• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Eindrapport – 10.13 Sturing en controle

    10.13 Sturing en controle

    10.13.1 Openbaar ministerie

    A. Versterking

    De strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde is niet alleen
    gebaat bij uitbreiding van de politie, maar zeker ook van het
    openbaar ministerie. Wil het openbaar ministerie daadwerkelijk
    gezag over de politie uitoefenen en adequaat zijn
    strafvorderingstaak uitoefenen, dan is niet alleen kwalitatieve,
    maar ook kwantitatieve versterking nodig.

    B. Reorganisatie

    De reorganisatie van het openbaar ministerie dient spoedig haar
    beslag te krijgen. Van groot belang is absolute duidelijkheid over
    de positie en bevoegdheden van de hoofdofficieren van justitie en
    het College van procureurs-generaal. Niet oneigenlijke
    beheerstaken, maar daadwerkelijke gezagsuitoefening over de politie
    is voor het openbaar ministerie wezenlijk. Het uitgangspunt van het
    openbaar ministerie in het gezag over de politie dient te zijn dat
    het doel de middelen niet heiligt. Verantwoorde beslissingen kunnen
    slechts worden genomen op basis van kennis en inzicht in de
    politiepraktijk.

    Bij de reorganisatie volgens het plan van aanpak zal rekening
    moeten worden gehouden met de gebleken tekortkomingen in de
    organisatie, de werkwijze en het functioneren van (leden van) het
    openbaar ministerie. Mogelijke veranderingen van functie voor
    individuele leden van het OM dienen daarbij te worden overwogen.
    Binnen het OM dienen officieren, hoofdofficieren en leden van het
    College van procureurs-generaal zowel adequate juridische vermogens
    als voldoende kennis en vaardigheden te bezitten om het gezag over
    de politie daadwerkelijk inhoud te geven. Het is daarbij
    noodzakelijk om aan de verschillende genoemde functies ook
    specifieke benoemingsvereisten te verbinden.

    C. College van procureurs-generaal

    Het College van procureurs-generaal moet toestemming geven voor
    het inzetten van een aantal opsporingsmethoden die een zware
    inbreuk op de grondrechten van burgers inhouden. De minister kan
    besluiten van het College terzake te niet doen als hij het daaruit
    voortvloeiende gebruik van opsporingsmethoden onrechtmatig of
    onverantwoord oordeelt. Het College dient jaarlijks een compleet
    overzicht van gebruikte methoden aan de minister ter hand te
    stellen, waarna de Kamer wordt genformeerd. De Centrale
    toetsingscommissie verdwijnt in haar huidige vorm. Het College van
    procureurs-generaal kan zich laten adviseren door een adviesraad
    zoals de Centrale toetsingscommissie, zonder eigen bevoegdheid.

    D. Taakomschrijving

    De functies van recherche-officier, zaaksofficier,
    kernteamofficier, zwacri-officier, fraudeofficier en
    milieu-officier dienen een taakomschrijving te krijgen die
    duidelijkheid verschaft over hun afzonderlijke taken en de
    afstemming daartussen. Deze taakomschrijvingen dienen te worden
    gebaseerd op een landelijke richtlijn.

    E. Het CBO

    Het cordinerend beleidsoverleg dient zich meer toe te leggen op
    een kwalitatieve analyse van de georganiseerde criminaliteit. Het
    dient zich niet langer te beperken tot het maken van kwantitatieve
    schema’s.

    10.13.2 Rechters-commissarissen

    A. Rol rechter-commissaris

    In de normeringsvoorstellen van de commissie krijgt de
    rechter-commissaris een belangrijker taak dan voorheen. Deze
    principile keuze vereist een getalsmatige en inhoudelijke
    versterking van het rechter-commissariaat. De rechter-commissaris
    moet bereid zijn een actievere toetsende rol op zich te nemen dan
    tot op heden het geval is.

    B. Functie-eisen

    Naar het oordeel van de commissie dienen meer ervaren rechters
    deze functie uit te oefenen, mogelijk ook voor langere tijd dan nu
    het geval is. In overleg met de rechtbanken dienen hiervoor extra
    faciliteiten te worden geschapen. De werkomstandigheden van de
    rechter-commissaris vragen eveneens dringend om verbetering.

    C. Toetsing

    De rechter-commissaris dient geen verlengstuk van de officier
    van justitie te worden. Hij toetst het gebruik van voorgestelde
    opsporingsmethoden. Hij motiveert zijn beslissingen. Binnen het
    gerechtelijk vooronderzoek dient hij overzicht te houden over alle
    opsporingshandelingen, ook in de zogenaamde parallelle trajecten.
    Nieuwe wetgeving zal de rechter moeten brengen tot een actievere
    toets van de rechtmatigheid van gebruikte opsporingsmethoden.

    10.13.3 De korpsbeheerders en de korpsleiding

    A. Korpsbeheerders

    Korpsbeheerders dienen actief hun beheersverantwoordelijkheid
    voor het gebruik van opsporingsmethoden uit te oefenen. Zij zijn
    ten volle verantwoordelijk voor de beheerstaak. Zij dienen door de
    korpschef ook genformeerd te worden over het beleid terzake binnen
    de korpsen.

    De verantwoordelijkheid voor de CID geldt daarbij even zwaar als
    die voor alle andere onderdelen van de politie. Korpsbeheerders
    dienen zich bewust te zijn dat de politie te zeer in een
    bestuurlijk vacum opereert. De sturing van en het toezicht op de
    politie in de opsporing is niet alleen een kwestie van het
    justitiel gezag, maar ook een bestuurlijke verantwoordelijkheid die
    ten volle moet worden gedragen. Dat vereist ook dat de
    korpsbeheerders op de hoogte dienen te zijn van de hoofdlijnen van
    belangrijke opsporingsonderzoeken en van te hanteren
    opsporingsmethoden. Zij dienen de toepassing hiervan te beoordelen
    tegen de achtergrond van hun verantwoordelijkheid voor de
    personeelszorg en de integriteit van het politieapparaat. Indien
    over de toepassing van opsporingsmethoden een geschil bestaat
    tussen hoofdofficier en korpsbeheerder, dient een
    conflictbeslechtingsregeling, naar analogie van de regeling in de
    Politiewet uitkomst te bieden. Bij de evaluatie van de Politiewet,
    dient expliciet aandacht besteed te worden aan het gebrek aan
    democratische controle op het beheer door korpsbeheerders.

    B. Korpschefs

    Aan het daadwerkelijk leiding geven aan de opsporingstaken van
    de politie heeft het de korpschefs lange tijd ontbroken. Een
    recherche-achtergrond was geen prae voor benoeming tot korpschef.
    De korpschefs dienen zich nadrukkelijker te bemoeien met de
    kwaliteit van hun recherche. De samenwerking tussen de
    verschillende regio’s op dit vlak heeft veel te leiden gehad van de
    verstoorde verhoudingen aan de top van de politie. Dit moet worden
    doorbroken. De ministers en de korpsbeheerders zullen de gebleken
    tekortkomingen dienen te betrekken bij hun personeels- en
    benoemingenbeleid. Voor zowel de huidige als een nieuwe generatie
    korpschefs geldt dat zij zich dienen te voegen in ondergeschiktheid
    aan het gezag, bereid moeten zijn te investeren in samenwerking en
    ook buiten de incidenten moeten willen sturen op de opsporing en de
    kwaliteit van de recherche.

    10.13.4 De ministeries

    A. De minister van Justitie

    De minister van Justitie blijft, ook na de wettelijke
    reorganisatie van het openbaar ministerie, te allen tijde politiek
    verantwoordelijk voor het doen en laten van het openbaar ministerie
    en voor de gehanteerde
    opsporingsmethoden. Hij dient derhalve genformeerd te worden en
    genformeerd te zijn. De minister moet altijd de bevoegdheid en de
    mogelijkheid hebben om in te grijpen indien naar zijn oordeel het
    gebruik van opsporingsmethoden onverantwoord of onrechtmatig is.
    Zowel het openbaar ministerie als het departement van Justitie
    dient zich hiernaar te gedragen.

    B. Het ministerie van Justitie

    Binnen het ministerie van Justitie dient een duidelijk
    aanwijsbare directie te zijn die zorgt voor de
    informatievoorziening en advisering over opsporing en
    opsporingsmethoden.

    C. Tipgeldregeling

    In de ministerile regeling voor de CID-en dienen nadere
    voorwaarden voor de aanvraag en uitkering van tipgelden te worden
    opgenomen.

    D. Controle

    De minister van Justitie doet jaarlijks vertrouwelijk via de
    vaste commissie voor justitie verslag aan de Kamer over gebruikte
    opsporingsmethoden en door de kernteams verrichte en te verrichten
    onderzoeken.

    E. College procureurs-generaal

    Het college van procureurs-generaal stelt de prioriteiten voor
    de kernteams op; de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken
    worden tevoren genformeerd. Hetzelfde geldt voor de kwalitatieve
    analyse van de georganiseerde criminaliteit en daaruit
    voortvloeiende prioriteiten voor het beleid.

    F. Minister van Binnenlandse Zaken

    De minister van Binnenlandse Zaken is medeverantwoordelijk voor
    de kaders waarbinnen opsporingsmethoden worden toegepast.

    10.13.5 Tweede Kamer

    A. Controle

    De Tweede Kamer dient de controle op het functioneren van het
    openbaar ministerie en de politie met betrekking tot
    opsporingsmethoden te verbeteren. Daartoe moet jaarlijks
    verslaglegging terzake van de minister van Justitie besproken
    worden. Dat geldt evenzeer de analyse van de georganiseerde
    criminaliteit, zoals hierboven beschreven.

    B. Wetgeving

    Bij de beoordeling van wetgeving dienen de samenhang met de
    praktijk en de gevolgen van de wetgeving voor de rechtsstaat meer
    dan in het verleden betrokken te worden.

    C. Commissie IVD

    De commissie voor de Inlichtingen- en veiligheidsdiensten komt
    geen rol toe bij de beoordeling van bijzondere opsporingsmethoden.
    De praktijk waarbij de commissie voor de Inlichtingen- en
    veiligheidsdiensten gebruikt wordt voor geheim overleg om lekken te
    voorkomen, dient een halt te worden toegeroepen. Vertrouwelijk
    overleg terzake dient plaats te vinden binnen de commissies voor
    Justitie en Binnenlandse Zaken.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken