Nederland en Zuid-Amerika, een fabriekje dat
    schoenpoetsmachines vervaardigde en een handel in zaad. Om
    aansluiting te vinden bij het Nederlandse milieu hadden ze een
    Haarlemse kick-boks-school verzocht op hun kosten in Colombia
    demonstraties te geven. Het contact dat de Colombianen eraan over
    hadden gehouden, was in crimineel opzicht van het derde garnituur.
    Toen achteraf werd gereconstrueerd wat er allemaal fout was gegaan,
    kon men zich met recht afvragen hoe het nog zo lang had kunnen
    duren voordat de politie lucht kreeg van deze zending. Met dit
    transport was in ieder geval een nieuw tijdperk ingegaan. Wat de
    Colombiaanse gedetineerden vervolgens presteerden, namelijk door
    uit de gevangenis te breken, betekende in Nederland niets minder
    dan een nieuwe stap op het pad van de georganiseerde misdaad. Dat
    brengt ons op het intrigerende verschijnsel van de spectaculaire
    ontsnappingen uit penitentiaire inrichtingen die vooral in 1993
    veel aandacht hebben getrokken. Hadden de Colombianen of anderen
    zoiets als een professionele ontsnappingsorganisatie opgezet? In
    het begin van 1994 is een aparte dienst opgericht: de Gedetineerden
    Recherche Informatie Dienst en uit het uitblijven van grote
    ontsnappingsacties die succes hadden, mag men de conclusie trekken
    dat de getroffen voorzorgsmaatregelen werken. Uit een analyse van
    de aantijgingen jegens 28 platte bewaarders (maar pas op! in de
    gevangenis worden veel geruchten verspreid) kon deze dienst niet
    opmaken dat er echte gespecialiseerde organisaties bestonden. De
    ontsnappingen van de Colombiaanse gedetineerden waar het hier om
    gaat – in de jaren 1990 tot 1992 – zijn door de CRI geanalyseerd.
    Er was veel geld aan te pas gekomen, zoveel was wel duidelijk. Er
    waren figuren uit de Antilliaanse onderwereld betrokken en
    tenminste n omgekochte bewaarder had in het complot gezeten. Het
    geheel maakte echter toch eerder de indruk te zijn uitgevoerd door
    een toevallig bijeengeraapt gezelschap dan door een professioneel
    ontsnappingsbureau.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken