• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage XI – 4.2. De horeca en het gokwezen

    4.2. De horeca en het gokwezen

    De stad Amsterdam is ongeveer 4.000 horeca-gelegenheden rijk en
    deze gelegenheden variren van hotels en restaurants tot
    drinklokalen en coffeeshops. Er werken 15.000 werknemers in deze
    sector en hun aantal neemt (licht) toe. De horeca vertegenwoordigt
    dus een zeer aanzienlijk economisch belang. Maar de horeca is ook
    op velerlei wijze bij criminaliteit betrokken: (a) de sector is er
    slachtoffer van, (b) zijn openbare toegankelijkheid maakt hem
    geschikt als pleegplaats ervoor en (c) er zijn horeca-ondernemers
    die zichzelf aan misdaad schuldig maken. Deze drie mogelijke
    relaties staan niet op zichzelf: als er misdaden in een lokaliteit
    worden gepleegd is er vaak ook met de eigenaren al meer aan de hand
    dan dat zij in hun eigen zaak geen overwicht hebben, of ondernemers
    die veelvuldig zelf slachtoffer zijn geworden kunnen gemakkelijk in
    de verleiding komen het hoofd boven water te houden op een illegale
    manier.

    Op welke schaal wordt de horeca slachtoffer? Landelijk
    wordt geschat dat de helft van alle ondernemingen per jaar op de
    een of andere manier schade ondervindt van criminaliteit door
    diefstal van het personeel, door vernieling van of in de zaak, door
    openlijke bedreigingen die de reputatie van de gelegenheid schaden
    en door overvallen. Voorts hebben veel horeca-ondernemers te maken
    met afpersing via de methode van afgedwongen protectie. In
    Amsterdam bestaan daarover opmerkelijk weinig berichten. Terwijl de
    Haarlemse en de Utrechtse horeca voor een deel in handen zijn van
    sportschooljongens, zou dit in Amsterdam niet het geval zijn. De
    grote disco’s, zoals die aan het Leidseplein, werken al jaren met
    vaste portiers of portiersdiensten. Of die portiers professioneel
    zijn in het omgaan met personen onder invloed van drugs (vgl. de
    house scene), of zij volgens de regelen van hun (on)bevoegdheid
    omgaan met de wapens die zij bij klanten vinden, en of zij niet te
    opdringerig zijn bij het ophalen van fooien, zijn evenzovele
    interessante vragen, maar de antwoorden daarop zijn hier niet
    onmiddellijk aan de orde. Er zijn wel pogingen tot het innen van
    protectiegelden geweest, maar tot op heden lijken maar weinig caf-
    en discobazen hiervan onder de indruk te zijn.

    De betrokkenheid van de horeca bij criminaliteit in de rol van
    slachtoffer is ernstig, maar zij is voor ons doel minder
    interessant. De horeca vormt ook het toneel van de
    georganiseerde misdaad, soms met medeweten van de eigenaar(s), soms
    zonder, omdat de kopstukken daar samenkomen (ontmoetingsfunctie) of
    omdat er handlangers worden gerecruteerd. Van dat laatste vormt de
    actie van een Amsterdamse drugsorganisatie een mooi voorbeeld die
    in discotheken, gelegen aan het Leidseplein en het Rembrandtplein,
    jongeren probeerde te interesseren voor een gratis verblijf in een
    prachtig hotel in Trinidad met als tegenprestatie het smokkelen van
    drugs. Er bleken voldoende jongeren in te willen gaan op de
    uitnodiging: Reisje naar de zon?. De politie is trouwens op een
    interessante manier tegen deze praktijk opgetreden. Zij heeft op
    allerlei manieren (onder andere met pamfletten) onder de
    discogangers bekend gemaakt welke de risico’s waren en heeft de
    leiders van de organisatie ter verstiering van hun activiteiten
    stevig toegesproken. De horeca vormt verder ook het toneel van
    onderlinge twisten binnen het milieu. Ongeveer de helft van alle
    gevallen van moord die wij in .2.1.6 als liquidatie of
    vermoedelijke liquidatie hebben gedefinieerd, is gepleegd in of
    voor de deur van een caf, een koffiehuis of een restaurant.
    Tenslotte lenen sommige horeca-instellingen zich voor het botvieren
    van de uitbundige levensstijl die we als een van de manieren hebben
    onderscheiden om de revenuen van georganiseerde misdaad weg te
    werken. Zeer exclusieve seksinrichtingen lenen zich daar goed voor,
    net als toprestaurants.

    Thans is de vraag aan de orde in hoeverre horeca-ondernemers
    zelf als daders bij misdaad zijn betrokken. Belastingfraude
    is waarschijnlijk het meest gepleegde delict. Hierbij gaat het om
    rommelen met rekeningen om te lage opgave ten behoeve van de
    omzetbelasting, het ontwijken van accijnzen, het onder de tafel
    betalen van overnamekosten (goodwill), het aangaan van
    fictieve dienstbetrekkingen en nog meer. De horeca is evenwel een
    bedrijfstak waar traditioneel ook veel sociale fraude voorkomt.
    Blijkens een in 1993 opgemaakt rapport van de gemeentelijke sociale
    dienst van Amsterdam bleek dat van de 4.719 horeca-ondernemers 121
    een uitkering genoten waar ze geen recht op hadden en er werden 55
    gevallen van schijnbeheer vastgesteld. Ook leent de horeca zich
    goed voor het omgekeerde: elders illegaal opgebouwd vermogen
    witwassen door het
    via het betalen van belasting te voorzien van een schijnbaar legale
    herkomst. Dit kan bijvoorbeeld door een grotere omzet voor te
    wenden dan er in feite is geweest. In Amsterdam wordt ook de
    zogenaamde buitenland-constructie toegepast. Een criminele
    organisatie zet geld op de rekening van een buitenlandse
    onderneming. Die onderneming koopt met dat geld panden op die weer
    als horeca-vestigingen dienst doen en daarin wordt vervolgens geld
    witgewassen. Deze constructie valt moeilijk te achterhalen omdat de
    gelden in het buitenland niet op naam zijn gesteld. Een andere
    manier om zwart geld te witten is het sponsoren van activiteiten.
    Horeca-ondernemers onderscheiden zich graag van elkaar door het
    sponsoren van sportactiviteiten zoals boks-gala’s, maar er is ook
    een grote coffeeshophouder die activiteiten van de Amsterdamse
    Brandweer subsidieert. Door al deze mogelijkheden zo op te sommen
    wordt licht de indruk gewekt dat alle horeca-ondernemingen ten
    minste besmet zijn. Die indruk is onjuist en het produkt van onze
    eenzijdige aandacht voor criminaliteit. De meeste ondernemingen
    hebben althans met georganiseerde criminaliteit helemaal niets te
    maken. Toch wordt hier steeds over gesproken en geschreven. Dus is
    de vraag: in welke mate is de Amsterdamse horeca daar werkelijk bij
    betrokken?

    Het Horeca Interventie Team (HIT) van de Amsterdamse politie
    heeft vastgesteld dat zich in de Amsterdamse horeca een duidelijke
    concentratie voordoet. Er zijn 60 bedrijven met 2 3 vestigingen,
    maar ook enkele met veel meer filialen. De grootste bedrijfsgroepen
    breiden verticaal uit door zelf naast de verkoop van drank en spijs
    ook speelautomaten in de zaak te exploiteren of een eigen
    hash-importbedrijf te beginnen. Zij breiden horizontaal uit door
    onroerend goed aan te kopen waarin eveneens horeca-activiteiten
    worden ontplooid. Vanuit deze horeca-ondernemingen worden dan weer
    wisselkantoren opgezet, telehouses, souvenirshops en winkels die
    T-shirts verkopen. Op zichzelf kan deze concentratie wijzen op een
    gezond marktmechanisme, maar het kan ook het produkt zijn van
    moeilijk waarneembare ingrepen van de georganiseerde misdaad. Het
    HIT-team heeft hierom een willekeurige groep van 337 cafs aan een
    onderzoek onderworpen op de criminele antecedenten van hun
    eigenaars en ook nog eens van 65 ondernemers in de sfeer van de
    coffeeshops. Van de caf-eigenaren bleek precies een derde over
    zulke antecedenten te beschikken. De vroegere vergrijpen varieerden
    weliswaar van dronken rijden tot verboden handel in wapens, maar in
    de meeste gevallen ging het echt om ernstige feiten. In het geval
    van de coffeeshophouders was de score 100%, maar dat berust op een
    vertekening die het gevolg is van het inconsistente
    soft-drugs-beleid. Klanten mogen voor eigen gebruik aan de voordeur
    immers soft drugs aanschaffen, maar de verkoper mag via de
    achterdeur niet meer dan 30 gram op een bepaald tijdstip in huis
    laten komen. Een coffeeshop is daardoor in feite gedwongen om de
    regel te overtreden. Maar trekken we de gevallen eraf waarin niet
    aan die 30-gramsnorm was voldaan, dan nog bezat 44% van de in
    totaal 402 onderzochte ondernemers heuse criminele antecedenten
    (Let wel: criminele antecedenten alln vormen nog geen reden om een
    exploitatie-vergunning te weigeren). In het geval van
    automatenhandelaren (waarover hieronder meer) heeft een onderzoek
    van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten laten zien dat er
    landelijk geen overzicht bestaat van geweigerde of ingetrokken
    vergunningen en dat de bestuurlijke decentralisatie met zich heeft
    meegebracht dat een exploitant die in een bepaalde gemeente is
    geweigerd, elders opnieuw kan beginnen. Maar ook wanneer de
    plaatselijke autoriteiten er weet van hebben dat de exploitant in
    strijd handelt met de aanwezigheids- en/of speelhalvergunning,
    wordt de strengste sanctie – intrekking van de vergunning – in de
    praktijk vrijwel nooit toegepast. Maar nu een stap verder dan de
    antecedenten van de ondernemers. De politie heeft een rijtje
    indicatoren geformuleerd die mogelijk wijzen in de richting van
    criminele praktijken binnen de horeca. Het gaat om indicatoren als
    het hebben van hoofdvestigingen in het buitenland, de registratie
    van een groot aantal rechtspersonen tegelijkertijd zonder
    duidelijke bedrijfsomschrijving, het certificeren van aandelen,
    meldingen bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (MOT),
    directe informatie over betrokkenheid bij georganiseerde misdaad en
    nog meer. Toegepast op de Amsterdamse horeca leverde deze lijst met
    indicatoren vijf bedenkelijke netwerken op, zeg criminele
    organisaties. Het eerste netwerk bestaat uit 40 bedrijven en 16
    rechtspersonen die in handen zijn van n familie die grote belangen
    heeft in het gebied van de Amsterdamse Wallen. Het is een van de
    buitenlandse organisaties die in het hoofdstuk dat over de Wallen
    handelt (5), wordt genoemd en waarvan de naam niet algemeen bekend
    is. Er zijn verder twee organisaties die hun hoofdzetel hebben op
    de Wallen, maar die ook buiten dit gebied actief zijn in de horeca.
    Voorts hebben twee organisaties hun zakelijke belangen niet in
    hoofdzaak in het Wallen-gebied. Naast deze grote vijf zijn er nog
    twintig andere netwerken met aanmerkelijke belangen in de horeca.
    Dit alles overziende kwam het onderzoeksteam van de politie dat
    deze feiten aan de oppervlakte bracht, tot de conclusie dat ten
    minste een vijfde van alle horeca-ondernemingen in Amsterdam direct
    of indirect wordt gecontroleerd door de georganiseerde misdaad.

    Op grond van de gegevens die dit team naar boven heeft gebracht
    menen ook wij dat deze conclusie gerechtvaardigd is, en dat de
    concentratie die in de Amsterdamse horeca valt te bespeuren, niet
    slechts berust op de wetten van vraag en aanbod, maar dat de markt
    inderdaad wordt verstoord door infiltratie en oneerlijke
    concurrentie door de georganiseerde misdaad. Het is namelijk de
    stellige indruk bij specialisten van het HIT dat niet iedereen zich
    in bepaalde delen van de stad met een horeca-vergunning kan
    vestigen zonder
    toestemming.
    De vereniging van handelaren in speelautomaten (VAN) zit met de
    bevindingen van de Amsterdamse politie in haar maag, omdat vroegere
    en huidige criminele activiteiten van sommige van haar leden haar
    onderhandelingspositie ten aanzien van de Amsterdamse overheid
    danig verzwakken en zij zodoende niet het voorstel kan tegenhouden
    om het aantal speelautomatenhallen tot 25 te beperken en in
    zogenaamde hoogdrempelige gelegenheden nog slechts 2 speelapparaten
    toe te staan. De VAN is in Amsterdam niet representatief en
    vertegenwoordigt slechts 39 van de in totaal 147
    automatenexploitanten. Onder de leden zitten wel de groten, maar er
    is geen sluitend mechanisme om de kwaden te royeren. Men heeft
    slechts n van de vijf grote criminele organisaties die in de horeca
    zijn genfiltreerd, kunnen royeren en het is nog niet duidelijk of
    dit royement voor de rechter zal standhouden. Zelfs de twee
    exploitanten die vroeger tot de clan van Bruinsma behoorden en die
    nu worden verdacht van zeer ernstige mishandeling van een werknemer
    die om verbetering van zijn arbeidsomstandigheden had gevraagd,
    maken er nog deel van uit. De zgn. 2-0-0-optie voor het plaatsen
    van speelautomaten in respectievelijk natte en droge horeca en in
    kantines, is intussen een feit en de meest verslavende machines
    (random runners) zijn verboden. Deze ontwikkeling vraagt
    natuurlijk wel om het ontstaan van een nieuw illegaal gokcircuit en
    dat is er dan ook gekomen. In de Jordaan kan men kaarten bij S.
    zonder dat duidelijk is wat er precies gebeurt.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken