• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage X – 5.4. Afscherming in het licht van de verschillende fraudevormen

    5.4. Afscherming in het licht van de verschillende
    fraudevormen

    In de voorafgaande paragrafen is in algemene zin beschreven hoe
    criminele groepen waarbij de kernactiviteiten gelegen zijn op
    fraudegebied, zich tegen dreigende interventie van buitenaf
    trachten in te dekken. Een vraag die resteert, is op welke wijze
    parasitaire fraudevormen zich qua immuniseringsstrategie
    onderscheiden van fraudes waarin sprake is van een symbiose met de
    wettige marktomgeving. In deze paragraaf zal dit aspect nader
    worden uitgewerkt, waarbij voor beide fraudetypen de meest
    kenmerkende elementen van afscherming zullen worden aangestipt.

    5.4.1. Parasitaire fraudes

    In hoofdstuk 3 is aan parasitaire vormen van fraude als
    wezenlijk kenmerk het element van slachtofferschap meegegeven: er
    is slechts sprake van benadeelden, die voor aanzienlijke bedragen
    het schip in gaan. Geen van de overige reguliere marktdeelnemers
    heeft ook maar enig baat bij de nieuw ontstane marktverhoudingen.
    Tegen deze achtergrond moeten de daders van dergelijke delicten
    voortdurend rekening houden met de mogelijkheid dat benadeelde
    bedrijven en particulieren gaan klagen en/of aangifte doen en dat
    de controle van benadeelde overheidsinstanties wordt gentensiveerd.
    Dit gegeven brengt met zich mee dat fraudeurs van dit type over een
    niet geringe mate van anticiperingsvermogen en flexibiliteit moeten
    beschikken, zodat in geval van dreigende ontmaskering het hazepad
    kan worden gekozen met achterlating van schulden en papieren
    dwaalsporen. Ook de daders van de fraudes waarin een symbiotische
    relatie met de marktomgeving bestaat, zullen hun activiteiten
    moeten afschermen en voorzorgsmaatregelen moeten treffen, maar,
    zoals we zullen zien in paragraaf 5.4.2, maakt het gegeven dat dit
    type fraude meer is ingebed in het reguliere economische verkeer,
    hun positie wezenlijk anders.

    De bestudeerde fraudezaken laten zien dat de wendbaarheid van de
    criminele groepen die onder de noemer van parasitaire fraudeurs
    zijn gebracht in drie elementen tot uitdrukking komt: 1. beperkte
    duurzaamheid van de fraudeconstructie;

    2. scheiding tussen plaats van handeling en plaats van
    vestiging;
    3. frequente wisseling van instrumentarium (rechtspersonen) en
    stromannen. Vanzelfsprekend varieert het gewicht van de
    bovengenoemde factoren in de verschillende fraudezaken. Hieronder
    zullen we aan ieder element afzonderlijk aandacht besteden.

    Ad 1) Beperkte duurzaamheid delicten

    Vanwege het risico van ontdekking zijn de criminele groepen
    veelal niet in staat of van zins gedurende een langere periode te
    parasiteren op het vertrouwen van n en dezelfde groep slachtoffers.
    In de regel is men er dan ook op uit het voordeel in zo kort
    mogelijke tijd te behalen, waarna nieuwe slachtoffers worden
    gezocht of overgestapt wordt naar een ander marktsegment of
    handelsgebied. Vooral in zaken betreffende oplichting en
    flessentrekkerij is het opvallend hoe kort de slagen zijn die
    gemaakt worden: n specifieke kernactiviteit levert in verschillende
    branches in een kort tijdsbestek een verscheidenheid van
    slachtoffers op, waarna wordt teruggetreden en (mogelijk) wordt
    overgeschakeld op een andere hoofdactiviteit. In dit verband is de
    handelwijze van een van de hoofdverdachten uit casus 1 hoogst
    illustratief. Het patroon dat hij aan de dag legde is ook op
    verschillende andere parasitaire fraudeurs van toepassing.

    CASUS 1
    Q manifesteert zich sinds een jaar of 10 op fraudegebied. Van meet
    af aan heeft hij zich met een scala van activiteiten beziggehouden.
    Om de aandacht niet te veel op zich te laden doet hij alles vooral
    kort: flessentrekkerij, oplichting, bankbreuken, kredietfraude
    enzovoort. Natuurlijk zijn er ook uitzonderingen op de regel dat de
    periode waarover de kernactiviteiten worden uitgesmeerd, over het
    algemeen kort is. Zo dienen fraudeurs die actief zijn in de
    beleggings- en bankwereld, over het algemeen de nodige
    voorbereidingen te treffen om potentile slachtoffers tot het
    inbrengen van een deel van hun vermogen over te halen. Derhalve is
    met het optuigen van hun organisatie vaak meer tijd gemoeid. Zo
    trokken de hoofdverdachten uit casus 4 ruim 1,5 jaar uit om binnen
    een financile instelling een voorkeursbehandeling te verkrijgen.
    Toen deze voorbereidingshandelingen het gewenste resultaat hadden
    opgeleverd, werd echter in een mum van tijd tot actie (i.c.
    oplichting) overgegaan. Vervolgens werden haastig alle sporen
    gewist en was men met de noorderzon vertrokken. Het laatste toont
    aan dat ook deze criminele groepen behept zijn met een grote mate
    van flexibiliteit, in de zin dat na het binnenhalen van de buit
    en/of het opdoemen van dreigend opsporingsgevaar men zich uiterst
    snel uit de voeten weet te maken.

    Ad 2) Scheiding tussen plaats van handeling en plaats van
    vestiging

    Een element dat bij verschillende vormen van parasitaire fraude
    is aangetroffen, betreft het aanbrengen van een geografische
    scheiding tussen het locus delicti en het rechtsgebied vanwaaruit
    de criminele groepen formeel opereren. Binnen Nederland wordt niet
    zelden gebruik gemaakt van rechtspersonen die bij de Kamer van
    Koophandel geregistreerd staan als zijnde gevestigd in een andere
    regio dan het deel van het land waar de strafbare feiten worden
    gepleegd. Daarenboven vinden binnen sommige rechtspersonen
    voortdurend wisselingen van adres dan wel bestuurders plaats. Dit
    kan het zicht van de – veelal regionaal werkzame – controlerende
    instanties op de gang van zaken aanzienlijk vertroebelen. Een
    andere statutaire vestigingsplaats brengt bijvoorbeeld met zich mee
    dat binnen de belastingdienst de dossiers van de ene naar de andere
    ondernemerskamer worden overgeheveld. Een van de personen die zeer
    bedreven was in het opzetten van dergelijke misleidingsstrategien,
    was de hoofdverdachte uit casus 2 (zie voor meer informatie omtrent
    diens handelwijze de beschrijving in paragraaf 3.2).

    Een andere wijze van afscherming schuilt in het verplaatsen van
    de organisatie-eenheid dan wel de frauduleuze activiteiten naar een
    ander land. Een voorbeeld van het laatste vormt de kredietfraude
    die de hoofdverdachten uit casus 3 vanuit Nederland op touw zetten
    in Duitsland. Andersom handelen verschillende criminele groepen
    (soms alleen op papier) Noot vanuit het buitenland,
    waardoor de gedupeerden in Nederland op niemand verhaal kunnen
    halen voor de geleden schade.

    Zo regisseerde de hoofdverdachte in casus 4 de criminele
    activiteiten vanuit het Midden-Oosten en was het beleggingskantoor
    in casus 5 ondergebracht in Duitsland. Noot
    Verschillende motieven lagen ten grondslag aan de beslissing om
    deze intermediair tussen de verkopers en de beursmakelaar in
    Duitsland te vestigen.

    CASUS 5
    Allereerst bestaat er in Duitsland geen effectenwetgeving, dus
    vestigingsproblemen bestaan daar in het geheel niet. Daarnaast is
    het uit het oogpunt van de fraudeur verstandig om uit het zicht van
    de toezichthouders van de Stichting Toezicht Effectenverkeer te
    opereren. De beleggers wordt daarenboven een worst voorgehouden in
    de vorm van de fiscale voordelen die het beleggen in Duitsland met
    zich meebrengt. Tot slot is de kans dat de Duitse justitie overgaat
    tot vervolging terzake van oplichting van buitenlanders, i.c.
    Nederlanders minimaal.

    Ad 3) Wisseling van instrumentarium en stromannen

    Het instrument bij uitstek waarachter fraudeurs zich kunnen
    verschuilen, is, zoals eerder opgemerkt, de rechtspersoon. Zonder
    al te veel vooruit te willen lopen op de bevindingen uit hoofdstuk
    7 aangaande het misbruik van rechtspersonen, kan op deze plaats
    worden opgemerkt dat de meeste fraudeurs in het kader van de
    afscherming van hun activiteiten ertoe overgaan hun bestand van
    rechtspersonen met enige regelmaat op te schonen. Besloten
    vennootschappen die bestemd zijn te klappen, dienen op enig moment
    leeg te worden achtergelaten en vervangen te worden door andere
    rechtspersonen die nog niet besmet zijn met de kwalijke reuk van
    fraude. In de nieuwe rechtsvormen duiken vaak nieuwe katvangers op
    in de positie van directeur en/of aandeelhouder, zodat ook op het
    persoonlijke vlak het spoor voor de controle- en
    opsporingsinstanties steeds moeilijker te volgen is. De
    hoofdverdachte in casus 6 had deze vorm van afscherming goed onder
    de knie.

    CASUS 6
    De hoofdverdachte kocht in samenwerking met zijn boekhouder via een
    tussenhandelaar een stuk of 100 Nederlandse en Amerikaanse
    rechtspersonen. De vestigingsplaatsen van de Nederlandse BV’s
    werden verspreid over heel Nederland. Met behulp van dit
    uitgebreide netwerk werd een grensoverschrijdende BTW-carrousel
    opgezet, die uitwaaierde over verscheidene lidstaten van de EU.

    De structuur van de carrousel werd op verschillende momenten
    ingrijpend gewijzigd. Verscheidene niet-indieners werden dan uit de
    carrousel gehaald en vervangen door andere rechtspersonen. De
    carrousel breidde zich gaandeweg aanzienlijk uit.

    5.4.2. Symbiotische fraudes

    Het gegeven dat in fraudes waarin sprake is van een symbiotische
    relatie met de omgeving, legale marktpartijen deel uitmaken van de
    fraudeconstructie of daarvan meeprofiteren in de vorm van afname
    van goederen tegen afbraakprijzen, impliceert dat de activiteiten
    van de criminele groepen meer zijn ingebed in het economische
    verkeer dan het geval is bij de parasitaire fraudes. Fraudeurs van
    dit type consolideren als het ware hun marktpositie door de
    symbiose met de bovenwereld. De houding van de marktomgeving jegens
    de daders hoeft dan ook niet per definitie vijandig te zijn. Pas
    wanneer de marktpositie van een of meer wettige deelnemers als
    gevolg van de malafide praktijken ernstig in het geding komt of een
    structurele scheefgroei van de marktverhoudingen dreigt te
    ontstaan, zijn klachten vanuit de branche te verwachten.

    Het bovenstaande brengt met zich mee dat de vluchtigheid die
    frauduleuze praktijken van parasitaire aard kenmerkt bij fraudes
    met een symbiotisch element, veelal ontbreekt. Criminele groepen
    hebben over het algemeen meer tijd om hun organisatie op, dan wel
    uit te bouwen en zijn derhalve langer in een bepaald marktsegment
    actief. Op voorhand worden niet alleen de verschillende markten
    afgetast om een inschatting te kunnen maken van de te verwachten
    winstkansen, maar worden ook de mogelijkheden onderzocht die deze
    markten bieden om in geval van nood te kunnen schuilen. Twee
    aspecten zijn daarbij in het bijzonder van belang: in de eerste
    plaats de aanwezigheid van wettige marktpartijen die kunnen worden
    ingeschakeld teneinde de fraudeconstructie te maskeren, in de
    tweede plaats de bereidheid onder legale marktdeelnemers om van de
    vruchten van de fraude mee te profiteren. Op beide aspecten wordt
    hieronder nader ingegaan.

    Het evidente voordeel van het inschakelen van wettige
    marktdeelnemers in een keten van frauderende bedrijven is dat
    dergelijke ondernemingen minder snel de aandacht van de
    controlerende en opsporingsinstanties zullen trekken. Om deze reden
    speurt menig fraudeur de markt af naar potentile medeplichtigen.
    Vaak gaat het daarbij om bedrijven die met moeite het hoofd boven
    water kunnen houden en een financile injectie uitstekend kunnen
    gebruiken. Zo doken in verschillende BTW-carrousels de namen van
    legale ondernemingen op, die bleken te zijn overgehaald om facturen
    op te maken waarop gefingeerde leveringen aan de lege BV’s van de
    hoofdverdachte werden vermeld. Deze ondernemingen werden voor hun
    medewerking beloond met een percentage van het factuurbedrag.

    Een ander voorbeeld van medeplichtigheid van reguliere
    marktpartijen kwam naar voren in casus 18. Hier zocht de criminele
    organisatie een kleine, onopvallende, in financile moeilijkheden
    verkerende, onderneming in de expeditiewereld, die bereid was hand-
    en spandiensten te verrichten bij een grote internationale accijns-
    en BTW-fraude. Noot Dat de betrokkenheid van wettige
    tussenschakels niet altijd voortvloeit uit motieven van
    lijfsbehoud, maar dat ook hebzucht van de betrokkenen een
    doorslaggevende rol kan spelen, blijkt onder meer uit casus 12.

    CASUS 12
    In deze fraudezaak fungeerden dierenartsen als intermediair tussen
    de criminele groepering en de afnemers van groeibevorderaars. Ten
    behoeve van de hem gunstig gezinde dierenartsen vervalste de
    hoofdverdachte facturen, waarmee de schijn werd gewekt dat hij deze
    artsen een niet-bestaand medicijn leverde. Op die manier moest de
    fiscus een rad voor ogen gedraaid worden en konden de dierenartsen
    vrijelijk over een grote hoeveelheid zwart geld beschikken.
    Dierenartsen die niet tot de kring van intimi van de hoofdverdachte
    behoorden, werden buiten deze constructie gehouden.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken