• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage XI – 3.6. Tot besluit

    3.6. Tot besluit

    Vorenstaande beschrijvingen van de drugshandel, de
    vrouwenhandel, de illegale wapenhandel en de illegale autohandel in
    Amsterdam zijn door gaten in ons informatiebestand zeker niet alle
    even volledig. Niettemin geven zij gezamenlijk toch al een
    behoorlijk genuanceerd beeld van wat in Amsterdam de betrokken
    actuele vormen van traditionele georganiseerde criminaliteit
    voorstellen. Wanneer men dit beeld poogt te vangen in een antwoord
    op de vraag van de Parlementaire Enqutecommissie Opsporingsmethoden
    naar de aard, de ernst en de omvang van de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland, dan kan dit antwoord als volgt worden
    geformuleerd.

    Het staat buiten kijf dat in Amsterdam op een zekere schaal –
    welke valt met geen mogelijkheid te zeggen – (illegale) handel in
    de besproken (illegale) goederen en diensten wordt bedreven. Maar
    hiermee is niet gezegd dat al deze handelspraktijken zelf,
    respectievelijk al de groepen die hierbij betrokken zijn, zonder
    meer op de noemer van de georganiseerde criminaliteit kunnen worden
    gebracht. Voorzover wij hebben kunnen nagaan is een dergelijke
    kwalificatie van wat wij hebben geconstateerd niet op haar plaats
    bij de diefstal van auto’s, en gaat zij slechts in enkele gevallen
    enigermate op voor de vrouwenhandel en de wapenhandel, namelijk in
    de gevallen waarin een van deze vormen van handel systematisch
    wordt beoefend en de beoefening ervan op de een of andere manier
    actief wordt afgeschermd tegen overheidsoptreden. De meeste
    georganiseerde criminaliteit komt dus voor in de drugshandel. In
    deze handel worden autochtone, allochtone en buitenlandse criminele
    groepen aangetroffen waarvan het optreden in vele opzichten
    overeenkomt met de definitie die eerder van georganiseerde
    criminaliteit werd gegeven.

    Maar ook in het verband van de drugshandel moet men behoedzaam
    omspringen met het etiket georganiseerde criminaliteit. Ook hier
    dekt deze vlag immers een heel ingewikkelde lading. Die loopt
    uiteen van handlangers van Italiaanse en Ghanese misdaadgroepen,
    via kleinere en grotere Chinese en Joegoslavische bendes, tot
    kernachtig georganiseerde Hollandse netwerken en omvangrijke
    Turkse, Surinaamse en Marokkaanse families. Deze grote
    verscheidenheid aan organisatievormen kan dus niet worden
    gereduceerd tot de simpele eenheid van een criminele organisatie of
    een illegale onderneming. Het probleem van de georganiseerde
    criminaliteit kan slechts realistisch worden bekeken wanneer men
    oog heeft voor de grote
    variatie aan organisatorische vormen waarin deze criminaliteit kan
    worden, en ook daadwerkelijk wordt, bedreven.
    In het vorenstaande ligt voorts een ontwikkeling besloten waarop
    zeker ook expliciet de aandacht moet worden gevestigd. En die is
    dat door een combinatie van factoren – vooral de internationale
    eigenaard van de drugshandel en ontwikkeling van Amsterdam tot een
    mondiaal drugshandelscentrum – de georganiseerde criminaliteit in
    de stad ook een steeds internationaler karakter heeft gekregen.
    Zowel in de zin dat criminele groepen van over heel de wereld op de
    Amsterdamse markt bedrijvig zijn geworden, als in de zin dat
    (autochtone en allochtone) groepen die hier hun thuisbasis hebben,
    steeds internationaler zijn gaan opereren. De tijd dat zoiets als
    de penose het beeld van de Amsterdamse (georganiseerde)
    criminaliteit bepaalde, ligt ver achter ons. Voor een deel is zij
    van haar eigen markten verdreven, voor een deel heeft zij zich
    aangepast, moeten aanpassen, aan de manier waarop allochtone en
    buitenlandse groepen hun illegale activiteiten ontplooien.

    Het eerste is heel zichtbaar geworden in de sfeer van de
    prostitutie, zoals we verderop nog in detail zullen zien: een
    belangrijk deel van deze sector wordt tegenwoordig niet meer door
    de penose, maar door niet-Hollandse criminele groepen beheerst. Het
    laatste heeft zich wellicht nog het meest duidelijk gemanifesteerd
    in de bereidheid, juist ook van Hollandse criminele netwerken om
    geweld te gebruiken, of althans om te dreigen met het gebruik van
    dit middel, zowel tegen afvallige medestanders en geheide
    tegenstanders als tegen representanten van de overheid. Waren
    vroeger ook in Amsterdam liquidaties en soortgelijke praktijken een
    grote zeldzaamheid, tegenwoordig zijn zij niet alleen meer in
    diverse buitenlandse en allochtone criminele groepen gangbaar
    geworden, maar ook in bepaalde autochtone criminele netwerken. Met
    het resultaat dat iedereen kent, namelijk dat van een enkele
    moordpartij niemand meer wakker ligt. Natuurlijk heeft het
    veelvuldig gebruik van (dreiging met) geweld door allerhande
    criminele groepen ook invloed op het leefklimaat in de stad, en
    zeker op dat in bepaalde buurten of wijken. Dat wordt er in zijn
    geheel zeker grimmiger door. Maar het werkt natuurlijk ook door in
    de verhoudingen en omgangsvormen tussen en binnen de meest
    betrokken bevolkingsgroepen. Maar de maatschappelijke invloed van
    georganiseerde criminaliteit blijft niet hiertoe beperkt. Die gaat
    veel verder. Dit is hiervoor ook duidelijk gebleken. Aan de ene
    kant vormt deze criminaliteit voor delen van de (arme en
    allochtone) bevolking een enorme bron van inkomsten en dus van
    welstand. Aan de andere kant kan diezelfde drugshandel, met al zijn
    inkomsten en dus zijn mogelijkheden om alleen al via de aankoop van
    onroerend goed economische machtsposities te verwerven, maar ook
    met al die andere, al die overlast-gevende bijverschijnselen als
    drugspanden, heroneprostitutie, enzovoort, de leefbaarheid van hele
    buurten verzieken en uiteindelijk kapot maken. Hiervan is de
    neergang die de Mercatorbuurt enige jaren geleden meemaakte een
    duidelijk voorbeeld. En dus ook een voorbeeld om de stelling te
    illustreren die hierna nog uitvoeriger aan de orde komt, namelijk
    dat georganiseerde criminaliteit – en zeker die in de sfeer van de
    drugshandel – en kleine criminaliteit respectievelijk overlast niet
    twee heel verschillende dingen zijn, maar verschijnselen die in
    elkaar haken, elkaar tot op zekere hoogte zelfs conditioneren.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken