• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage XI – 5.2. De Wallen in Amsterdam

    5.2. De Wallen in Amsterdam: een historisch centrum van
    prostitutie

    Volgens politionele tellingen waren er in Amsterdam in 1896 19
    bordelen en 17 rendez-vous-huizen (hieronder werden hotels en
    particuliere woningen verstaan waar prostitues hun beroep
    uitoefenden). In de bordelen waren in totaal 11 Nederlandse en 99
    buitenlandse vrouwen werkzaam. Daarnaast bestonden er 139 andere
    gelegenheden in de stad, zoals bierhuizen, logementen en cafs,
    waarvan men vermoedde dat er prostitutie werd bedreven. Volgens het
    bevolkingsregister waren er in 1896 in Amsterdam veel meer huizen
    met publieke vrouwen, namelijk 228, met in totaal 1.030 prostitues
    (Van Slobbe, 1937). De Amsterdamse politie zag dan ook niet veel in
    een bordeelverbod; opheffing van de bordelen zou slechts leiden tot
    een toename van de illegale prostitutie. De huizen van ontucht
    waren voornamelijk gesitueerd in de omgeving van het
    Oudekerksplein. Rond de eeuwwisseling werd de stad uitgebreid met
    het gedeelte dat nu Oud-Zuid wordt genoemd. Talrijke prostitues
    trokken toen naar wijk YY, het stadsgedeelte dat nu De Pijp heet.
    Deze lokatie werd al snel een centrum van prostitutie en andere
    twijfelachtige activiteiten. Aan het einde van de Eerste
    Wereldoorlog bereikte de prostitutie hier haar hoogtepunt. Met name
    het aantal straatprostitues was toen enorm toegenomen. Door de
    weinig centrale ligging van de wijk verplaatste de prostitutie zich
    op den duur echter toch weer grotendeels naar de omgeving van het
    Oudekerksplein (Stemvers, 1985; Hoff, 1994). In 1911 werd het
    bordeelverbod in het Wetboek van Strafrecht opgenomen; hiermee werd
    het zich prostitueren niet strafbaar gesteld maar wel het
    exploiteren van een prostitutiebedrijf. Bovendien werd artikel 432
    van het Wetboek van Strafrecht, gericht tegen landloperij,
    uitgebreid met een bepaling tegen souteneurschap. Een gevolg van
    deze wetswijzigingen was het ontstaan van verkapte bordelen.
    Bordeelhouders zetten hun bedrijven om in pensions, hotels,
    kamerverhuurbedrijven, mode-ateliers en strijkinrichtingen, en de
    inwonende vrouwen werden omgedoopt tot zogenaamde huishoudelijke
    hulpen, zoals kamermeisjes, linnenjuffrouwen en dienstmeiden (Van
    Slobbe, 1937; Stemvers, 1985). Achter deze faades ging de seksuele
    bedrijvigheid gewoon door. In de jaren dertig werden er ook
    bordelen geopend in andere delen van de stad: aan de Ruysdaelkade,
    in de Van Ostadestraat en de Reguliersdwarsstraat (Stemvers, 1985;
    Hoff, 1994). De Amsterdamse zedenpolitie schatte het aantal
    clandestiene bordelen in 1936 op zo’n 150; de meeste waren
    gevestigd in het stadsdeel dat nu de Wallen wordt genoemd
    (Boutellier, 1987; Stemvers, 1985; Hoff, 1994). In de jaren vijftig
    en zestig werden meer de psycho-sociale oorzaken van de prostitutie
    beklemtoond. In het kader van de verzorgingsstaat werden onderwijs,
    voorlichting en volksgezondheid naar voren geschoven als middelen
    om het prostitutieprobleem te beheersen. Parallel hieraan werd
    voorgesteld om het politieoptreden tegen prostitutie te beperken.
    De prostitue zou veeleer langs de weg van de resocialisatie moeten
    terugkeren in de burgermaatschappij. Tevens diende een gelijke
    economische positie van mannen en vrouwen te worden nagestreefd,
    dat wil zeggen: er moest via speciale programma’s worden geprobeerd
    de prostitue haar zelfrespect te laten hervinden. In ongeveer een
    halve eeuw tijd veranderde het prostitutievraagstuk aldus van een
    probleem van seksuele moraal in een psycho-sociaal en individueel
    probleem (Boutellier, 1987). In de jaren zestig en zeventig deed
    zich echter een ware omwenteling in het prostitutiewezen voor. De
    Amsterdamse Wallen kenden tot 1970 een gemoedelijke sfeer waar
    prostitues volgens het oude pooiersysteem een deel van hun
    verdiensten aan hun zogenaamde beschermers afstonden. De pooiers en
    de prostitues waren buurtgebonden en hingen wat rond op de straten
    en in de cafs, waardoor er een grote mate van sociale controle
    bestond en daarmee veiligheid was gegarandeerd. Op een klein
    groepje Surinaamse vrouwen na waren er toen uitsluitend Nederlandse
    prostitues werkzaam. In de loop van de jaren zeventig kwam hierin
    evenwel verandering. De Surinaamse vrouwen verlieten de prostitutie
    en de overgebleven lokale vrouwen maakten zich los van het
    traditionele pooiersysteem en gingen als zelfstandigen werken
    (Brussa, 1987). Op
    datzelfde moment barstte evenwel de commercialisering van de
    prostitutie los en deed de Wallen in een paar jaar tijd geheel van
    karakter veranderen. De vraag naar prostitutes werd niet alleen
    groter maar ook gedifferentieerder. De exploitanten speelden hier
    slim op in en creerden allerlei faciliteiten voor andere vormen van
    seksvermaak (Van der Poel, 1991). De clubs werden uitgebreid met
    sauna’s, seksbioscopen en sm-kamers. Talrijke seksbedrijven, zoals
    sekstheaters, seksmusea en seksshops, schoten als paddestoelen uit
    de grond (Van der Poel, 1991). De kleine danszalen en cafs
    verdwenen. Hiermee ging volgens sommigen de gezellige, gemoedelijke
    sfeer van de buurt verloren. Daarvoor in de plaats kwamen felle
    neonlichten en schettermuziek. De prostitutie op de Wallen beleefde
    zo aan het einde van de jaren zestig een nieuw hoogtepunt.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken