• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage XI – 4.3. De textielnijverheid

    4.3. De textielnijverheid

    Van de textielbranche kan men zeggen dat zij historisch verdacht
    is wanneer het gaat om georganiseerde misdaad. De sweat
    shops
    van New York vormden aan het begin van deze eeuw immers
    het toneel van de Joodse onderwereld. De georganiseerde misdaad
    controleerde de textielnijverheid door de vakbonden van haar
    werknemers over te nemen na ernstige arbeidsconflicten (Block en
    Chambliss, 1981). In Nederland heeft die associatie echter nooit
    bestaan. Uitbuiting van arbeiders, jazeker! Maar georganiseerde
    misdaad? In Nederland is de arbeidersbeweging daarvan volkomen vrij
    geweest. Het zou ook raar zijn om thans zo’n relatie te leggen,
    want de Nederlandse textielnijverheid is in de afgelopen dertig
    jaar spectaculair ingekrompen. Werkten in 1963 nog 77.000 mensen in
    de confectie-industrie, in 1985 waren er nog maar 12.000
    arbeidsplaatsen over. Vooral in de periode tussen 1972 en 1982 ging
    het hard achteruit. De produktie liep toen jaarlijks met ruim 7,5%
    terug (Bloeme en Van Geuns, 1987). Amsterdam, zich nog steeds
    noemend: confectiestad van Nederland, vormt geen uitzondering. In
    1963 werkten er nog 12.000 mensen in de textiel, in 1985 waren dat
    er minder dan 2.000.

    In de jaren zeventig tekende zich evenwel langzaam maar zeker
    een tegenbeweging af in de sector van de kleine naaiateliers. In
    1983 was Tap de eerste die er wetenschappelijk aandacht aan
    besteedde (Putte en Lucas, 1987). Hij constateerde dat het aantal
    textielbedrijven was toegenomen doordat een aantal zogenaamde
    illegale naaiateliers was opgericht, ingeschreven bij de Kamer van
    Koophandel en al. De term illegale naaiateliers is dan ook
    technisch onjuist. Deze ateliers zijn op zichzelf wel legaal en
    geregistreerd. De illegaliteit schuilt hem in de tewerkstelling van
    illegale arbeidskrachten, het niet of te weinig afdragen van
    premies en belastingen, het betalen van lonen beneden het CAO- of
    minimumloon, van het personeel vergen dat het extreem lange
    arbeidsdagen maakt, de werknemers onverzekerd laten, en het werken
    zonder over de nodige vergunningen (hinderwet, brandveiligheid) te
    beschikken.

    De economische achtergrond van hun ontstaan is duidelijk. De
    grote economische transformatie van de jaren zestig en daarna heeft
    de loonkosten in de rijke landen opgedreven, terwijl in dezelfde
    tijd een hele reeks landen in de Derde Wereld hun economie
    industrialiseerde. Samen met de snelle ontwikkeling van goedkoop
    transport verklaart dit zowel de verplaatsing van een belangrijk
    deel van de West-Europese textielnijverheid naar landen als Tunesi
    en Hong Kong, als de ontwikkeling van een eigen textielindustrie in
    Taiwan, Korea en andere landen. Deze nieuwe bedrijvigheid die thans
    het leeuwedeel van de behoefte aan textiel in de wereld dekt, kan
    echter niet in voldoende mate inspelen op de vraag in Westerse
    landen naar kleine partijen van modegevoelige produkten, en de
    vraag hiernaar neemt toe. De groeiende welvaart van de
    West-Europese consumenten samen met de individualisering van hun
    levensstijl hebben een markt doen ontstaan van hoog-modische
    kleding met een korte levensduur. Om deze markt te kunnen bedienen,
    vragen zowel de grootwinkelbedrijven als de detailhandel om snel
    leverbare kledingstukken in zo kleine hoeveelheden dat hun
    voorraden tot het minimaal noodzakelijke beperkt kunnen blijven
    (Jonkman-te Winkel, 1994). Het pleit bepaald voor de
    ondernemingszin van de Turken dat zij dit gat in de markt hebben
    ontdekt en naaiateliers inrichtten. Het is hun op zichzelf
    hoopvolle antwoord op het troosteloze vooruitzicht langdurig
    werkloos te blijven toen de behoefte aan gastarbeid taande (Rath,
    1995). Dat juist Turken die mogelijkheid zagen, heeft enerzijds te
    maken met hun ambitie zelfstandige ondernemers te worden en
    anderzijds met de traditie van een Turkse textielnijverheid in de
    stad (White, 1994). Zij hebben hetzelfde gedaan in andere landen
    waar zij gastarbeiders waren. De bloei van de Turkse naaiateliers
    in Nederland is dus onderdeel van een internationaal verschijnsel
    (zie voor Belgi Smit, 1994). Deze ateliers zijn grotendeels te
    vinden in
    Amsterdam, maar worden ook aangetroffen in de Achterhoek, Brabant
    en Limburg. Het is heel moeilijk om precies vast te stellen hoeveel
    van die ateliers er in Amsterdam zijn. Juist de illegaliteit maakt
    ze moeilijk telbaar en de opgave ervan door de Kamer van Koophandel
    zegt niet zoveel, omdat de meeste ateliers weer snel failliet gaan
    of in ieder geval verdwijnen. Elk getal is in zulke gevallen een
    slag in de lucht en wie het eerst een aantal durft te noemen, loopt
    de kans dat het jarenlang zonder kritiek steeds weer opnieuw wordt
    herhaald. Stephan Raes (verbonden aan het Instituut voor Migratie
    Studies te Amsterdam) heeft in 1995 een (niet gepubliceerde) nota
    vervaardigd waarin hij de cijfers en schattingen vergelijkt. De
    schatting van het aantal ateliers varieert tussen de 500 en 1.000,
    met 600 als het meest waarschijnlijke aantal. Het aantal werknemers
    bedraagt bij lage schatting 6.000 en bij hoge schatting 15.000. Dit
    aantal is onder andere afhankelijk van de vraag of men de slecht
    bekende groep thuiswerkers mee wenst te rekenen of niet. De omzet
    van de Amsterdamse bedrijven samen wordt geschat op een bedrag dat
    ligt tussen de 0,7 miljard en ruim een miljard gulden per jaar.
    Voor Amsterdam en zeker voor de etnische minderheid der Turken is
    dit dus een belangrijke economische sector. Het vestigingspatroon
    van deze bedrijvigheid correspondeert overigens niet met de
    crimineel-geografische gelegenheidsstructuur die in het tweede
    hoofdstuk is beschreven. Er zijn wel naaiateliers in de rafelrand
    van de stedelijke bebouwing, maar de meerderheid van de ateliers is
    gevestigd in woonhuizen en bedrijfsgebouwtjes in de
    negentiende-eeuwse gordel (de Pijp, Oost, West van het centrum) en
    de Jordaan. Erg heimelijk gaat het er dus niet aan toe.

    Een belangrijke reden waarom we deze branche toch hebben
    onderzocht op sporen van de georganiseerde misdaad, is dat zij
    voortreffelijk past bij de gedachte dat de legale zakenwereld de
    illegale gebruikt om te voldoen aan vitale behoeften voor hun
    bedrijvigheid zonder nochtans zelf strafbaar te zijn (Bovenkerk,
    1982). De produkten van de zogenaamde illegale naaiateliers worden
    immers verkocht in de grote modehuizen. Er is een naaiatelier bij
    waar men niet anders doet dan merken van deze firma’s innaaien.
    Eigenlijk kan dit niet en zeker niet sinds 1 februari 1994, toen de
    Wet Ketenaansprakelijkheid ook op de confectie-industrie van
    toepassing werd verklaard. De pakkans van het grote zakenleven
    blijkt echter klein; de ervaring van Stella Braam met het
    journalistiek volgen van de illegale werknemers voor een van deze
    modehuizen spreekt boekdelen (Braam, 1995). In deze wet zijn
    slechts de hoofdaannemers strafbaar gesteld en niet de
    opdrachtgevers. Die hoofdaannemers zijn voor het merendeel
    Pakistani en Indirs, die niet enkel in het Nederlands
    confectiecentrum, maar ook in het buitenland opereren. De Turkse
    loonconfectiebedrijven floreren dankzij de tewerkstelling van
    werknemers met een uiterst zwakke rechtspositie en zij vangen
    seizoenschommelingen op door ze even gemakkelijk aan te nemen als
    te ontslaan. De beloning voor het werk bedraagt tussen de drie en
    tien gulden per uur. Wat de arbeiders doen is niet anders dan
    voorgeknipte textieldelen aan elkaar naaien. De
    arbeidsomstandigheden zijn vaak abominabel. De politie stootte in
    haar onderzoek op vochtige kelders, ruimten vol met grof vuil,
    slecht verlicht en brandgevaarlijk. Voorzover de politie dit heeft
    kunnen nagaan, wordt de opbrengst van deze bedrijvigheid niet
    genvesteerd in Amsterdam of in Nederland, maar in Turkije. Hier
    volgen de betrokken ondernemers het spoor van de gastarbeiders en
    de drugshandelaren: de revenuen worden gestoken in de aankoop van
    grond en onroerend goed, in de bouw van hotels en vakantiedorpen,
    enzovoort.

    In 1993 werd een confectieteam samengesteld uit verschillende
    diensten: het GAK, de vreemdelingenpolitie, de belastingdienst, de
    inspectie sociale zaken en werkgelegenheid. En ook de sociale
    dienst doet mee om de ergste ateliers te sluiten en paal en perk te
    stellen aan de uitwassen in de andere. De directe aanleiding was
    overigens niet het vermoeden dat de georganiseerde misdaad zich
    meester maakt van deze branche, maar de overlast die zij oplevert
    in woonbuurten. De controles zijn gericht op de eigenaars en niet
    primair op de illegale arbeiders. Niettemin worden illegalen met
    duidelijke antecedenten wel uitgezet; dit geschiedt overwegend op
    een rustige manier. Met ateliers hebben we eigenlijk nooit last,
    zegt een lid van de vreemdelingenpolitie, Turken zijn rustige
    arrestanten. Dit wijst erop dat hun overkomst naar Nederland en hun
    tewerkstelling niet centraal zijn geregeld. Bij andere
    nationaliteiten stuit de politie soms op heftig en gecordineerd
    verzet tegen uitwijzing. Een onbedoeld effect lijkt wel te zijn dat
    illegale arbeiders die uit de textielnijverheid zijn verwijderd,
    overgaan op de handel in drugs. De stad wil de werkgelegenheid in
    kwestie liefst behouden, maar zonder dat het legale bedrijfsleven
    oneerlijke concurrentie ondervindt. De acties zijn erop gericht
    deze informele sector op te schonen door de slechtste ateliers
    eruit te halen en de betere bedrijven te legaliseren. Zoals bij
    alle illegale arbeid is het vinden van legale werknemers die bereid
    zijn om het zware en onaangename werk te verrichten, het
    belangrijkste struikelblok voor de textielnijverheid. Het
    arbeidsbureau biedt ze wel aan, maar hun tewerkstelling mislukt
    steeds, en de werkgevers blijven dus klagen. De voornaamste oorzaak
    is evenwel dat de textielbranche moeilijk kan overleven als de
    lonen omhoog gaan en de arbeidsomstandigheden worden verbeterd. De
    druk die wordt uitgeoefend door het confectieteam, waardoor reeds
    meer dan tweehonderd bedrijfjes zijn gesloten, leidt ertoe dat de
    naaiateliers uitwijken naar lage-lonen-landen die zo dicht in de
    buurt zijn dat nog steeds op flexibele wijze aan de behoefte van de
    modehuizen kan worden voldaan: Polen, Bulgarije, Turkije.

    Op het eerste gezicht lijkt de sector van de Turkse naaiateliers
    dus niet door de georganiseerde misdaad te
    worden beroerd, maar we geven het nog niet op. Het is opvallend dat
    veel bedrijfjes heel kort bestaan en dan weer worden opgedoekt.
    Gemiddeld is hun bestaansduur niet langer dan een klein jaar. De
    politie ziet daar steeds fraude in en onderzoekers als Bloeme en
    Geuns (1987) bevestigen deze visie voor een deel. Dit grillige
    patroon hangt echter ook samen met de aard van de bedrijvigheid:
    het werk fluctueert enorm, met de seizoenen mee. Voorzover het om
    fraude gaat, is er geen connectie aangetoond met de georganiseerde
    misdaad in de betekenis die wij aan dat begrip hechten. Hoe zit het
    dan met de import van illegale werknemers? In het Westland zijn
    koppelbazen aangetroffen die planmatig te werk gaan, die een
    systeem van arbeidsvoorziening hebben ontwikkeld dat berust op
    mensenhandel. In Amsterdam is dat niet aangetoond. Er lijkt nog
    altijd een voldoende groot reservoir van werkwilligen voorhanden te
    zijn die zich via enkele bezoeken aan Turkse koffiehuizen laten
    inschakelen in het produktieproces.

    Zijn de naaiateliers dan misschien onderdeel van grotere
    organisaties, die zich in andere takken van de nijverheid wel
    schuldig maken aan georganiseerde misdaad? Er is bij een
    huiszoeking wel eens herone aangetroffen, maar dat was zo weinig
    dat het antwoord in dit opzicht negatief moet zijn. Er is ooit een
    schietpartij geweest waar een Turkse man bij was betrokken die in
    dienst was van de Amsterdamse politie (zie .6.4.3), maar de
    aanleiding van dit incident wijst evenmin op de aanwezigheid van
    georganiseerde misdaad. Er is eigenlijk maar n duidelijk geval van
    een criminele groep die ook in dit verband wel duidelijk een rol
    speelde. Deze organisatie had haar hoofdkwartier opgeslagen in een
    havenloods op het industriegebied van Amsterdam-Noord en had daar
    een wat in het Turks heet: gasino, een muziekrestaurant,
    ingericht. Toen de politie in 1994 bij deze Koerdische uitspanning
    binnenviel, trof men haastig weggeworpen vuurwapens (bij de ingang
    was een detectiepunt aangebracht), maar ook handgranaten aan.
    Tevens werd het bewijs geleverd van een omvangrijke handel in
    verdovende middelen (aanvoer vanuit Turkije, doorvoer naar Spanje,
    Duitsland en Engeland). Ook werd er propagandamateriaal
    aangetroffen van de PKK. Er was sprake van een geweldsdivisie
    bestaande uit Koerden die verbleven in asielzoekerscentra in
    Nederland. Deze organisatie had bovendien kans gezien om bij de
    politie te infiltreren (althans op de politieschool, het geval
    beschreven in .6.4.3.). Welnu, deze organisatie dreef ook een
    naaiatelier. Echter, dit ene geval is onvoldoende om te kunnen
    spreken van georganiseerde misdaad in de branche van de
    naaiateliers. Er functioneren vele honderden naaiateliers en vele
    tientallen drugsorganisaties in Amsterdam. Slechts in dit ene geval
    is er verband tussen beide aangetoond.

    De kwestie van de betrokkenheid bij de Koerdische PKK vraagt
    aparte aandacht. Onder de eigenaren van de naaiateliers bevinden
    zich zeker Koerden. Er zijn geruchten en suggesties dat zij worden
    afgeperst door de PKK en Dev Sol, en dit zou passen in het beeld
    dat wij landelijk kennen. Er is ook aangetoond dat de Grijze Wolven
    actief zijn. Deze informatie is evenwel te weinig hard om
    uitspraken over een en ander te kunnen doen. In ieder geval zou het
    bij de naaiateliers dan eerder gaan om slachtoffers van de
    georganiseerde misdaad dan om plegers ervan. Onze conclusie luidt
    dan ook dat van georganiseerde criminaliteit in de branche van de
    Turkse naaiateliers niet of nauwelijks sprake is.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken