• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage XI – 4.1. Inleiding

    4. NIJMEGEN

    4.1. Inleiding

    4.1.1. De stad Nijmegen

    Nijmegen behoort met zijn 147.000 inwoners in bevolkingsomvang
    net niet tot de top 10 van Nederland. In 1950 bedroeg het aantal
    inwoners ruim 110.000. Ten opzichte van de landelijke
    leeftijdsopbouw heeft Nijmegen een relatief jonge bevolking. Ruim
    een derde van het aantal inwoners valt in de leeftijdscategorie 15
    tot en met 34 jaar. De 50+-ers maken slechts 27% van de Nijmeegse
    bevolking uit. In deze leeftijdsopbouw komt tot uitdrukking dat
    Nijmegen een universiteitsstad is. De aanwezigheid van de
    universiteit benvloedt uiteraard sterk het uitgaansleven en de
    woningnood in het centrum van Nijmegen. Nijmegen heeft zich gestaag
    ontwikkeld en is niet, zoals Enschede vanwege de expansie als
    gevolg van de textielindustrie, een boom-town geweest. De industrie
    heeft in deze oude universiteitsstad nooit een stempel op de aard
    en omvang van de stad gedrukt. Ook vandaag de dag wordt vooral door
    dienstverlenende sectoren, waaronder banken, onderwijs,
    gezondheidszorg, werkgelegenheid geboden. Het
    werkloosheidspercentage bedroeg in 1994 in Nijmegen 13,4 hetgeen
    vergeleken met het landelijke percentage (7,5) hoog te noemen is.
    Vergeleken met Arnhem en Enschede heeft Nijmegen het hoogste
    percentage van de drie.

    Ook het aantal geregistreerde misdrijven is veel hoger dan in de
    beide andere steden (zie hieronder). Toch is Nijmegen geen stad van
    verval, no go areas of van grote armoede. De Benedenstad, gelegen
    aan de Waal, is in de jaren zeventig en tachtig gerenoveerd en meer
    in het algemeen is in Nijmegen veel aandacht geschonken aan woning-
    en wijkverbeteringen. Uit een recent verricht onderzoek naar de
    leefsituatie van de Nijmeegse wijken komt naar voren dat slechts
    twee Nijmeegse wijken op dit punt slecht scoren. In het algemeen
    wordt de situatie in de wijken ook door de Nijmegenaren zelf als
    positief beoordeeld (Goderie en Schattenberg, 1994).

    Nijmegen heeft een belangrijke regiofunctie en trekt als
    grensplaats ook veel bezoekers uit Duitsland. Evenals in de meeste
    steden komen begin jaren zestig de eerste gastarbeiders naar
    Nijmegen. Aanvankelijk vooral Italianen en Grieken, later Turken en
    Marokkanen. Van de 147.000 Nijmegenaren zijn er 16.000 van
    buitenlandse afkomst. Hiervan hebben er ruim 7.000 in de loop der
    tijd de Nederlandse nationaliteit verworven. Het betreffen vooral
    personen van Surinaamse en Antilliaanse komaf. De betrekkelijk
    grote groep Antillianen is deels te verklaren vanuit de
    aanwezigheid van de universiteit. De Nijmeegse universiteit trekt
    namelijk verhoudingsgewijs veel Antilliaanse studenten.

    In Nijmegen wonen 3.500 Turken en ruim 2.000 Marokkanen. Beide
    groepen zijn de grootste allochtone
    groepen, daarna volgen de Antillianen en de Surinamers. De
    migratiecijfers (vestiging in en vertrek uit Nijmegen) laten de
    afgelopen jaren een binnenlands vertrek- en een buitenlands
    vestigingsoverschot zien.

    4.1.2. Het criminaliteitsbeeld van Nijmegen

    Het aantal strafbare feiten dat officieel wordt geregistreerd,
    is in Nijmegen het dubbele vergeleken met de geregistreerde
    misdrijven in Enschede. Nijmegen heeft in het bijzonder last van
    woninginbraken en van diefstal van en uit auto’s. Hoewel ook
    Enschede en Arnhem dichtbij de grens zijn gelegen, draagt wellicht
    de nabijheid van de Duitse grens er in Nijmegen toe bij dat volgens
    de CBS-gegevens relatief zo veel auto’s worden gestolen (928 in
    1994 en 855 in 1993). Aangezien, volgens een in 1994 verschenen
    misdaadanalyse van autodiefstallen in de politieregio
    Gelderland-Zuid, weinig prioriteit bij de politie aan deze vorm van
    criminaliteit wordt gegeven, is weinig informatie bekend over de
    daders. In het deelrapport over de autobranche wordt meer in het
    algemeen op autodiefstallen ingegaan.

    Geweld en agressie zijn niet al te sterk aanwezig in de stad.
    Van zware agressie schommelt het aantal de laatste jaren tussen de
    220 en 397 gevallen en de overige agressieve delicten rond de 800
    en 900. Het jaar 1994 laat voor beide geweldsdelicten een lichte
    daling zien. Op de uitzondering van een uiterst gewelddadige groep
    na, wordt in het algemeen betrekkelijk weinig ostentatief geweld
    gebruikt door criminele organisaties. Uit de cijfers blijkt dat het
    (vuurwapen)geweld in Nijmegen in de afgelopen jaren een lichte
    daling vertoont. Het aantal bedreigingen met vuurwapens is in de
    afgelopen vier jaar vrij stabiel (vanaf 1990 resp. 29, 32, 47, 34),
    terwijl het aantal schietpartijen met letsel is afgenomen (resp. 5,
    14, 12, 10). De schommelingen in de cijfers kunnen voor een deel op
    conto worden geschreven van enkele jeugdbendes die binnen korte
    tijd zeer actief zijn en na politie-optreden zijn stilgevallen. Zo
    werd begin jaren negentig een dadergroep opgerold die enkele
    maanden lang wekelijks een of meer overvallen in Nijmegen pleegde
    op banken, cafetaria’s en restaurants. In totaal werden 19
    verdachten aangehouden, die in meerderheid van autochtone komaf
    waren. Vorig jaar kwam de politie op het spoor van een Marokkaanse
    dadergroep, bestaande uit een vijftiental jongeren van omstreeks 20
    jaar, die dagelijks in Nijmegen en buiten de regio Gelderland-Zuid
    met behulp van gestolen auto’s snelkraken zetten in voornamelijk
    kledingwinkels. Het percentage van de bevolking dat in de
    Politiemonitor aangeeft slachtoffer te zijn van enige vorm van
    criminaliteit, bedraagt in Nijmegen 46,1 (1993). Hoewel de
    criminaliteit redelijk stabiel is gebleven de laatste vijf jaar
    (met enkele schommelingen naar boven en naar beneden), nemen de
    onveiligheidsgevoelens van de bevolking wel langzaam toe. Dit is
    niet zo verwonderlijk omdat vooral de Politiemonitorcijfers een
    sterke toename van het aantal slachtoffers van inbraken aangeeft,
    een delict dat doorgaans diep ingrijpt in de persoonlijke
    levenssfeer. Desondanks is de tevredenheid van de bevolking over de
    politie niet afgenomen. Het aangiftegedrag van de bevolking stijgt
    de laatste jaren hetgeen wijst op een zeker vertrouwen in de lokale
    politie.

    4.1.3. De politie in Nijmegen

    In 1810 wordt de eerste Nijmeegse commissaris van politie
    benoemd, maar als korps stelt de politie in Nijmegen lange tijd
    getalsmatig weinig voor. Pas in 1875 wordt bij het aantreden van
    een nieuwe burgemeester een volwaardig korps geformeerd met een
    sterkte van 27 man en een duidelijke hirarchische structuur. Van
    oudsher is het korps decentraal opgezet. Weliswaar heeft de politie
    een hoofdbureau in het centrum, maar in de vorm van zogeheten
    politieposten (kleine wijkbureaus) is de Nijmeegse politie ook in
    de wijken gehuisvest.

    In de naoorlogse periode daalt de korpssterkte (ruim 200 in 1946
    en 177 in 1957), waarna een snelle stijging plaatsvindt (226 in
    1962, 294 in 1972, 354 in 1982, en in het district Nijmegen met 342
    in 1994). De woelige jaren zestig beginnen voor de Nijmeegse
    politie pas begin jaren zeventig voelbaar te worden. Het jaar 1972
    wordt gekenmerkt door studentendemonstraties, faculteitsbezettingen
    en kraakacties. De Nijmeegse politie kan slechts moeizaam inspelen
    op de veranderingen in haar maatschappelijke omgeving. Het korps is
    intern verstard (formele bureaucratische verhoudingen) en mist
    daardoor de noodzakelijke flexibiliteit om zich aan de
    veranderingen aan te passen. Ook voor dit korps komt het in 1978
    verschenen rapport Politie in Verandering als geroepen. De in het
    rapport gesignaleerde problemen bij de Nederlandse politie
    ondervinden in het korps een grote mate van herkenning. Samen met
    enkele andere korpsen besluit de korpsleiding om in de door de POS
    voorgestane veranderingen voor te gaan. Nijmegen wordt een
    pilotkorps, waarin de door de POS gesignaleerde problemen tot
    uitgangspunt van drastische interne veranderingen genomen worden.
    Deze veranderingen vinden plaats in het kader van het project
    Anders werken door anders denken. Verbetering in de relatie met de
    maatschappelijke omgeving (integratie), afbouw van de starre
    hirarchische structuur en grotere verantwoordelijkheid toebedelen
    aan de basis (projectmatig werken), decentralisatie en
    despecialisatie zijn de belangrijkste sleutelwoorden in de
    voorgestane reorganisatie. De uitvoering van de mooie plannen werd
    echter door de harde realiteit wreed verstoord: Het klonk allemaal
    zo mooi bij de installatie van korpschef Hetterscheid in 1976: een
    goed gemeenschapsleven en de rol van de politie daarin. Vijf jaar
    later rijden er echter tanks door de Nijmeegse straten.
    Traumatische gebeurtenissen voor politie en burgerij stapelen zich
    op (Dongelmans, 1993, p.108).

    Juist op een moment dat de Nijmeegse politie naar integratie
    streeft met haar omgeving, verhardt en radicaliseert een deel van
    die omgeving zich in wat wordt genoemd de Nijmeegse beweging. Deze
    beweging, een kristallisatie van studentenverzet, krakers,
    anti-kernergiegroeperingen en anti-militaristen, veroorzaakt begin
    jaren tachtig bijzonder grimmige confrontaties met de politie. Een
    dieptepunt wordt in 1981 bereikt wanneer zware barricaden worden
    opgeworpen rond de Piersonstraat die na een felle strijd door de
    politie worden geslecht. De laatste opleving van het verzet vindt
    in 1987 plaats in de strijd rondom de Marinburg met als balans 12
    gewonde politiemensen en een schade van ettelijke miljoenen
    guldens. Naast deze openbare-ordeproblemen vroeg ook het
    criminaliteitsprobleem meer aandacht. In de periode 1980-1984 is
    sprake van meer dan een verdubbeling van het aantal misdrijven. Het
    oplossingspercentage daalt van 29 naar 17. In de daaropvolgende
    periode (1984-1990) stabiliseert de criminaliteit zich en neemt het
    oplossingspercentage weer toe (1990: 20,9). In de afgelopen jaren
    is het percentage overigens wederom gedaald. In 1994 bedraagt het
    15.3%.

    Ondanks alle problemen blijft men vasthouden aan de
    concretisering van Anders werken door anders denken, al liggen de
    accenten eind jaren tachtig meer dan in het verleden het geval was,
    op een efficinte bedrijfsvoering en de versterking van de
    recherchefunctie. Deze concretisering leidde onder meer in de
    opdeling van het bewakingsgebied van het korps in drie min of meer
    zelfstandig opererende districten. Niet lang nadat deze
    reorganisatie gestalte kreeg, diende de reorganisatie van de gehele
    Nederlandse politie zich aan.

    De Nijmeegse politie werd als gevolg hiervan in 1993 onderdeel
    van de regio-politie Gelderland-Zuid. De totale formatie van het
    regiokorps bedraagt in 1993.955 formatieplaatsen. Het regiokorps
    bestaat uit drie districten (waaronder het district stad Nijmegen)
    en een divisie centrale operationele zaken. Deze divisie bestaat
    uit een afdeling justitile zaken (waaronder de sectie zware,
    georganiseerde criminaliteit, de sectie fraude; de technische
    recherche, de CID, het bureau financile onderzoeken) en een
    afdeling operationele ondersteuning. Van belang voor de opsporing
    van de georganiseerde misdaad is de uit ongeveer 30 man bestaande
    sectie zware, georganiseerde criminaliteit (Zwacri). Een derde van
    de mankracht van deze sectie is momenteel uitbesteed aan het IRT
    Noord- en Oost-Nederland.

    Het district stad Nijmegen is sedert de reorganisatie van 1993
    in 4 (in de plaats van de oorspronkelijke 3) rayons ingedeeld;
    hiermede is een zwaarder accent gegeven aan de basispolitiezorg. In
    de rayons (bestaande uit 30 tot 40 executieven) wordt de
    surveillancetaak met de recherchefunctie gecombineerd.
    Surveillanten doen, kort gezegd, ook recherchewerk. Wanneer op
    lokaal niveau een ernstig misdrijf wordt gepleegd, waarvan de
    opsporing een te zware wissel op de deskundigheid en mankracht van
    het rayon trekt, wordt assistentie verleend door andere rayons of
    door de afdeling districtsondersteunende zaken. Op deze afdeling is
    een twintigtal rechercheurs werkzaam, gespecialiseerd in onder meer
    jeugd- en zedenzaken, drugs en vuurwapens. Een probleem van de
    huidige structuur, dat door veel respondenten gesignaleerd wordt,
    is dat tussen Zwacri en de rayons een te groot gat valt. In het
    bijzonder zou de aanpak van de niet-rayongebonden middelzware
    criminaliteit tussen de wal en het schip vallen. Te klein voor
    Zwacri (die gezien zijn beperkte capaciteit zeer selectief moet
    zijn in het aantal aan te pakken zaken) en te groot en te weinig
    rayongebonden voor de rayons.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken