• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Bijzondere bevindingen

    HOOFDSTUK 5 BIJZONDERE BEVINDINGEN

    5.1 Inleiding
    5.2 Voorgeschiedenis
    5.3 Informatie aan de Tweede Kamer
    5.4 Verschillende onderzoeken
    5.5 De bevindingen
    5.6 Conclusie en aanbeveling
     

    5.1 Inleiding

    De commissie heeft tijdens haar onderzoek verschillende
    bevindingen gedaan die gerelateerd kunnen worden aan de
    Delta-methode en de IRT-affaire waar de parlementaire
    enquétecommissie opsporingsmethoden in haar eindrapport
    uitgebreid verslag van heeft gedaan. De commissie heeft daarin
    aanleiding gevonden hier nader onderzoek naar te doen. In een
    aantal interviews die in het kader van de evaluatie is gehouden is
    aan deze bevindingen aandacht besteed. Daarnaast zijn ook gerichte
    interviews met betrokken functionarissen gehouden. Verder heeft de
    commissie tal van relevante documenten bestudeerd, waaronder de
    dossiers van het rijksrecherche-onderzoek naar het functioneren van
    de RCID-Kennemerland (het «Fort-dossier»), stukken die
    aanwezig zijn in de archieven van het College van
    procureurs-generaal en de Centrale toetsingscommissie, alsmede
    onderzoeksdossiers. Het beeld dat uit dit deel van het onderzoek
    oprijst is van dien aard dat de commissie het noodzakelijk heeft
    gevonden om naast het algemene beeld dat uit het
    evaluatie-onderzoek bestaat van de huidige praktijk van de
    opsporing, ook van de hoofdlijnen van deze bijzondere bevindingen
    verslag te doen. Daarbij is meegewogen dat er een samenhang is met
    de thema’s van het evaluatie-onderzoek: de toepassing van
    bijzondere opsporingsmethoden, de organisatie van de opsporing en
    de uitoefening van het gezag over de opsporing. Tegelijkertijd zijn
    de feiten en gebeurtenissen waarop de bevindingen betrekking hebben
    naar het oordeel van de commissie niet maatgevend of representatief
    voor de huidige praktijk van de opsporing. Dit is voor de commissie
    reden om aan deze zaken in een afzonderlijk hoofdstuk aandacht te
    besteden. De hieronder weergegeven bevindingen acht de commissie
    ieder op zich ernstig. Het beeld wordt echter nog verontrustender
    indien zij in onderlinge samenhang worden bezien.
    De commissie is zich ervan bewust dat haar onderzoek niet alle
    vragen beantwoordt; zowel de beschikbare tijd als het gegeven dat
    een parlementaire commissie niet beschikt over
    opsporingsbevoegdheden brengen in dit opzicht beperkingen met zich
    mee. De onderhavige feiten en gebeurtenissen hebben plaatsgevonden
    in een periode die zich uitstrekt van ver voor de parlementaire
    enquétecommissie opsporingsmethoden tot op dit moment.
    Bovendien doen er in het veld van politie en justitie veel
    geruchten de ronde over allerlei aspecten van de IRT-affaire en de
    Delta-methode. De commissie is zich er overigens van bewust dat
    hierbij ook sprake kan zijn van contra-informatie vanuit de
    criminele wereld. Dit alles in aanmerking nemende, heeft de
    commissie naar beste vermogen het waarheidsgehalte van hetgeen haar
    ter kennis is gekomen getoetst. In dit hoofdstuk zijn alleen die
    bevindingen opgenomen waarvoor naar het oordeel van de commissie
    tijdens het onderzoek voldoende feitelijke grondslag is gebleken.
    Van belang daarbij is voorts dat in de rapportage door de commissie
    rekening is gehouden met het feit dat deels sprake is van
    operationele gegevens. De belangen van de opsporing en de
    veiligheid van personen zijn zwaarwegende overwegingen geweest bij
    de vormgeving van dit hoofdstuk.

    terug naar inhoud document

    5.2 Voorgeschiedenis

    Teneinde de bijzondere bevindingen in perspectief te plaatsen,
    geeft de commissie hieronder eerst een korte weergave van de
    voorgeschiedenis. Het gaat hierbij om de relevante conclusies van
    de parlementaire enquétecommissie opsporingsmethoden en het
    Fort-team.

    De parlementaire enquétecommissie opsporingsmethoden

    De parlementaire enquétecommissie opsporingsmethoden
    heeft in haar op 1 februari 1996 gepresenteerde eindrapport
    uitgebreid verslag gedaan van de Delta-methode die door het IRT
    Noord-Holland/Utrecht was uitgevoerd. De Deltamethode als
    opsporingsmethode kenmerkte zich door.

    a. het doorlaten van grote partijen drugs;
    b. niet door politie en justitie te controleren en te sturen
    criminele burgerinfiltranten;
    c. die hun criminele winsten konden behouden;
    d. de faciliterende rol van de politie, en;
    e. het gebruik van criminele gelden door de politie.

    De parlementaire enquétecommissie opsporingsmethoden
    heeft de methode afgewezen omdat deze nauwelijks te sturen en te
    controleren valt. Politie en justitie zijn door deze gang van zaken
    afhankelijk geworden van criminele informanten en infiltranten.
    Behalve dat de parlementaire enquétecommissie
    opsporingsmethoden de methode op zichzelf als onverantwoord
    kwalificeerde, constateerde zij dat de betrokken
    politiefunctionarissen hun meerderen over de werkelijke gang van
    zaken omtrent de methode niet hebben ingelicht. De
    verantwoordelijke procureurs-generaal, hoofdofficieren van justitie
    en officieren van justitie, en de leiding van de verschillende
    politiekorpsen hebben daarbij, door niet te zorgen voldoende op de
    hoogte te geraken van de methoden die de verschillende CID-en
    hanteerden, hun verantwoordelijkheid niet uitgeoefend.

    Op basis van gegevens waarover de parlementaire
    enquétecommissie opsporingsmethoden kon beschikken heeft zij
    de volgende bevindingen over doorgelaten containers met drugs in de
    beschreven trajecten gedaan. Door middel van ongeveer 50 containers
    is in totaal 285 ton softdrugs en 100 kilo cocaïne
    doorgelaten. De CID-Kennemerland heeft daarvan in ieder geval 32
    containers voor haar rekening genomen. Daarvan is terug te traceren
    dat waarschijnlijk rond de 100 ton op de markt terecht is gekomen;
    160 ton is traceerbaar in beslag genomen. Naast de te traceren
    containers bestaan enige aanwijzingen dat in parallel-trajecten
    meer containers zijn doorgelaten. Harde gegevens ontbreken echter.
    Het is daarom moeilijk een betrouwbaar totaalgetal te geven. Ook in
    andere onderzoeken zijn overigens soft- en harddrugs
    doorgelaten.

    De parlementaire enquétecommissie opsporingsmethoden
    heeft tevens een oordeel gegeven over XTC-transporten naar
    Engeland. Bij deze transporten zijn miljoenen XTC-pillen bewust
    doorgelaten en op de markt terecht gekomen. De betreffende
    officieren van justitie hebben, gezien de wetenschap waarover het
    IRT en het openbaar ministerie beschikten, ter zake de
    departementsleiding onvoldoende ingelicht, waardoor de minister de
    Tweede Kamer onvolledig en onjuist heeft geïnformeerd. Tijdens
    deze trajecten is de territoriale soevereiniteit van het Verenigd
    Koninkrijk ondergeschikt gemaakt aan de aanpak van een criminele
    organisatie door het IRT in het ressort Amsterdam is – zo heeft de
    parlementaire enquétecommissie opsporingsmethoden
    vastgesteld – het besluit gevallen de informatie van het oude IRT
    niet meer in andere en nieuwe zaken te gebruiken. De parlementaire
    enquétecommissie opsporingsmethoden acht het noodzakelijk
    dat nader bezien wordt welke informatie uit het IRT-onderzoek nog
    gebruikt kan worden in lopende of op te starten strafrechtelijke
    onderzoeken. Mocht het hiermee mogelijk zijn ernstige strafbare
    feiten alsnog op te lossen, dan dient dat besluit heroverwogen te
    worden, aldus de parlementaire enquétecommissie
    opsporingsmethoden.

    Rijksrecherche

    In april 1995 start de rijksrecherche een onderzoek naar het
    functioneren van de CID van het regionale politiekorps
    Kennemerland. Het onderzoek heeft tot doel het feitelijk
    functioneren van de CID van het politiekorps Kennemerland vanaf
    1990 in kaart te brengen. De werkwijze van de RCID-chef Langendoen
    en zijn medewerker Van Vondel stond in het onderzoek centraal Eind
    maart 1996 rondt de rijksrecherche het onderzoek door het
    zogenoemde Fort-team af In dit uitgebreide rapport worden veel van
    de bevindingen van de parlementaire enquétecommissie
    opsporingsmethoden nader verdiept. Enkele van de vele bevindingen
    van het Fort-team zijn:

    a. Met betrekking tot softdrugs-trajecten; De RCID Kennemerland
    is betrokken geweest bij de invoer van tenminste 47 containers en
    twee zendingen per luchtvracht, waarmee illegaal soft drugs in
    Nederland werden ingevoerd. Met deze containers is in totaal 230
    000 kilo soft drugs met medeweten van de RCID Kennemerland binnen
    het grondgebied van Nederland gebracht. Hiervan is ruim 104 000
    kilo in beslag genomen, 108 000 kilo op de markt gekomen en van
    bijna 18 000 kilo is de uiteindelijke bestemming niet vastgesteld.
    Vanaf 1992 zijn de aantallen containers die drugs bevatten per jaar
    gestegen. Bovendien bevatten de containers in trajecten die later
    startten relatief meer drugs en minder deklading. De hoeveelheid
    binnengebrachte drugs steeg per jaar aanzienlijk.
    b. Met betrekking tot harddrugs, Het is waarschijnlijk dat de RCID
    Kennemerland al in 1991 cocaïne gecontroleerd liet doorgaan;
    ook later vonden doorlatingen van harddrugs plaats. Van de
    cocaïnezaken waarbij de RCID Kennemerland betrokken was, is
    relatief veel in het criminele milieu verdwenen. Vastgesteld is dat
    in 1992 minimaal 70 kilo cocaïne die onder controle was van de
    RCID, niet verantwoord is. De toestemming die de toenmalige
    procureur-generaal in januari 1993 gaf voor het doorlaten van een
    grote partij cocaïne (130~140 kilo) wordt later als
    legitimatie gebruikt om een traject met een andere infiltrant – de
    «groei-informant» – te beginnen.
    c. Met betrekking tot het XTC-traject, Tenminste 1450 000 XTC
    pillen, 1840 kilo soft drugs en 200 kilo amfetamine zijn met
    medeweten van de Nederlandse, maar zonder medeweten van de Britse
    autoriteiten, naar het Verenigd Koninkrijk geëxporteerd. De in
    Engeland veroordeelde Nederlandse chauffeur is willens en wetens
    aan de drugssmokkel blijven meewerken; de Nederlandse overheid was
    hiervan op de hoogte.
    d. Met betrekking tot de rot van informanten; Nergens is gebleken
    of en hoe de zogenoemde «IRT-groei-infórmant»
    feitelijk werd gestuurd en gecontroleerd. De aangetroffen
    CID-informatierapporten over deze informant zijn daarvoor volstrekt
    ontoereikend. Er zijn aanwijzingen dat de rol van de voor het IRT
    ingezette «groei-informant» al langer bij criminele
    organisaties bekend was. De infiltrant had er alle belang bij dat
    de methode werd voortgezet en dat de doelstelling niet bereikt zou
    worden; niet gebleken is dat hij «in vertrouwen
    gegroeid» is. e. Met betrekking tot samenwerking en de wil om
    de zaak tot de bodem uit te zoeken; In het ressort Amsterdam is nog
    steeds sprake van een basaal wantrouwen tussen een aantal politie-
    en OM-functionarissen. Het feit dat vertrouwelijke informatie
    tijdens het onderzoek «lekte», werkte zeer belemmerend
    op de voortgang(-smogelijkheden) van het onderzoek.

    Ondanks het uitgebreide onderzoek naar het functioneren van de
    RCID Kennemerland zijn niet alle feiten boven water gekomen. In het
    rapport van de rijksrecherche schrijft het Fort-team dat sommige
    twijfels zijn gebleven, nieuwe twijfels zijn ontstaan. Aanvullend
    formuleert het Fort-team 26 vragen waarop geen antwoord kon worden
    verkregen. Deze vragen hebben vooral betrekking op de werkelijke
    rol van «de groei-informant», de mogelijke verwevenheid
    van de betrokken politiefunctionarissen met criminaliteit en de
    herkomst en aanwending van de grote hoeveelheden geld uit het
    Delta-traject

    terug naar inhoud document

    5.3 Informatie aan de Tweede Kamer

    De toenmalige minister van Justitie heeft bij twee gelegenheden
    met de Tweede Kamer gesproken over een nader onderzoek en mogelijk
    strafrechtelijk vervolg in verband met de bevindingen van de
    rijksrecherche. Tijdens het debat met de regering over het rapport
    van de parlementaire enquétecommissie opsporingsmethoden op
    9 mei 1996 deelde zij de Kamer desgevraagd mee dat er verschillende
    onderzoeken zijn gestart. Er werd een strafrechtelijk onderzoek
    voorbereid in verband met de bevindingen van de rijksrecherche. Het
    College van procureurs-generaal gaf opdracht tot het opstellen van
    een misdaadanalyse waarin alle tot dan toe bekende feiten worden
    meegenomen. Er is in het arrondissement Amsterdam een gerechtelijk
    vooronderzoek geopend. Vervolgens sprak de Kamer op 7 november 1996
    met de minister over het «plan van aanpak» naar
    aanleiding van het rapport van de parlementaire
    enquétecommissie opsporingsmethoden. Tijdens dit debat zette
    de minister uiteen dat binnen het Landelijk rechercheteam een team
    is samengesteld dat ter voorbereiding van een strafrechtelijk
    onderzoek de resultaten van het rijksrechercheonderzoek zal
    analyseren. De verwachting was dat de voorbereidende fase begin
    1997 zou zijn afgerond, waarna beslissingen over een eventueel
    strafrechtelijk onderzoek kunnen worden genomen. Bij die
    gelegenheid zegde de minister de Kamer toe dat, als het mogelijk is
    zonder een strafrechtelijk onderzoek te doorkruisen, de Kamer over
    de antwoorden op de nog openstaande 26 vragen van de rijksrecherche
    zal worden geïnformeerd. Enige informatie betreffende de
    resultaten van eventuele onderzoeken of antwoorden op de 26 vragen
    heeft de Kamer echter nooit bereikt.

    terug naar inhoud document

    5.4 Verschillende onderzoeken

    Het College van procureurs-generaal heeft op basis van het
    rapport van het Fort-team en in het bijzonder de 26 vragen het LRT
    opdracht gegeven een strafrechtelijk onderzoek te doen naar de
    groei-informant en zijn dubbelrol, naar betrokken ambtenaren,
    onderzoek naar criminele geldstromen gericht op ontneming van
    onrechtmatig verkregen vermogen en een combinatie van het
    voornoemde.

    Daarnaast is in opdracht van het College van procureurs-generaal
    een team samengesteld, onder leiding van het Landelijk parket, dat
    de opdracht kreeg een verkennend onderzoek te doen met als doel
    zicht te krijgen op verwevenheid tussen onder- en bovenwereld. Het
    College heeft bij de opdracht tevens aangegeven dat gezocht diende
    te worden naar concrete aanknopingspunten die zouden kunnen leiden
    tot een of meer tactische vervolgonderzoeken. Dit onderzoek is 25
    juni 1997 gestopt, de informatie is overgedragen aan de FIOD, het
    Copa-team, het LRT, de rijksrecherche en de niet strafrechtelijk
    relevante informatie is overgedragen aan de BVD.
    Voorts zijn er nog twee afzonderlijke onderzoeken gestart. Het
    eerste onderzoek betrof een onderzoek naar een Colombiaanse
    drugslijn (Taartman), en het tweede onderzoek werd gedaan naar de
    rol van een informant in het XTC-traject (Haagse Kees).
    Het onderzoek naar de Colombiaanse drugslijn heeft geleid tot een
    strafzaak waarin tegen de hoofdverdachte 14 jaar is geëist. De
    andere onderzoeken hebben tot op dit moment geen resultaat gehad in
    die zin, dat er verdachten konden worden vervolgd of dat eventuele
    corruptie is aangepakt. Het gebrek aan resultaat heeft volgens de
    commissie verschillende oorzaken, welke de commissie uit diverse
    gesprekken met betrokken opsporingsambtenaren heeft opgetekend:

    – De voor de onderzoeken benodigde informatie is op
    verschillende plaatsen gedeeltelijk aanwezig.
    – De archieven van het Fort-team zijn tot
    «Staatsgeheim» verklaard, waarbij als argument een
    mogelijk beroep op de Wet openbaarheid van bestuur werd
    genoemd.
    – Volgens sommige leden van het openbaar ministerie vormen de
    toezeggingen die zijn gedaan aan degenen die verklaringen hebben
    afgelegd in een feitenonderzoek een obstakel voor verder
    strafrechtelijk onderzoek.
    – Het zogeheten besmet verklaren van de informatie van het IRT
    Noord-Holland/Utrecht door enkele daarbij betrokken leden van het
    openbaar ministerie schept nog steeds onduidelijkheid over de
    mogelijkheid deze informatie te gebruiken.
    – Na de opheffing van het IRT hebben verschillende verdachten tegen
    wie de onderzoeken waren gericht een kennisgeving van niet verdere
    vervolging ontvangen, hetgeen nieuw te starten onderzoeken
    compliceert.
    – Verschillende betrokkenen weigeren verder met elkaar samen te
    werken of informatie te verstrekken, omdat de professionaliteit en
    het onderlinge vertrouwen ter discussie staan.

    terug naar inhoud document

    5.5 De bevindingen

    A. Parallel-importen

    De commissie is gestuit op documenten, bestaande uit
    verklaringen en analyses, waaruit blijkt dat er sprake is (geweest)
    van parallel-importen cocaïne. Containers met slechte weed
    werden via de in het eindrapport van de parlementaire
    enquétecommissie opsporingsmethoden beschreven route
    aangevoerd en daarna in beslag genomen of doorgelaten. Daarnaast
    werden echter containers met kwalitatief goede weed en cocaïne
    ingevoerd. Deze containers met kwalitatief goede weed en
    cocaïne zijn op de markt terecht gekomen. Het is vastgesteld
    dat het gaat om minimaal acht parallel-importen, waarbij
    cocaïne werd ingevoerd naast de ladingen slechte weed. Deze
    acht importen betreffen slechts de door politie in beslag genomen
    of doorgelaten partijen. De omvang van de parallelimporten buiten
    deze inbeslagnames van slechte weed via de Deltamethode is niet
    vastgesteld. De hoeveelheid cocaïne die in het geding is,
    bedraagt tenminste 15 000 kilo. Daarnaast zijn er sterke
    aanwijzingen voor nog enkele duizenden kilo’s. De hoeveelheid van
    15 000 kilo brengt nu op de criminele markt een bedrag van ongeveer
    750 000 000 gulden op (groothandelswaarde). De zogenoemde
    straatwaarde bedraagt dan 1,2 miljard gulden. Het bedrag is zo hoog
    dat het aannemelijk is dat een aanzienlijk deel van dit geld in de
    bovenwereld is geïnvesteerd, belegd of op een rekening is
    vastgezet en niet alleen wordt gebruikt ter financiering van
    criminele activiteiten. Het is niet duidelijk of de goederen en het
    geld in Nederland zijn gebleven. Medewerking van de douane en van
    de politie is bij de parallel-importen noodzakelijk geweest,
    aangezien in een aantal gevallen gebruik is gemaakt, blijkens de
    bill of lading/cognossement, van door de politie opgerichte
    storefronts. Een douane-ambtenaar heeft altijd zorg gedragen voor
    de afdoening van de omzetbelasting en invoerrechten. De douane
    heeft ook meegewerkt om de containers of ongecontroleerd of
    voorzien van een onjuist nummer te importeren.

    B. Dubbelinformanten

    Na afloop van de onderzoeken van de enquêtecommissie en
    het Fort-team hebben zich verschillende informanten bij politie en
    justitie gemeld, met het verzoek om bescherming. Deze informanten
    moesten worden afgebouwd, hetgeen inhield dat hen grote sommen geld
    of bescherming werd aangeboden. Na verloop van tijd bleek, dat de
    betreffende informanten de aangeboden faciliteiten niet hebben
    aangewend om uit het criminele milieu te stappen, doch dat zij hun
    criminele activiteiten voortzetten. Verschillende informanten
    hebben derhalve een dubbelrol gespeeld. Zij deden zich bij de
    politie voor als informant over een criminele organisatie, terwijl
    zij feitelijk voor deze criminele organisaties werkten. Feitelijk
    organiseerden zij de hierboven genoemde parallel-importen. De
    overheid heeft zich ten opzichte van deze dubbelinformanten in een
    chantabele positie gemanoeuvreerd.

    C. XTC-zaak

    De in Engeland veroordeelde chauffeur is ten minste een maal,
    onder bedreiging met een vuurwapen, door een informant gedwongen
    met een vrachtwagen XTC naar Engeland te gaan. De chauffeur is tot
    20 jaar gevangenisstraf veroordeeld en geplaatst onder het zwaarste
    regime. De Engelse autoriteiten hebben overigens, voor zover de
    commissie bekend, nimmer hun beklag gedaan over de grote
    hoeveelheden XTC die met meerdere transporten op de Engelse markt
    terecht zijn gekomen.

    D. Stagnerend onderzoek

    Verschillende leden van het openbaar ministerie, waaronder het
    College van procureurs-generaal, en ambtenaren van het ministerie
    van Justitie kenden in ieder geval een deel van de hierboven
    beschreven informatie. Delen van de informatie hebben geleid tot
    nadere deelonderzoeken. Deze deelonderzoeken hebben een wisselend
    succes gehad. Het vervolg van de onderzoeken stuitte meerdere malen
    op verzet. Enkele onderdelen zijn tot op dit moment nog niet nader
    tactisch onderzocht:

    – parallel-importen;
    – corruptie van verschillende ambtenaren (naar een deel van de
    corruptieverdenkingen vinden wel onderzoeken plaats);
    – verschillende liquidaties.

    E. Afspraken met een crimineel

    Een lid van het openbaar ministerie heeft een tiental gesprekken
    met een top crimineel gevoerd, in aanwezigheid van zijn advocaten.
    Hij laat zich niet door anderen vergezellen. Tijdens de eerste
    gesprekken zijn met de top crimineel vergaande afspraken gemaakt
    over het niet vervolgen voor feiten door hem in het verleden
    gepleegd, met uitzondering van levensdelicten en het voorlopig niet
    executeren van een door hem uit te zitten langdurige
    onherroepelijke gevangenisstraf. De topcrimineel wordt overigens
    door het betreffende lid van het openbaar ministerie aangemerkt als
    informant. Deze afspraken zijn vastgelegd in een overeenkomst
    waarvan de commissie kennis heeft genomen. De afspraken zijn tot
    stand gekomen zonder dat de daarvoor geldende procedures, zoals
    onder andere vastgelegd in de Richtlijn afspraken met criminelen en
    in de ethische code voor de CID, zijn gevolgd. De
    verantwoordelijken (een hoofdofficier, het College van
    procureurs-generaal en het ministerie van Justitie) hebben
    overigens na de eerste besprekingen met de crimineel toestemming
    gegeven voor het maken van de afspraken. Voor de commissie blijft
    onduidelijk welke inhoudelijke reden er is voor het maken van deze
    afspraak aangezien de betrokken top crimineel wordt verdacht van
    deelname aan een omvangrijke criminele organisatie, waarvan de
    deelnemers vele ernstige misdrijven zouden hebben gepleegd. Het is
    onduidelijk of de informatie die door hem zou kunnen worden
    verstrekt, een dergelijke afspraak kan c.q. mag rechtvaardigen,
    temeer omdat er enkele goede redenen zijn om aan de betrouwbaarheid
    van de door de crimineel verstrekte informatie te twijfelen. De
    tegenprestatie van het openbaar ministerie, namelijk om niet te
    vervolgen voor feiten in het verleden begaan en de hem opgelegde
    straf niet te executeren, staan hiermee in geen verhouding.

    F Kennis

    De genoemde bevindingen zijn al langere tijd, ook in mogelijke
    samenhang, bekend bij het College van procureurs-generaal en het
    ministerie van Justitie. De huidige ministers van Justitie en van
    Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties waren slechts
    gedeeltelijk op de hoogte van dit feitencomplex. Zij zijn
    uiteindelijk op 26 maart 1999 door de commissie hiervan op de
    hoogte gebracht in verband met veiligheidsaspecten en het
    verontrustende karakter van bovengenoemde bevindingen. De
    beschikbare kennis heeft nog niet geleid tot het instellen van een
    integraal onderzoek. Wel zijn eerst op 18 mei jongstleden de drie
    betrokken hoofdofficieren van justitie door de voorzitter van het
    College van procureurs-generaal ontvangen, hen is in dat gesprek
    gevraagd alle beschikbare informatie te verstrekken.

    terug naar inhoud document

    5.6 Conclusie en aanbeveling

    De commissie is van mening dat de bovenstaande bevindingen
    zodanig ernstig zijn dat een diepgaand onderzoek geboden is. Het is
    van het grootste belang dat definitief klaarheid wordt gebracht in
    het complex van feiten, gebeurtenissen en geruchten met betrekking
    tot de IRT-affaire en de Delta-methode, inclusief de nieuwe
    bevindingen van de commissie ter zake. De commissie acht het
    onbevredigend en in het licht van de ernst van haar bevindingen
    zeer ongewenst dat strafrechtelijke onderzoeken niet tot een
    afronding (kunnen) worden gebracht. Daarnaast is de commissie van
    oordeel dat de voortdurende onduidelijkheid over tal van aspecten
    en de aanhoudende geruchten in de kring van politie en justitie
    schadelijk zijn, zowel voor de opsporing als voor de verhoudingen
    binnen en tussen de bij deze zaken betrokken opsporingsinstanties.
    Ook om die reden is het zaak dat er opheldering komt, zodat ofwel
    geruchten definitief ontzenuwd kunnen worden, ofwel passende
    maatregelen en sancties volgen.

    De commissie is van oordeel dat er een integraal onderzoek,
    waarbij alle beschikbare informatie wordt betrokken, dient plaats
    te vinden onder directe verantwoordelijkheid van de minister van
    Justitie. In adequate parlementaire controle moet worden voorzien
    door middel van een speciale ad hoc commissie uit de vaste
    commissie voor Justitie, overeenkomstig de door de Werkgroep
    vervolgonderzoek enquétecommissie opsporingsmethoden aan de
    vaste commissies voor Justitie en voor Binnenlandse Zaken en
    Koninkrijksrelaties geadviseerde constructie.

    vorige    volgende    kalsbeek