• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Eindrapport – 10.7 Aanbevelingen

    10.7 Aanbevelingen

    10.7.1 Inleiding

    In de democratische rechtsstaat vraagt elk optreden van bestuur,
    justitie en politie een zo precies mogelijke wettelijke grondslag.
    Bij de toepassing van strafrecht en strafvordering binnen de
    democratische rechtsstaat kan het doel de middelen niet heiligen.
    De toepassing van proportionaliteit en subsidiariteit moet
    geschieden binnen de grenzen van wettelijke bevoegdheden en niet
    daarbuiten.

    Regeling van de opsporingsmethoden is noodzakelijk, zowel naar
    inhoud als naar procedure en controle. Het gaat niet alleen om de
    vraag wat er mag, maar ook om de vraag hoe toezicht en gezag worden
    uitgeoefend. Dit volgens het adagium: geen bevoegdheid zonder
    verantwoordelijkheid, geen verantwoordelijkheid zonder
    verantwoording.

    Alle opsporingshandelingen dienen te worden verricht onder het
    gezag van het openbaar ministerie (artikel 148 Sv). Er kan geen
    eigen domein voor politie of andere opsporingsdiensten bestaan. Het
    staat voor de commissie buiten kijf dat de minister van Justitie
    politiek verantwoordelijk is voor het doen en laten van het
    openbaar ministerie en dus ook voor de gebezigde
    opsporingsmethoden. Van de politieke verantwoordelijkheid is geen
    domein uitgezonderd. De minister dient op de hoogte te zijn van
    gebruikte opsporingsmethoden en kan via het college van
    procureurs-generaal zijn verantwoordelijkheid laten gelden. Er is
    ook geen afgescheiden domein voor het openbaar ministerie. De
    minister kan deze verantwoordelijkheid thans uitoefenen op basis
    van artikel 5 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Deze
    politieke verantwoordelijkheid van de minister van Justitie kan
    nooit in de plaats komen van de toetsing door de rechter van de
    rechtmatigheid van opsporingsmethoden in een bepaalde casus.
    Derhalve is de commissie tegenstander van de door sommigen
    geopperde gedachte dat bijzondere opsporingsmethoden getoetst
    zouden moeten worden door een vertrouwelijke kamercommissie, zonder
    dat de rechter erover zou kunnen oordelen.

    10.7.2 Algemene uitgangspunten van de opsporing

    De commissie heeft in de voorgaande paragrafen de belangrijkste
    conclusies en bevindingen weergegeven. De crisis in de opsporing
    vraagt adequate aanbevelingen voor de toekomst. Deze crisis
    noodzaakt tot oplossingen die de organisatie en het functioneren
    van de opsporing fundamenteel raken. De commissie verzoekt de Kamer
    een expliciet oordeel uit te spreken over alle onderstaande
    aanbevelingen. Voor de formulering van deze aanbevelingen heeft de
    commissie acht uitgangspunten geformuleerd. Deze uitgangspunten
    dienen de leidraad te vormen voor de toekomstige opsporing in
    Nederland. Zij zijn rechtstreeks gekoppeld aan de
    beoordelingscriteria in hoofdstuk 1.

    1. Wettelijke basis

    Opsporingsmethoden dienen in een democratische rechtsstaat een
    expliciete wettelijke basis te hebben. Opsporing moet plaatshebben
    op de wijze bij de wet voorzien. Opsporingsmethoden kunnen inbreuk
    maken op grondrechten van burgers. Inbreuken op grondrechten van de
    burgers behoeven naar het oordeel van de commissie in ieder geval
    een legitimatie in de wet. Opsporingsmethoden kunnen naar het
    oordeel van de commissie dan ook niet worden ingezet als er geen
    wettelijke basis voor is. De wet definieert limitatief de
    opsporingsmethoden die een inbreuk op de fundamentele rechten van
    de burger inhouden. Analoge methoden mogen niet worden toegepast
    zonder wettelijke basis.

    2. Wettelijke bevoegdheden

    Bevoegdheden van opsporingsambtenaren dienen expliciet in de wet
    vastgelegd te worden. Daarbij moet worden voorkomen dat de
    omschrijving van de bevoegdheden dermate vaag is dat verschillende
    interpretaties van deze bevoegdheden gegeven kunnen worden.
    Opsporingsambtenaren hebben het recht precies te weten over welke
    bevoegdheden zij kunnen beschikken. Politie en justitie dienen
    natuurlijk beleidsvrijheid te behouden bij de afweging of gebruik
    wordt gemaakt van bepaalde methoden.

    3. Vastlegging methoden

    Het gebruik van opsporingsmethoden moet expliciet worden
    vastgelegd. Op elk moment moet het mogelijk zijn te achterhalen met
    welke methode bepaalde informatie is verzameld. Niet alleen de
    inhoud van de informatie, maar ook de wijze waarop de informatie is
    verkregen, dient te worden vastgelegd. Op die manier wordt het
    mogelijk de wijze van informatieverwerving te controleren.

    4. Hogere autoriteiten bij zwaardere ingrepen

    Bij meer ingrijpende opsporingsmethoden acht de commissie het
    noodzakelijk dat anderen dan politiefunctionarissen toestemming
    geven. De commissie is van oordeel dat hoe ingrijpender de methode
    is, des te hoger de autoriteit moet zijn die toestemming geeft. In
    bepaalde gevallen van de inzet van opsporingsmethoden is machtiging
    door de rechter-commissaris noodzakelijk. Op die manier kan
    verzekerd worden dat wanneer de inbreuk op grondrechten van burgers
    toeneemt, hogere autoriteiten een beslissing daartoe nemen. Hogere
    autoriteiten kunnen op meer afstandelijke wijze het
    opsporingsbelang afwegen tegen het belang van burgers wier
    grondrechten kunnen worden geschonden.

    5. Objectieve toetsingscriteria

    Toetsing vooraf dient plaats te vinden aan de hand van
    objectieve criteria. Naast proportionaliteit en subsidiariteit
    dienen bij de toetsing van de in te zetten methode tevens andere
    criteria een rol te spelen:

    • in hoeverre is de methode voor politie en justitie
      controleerbaar;
    • welk doel wordt met de methode nagestreefd;
    • welk effect heeft de methode;
    • in hoeverre worden onaanvaardbare risico’s genomen?

    Het oordeel over de toetsingscriteria dient te worden
    gemotiveerd.

    6. Openbare verantwoording

    Het uitgangspunt is dat de gebruikte methoden in het openbaar
    ter terechtzitting worden verantwoord. Ter terechtzitting moeten de
    gebruikte methoden kunnen worden besproken. Er kunnen zich
    uitzonderingssituaties voordoen, waarbij bepaalde aspecten van
    methoden niet openbaar worden. De rechter moet echter alle methoden
    kunnen toetsen.

    7. Gezag

    Het openbaar ministerie heeft het gezag over de opsporing. Dit
    impliceert dat het openbaar ministerie, onverlet de
    beheersverantwoordelijkheden, beslist over de te onderzoeken zaken
    en de te gebruiken opsporingsmethoden. De politie dient het gezag
    van het openbaar ministerie te aanvaarden. Alleen dan kan sprake
    zijn van vruchtbare samenwerking tussen openbaar ministerie en
    politie.

    8. Integratie kennis

    Een aantal functionarissen binnen de recherche en het openbaar
    ministerie moet kennis hebben van de recherche-onderzoeken en de
    gebruikte opsporingsmethoden. Op n punt binnen de regiokorpsen en
    binnen de parketten van het openbaar ministerie dient een overzicht
    te bestaan van de recherche-onderzoeken en de gebruikte
    opsporingsmethoden. Dat zal noodzaken tot integratie van
    verschillende organisatie-onderdelen. Op deze wijze kunnen
    cordinatie en afstemming van kennis gerealiseerd worden.
    Deze acht uitgangspunten vormen voor de commissie de leidraad bij
    de formulering van de aanbevelingen en de voorstellen voor
    normering. De commissie verzoekt de Kamer een oordeel te geven over
    deze acht uitgangspunten van de opsporing.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken