• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijlage XI – 7. ALGEMEEN BESLUIT

    7. ALGEMEEN BESLUIT

    Het probleem van de georganiseerde criminaliteit in Amsterdam is
    hoofdzakelijk nog een probleem van de (illegale) levering van
    (illegale) goederen en diensten. Op beperkte schaal doet dit
    probleem zich voor in de vorm van vrouwenhandel en wapenhandel. Het
    manifesteert zich bovenal in de drugshandel. Amsterdam is op dit
    gebied nu eenmaal een wereldmarkt. En dus is het geen wonder dat
    niet alleen klassieke georganiseerde-misdaad-groepen als de
    Italiaanse mafia en de Chinese triades op deze markt opereren, maar
    ook criminele groepen die hetzij rechtstreeks uit de bronlanden
    komen (Colombia bijvoorbeeld), hetzij onrechtstreeks, via de
    allochtone gemeenschappen in ons land (Turken, Marokkanen en
    Surinamers). Is georganiseerde criminaliteit in deze sector dan
    alleen een kwestie van buitenlandse en allochtone criminele
    groepen? Nee, bepaald niet. In de voorbije dertig jaren is de
    vertrouwde Amsterdamse penose goeddeels vervangen door autochtone
    criminele groepen – van verschillend formaat – die in menig opzicht
    helemaal niet onderdoen voor die andere groepen. Zij zijn met name
    groot geworden met de internationale handel in hash,
    maar meer in het geniep zijn zij ook betrokken bij de groothandel
    in hard drugs, in het bijzonder cocane. Zeker zo belangrijk is
    evenwel de andere kant, het complement zo men wil, van vorenstaande
    conclusie, namelijk dat in Amsterdam geen ernstige sporen van
    georganiseerde criminaliteit te ontdekken zijn in reguliere
    economische sectoren als de bouwnijverheid, de textielnijverheid en
    het particuliere vervoer. Want dit wil zeggen dat deze
    criminaliteit hier lang niet zo ernstig is als in sommige
    Amerikaanse, Italiaanse of Japanse steden, waar n of meer van de
    bedoelde branches grotendeels door criminele groepen worden
    gecontroleerd. Maar deze conclusie mag nu ook weer geen reden zijn
    om te denken dat het in Amsterdam dus allemaal wel meevalt. Wij
    hebben immers ook geconstateerd dat vooral autochtone criminele
    groepen er in de voorbije jaren in zijn geslaagd om in de stad,
    maar speciaal in de binnenstad en hier weer met name op de Wallen,
    machtsposities uit te bouwen in zowel de horeca en het gokwezen als
    in het onroerend goed. En deze economische machtsposities,
    hoogstwaarschijnlijk voor een belangrijk deel gebouwd op kapitaal
    dat met de drugshandel is verdiend, stellen hen niet alleen in
    staat de gewone economische verhoudingen in de betrokken branches,
    ook met (dreiging met) geweld, te fnuiken, maar verschaffen hen ook
    de infrastructuur, de logistiek, voor verdere ontplooiing van
    allerhande illegale activiteiten – drugshandel, vrouwenhandel,
    (illegaal) gokken en andere. Door deze ontwikkeling heeft het
    stadsbestuur op het vlak van de openbare orde en zedelijkheid
    feitelijk een belangrijk deel van zijn beleidsruimte in de
    binnenstad verloren. De groepen die in Amsterdam bij het plegen van
    georganiseerde criminaliteit zijn betrokken, kunnen niet over n en
    dezelfde kam worden geschoren. De onderlinge verschillen tussen wat
    hiervoor gemakshalve maar groepen zijn genoemd, zijn zelfs zo
    groot, dat deze term – wanneer ze niet wordt geconcretiseerd –
    nauwelijks nog betekenis lijkt te hebben. Wanneer er in het geval
    van de Italiaanse mafia of de Ghanese respectievelijk Nigeriaanse
    netwerken van groepen wordt gesproken, moet men zich goed
    realiseren dat het hier in feite hoofdzakelijk gaat om
    handelsvertegenwoordigers, makelaars, van de criminele organisaties
    die in betrokken landen van herkomst actief zijn. Bij de Chinese
    en, tot op zekere hoogte, de Joegoslavische groepen ligt het
    duidelijk anders. Hier is werkelijk sprake van bendes die ook als
    zodanig opereren in Amsterdam. Wat alleen niet altijd zo duidelijk
    is, dat zijn de verbindingen tussen deze bendes en bepaalde grote,
    internationaal opererende criminele organisaties. De term groepen
    is ook verwarrend in relatie tot de Surinaamse, Turkse en
    Marokkaanse drugshandel, tenzij er direct wordt bijverteld dat de
    groothandelaren uit de betrokken gemeenschappen niet op zichzelf
    werken, maar echte sleutelfiguren in deze gemeenschappen vormen:
    zij schakelen tal van hun lotgenoten in om de drugshandel te
    organiseren. En wanneer we tenslotte kijken naar de autochtone
    criminele groepen, dan zien die er weer anders uit. Hier gaat het
    niet om enkelingen, ook niet om kleine bendes die al dan niet deel
    uitmaken van internationale organisaties, en evenmin om delen van
    bepaalde bevolkingsgroepen. Waar het wel om gaat, zijn losjes
    georganiseerde, betrekkelijk zelfstandig opererende eenheden, die
    qua formaat variren van groepen die enkele tientallen personen
    tellen, tot groepen van 100 tot 150 man die weer uit verschillende
    kleinere groepen bestaan. Wat al deze groepen niettemin gemeen
    hebben, is hun bereidheid om geweld, dodelijk geweld, te gebruiken.
    Deze essentile karakteristiek van georganiseerde criminaliteit
    springt gewoonlijk het meest in het oog bij de buitenlandse en
    allochtone criminele groepen. En het mag dan inderdaad al zo zijn
    dat de bedoelde groepen naar verhouding meer liquidaties op hun
    conto hebben staan dan autochtone Amsterdamse groepen, ook de
    grotere onder de laatstbedoelde groepen laten zich in dezen bepaald
    niet onbetuigd. Het voorbeeld van de Bruinsma-clan heeft in de
    jaren negentig navolging gevonden. Onnodig te zeggen dat ook dit
    feit onderstreept dat de georganiseerde criminaliteit van eigen
    bodem niet dient te worden uitgevlakt. Ook al is het zo dat tot nu
    toe eigenlijk alleen Joegoslavische bendes te kennen hebben gegeven
    dat zij bereid zijn grof geweld tegen de politie te gebruiken
    wanneer deze systematisch en gericht in hun richting zou beginnen
    te werken. Dat het hier niet om een loze waarschuwing gaat, mag
    bekend worden verondersteld.

    Aansluitend hierop moet evenwel worden onderstreept dat met name
    Hollandse criminele groepen in de voorbije jaren zich ook meer en
    meer systematisch tegen (strafrechtelijk) overheidsoptreden hebben
    gekeerd en dus tegen de organen en de mensen die concreet moeten
    instaan voor de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde:
    ambtenaren van politie, leden van de staande en zittende
    magistratuur, personeel van het gevangeniswezen. Deze nieuwe
    ontwikkeling heeft zich geopenbaard in de vorm van
    contra-observatie, van intimidatie, van corruptie en van
    inschakeling van de media. En het ziet er niet naar uit dat zij op
    korte termijn zal stoppen. Zeker wanneer de georganiseerde
    criminaliteit harder zou worden aangepakt, ligt een verdere
    verharding van de toepassing van deze contra-strategien in het
    verschiet. Bezinning op de beheersing van dit effect is meer dan
    nodig, juist ook in het belang van de kwaliteit van de Nederlandse
    rechtsstaat. Tenslotte kan bij wijze van samenvatting worden gezegd
    dat in Amsterdam georganiseerde criminaliteit
    bepaald geen vreemd verschijnsel is. Zij manifesteert zich daar
    zeer concreet, niet alleen in de vorm van allerhande criminele
    activiteiten, maar ook in commercile machtsposities en strijd tegen
    de overheid. De grote les die uit deze studie moet worden
    getrokken, is dus dat ook in Nederland georganiseerde criminaliteit
    een belangrijk maatschappelijk probleem is geworden. Het bruskeert
    niet alleen de economische en sociale verhoudingen in een
    (stedelijke) samenleving, maar zet hier ook de
    democratisch-rechtsstatelijke verhoudingen onder druk. Hierom, en
    om niets minder, is het van groot belang dat ook in Amsterdam wordt
    gewaakt tegen een verergering van dit probleem.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken