• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage X – 3.3. Symbiose met de marktomgeving

    3.3. Symbiose met de marktomgeving

    De meeste vormen van fraude die in het onderhavige onderzoek
    zijn bestudeerd, dragen een symbiotisch element in zich. Dit vindt
    meestal zijn oorsprong in het feit dat door toedoen van fraudeurs
    de wig tussen de kost- en de marktprijs zodanig wordt benvloed dat
    ook voor de reguliere handel aanzienlijk marktvoordeel kan
    ontstaan. Noot Het frauduleus handelen leidt natuurlijk
    tegelijkertijd voor het deel van de handel dat zich hiervoor niet
    ontvankelijk opstelt tot oneerlijke concurrentie en ontwrichting
    van de markt.

    Van bovenstaande mechanismen hebben zich in dit onderzoek vooral
    gevallen in de sfeer van BTW-fraude en EU-fraude aangediend. Voor
    een beter begrip van deze fenomenen wordt in de volgende twee
    subparagrafen nader aandacht besteed aan de sociaal-juridische
    context waarin deze fraudes zich voltrekken. Vervolgens zal worden
    ingegaan op een andere verschijningsvorm van symbiotische fraude,
    namelijk die waarin gemanipuleerd wordt met de kwaliteit van een
    produkt/dienst. Uiteraard worden al deze beschouwingen weer
    gelardeerd met een aantal praktijkvoorbeelden.

    3.3.1. BTW-fraude

    Grondbeginselen van het BTW-systeem

    Het uitgangspunt inzake de heffing van omzetbelasting is vrij
    eenvoudig: wanneer bedrijf A goederen koopt, wordt hem door de
    leverancier omzetbelasting in rekening gebracht. Noot De
    leverancier draagt de omzetbelasting af aan de belastingdienst en
    de koper kan dit bedrag bij de belastingdienst terugvragen. Wanneer
    bedrijf A de goederen weer doorverkoopt, brengt hij op zijn beurt
    de omzetbelasting in rekening van zijn afnemer en draagt dat af aan
    de belastingdienst. De facto draait de laatste schakel in de
    handelsketen, veelal de consument, op voor de betaling van de
    omzetbelasting.

    De omzetbelasting is een verbruiks- of bestedingsbelasting. Met
    betrekking tot activiteiten van publieke en private lichamen dient
    de heffing plaats te vinden in het land waar het geleverde produkt
    / de geleverde dienst uiteindelijk door de consument wordt
    verbruikt. Als gevolg van dit uitgangspunt hoeft over uitgevoerde
    goederen geen omzetbelasting betaald te worden (in
    belasting-technische termen spreekt men in dit verband van het
    0%-tarief). Over de import van goederen is daarentegen wel
    omzetbelasting verschuldigd in het land van invoer. Het beginsel
    dat de omzetbelasting in het land van bestemming geheven wordt,
    wordt aangeduid als het bestemmingslandbeginsel. Alle EU-landen
    kennen een vergelijkbare BTW-regelgeving.

    BTW-fraude kan plaatsvinden op verschillende niveaus. Er kan
    sprake zijn van een zuiver binnenlandse aangelegenheid, in de zin
    dat bepaalde omzet verzwegen wordt aan de belastingdienst. Het
    tweede niveau betreft grensoverschrijdende fraude binnen de EU. Het
    derde niveau ten slotte heeft betrekking op frauduleuze transacties
    tussen lidstaten van de EU en derde landen. Zoals hieronder zal
    worden aangetoond, is het niveau waarop de fraude zich beweegt, in
    sterke mate bepalend voor de gekozen modus operandi van de
    fraudeurs. Voor 1993 was omzetbelasting verschuldigd over de invoer
    van goederen. Bij het passeren van de grens diende een
    douanedocument Noot afgestempeld te worden en de douane
    kon controleren of de inhoud van dat document overeenkwam met de
    lading. In beginsel diende de afdracht plaats te vinden bij de
    invoer. In bepaalde omstandigheden kon de afdracht verplaatst
    worden naar een later tijdstip. Deze uitzonderingsbepalingen (ook
    wel aangeduid als verleggingsregeling) waren in de wetgeving
    opgenomen om de im- en export soepeler te laten verlopen. In
    Nederland kreeg de ondernemer die regelmatig goederen invoerde en
    over een deugdelijke administratie beschikte, een codenummer voor
    de omzetbelasting. Daarmee kon die ondernemer goederen invoeren
    zonder aan de grens omzetbelasting te betalen. De afdracht werd
    verlegd naar een later tijdstip en was gekoppeld aan de aangifte
    omzetbelasting. Voor transacties tussen de Benelux-landen werd de
    fictie aangenomen dat elke ondernemer over zo’n codenummer
    beschikte.

    Ter illustratie van de wijze waarop van de bovenstaande regeling
    voor 1993 in intracommunautiar verband misbruik werd gemaakt, dient
    de volgende gevalsbeschrijving. CASUS 7

    De hoofdverdachte in deze zaak is voor verschillende fraudeurs
    een aantrekkelijk partner in crime gebleken, omdat hij beschikte
    over contacten met douane-beambten en over douanestempels. Andere
    verdachten leverden de vereiste T2-documenten aan. BTW-fraudeurs
    maakten graag van de diensten van de hoofdverdachte en zijn
    kompanen gebruik. De hoofdverdachte heeft faciliterend opgetreden
    in minimaal acht verschillende fraudezaken. Deze speelden zich af
    in de olie-, video-, alcohol- en vleesbranche.

    De essentie van de modus operandi in de onderhavige fraudezaak
    was dat de T2-documenten niet werden aangeboden aan de douane op de
    plaats van bestemming van de goederen, maar exemplaar van deze
    T2-documenten) werd aangeboden aan de titularis. Aangezien dit
    strookje – althans vermoedelijk – werden vernietigd. Alleen een
    strookje (onderdeel van het vijfde was voorzien van een
    douanestempel, werd de illusie gewekt als zou het desbetreffende
    T-document aldaar bij de douane zijn aangeboden. Als gevolg van
    capaciteitsproblemen bij de verzamelpunten voor T-formulieren in de
    lidstaten kon pas na een maand of acht met zekerheid worden
    vastgesteld dat de betreffende formulieren niet waren aangezuiverd.
    Door deze wijze van frauderen werden goederen in het vrije verkeer
    van Belgi gebracht zonder dat de terzake daarvan verschuldigde
    rechten waren betaald.

    Wat het symbiotische element van deze fraude betreft, beperken
    we ons op deze plaats tot de oliebranche. Daarbij zij in het
    bijzonder gewezen op een in Belgi woonachtige hoofdverdachte, die,
    wat de oliefraude aangaat, als een van de leiders achter de
    schermen kan wordenaangemerkt. De betreffende persoon heeft een
    groot aantal tankstations in de Benelux opgekocht en zodoende een
    uitstekend distributienetwerk opgebouwd voor de als gevolg van de
    heffingen- en BTW-fraude aanzienlijk in prijs gereduceerde
    olie.

    De olie verdwijnt niet alleen naar de witte pompen uit voornoemd
    distributienetwerk, alwaar de consument voor gereduceerde prijzen
    kan tanken, maar ook naar stations die de merknaam van
    gerenommeerde oliemaatschappijen voeren. Het is namelijk niet
    ongebruikelijk dat de pachters van deze pompstations in het
    contract de voorwaarde laten opnemen dat zij een bepaald percentage
    van het te leveren produkt – veelal 10% 15% – van andere
    leveranciers mogen betrekken. De consument merkt daar veelal niets
    van, want de pomphouders zijn over het algemeen gebonden aan de
    prijzen die door de grote oliemaatschappijen worden vastgesteld. De
    winst verdwijnt derhalve direct in de zakken van de desbetreffende
    pomphouders.

    De gevolgen van het wegvallen van de Europese
    binnengrenzen

    Per 1 januari 1993 zijn de invoerformaliteiten bij de
    binnengrenzen van de EU vervallen. In het verlengde van deze
    ontwikkeling heeft de Europese Commissie een heffingssysteem
    voorgesteld dat uitgaat van het zogenaamde oorsprongslandbeginsel.
    De BTW zou in de optiek van de commissie geheven moeten worden in
    het land waar de prestatie geleverd wordt. Het 0%-tarief kan dan
    verdwijnen en er zou voor een ondernemer in de sfeer van de
    omzetbelasting geen verschil meer bestaan tussen een prestatie
    verricht aan een binnenlandse afnemer en een prestatie aan een
    afnemer elders binnen de EU.

    De voorgestelde herziening van het heffingssysteem is nog steeds
    onderwerp van verhitte politieke discussie. Het nieuwe systeem zou
    namelijk een aanzienlijke toename van de BTW-inkomsten betekenen
    voor de exporterende landen binnen de EU en een navenante afname
    van de BTW-inkomsten voor de importerende lidstaten. Om een
    dergelijke scheefgroei te voorkomen wordt nagedacht over een
    compensatieregeling c.q. verrekeningssysteem. In afwachting van een
    definitieve Europese BTW-regeling is voor de periode 1-1-1993 tot
    1-1-1997 een overgangsregeling aangenomen en toegevoegd aan de
    zesde BTW-Richtlijn (art. 28 lid 7). In deze regeling staat het
    begrip intra-communautaire transacties (ICT’s) centraal. Bedoeld
    worden transacties tussen een leverancier uit een lidstaat en een
    verkrijger uit een andere lidstaat. Een intra-communautaire
    transactie bestaat uit een intra-communautaire levering (ICL) en
    een intra-communautaire verwerving (ICV). De overgangsregeling is
    inmiddels in de wetgeving van de afzonderlijke EU-landen verwerkt.
    Voor particulieren geldt al wel het oorsprongslandbeginsel. Voor de
    goederen die zij kopen, wordt omzetbelasting geheven in het land
    van aankoop, uitgezonderd nieuwe vervoersmiddelen en
    accijnsgoederen. Voor ondernemers blijft voorlopig het
    bestemmingslandbeginsel van kracht: zij zijn omzetbelasting
    verschuldigd over ICV’s, terwijl nog steeds een 0%-tarief rust op
    ICL’s.

    Op grond van bovengenoemde overgangsregeling dienen ondernemers
    per kwartaal aan de belastingdienst een overzicht te verstrekken
    van hun leveringen aan en verwervingen van ondernemers in andere
    lidstaten. Elk lidstaat dient een centrale eenheid ICT te hebben,
    waar de overzichten verzameld worden van ICL’s (Verordening 218/92,
    artikel 2.2). Hiermee worden bestanden opgebouwd, waarin is
    opgenomen het BTW-nummer van de leverancier, het BTW-nummer van de
    afnemer in het andere lidstaat en de totaalbedragen aan
    ICT-verkopen per leverancier in het betreffende kwartaal. Per
    buitenlandse afnemer wordt het totaalbedrag ter beschikking gesteld
    van de belastingdienst van het lidstaat waar deze afnemer gevestigd
    is via zogenaamde listings. Deze gegevens kunnen dan vergeleken
    worden met de aangifte omzetbelasting, die de desbetreffende
    afnemer in eigen land heeft gedaan. Indien er verschillen blijken
    tussen de listing en de belastingaangifte, kunnen vragen worden
    gesteld aan de afnemer door de eigen belastingdienst: de controle
    van de omzetbelasting voert elk land zelf uit. Eveneens kan er om
    informatie worden verzocht aan de lidstaat waar de leverancier
    gevestigd is.

    Fraude met intracommunautaire transacties

    Het wegvallen van de douaneformaliteiten ten aanzien van in- en
    uitvoer van goederen in intracommunautair verband heeft met zich
    meegebracht dat een aantal obstakels voor het plegen van BTW-fraude
    is verwijderd. Fraudeurs hoeven zich niet langer uit te putten in
    het vervalsen van T2-documenten of douanestempels en/of het omkopen
    van douanebeambten. Evenmin hoeven zij rekening te houden met het
    risico om bij een routinecheck van de lading bij de grens tegen de
    lamp te lopen. Een onderneming die in staat is aan de hand van de
    benodigde facturen – zoals betalingsbewijs, transportakten,
    verzekeringsbewijs enz. – aannemelijk te maken dat goederen naar
    een andere lidstaat zijn uitgevoerd, kan aanspraak maken op het
    0%-tarief en omzetbelasting terugvragen. Noot Het
    valselijk opmaken en aanwenden van deze facturen is toereikend om
    de schijn van uitvoer te wekken. Tegenover het verdwijnen van de
    douaneformaliteiten staat de introductie van een geautomatiseerd
    bestand inzake de ICL’s die in de verschillende lidstaten
    plaatsvinden. Met dit systeem zouden onregelmatigheden in de
    aangiften van de leverancier of aannemer aan het licht moeten
    komen. Hoewel de geautomatiseerde opslag van gegevens binnen de
    centrale eenheden ICT van de verschillende lidstaten de
    uitwisseling van informatie heeft bevorderd, is de controle op de
    gang van zaken in het intra-communautaire handelsverkeer nog
    allesbehalve waterdicht. De achilleshiel van het controlesysteem
    schuilt in het bijzonder in de factor tijd. Bovendien kunnen met
    het geautomatiseerde systeem geen BTW-fraudepatronen ontrafeld
    worden waarin zich geen mismatches voordoen tussen de aangiften van
    de leverancier en afnemer.

    Ten aanzien van de factor tijd moet gewezen worden op het feit
    dat de Nederlandse belastingdienst pas na enkele maanden – de
    maximumperiode bedraagt drie maanden – de beschikking krijgt over
    gegevens uit andere lidstaten inzake ICV’s van een Nederlands
    bedrijf. In aanmerking genomen dat een vergelijkbare periode nodig
    zal zijn om deze gegevens te controleren (o.m. aan de hand van de
    aangifte omzetbelasting die de desbetreffende afnemer heeft gedaan)
    moet ervan worden uitgegaan dat minimaal een halfjaar verstrijkt
    alvorens een eerste vermoeden van fraude berhaupt ontstaat. Het
    daadwerkelijk opsporen van de strafbare feiten zal nog aanzienlijk
    meer tijd in beslag nemen, zodat de fraudeur ruimschoots de
    gelegenheid krijgt een grote hoeveelheid wederrechtelijk verkregen
    voordeel te genereren en een aantal van zijn kwetsbare
    rechtspersonen leeg te halen en op te blazen. Een tweede zwakke
    plek van het geautomatiseerde systeem schuilt in de onmogelijkheid
    om fraude op te sporen als de leverancier en afnemer onder n hoedje
    spelen en een mismatch voorkomen. Er blijken dan geen verschillen
    tussen de op de aangifte omzetbelasting opgegeven verwervingen en
    de opgaven van de leveranciers in andere lidstaten. Zoals hieronder
    zal worden aangetoond, biedt het ontbreken van een mismatch
    allesbehalve de garantie dat er niet gefraudeerd is.

    BTW-fraude met ICT’s kan onderscheiden worden in het
    niet-aangeven van ICV’s en gefingeerde ICL’s. Een tweede
    onderscheid betreft het al dan niet aanwezig zijn van echte
    goederen. Zoals in paragraaf 3.2 reeds is aangestipt, is in
    toenemende mate sprake van parasitaire papieren-handel: er wordt
    alleen nog met facturen geschoven waarop fictieve goederen vermeld
    staan.

    De basisprincipes van intracommunautaire BTW-fraude zijn dus
    vrij eenvoudig. Dit zal worden aangetoond met een
    praktijkvoorbeeld.
    CASUS 8
    Deze fraudezaak draaide om een grensoverschrijdende BTW-carrousel
    tussen (wederom) Nederland en Belgi. De delicten hingen qua markt
    samen met de doelomschrijving van de bij de fraude betrokken BV’s:
    achtereenvolgens werd gefraudeerd met textiel, partijgoederen en
    audio-/video-apparatuur.

    De primaire activiteiten van de organisatie bestonden uit het
    fingeren van ICL’s en het niet-aangeven van ICV’s. De bestuurders
    van de bedrijven in de fraudecarrousel die hun ICV niet opgaven,
    waren stromannen, die veelal in horecagelegenheden waren benaderd.
    De desbetreffende bedrijven beschikten niet over activa, zodat de
    fiscus in geval van ontmanteling geen invorderingsmogelijkheden ter
    beschikking stonden. Bovendien werden niet-indieners op gezette
    tijden uit de carrousel gehaald en vervangen door andere plof-BV’s.
    Om de opsporing extra te bemoeilijken werden legitieme bedrijven
    benaderd om als tussenschakel in de keten te fungeren: zij deden
    het met behulp van vervalste facturen voorkomen dat zij goederen
    hadden gekocht van, en later weer verkocht hadden aan
    rechtspersonen behorende tot de criminele groepering. De wettige
    bedrijven werden voor hun bijdrage beloond met een provisie. Als
    gevolg van de fraudeconstructie konden de goederen tegen een
    aanzienlijk gereduceerde prijs op de legale markt worden afgezet.
    Tot de afnemers van deze produkten behoorde een aantal
    ondernemingen van naam en faam.

    BTW-fraude met extracommunautaire transacties

    De T2-formulieren aangaande het intracommunautaire
    handelsverkeer mogen dan zijn opgeheven, de T1-formulieren worden
    nog steeds gebruikt voor doorvoergoederen met landen buiten de EU
    als bestemming. Zolang de uiteindelijke bestemming van de goederen
    nog niet bekend is, worden ze opgeslagen en verzegeld bewaard in
    een douanedepot. In het geval dat een derde land als eindbestemming
    is opgegeven, vergezellen de T1-formulieren de goederen tot aan de
    exporthaven. Om te voorkomen dat de goederen tijdens het transport
    in het vrije verkeer binnen de EU terechtkomen, rust er een
    borgstelling op de goederen. Wanneer de goederen op de
    eindbestemming in de haven zijn aangekomen, voorziet de douane een
    zogenaamd terugmeldingsformulier (een van de vijf T1-exemplaren)
    van de nodige stempels en parafen. Het formulier wordt naar een
    centraal informatiepunt (in Nederland gevestigd te Kerkrade)
    gestuurd en van daaruit naar de douane-expediteur, wiens
    borgstelling tegenover de staat (de inning van eventuele rechten en
    accijnzen) met behulp van dit formulier vervalt. Een
    terugmeldingsstrookje komt terecht bij de verkoper/expediteur, die
    het strookje overhandigt aan de douane-expediteur. De goederen en
    ook de borgstelling zijn daarmee gevrijwaard. Zoals hierboven
    omschreven, beschikt elke lidstaat over een centraal informatiepunt
    voor T-documenten, alwaar voeging van het vijfde bij het eerste
    exemplaar plaatsvindt en daardoor automatisch de aanzuivering
    volgt. Deze verzamelpunten worden dagelijks geconfronteerd met een
    groot aantal T1-documenten en de verwerking daarvan geeft in elke
    lidstaat problemen. Als gevolg daarvan kan niet eerder dan na circa
    acht maanden duidelijkheid worden verkregen omtrent de vraag of een
    T1-document al dan niet aangezuiverd is. In deze periode is het
    voor fraudeurs mogelijk om – zonder dat alarm geslagen wordt – de
    aanzuivering achterwege te laten. In het geval dat het centrale
    informatiepunt bemerkt dat het vijfde exemplaar van het
    T1-formulier ontbreekt, dan gaat er een melding richting de
    aangever/titularis. Dit is veelal de expediteur, die een aangifte
    heeft ingediend bij de douane op de plaats van vertrek van de
    goederen. De titularis krijgt de gelegenheid onderzoek te doen naar
    de reden waarom de aanzuivering nog niet heeft plaatsgevonden.
    Gezien het feit dat de titularis tot op het moment van aanzuivering
    aansprakelijk is voor de verschuldigde rechten en hij als gevolg
    van de op de goederen rustende zekerheidstelling aanzienlijke
    financile risico’s loopt, heeft de expediteur in de regel alle
    belang bij een dergelijk onderzoek. Overigens wordt er ook een
    verzoek tot nasporing gericht aan het land dat volgens het
    T1-document als bestemming is genoemd. Behalve dat deze procedure
    tijdrovend is, moet rekening gehouden worden met de mogelijkheid
    dat de bestemming van de goederen tijdens het vervoer nog wordt
    gewijzigd. Succes van navraag in het bestemmingsland is derhalve
    allesbehalve verzekerd. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat
    het afgeven van T1-documenten in het bijzonder voor de
    titularis/expediteur aanzienlijke risico’s met zich meebrengt. De
    diverse overheden gaan ervan uit dat de handel dit risico bewust
    neemt om concurrerend te kunnen werken. Teneinde de
    fraudemogelijkheden in het extern communautaire handelsverkeer te
    beperken zou gedacht kunnen worden aan een systeem waarin de
    goederen reeds op de plaats van belading vrij worden gemaakt.
    Vanuit het oogpunt van de handel wordt deze optie nauwelijks
    aantrekkelijk bevonden, aangezien dit systeem impliceert dat de
    aangever een aanzienlijk bedrag moet voorfinancieren. Voorlopig
    lijkt dan ook het T1-formulier niet uit het handelsverkeer tussen
    EU-lidstaten en derde landen weg te denken.

    Uit het overzicht van het zaaksaanbod van de verschillende
    opsporingsdiensten is duidelijk geworden dat het in een aantal
    branches (genoemd zijn onder meer de elektronica-,
    gedestilleerde-dranken-, sigaretten-, textiel-, olie-, zuivel- en
    vleesmarkt) niet ongebruikelijk is om goederen op papier uit te
    voeren naar zogenaamde derde landen, terwijl zij in werkelijkheid
    in het vrije verkeer binnen de EU worden gebracht. Behalve dat –
    bij een binnenlandse afzet – ten onrechte geen BTW wordt
    afgedragen, schuilt de winst van dergelijke fraudes in het
    ontduiken van accijnzen en EU-heffingen.

    Gezien de douaneformaliteiten en de controle aan de
    buitengrenzen van de EU kan in dit type fraude niet worden volstaan
    met het vervalsen van betalingsbewijzen, transportakten en
    dergelijke. Men zal de beschikking moeten hebben over valselijk
    opgemaakte T1-formulieren, ten onrechte afgestempelde
    terugmeldingsstrookjes, enz. Het onder druk zetten c.q. omkopen van
    douanebeambten kan daarbij een uitstekend hulpmiddel zijn. Het
    volgende voorbeeld kan dit verduidelijken.

    CASUS 9
    Een handel in levend vee dat op papier vanuit Polen via de EU naar
    Noordafrikaanse landen vervoerd werd. De runderen werden echter in
    werkelijkheid op de Europese markt gebracht. Behalve een
    Nederlandse en een Spaanse verdachte was een Pool bij de
    frauduleuze activiteiten betrokken. De laatste droeg zorg voor de
    selectie van het vee. Noot Het benodigde douanedocument
    werd in opdracht van de Nederlandse verdachte door een van zijn
    chauffeurs aan de Pools-Duitse grens opgemaakt. Het vee werd via
    Nederland naar Spanje gereden en gelost. De T1-documenten werden
    aan de Spaanse verdachte ter beschikking gesteld, die deze tegen
    betaling liet afstempelen door een relatie bij de douane. In een
    latere periode werd het vee gelost in Belgi, Nederland en
    Duitsland. De organisatie werd uitgebreid met een parallellijn. Een
    tweede en een derde verdachtengroep raakten bij de transporten
    betrokken, waarbij de aanzuivering van de documenten op dezelfde
    wijze en vermoedelijk met de hulp van dezelfde Spaanse verdachte
    plaatsvond. Het nadeel beliep meer dan f.30 miljoen aan ontdoken
    invoerheffingen.

    Binnen de reguliere vleesindustrie dienden verschillende
    gegadigden zich aan om het besmette vlees af te nemen.

    3.3.2. EU-fraude

    Bezien vanuit een financieel perspectief kan ten aanzien van de
    in de vorige paragraaf uit de doeken gedane fraudepatronen de vraag
    worden opgeworpen of zij als nationale of als Europese
    verschijnselen moeten worden beschouwd. Uitgaande van de door de
    Europese Commissie gehanteerde definitie van EU-fraude – elke, al
    dan niet opzettelijke, schending door personen of private lichamen
    van een juridische regeling, die ingrijpende financile gevolgen
    heeft voor het communautaire budget (Van den Wyngaert, 1994) dient
    BTW-fraude als een vorm van EU-fraude worden opgevat. BTW is
    namelijk veruit de grootste en belangrijkste vorm van inkomsten
    voor de Europese schatkist: dit deel beslaat ongeveer 65% van het
    totale EU-budget. De lidstaten dienen naar rato bij te dragen, maar
    grosso modo vloeit ongeveer 10% van de BTW-inkomsten van de
    individuele lidstaten richting Brussel (Aronowitz e.a., 1995). Op
    grond van het laatste gegeven kan evenwel ook worden beargumenteerd
    dat BTW-fraude voor alles een nationale aangelegenheid is,
    aangezien derving van inkomsten op dit gebied in het bijzonder de
    schatkist van de individuele lidstaten raakt.

    Over de vraag wie als het belangrijkste financile slachtoffer –
    het reguliere bedrijfsleven lijdt vanzelfsprekend ook aanzienlijke
    schade in de vorm van oneerlijke concurrentie – van
    intracommunautaire BTW-fraude moet worden gezien, kan dan worden
    getwist, over andere vormen van supranationale fraudevormen bestaat
    beduidend meer eenduidigheid: fraudes met heffingen, subsidies enz.
    raken het hart van de Europese Unie en zijn daarom
    schoolvoorbeelden van EU-fraude. In de onderstaande beschouwing zal
    aan deze fraudevormen aandacht worden besteed.

    Om de essentie van EU-fraude te verduidelijken worden twee
    fraudezaken nadrukkelijk belicht. De eerste heeft zich afgespeeld
    in de textielbranche, de tweede in de zuivelsector. Ter inleiding
    van het eerste geval volgt een korte uiteenzetting over de context
    waarbinnen fraudepatronen in de textielsector zich kunnen
    ontwikkelen. Noot Textielprodukten, die in grote
    hoeveelheden geproduceerd worden in derde landen, zijn bij invoer
    in de EU gebonden aan hetzij kwantitatieve maxima, hetzij
    maatregelen in het kader van toezicht, teneinde een geordende en
    billijke ontwikkeling van de handel in textielprodukten tussen de
    EU en de leverende landen te bevorderen. In het bijzonder moet
    worden voorkomen dat de markt van de EU en de handel in
    textielprodukten van de leverende landen wordt ontwricht. De
    produktiecapaciteit in derde landen is groot en er kan beduidend
    meer naar de E.U. worden gexporteerd dan officieel is
    toegestaan.

    De exporteurs in de produktielanden dienen bij de autoriteiten
    in hun land een voor export naar de EU benodigde uitvoervergunning
    aan te vragen. Omdat afzet naar de EU tot op zekere hoogte
    verzekerd is voor de goederen waarvoor een dergelijke vergunning is
    afgegeven, ontstaat er een aanmerkelijk prijsverschil tussen de
    goederen die binnen de bestaande quota worden gexporteerd en de
    non-quotagoederen die voor de export worden aangeboden. Van
    non-quota-goederen wordt gesproken, indien het produkten betreft
    die vanuit het exporterende land niet voor de EU zijn
    bestemd.

    Om toch invoer van de goedkopere non-quota-goederen binnen de EU
    te realiseren worden deze gemporteerd, al dan niet via een
    zogenaamd omleidingsland, vergezeld van documenten waarin in strijd
    met de waarheid een ander land van oorsprong wordt vermeld. Veelal
    wordt een omleidingsland gebruikt, waarvoor geen beperkende
    invoermaatregelen zijn getroffen en/of wel preferenties zijn
    verleend en de invoerrechten verlaagd of nihil zijn. In het
    algemeen worden tussen de im- en exporteurs en overige bij de
    transactie en/of verscheping betrokken personen valselijk
    opgemaakte bescheiden uitgewisseld om de invoer van de
    textielgoederen in de EU van de juiste status te voorzien. Ook in
    het volgende fraudegeval was hiervan sprake.

    CASUS 10
    Medio 1992 kregen douane-ambtenaren van de belastingdienst op
    Schiphol een melding van een collega, werkzaam op de afdeling
    invoerverificatie van de douane, dat een aangifte ten invoer was
    ingediend door een douane-expediteur van vrachtzendingen textiel
    uit Nairobi (Kenia). De douanebeambten roken onraad, want van
    textielhandel, laat staan produktie, in Kenia was hen niets bekend.
    Bovendien was hen bekend dat de importeur veelal lederen kleding
    vanuit India via Schiphol Nederland binnenbracht. Verder merkten
    zij op dat er regelmatig textiel als luchtvracht rechtstreeks
    vanuit Dubai (Verenigde Arabische Emiraten) werd aangevoerd. Als
    oorsprong werd dan meestal de Verenigde Arabische Emiraten of een
    der Aziatische landen aangegeven. Het vermoeden rees dat er sprake
    was van een papieren schijnconstructie via Kenia. Dit vermoeden
    werd bevestigd door het feit dat de Keniaanse exporteur niet
    voorkwam in de administratie van de PTT. Een belangrijkere
    aanwijzing vormde de vondst op Heathrow van een koerierspakket,
    waarin een aantal vervalste vrachtbrieven was opgenomen. De textiel
    bleek overigens niet alleen per vliegtuig aangevoerd, maar vooral
    per boot.

    Het symbiotische element van deze fraudezaak schuilt in de
    opstelling van de afnemers van de partijen textiel. Afgaande op de
    onwaarschijnlijk lage prijzen van de goederen, de mate van
    bekendheid in de branche ten aanzien van de wijze waarop dergelijke
    transacties tot stand komen en de betalings- en
    leveringsvoorwaarden, mag worden aangenomen dat textielimporteurs,
    op het moment van aankoop van de textiel, vermoedelijk op de hoogte
    zijn van de fraudeconstructie. Niettemin zien veel handelaren er
    geen been in de betreffende goederen af te nemen.

    Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de tweede fraudezaak die
    betrekking heeft op de handel in melkpoeder. Ook hier knepen
    verschillende reguliere marktpartijen een oogje dicht toen hen
    interessante handelswaar werd aangeboden. Noot In grote
    lijnen zagen de contouren waarbinnen deze fraudezaak zich afspeelde
    er als volgt uit.

    CASUS 11
    Als gevolg van de diverse marktordenende maatregelen binnen de EU,
    dient bij invoer van melkpoeder uit vrije landen een heffing te
    worden betaald. Deze is bedoeld om de prijs vanuit derde landen op
    het niveau van de prijs van EU-melkpoeder te brengen. De hoogte van
    de heffing is gebaseerd op het prijsverschil wereldmarkt-EU-poeder.
    Medio oktober 1994 bedroeg de heffing f.304,- per 100 kg. Op de
    volgende wijze werd deze regeling met voeten getreden. De
    melkpoeder werd door een Oosteuropese commissionair geleverd. De
    betrokkenen binnen dit bedrijf waren op de hoogte van het ontduiken
    van de heffingen. De Oosteuropeanen transporteerden tot in
    Nederland. Op parkeerplaatsen in het oosten van het land werden de
    trucks losgekoppeld en namen de Nederlandse verdachten het roer
    over.

    Bij de invoer van de melkpoeder dienden de fraudeurs de
    formaliteiten rondom het reeds in paragraaf 3.3.1 besproken
    T1-dokument te omzeilen. Zij deden dit door enerzijds op de
    T1-documenten valse firmanamen te vermelden, anderzijds door de
    schijn te wekken alsof aanzuivering van de documenten reeds had
    plaatsgevonden: het zogenaamde groene strookje werd daartoe van een
    (vals) stempel voorzien en weer teruggestuurd naar de
    douane-expediteur.

    In verband met de verkoop naar bonafide afnemers werden op naam
    van echt bestaande bedrijven verkoopfacturen opgesteld. De bijdrage
    van katvangers was hierbij onmisbaar. Enkele reguliere
    zuivelbedrijven behoorden tot de vaste afnemers. Naar schatting zou
    vaneen bedrag aan ontdoken heffing van f.70.000,- per transport
    ongeveer f.10.000,- ten goede zijn gekomen aan de wettige
    afnemers.De afnemers zouden op het randje van medeplichtigheid
    hebben gebalanceerd. Behalve de prijs zou ook de onregelmatige
    levering en de kwaliteit en overige leveringscondities argwaan
    hebben moeten wekken.

    De meest verregaande betrokkenheid van de wettige handel bij
    fraude met overheidsgelden vormt het zelf creren van een grijze
    parallelmarkt. Recentelijk is in dit verband door de media Noot
    aandacht besteed aan Eurofraude met sigaretten. Noot De
    fabrikanten in de tabaksindustrie lijken daarin een belangrijke rol
    te vervullen. De voordelen voor de reguliere industrie zijn dan ook
    groot: gezien het feit dat de winkelprijs van een pakje sigaretten
    grotendeels wordt bepaald door de op het produkt rustende
    accijnzen, BTW en invoerrechten, kan door het weg laten lekken van
    sigaretten naar de zwarte markt met een zelfde winstmarge een extra
    omzet worden gecreerd. Nederland fungeert in deze fraudes veelal
    als doorvoerland. Er bestaan aanwijzingen dat de parallelmarkt in
    handen is van een in Zwitserland domicilie houdende Italiaan, maar
    het vermoeden bestaat dat enkele grootindustrilen in de
    tabaksindustrie willens en wetens partijen sigaretten aan de
    betreffende tussenhandelaar onderhands hebben doorverkocht.

    3.3.3. Overige verschijningsvormen van een symbiotische relatie
    met de

    marktomgeving

    Tot dusver heeft het accent vooral gelegen op fraudezaken waarin
    door het voorwenden van een andere bestemming de wig tussen kosten
    marktprijs wordt benvloed. Zoals in het voorafgaande zijdelings is
    opgemerkt, bestaat echter ook de mogelijkheid om te frauderen met
    de aard van een produkt of met de aard van een geleverde dienst.
    Ten aanzien van het laatste kan worden gedacht aan de
    koppelbazerij, waarin met behulp van zogenaamde E101-formulieren de
    schijn wordt gewekt dat de ter beschikking gestelde arbeidskrachten
    als zelfstandige werknemers actief zijn. Formeel bemiddelt de
    moderne koppelbaas slechts tussen de bouwondernemers en de
    zelfstandige werknemers en is hij niet verantwoordelijk voor de
    afdracht van premies en belastingen. In werkelijkheid is van
    zelfstandigheid van de werknemers geen sprake en zijn zij in meer
    dan n opzicht afhankelijk van de koppelbaas. De laatste betaalt de
    arbeidskrachten zwart uit en steekt van het door de bouwondernemers
    ter beschikking gestelde loon bijna de helft in zijn eigen zak.

    Het symbiotische element van dit type fraude is evident: de
    bouwondernemers krijgen de beschikking over goedkopere
    arbeidskrachten, terwijl de werknemers, veelal buitenlanders
    Noot , meer kunnen verdienen dan zij in eigen land
    gewend zijn. Voor een uitvoerigere beschouwing over de activiteiten
    van koppelbazen verwijzen we naar het deelrapport Georganiseerde
    criminaliteit in de bouwnijverheid.

    Ten aanzien van fraude met de aard van een produkt worden in
    deze subparagraaf twee verschijningsvormen beschreven. De eerste
    heeft betrekking op het onder valse voorwendselen op de markt
    brengen van een bij wet verboden groeibevorderaar, de tweede op
    merkvervalsing in de horloge- en parfumindustrie.

    Het gebruik van hormonen en andere groeibevorderaars in de
    mestkalverenindustrie is ook in Nederland geen onbekend
    verschijnsel. Een aantal participanten in deze bedrijfstak staat
    niet afwijzend tegenover de mogelijkheid om met behulp van
    groeibevorderaars een ogenschijnlijk beter produkt te leveren. Het
    gebruik van groeibevorderaars heeft twee voordelen: de kalveren
    zijn sneller rijp voor de slacht en de consument kan rekenen op een
    stuk vlees met beduidend minder vet.

    In casus 12 staat het gebruik van een stof centraal die in lage
    doseringen werkt als een diergeneesmiddel en in hoge doseringen als
    groeibevorderaar. Eind 1988 is een wettelijk verbod ingesteld op
    het gebruik van deze stof als groeimiddel. Niettemin kwam begin
    jaren negentig bij verschillende opsporingsinstanties informatie
    binnen dat een groot aantal veehouders bedoeld middel zou gebruiken
    als groeibevorderaar bij het fokken van kalveren. Uit nader
    onderzoek bleek dat het verboden middel vermoedelijk aan de
    veefokkerijen was afgeleverd door een aantal dierenartsen. Deze
    dierenartsen betrokken het middel op hun beurt van een
    farmaceutisch bedrijf. Het betrof hier een in beginsel wettige
    onderneming, waarbinnen een harde kern van daders een illegale,
    lucratieve bedrijfspoot had opgebouwd. Daarbij werd de volgende
    modus operandi gebruikt.

    CASUS 12
    De grondstoffen voor het verboden groeimiddel werden ingekocht bij
    buitenlandse leveranciers (o.a. bij een Duits bedrijf, waar een
    Nederlands bruggehoofd voor de criminele groep werkzaam was). De
    inkoop geschiedde rechtstreeks of via een Zwitserse
    dochteronderneming. Bij het laatste bedrijf werkte een vrouw, die
    precies deed wat haar vanuit Nederland werd opgedragen. Op de
    facturen waarop de inkopen werden verwerkt, wijzigde zij onder meer
    de produktomschrijving van de goederen. Deze inkoopfacturen werden
    vervolgens verwerkt in de officile bedrijfsboekhouding van de
    wettige onderneming.

    Uit het onderzoek bleek dat er sprake was van een dubbele
    boekhouding. De aan- en verkoop van de illegale groeibevorderaars
    werd vanuit Zwitserland namelijk administratief geleid naar de
    hoofdverdachte.

    Met behulp van deze priv-facturen werden onder meer:

    • de omschrijvingen van de goederen gewijzigd in omschrijvingen
      van niet-illegale produkten;
    • de uiteindelijke bestemmingen van die goederen
      versluierd;
    • de werkelijke opbrengsten bij verkoop onzichtbaar gemaakt.
      Vanuit een speciaal voor dit doel ingericht laboratorium werd de
      produktie van de illegale groeibevorderaar ter hand genomen. De
      afzet van het middel aan de veehouders geschiedde door tussenkomst
      van dierenartsen, die daarvoor een provisie ontvingen.

    Het bovenstaande voorbeeld maakt duidelijk dat ten aanzien van
    verschillende wettige marktpartijen sprake is van verwijtbare
    betrokkenheid bij dit type fraude. Om te beginnen de dierenartsen
    die bereid zijn als tussenhandelaar te fungeren, en in de tweede
    plaats de houders van mestkalveren die de groeibevorderaars
    afnemen. Zonder het gedrag van de laatste groep te willen
    legitimeren, moet deze wel in de juiste context worden geplaatst.
    In een markt waarin de winstmarges uiterst smal zijn, kan het
    gebruik van groeimiddelen namelijk het verschil uitmaken tussen
    overleven en ten onder gaan. Dat fraudeurs in een dergelijke
    nijpende marktsituatie legio afzetmogelijkheden voor hun illegale
    produkten kunnen vinden, laat zich raden.

    Merkvervalsing

    Een ander voorbeeld van de wijze waarop fraudeurs inspelen op
    een marktvraag, is te vinden op het gebied van de merkvervalsing.
    Ten aanzien van dit fraudetype is niet zozeer sprake van
    marktpartijen die het water na aan de lippen staat, maar wordt de
    vraag gegenereerd door hebzucht. In de moderne
    consumptiemaatschappij wordt het bezit van luxe merkartikelen niet
    alleen nagestreefd vanwege de kwaliteit van dergelijke produkten,
    maar evenzeer vanwege de exclusiviteit ervan en de daarmee
    samenhangende status.

    Aan deze exclusiviteit hangt wel een prijskaartje, hetgeen de
    ontwikkeling van een parallelmarkt tot gevolg heeft gehad, waarop
    fraudeurs nagemaakte merkartikelen tegen relatief lage prijzen aan
    de man kunnen brengen. Aangenomen wordt dat counterfeiting
    wereldwijd een groeiend verschijnsel is. Volgens ramingen van de
    World Trade Organization (WTO) maken namaakprodukten thans 3% tot
    9% uit van de wereldhandel. Noot Opsporingsambtenaren
    die in het kader van dit onderzoek over het probleem van
    merkvervalsing zijn genterviewd, zien ook een toename van de handel
    in namaakprodukten in Nederland. Daarenboven zou Nederland ook zijn
    uitgegroeid tot een belangrijk produktie- en assemblageland van
    namaakprodukten. In het bijzonder lijkt dit op te gaan voor de
    produktie van horloges en parfums. Zie hierover meer in het
    volgende hoofdstuk.

    De volgende zaak heeft betrekking op het namaken van dure
    merkhorloges. De verdachten gingen daarbij als volgt te werk.
    CASUS 13
    De hoofdverdachte had de produktiewerkzaamheden opgedragen aan een
    drietal medeverdachten. Zelf hield hij zich meer bezig met de
    logistiek van de operatie. De produktie van de namaak Rolexen vond
    plaats in een werkplaats in het zuiden van het land. De onderdelen
    waren afkomstig uit het buitenland en werden, om de kans op
    ontdekking te verkleinen, afzonderlijk van elkaar geleverd. De
    namaakhorloges werden afgezet in de directe omgeving van de
    Antwerpse vogeltjesmarkt en via een tussenpersoon in caf’s en
    andere uitspanningen.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken