• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage X – 11.5. Misdaadgeld witwassen via de effectenhandel

    11.5. Misdaadgeld witwassen via de effectenhandel

    11.5.1. Inleiding

    Eind oktober 1994 ontstond in de effectenwereld grote beroering
    toen uitlekte dat een werkgroep van politie- en justitieambtenaren
    een onderzoek hadden gedaan naar mogelijke infiltratie door
    criminele organisaties in de effectenhandel. De landelijk
    MOT-officier lichtte de werkzaamheden van deze zogeheten
    Fieccom-groep (fiscaaleconomische combinatie) vervolgens toe. De
    Fieccom zou hoofdzakelijk openbare bronnen (emissieprospectussen,
    jaarverslagen, kranten) hebben geraadpleegd alsmede enkele
    processen-verbaal en de politieregisters voor de strafrechtelijke
    antecedenten. De speurtocht naar mogelijke criminaliteit in het
    effectenwezen zou uiteindelijk hebben geresulteerd in drie concrete
    verdenkingen van witwaspraktijken in de effectenwereld.

    Daags na deze toelichting reageert de Nederlandse Vereniging van
    Banken bijzonder verontwaardigd over deze verdachtmakingen tegen de
    financile wereld, die de gehele financile sector in diskrediet zou
    hebben gebracht (NRC, 28 oktober 1994). Fieccom is opgericht omdat
    een aantal gespecialiseerde opsporingsambtenaren van mening was dat
    de financile criminele activiteiten zich op een hoger niveau
    afspelen dan waarop de opsporing van criminele organisaties
    doorgaans is gericht. Dit werd ingegeven, aldus de projectleider
    van Fieccom, door allerlei schandalen in de financile wereld, zoals
    de val van BCCI en Femis en de ineenstorting van beursgenoteerde
    ondernemingen als Text Lite, Newtron, VHS, HCS en Ravast (Janse en
    Van Hoek, 1995, p. 184). De te onderzoeken werkhypothese van het
    Fieccomproject was, anders gezegd, of illegaal verkregen
    opbrengsten van criminele organisaties (drugshandel) via
    malversaties in (onder meer) de effectenbranche hun weg vonden naar
    de haute finance. Kernachtig uitgedrukt: in hoeverre wordt
    misdaadgeld via de effectenhandel witgewassen? Voorzover ons bekend
    heeft het Fieccomproject nog niet tot concrete opsporingsresultaten
    geleid. Wij zullen ons bij de beantwoording van deze belangrijke
    vraag dan ook moeten baseren op beperkt, maar saillant materiaal en
    impressies opgedaan tijdens gesprekken met deskundigen.

    De effectenhandel lijkt op het eerste gezicht een ideale
    wasserette te zijn (Hoogenboom, 1995, p. 39). De handel biedt een
    aantal, hieronder nog te bespreken, mogelijkheden om
    beleggingswinsten te creren en daarmee een legale herkomst te geven
    aan misdaadgeld. Bovendien brengen de aard en cultuur van het
    effectenbedrijf een aantal voor de witwasser belangrijke voordelen
    met zich mee: discretie (d.i. ondoorzichtige eigendomsverhoudingen)
    staat hoog in het vaandel, het is gebruikelijk om met grote
    geldbedragen te handelen, effecten zijn gemakkelijk verplaats- en
    verhandelbare waardepapieren (zie: Janse, 1994, p. 17). Aan de
    andere kant is als gevolg van een aantal wetswijzigingen het
    toezicht op de beurs verbeterd, als gevolg waarvan volgens enkele
    deskundigen de effectenhandel voor witwassers aan
    aantrekkingskracht heeft ingeboet (Bakker, 1994). Effectenhandel,
    waaronder het in bewaring nemen van effecten en het verzilveren van
    coupons, valt onder de definitie van financile dienstverlening van
    de wet MOT. Dit betekent dat effectenhandelaren verplicht zijn om
    ongebruikelijke transacties te melden. Blijkens het jaarverslag
    over 1994 van het Meldpunt zijn in 1994 slechts 7 ongebruikelijke
    transacties door de effectenhandel gemeld. Ingevolge de WIF zijn
    ook de effectenbemiddelaars verplicht de identiteit van een clint
    vast te stellen voordat bepaalde financile diensten worden
    verricht.

    Over de relatie tussen de georganiseerde misdaad en de
    effectenhandel is mede door het uitblijven van opsporingsonderzoek
    nog veel ongewis. Dit geldt vooral voor de mate waarin dergelijke
    verbindingen voorkomen. Wel is meer duidelijk over de vormen die
    deze verbindingen kunnen aannemen.

    Wij hebben twee casussen uitgezocht die betrekkelijk veel
    inzicht bieden in de mogelijkheden die de effectenhandel biedt om
    misdaadgeld wit te wassen. In beide gevallen wordt er vermoedelijk
    drugsgeld witwassen, waardoor er als het ware een link wordt gelegd
    tussen de wereld van de criminele grondfeiten en de haute
    finance.

    11.5.2. Geld dat in rook opging

    In een recente toespraak op een conferentie over crimineel geld
    stelde Arlacchi dat de Zuiditaliaanse mafiabazen op geen enkele
    wijze vertrouwd zijn met financile operaties. Zij laten het graag
    aan anderen (speculanten en avonturiers) over om hun kapitaal te
    laten renderen, waarbij een hoog rendement tegen lage risico’s
    bereikt moet worden. Als gevolg van de beide onverenigbare eisen
    zijn de financile hulpverleners geneigd om grote risico’s te nemen.
    Niet alleen zijn dan de resultaten vaak rampzalig, ook de sancties
    van de mafiabazen zijn verontrustender dan die van een gemiddelde
    klant wanneer zij hun misdaadgeld in rook zien opgaan (Arlacchi,
    1995, p. 55). De gang van zaken in de nu volgende casus vertoont
    enkele treffende overeenkomsten met het door Arlacchi, geschetste
    scenario. Centraal in de casus staat een klein commissionairshuis
    met een driehoofdige directie, waarvan de heer A onmiskenbaar de
    spil vormt. Het huis is een van oorsprong bonafide onderneming, die
    door enkele miskleunen ernstig in de financile problemen komt en
    uiteindelijk failliet gaat. Zo werd zwaar verlies geleden, omdat A
    ten onrechte vertrouwen stelde in de voorkennis omtrent een
    beursfonds. Ook liep de speculatie met baisse-transacties volkomen
    verkeerd af. A en de zijnen speculeerden op voortgezette daling in
    aandelenkoersen terwijl de koersen gestaag stegen.

    Om een naderend faillissement af te wenden, heeft de directie
    obligaties van een klant in onderpand gegeven aan een bank die een
    aanzienlijke vordering had op het commissionairshuis. De klant
    heeft de obligaties nooit meer teruggezien en leed hierdoor een
    schade van bijna een half miljoen dollar. Op deze kwestie heeft het
    strafrechtelijk onderzoek zich toegespitst. In het kader van dit
    hoofdstuk is een ander aspect van belang, de wijze waarop het huis
    op een goed moment naar alle waarschijnlijkheid behulpzaam was bij
    het witwassen van misdaadgeld.

    Het huis heeft twee aan drughandel geparenteerde personen als
    klanten gehad, van wie n, de heer B, het huis regelmatig bezocht en
    ook contant geld meebracht. De spil van de directie A had als enige
    contact met deze speciale klanten. Voor B was van belang dat hij
    winst zou maken op beleggingen; deze winst zou dan belastingvrij en
    legitiem gebruikt kunnen worden. De beleggingsgelden werden
    tegenover de fiscus verantwoord als buitenlandse leningen. Het is
    overigens niet duidelijk geworden hoe veel geld B aanleverde en hoe
    veel winst hij heeft gemaakt. B was voor directeur A aantrekkelijk
    omdat A bij hem een hoge commissie in rekening kon brengen; het
    onaantrekkelijke van B was dat hij winst bedong.

    Voor een goed begrip is het volgende van belang. Een
    commissionair in effecten handelt op eigen naam, ook indien hij
    handelt voor rekening van een ander. Nadat hij aan de
    beurshandelaren op zijn naam de opdrachten heeft gegeven, rekent de
    commissionair deze vervolgens toe aan zijn klanten. Meestal geeft
    de klant specifieke opdrachten aan de commissionair, maar ook is
    het mogelijk dat de commissionair op basis van een
    vrije-handrekening ten behoeve van de klant handelt. In dit geval
    weet zelfs de klant niet welke opdrachten door de commissionair
    namens hem zijn gegeven.

    Tevens is het voor een goed begrip van de zaak van belang te
    weten dat het huis een zogeheten NEKI was, dat wil zeggen een
    effecteninstelling, die geen
    effectenkredietinstelling is. Deze NEKI’s mogen geen rekeningen
    openen, girale tegoeden aanhouden of kredieten verlenen. De
    Kas-associatie (KasAss) is een bancaire instelling die opgericht is
    om financile diensten te verlenen aan de klanten van de NEKI’s.
    Concreet: B overhandigde geld aan A, waarmee A twee dingen kon
    doen: een deel in eigen zak steken en het andere deel op de
    rekening van zijn clint bij de KasAss plaatsen. De KasAss heeft
    nimmer vraagtekens geplaatst achter de stortingen van A op de
    rekening van B. Deze rekening was voor A overigens een
    vrije-handrekening.

    A gaf B waarom hij vroeg: winst op beleggingen in effecten. Als
    commissionair kon A ook nadat zijn opdrachten tot aan- en verkoop
    van effecten waren uitgevoerd, bepalen namens wie hij had
    gehandeld. Dit bood hem de mogelijkheid om naar B vooral de
    winstgevende transacties door te geleiden. B verkreeg hierdoor een
    positief saldo op zijn rekening en kon deze witte winst uit
    beleggingen vervolgens vrij besteden. De witwascarrousel zou mooi
    rond geweest zijn als de verliezen zouden worden afgeboekt op een
    geheime rekening, die voortdurend met misdaadgeld zou worden
    aangezuiverd. Deze constructie zou dan een kopie geweest van het
    voorbeeld dat in 11.2.2 is beschreven.

    In het onderhavige geval werden de verliezen evenwel afgeboekt
    op de KasAss-rekening van een op Jersey gevestigde beleggingsfirma.
    Hoewel A elke betrokkenheid bij deze firma ontkent, is vastgesteld
    dat hij oprichter van deze firma is en deze oorspronkelijk
    gebruikte als een voor de Nederlandse fiscus onaantastbare
    beleggingsrekening voor hemzelf en enkele zeer vermogende
    landgenoten.

    De verliezen en daarmee de schuld van de firma bij het
    commissionairshuis, liepen uiteindelijk op tot bijna zeven miljoen
    gulden. In het zicht van het faillissement van het huis zijn door A
    nimmer pogingen in het werk gesteld om deze vordering te
    verzilveren. Het kwam er derhalve feitelijk op neer dat de
    verliezen ten laste van het commissionairshuis kwamen. Al met al
    een merkwaardige witwasconstructie, waarmee alleen B goed uit de
    voeten kon. Wel de lusten, niet de lasten.

    Het liep uiteindelijk ook voor B slecht af. De zaken in het huis
    verliepen zo slecht dat er zelfs voor B geen beleggingswinsten meer
    behaald konden worden. B wilde geen zaken meer met A doen, maar A
    ging desondanks gewoon door met de aankoop van effecten op de
    KasAss-rekening van B. Ook deze beleggingen verliepen desastreus,
    waardoor B een verlies van bijna twee miljoen gulden leed.
    Vervolgens volgen de gebeurtenissen elkaar razendsnel op: B
    signaleert het verlies, bedreigt A ernstig en laat hem een
    schuldverklaring ondertekenen; het huis stevent inmiddels
    onafwendbaar af op een faillissement; B wordt enkele weken later
    vermoord aangetroffen in een afgebrande auto.

    Volgens de betrokken rechercheurs van de Amsterdamse politie zou
    B namens een Colombiaanse cocanebende geld in Nederland hebben
    witgewassen. Het verlies van bijna twee miljoen gulden zou hem
    vermoedelijk zeer kwalijk zijn genomen. Bovendien zou de
    Colombiaanse bende bevreesd zijn geweest dat als gevolg van het
    geruchtmakende faillissement de rol van B, en hierdoor ook de
    betrokkenheid van de bende, aan het licht zou komen. Het zijn
    vermoedens die nauwelijks door harde feiten worden gestaafd, zo
    erkent ook de Amsterdamse recherche. Hoe het ook zij: Arlacchi
    heeft vermoedelijk gelijk gekregen.

    11.5.3. Veelbelovende onderneming of opgepoetst
    beursfonds?

    Midden jaren tachtig wordt een nieuw fonds gentroduceerd op de
    Amsterdamse effectenbeurs. Na een vliegende start op de beurs, gaat
    het snel bergafwaarts met de onderneming. Er volgt reeds na enkele
    jaren een faillissement, waarbij een schuld van enige tientallen
    miljoenen guldens wordt achtergelaten. Gedupeerde beleggers hebben
    de Ondernemingskamer bewogen tot het doen van onderzoek naar de
    achtergronden van het faillissement.

    Op verzoek van de Ondernemingskamer is door een accountant
    onderzoek verricht naar deze achtergronden. Hoewel de voormalige
    commissarissen van de onderneming de juistheid van het rapport op
    een aantal onderdelen bekritiseerd hebben, zullen wij ons toch
    baseren op de bevindingen van deze externe deskundige. Daarnaast is
    gebruik gemaakt van enkele rapportages en losse gegevens die bij de
    politie bekend waren en van de berichtgeving in de pers.

    Bij de bespreking van deze zaak past een belangrijk voorbehoud,
    dat wij overigens ook al eerder op andere plaatsen in de
    deelrapporten over andere kwesties maakten. Het zij nogmaals
    gezegd: wij kunnen hier geen harde feiten presenteren, alleen
    plausibele interpretaties van de feiten. Een voorbeeld hiervan
    betreft het startkapitaal van de onderneming. Gesuggereerd wordt
    dat de bekende drughandelaar Bruinsma miljoenen guldens als
    startkapitaal heeft geleverd. Maar duidelijke aanwijzingen die deze
    suggesties kunnen schragen, zijn er niet. Over de beursgang en al
    wat daar verder op volgt, kan veel worden geschreven. Wij richten
    ons in dit kader op de beschrijving van de bestaande vermoedens dat
    het beursfonds mede is gebruikt om misdaadgeld wit te wassen.

    Veelbelovende onderneming of opgepoetst beursfonds? Anders
    geformuleerd: gesteld dat Bruinsma kapitaal in de onderneming heeft
    gestoken, was dit dan bedoeld als een serieuze investering in een
    bonafide bedrijf of als opmaat voor illegale handelingen met het
    bonafide ogende bedrijf? Een feit is dat er bij de beursgang geen
    nieuwe aandelen uitgegeven worden, maar de oude aandelen die in het
    bezit zijn van enkele oprichters worden verkocht. Hiermee komt de
    agio Noot derhalve niet ten goede aan de onderneming
    maar aan de oprichters. Noot Opgepoetst? De bij de
    emissie uitgebrachte prospectus voorspelt een ongebreidelde groei
    en winst, wat reeds in 1986 wordt gelogenstraft als de winst
    aanzienlijk lager uitvalt dan verwacht en er verlies van enkele
    miljoenen guldens wordt geleden. In de daaropvolgende jaren nemen
    de verliezen in omvang toe tot aan het faillissement. Het staat
    vast dat de balans wordt opgepoetst om de verliezen deels nog te
    maskeren. Er wordt bijvoorbeeld een grote order in de jaarrekening
    verwerkt, zonder dat op dat moment met enige zekerheid vaststaat
    dat die order ook daadwerkelijk door zal gaan. Dit is ook nooit
    gebeurd. De leiding van de onderneming weet het eigen vermogen op
    peil te houden door op grote schaal personeelsopties uit te geven.
    Op de uitgifte van deze personeelsopties gaan wij dieper in.

    Wat zijn personeelsopties? Deze opties – toegekend aan personeel
    of bestuurders van een onderneming – geven het recht om aandelen
    tegen een van tevoren vastgestelde prijs te kopen. Indien deze
    prijs lager ligt dan de beurskoers of wanneer de aandelen later in
    prijs stijgen, kan men door het uitoefenen van het optierecht de
    verkregen aandelen direct met winst verkopen. In deze winst zit het
    beloningsaspect van personeelsopties. Het bedrijf kon
    personeelsopties verlenen nadat de Raad van Commissarissen
    aantallen en uitoefenprijzen Noot had vastgesteld. Bij
    uitgifte van nieuwe aandelen is het gebruikelijk dat oude
    aandeelhouders een voorkeursrecht krijgen, omdat aan een nieuwe
    uitgifte nadelen verbonden zijn; onder andere gaat er een
    prijsdrukkend effect van uit. Bij personeelsopties geldt dit
    voorkeursrecht echter niet. Van de mogelijkheid om personeelsopties
    uit te brengen heeft de bedrijfsleiding op zeer grote schaal
    gebruik gemaakt. Van alle nieuwe aandelen die na de beursgang zijn
    uitgebracht (per saldo een verdubbeling ten opzichte van de
    aandelen bij de beursgang), is 80% in het kader van de
    personeelsopties uitgebracht. De overige aandelen zijn bij een
    onderhandse emissie uitgebracht. Noot

    Vast is komen te staan dat de aandelen beneden de door de Raad
    van Commissarissen geautoriseerde koers werden verkocht, waardoor
    het bedrijf ruim vier miljoen gulden misliep. Indien de aandelen
    tegen de op het moment van optieverlening geldende beurskoersen
    gewoon op de beurs zouden zijn verkocht, zou het bedrijf ongeveer
    zes miljoen gulden meer hebben kunnen incasseren.

    Het is ook vast komen te staan dat de overgrote meerderheid van
    de personeelsopties niet door bestuurders of door het personeel
    zijn uitgeoefend. De bestuurders verkochten hun opties namelijk
    door aan enkele derden, waaronder een beleggingsmaatschappij die
    voor ettelijke miljoenen guldens profijt trok uit de opties.

    Waarom werden door de leiding van de onderneming
    personeelsopties aan derden verstrekt? Hier komen wij op een punt
    waarop de feiten geen feiten meer zijn en uiteenlopende
    interpretaties en gissingen de ronde doen. Een naar onze mening
    plausibele interpretatie is dat de personeelsopties zijn misbruikt
    om geld wit te wassen. De constructie zou er in hoofdlijnen als
    volgt hebben uitgezien. Het bestuur van de onderneming verkoopt in
    de vorm van personeelsopties officieel onder de prijs (beurskoers)
    aan de derde. Deze derde zuivert het verschil tussen aankoopprijs
    en beurskoers aan, door onder de tafel door te betalen aan de
    leiding van de onderneming. In schema (de bedragen zijn
    fictief):

    Deelonderzoek, Fraude en witwassen        
        81

    Place text describing image 1 here!
    Het nettoresultaat: De bestuurders van het bedrijf incasseren
    persoonlijk de winst van de opties, zij het dat deze winst zwart
    is, dus vooralsnog beperkt besteedbaar. De derde maakt niet
    feitelijk, maar wel gefingeerd winst. Deze winst (in casu ettelijke
    miljoenen guldens) geeft een legale herkomst aan misdaadgeld.

    Deze interpretatie is om twee redenen plausibel. In de eerste
    plaats maakt het begrijpelijk waarom de leiding van het bedrijf
    tegen het bedrijfsbelang in personeelsopties aan derden verstrekte.
    Waarom zou een bestuurder anders derden hebben laten profiteren van
    personeelsopties? In de tweede plaats blijken de actoren in het
    spel onderdeel van een zelfde relatienetwerk te zijn: zij hebben
    uit andere hoofde contact met elkaar. De beleggingsmaatschappij zou
    later worden genoemd bij een groot strafrechtelijk onderzoek. Hoe
    hachelijk het wellicht ook is hieraan al te veel conclusies te
    verbinden, het netwerk schiep in elk geval de gelegenheid om wit te
    wassen.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken