• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Eindrapport – 2.3 Bestaand beeld

    2.3 Bestaand beeld

    Het beeld van de georganiseerde criminaliteit bij politie en
    justitie is zeer divers.

    De heer De Graaf :
    (…) Hebt u nu het gevoel dat er een eenduidig – eenduidig
    is een germanisme, maar ik gebruik het woord toch maar – beeld
    bestaat bij u en uw collega’s wat nu eigenlijk de bedreiging, de
    ernst en de omvang van de georganiseerde criminaliteit is? Is dat
    er op het niveau van de korpschefs? Of is er een heel divers
    beeld?
    De heer IJzerman:
    Ik denk dat het algemene beeld redelijk overeenkomt, maar
    dat er sprake is van volstrekt verschillende persoonlijke
    ervaringen en volstrekt verschillende betrokkenheid, afhankelijk
    van de plek in het land waar je werkt. De informatie over
    ontwikkelingen wordt vrij algemeen gedeeld en is bekend.

    Noot

    De CRI heeft in verschillende analyses getracht een kwantitatief
    beeld te geven van de criminele groepen die in Nederland actief
    zijn. De beleidsmaatregelen van de regering zijn grotendeels
    gebaseerd op dit kwantitatieve beeld. Wilzing, voormalig hoofd CRI,
    heeft in een rapport getracht de kwantitatieve gegevens in
    perspectief te plaatsen. Wetenschappelijk onderzoeker Van Duyne en
    anderen hebben in verschillende publicaties getracht op basis van
    empirisch onderzoek een kwalitatief beeld te geven van de
    georganiseerde misdaad. Noot

    2.3.1 Kwalitatief beeld

    In vervolg op het rapport Misdaadondernemingen uit 1990
    heeft onderzoeker Van Duyne van het ministerie van Justitie nader
    onderzoek gedaan naar misdaadondernemers in Nederland.
    Noot

    De heer De Graaf:
    (…) U hebt uw boek de titel meegegeven Het spook en de
    dreiging van georganiseerde misdaad. Daar lijkt een zekere
    tegenstelling in te zitten. Is het een echte tegenstelling of een
    paradox?
    De heer Van Duyne:
    Het is geen paradox, het is een echte
    tegenstelling.
    De heer De Graaf:
    Wat is er zo spookachtig aan de georganiseerde
    criminaliteit?
    De heer Van Duyne:
    In het voorwoord heb ik geschreven: het spookachtige zit in
    ons zelf, in onze voorstelling van de misdaad. Spoken zijn dingen
    van de geest en geen dingen van de stoffelijke
    werkelijkheid.
    De heer De Graaf:
    Spoken bestaan niet.
    De heer Van Duyne:
    Wel. Voor degenen die ze waarnemen, zijn ze heel echt. Bij
    de kamerbehandeling in 1992 zag je spoken als echtheden
    rondwaren.
    De heer De Graaf:
    Het zijn geesten die verschijnen. Je kunt je afvragen of ze
    daadwerkelijk bestaan, maar in de ogen velen bestaan ze. Wat is nou
    het spookachtige?
    De heer Van Duyne:
    Het spookachtige is een voorstelling van zaken in de zin
    van: de misdaad rukt op, de opmars van de misdaad. De ene keer was
    het de mafia, toen kwamen de Russische horden aanzetten. Iedere
    keer weer ontstond een dreigingsbeeld.
    De heer De Graaf:
    En dat dreigingsbeeld deugt niet?
    De heer Van Duyne:
    Op een belangrijk aantal punten is het dreigingsbeeld als
    een fantoom voorgesteld. Er is zeer wel dreiging. Daarom spreek ik
    ook over het spook en de dreiging. Van het spook moeten wij af; de
    dreiging moeten wij onderkennen.
    Noot

    Van Duyne beschouwt georganiseerde criminelen als illegale
    ondernemers die er op uit zijn om zoveel mogelijk winst te maken
    bij het vervullen van illegale functies, zoals het leveren van
    illegale goederen en diensten. Van Duyne spreekt van misdaadhandel
    in plaats van georganiseerde misdaad en hij gaat uit van een grote
    beweeglijkheid van misdaadmarkten: verschillende misdaadondernemers
    zijn op steeds wisselende markten actief onder steeds varirende
    omstandigheden. Hij geeft in 1995 een inhoudelijke schets van de
    roesmiddelenmarkt (hasj, herone, cocane, XTC) en de georganiseerde
    bedrijfsmatige misdaad na de bestudering van verschillende
    strafzaken. Van Duyne verwoordt het als volgt: De vraag die
    beleid en politiek steevast stellen is: Hoe erg is het nu met de
    georganiseerde misdaad. De uitkomsten van dit onderzoek laten zien,
    dat het op de georganiseerde misdaadmarkten behoorlijk
    onheilspellend kan spoken, Dit is slechts een algemeenheid. Maar
    hoe erg? Juist op deze vraag kan geen ondubbelzinnig antwoord
    gegeven worden. (…) Misdaadondernemers zijn ondermijnende, maar
    niet-revolutionaire burgers, die in hun normen en waarden veel
    minder afwijken van de geldende norm dan de nette burgers denken.
    Onze rechtsorde is ook zijn rechtsorde.
    Noot

    De heer De Graaf:
    Zoals u het beschrijft, komt het op mij een beetje over
    alsof de Hollandse georganiseerde criminaliteit echt oer-Hollands
    is: knus, gezellig, het valt allemaal wel mee en het is allemaal
    handel. Vroeger deed men in kaas en boter, nu in drugs, maar verder
    is er niets aan de hand. Is dat niet een beetje een
    karikatuur?
    De heer Van Duyne:
    Nee, dat is geen karikatuur. Als het om een bepaalde vorm
    van handel gaat, moet je kijken naar het omringende landschap. De
    meeste mensen komen geestelijk niet verder dan de straat waarin zij
    geboren zijn. Dat geldt voor u en mij en ook voor mijnheer Bruinsma
    en andere misdadigers.
    De voorzitter:
    Dat heeft u niet kunnen vaststellen, maar dat is uw
    oordeel.
    De heer Van Duyne:
    De handel is samengesteld. Wij hebben, zoals door Bovenkerk
    is beschreven, natuurlijk minderhedeneconomien, maar dat is ook
    heel aards. Wat is natuurlijker dan dat, als een Turkse minderheid
    die in hoge mate toegang heeft tot een bronland wil gaan handelen,
    deze niet in koekoeksklokken gaat handelen maar in herone?
    De heer De Graaf:
    Hebt u geen Zwitsers in uw onderzoek betrokken?
    De heer Van Duyne:
    Nee. Niemand gaat moeilijk doen. Je kan gerust zeggen dat
    iedereen altijd grijpt naar dat organisatiemodel en die handel
    welke het dichtst bij de deur liggen. Het gaat om heel pragmatische
    mensen.
    De heer De Graaf:
    En ze bedreigen de orde van de samenleving niet?
    De heer Van Duyne:
    Zij bedreigen wel onze rechtsorde, maar het zijn geen
    uitdagers.
    Noot Volgens Van Duyne is geweld niet
    altijd kenmerkend voor de georganiseerde criminaliteit:
    De heer De Graaf:
    Terug naar de basisvraag. U zegt: geweld is niet erg
    essentieel. Kent u markten die u onder georganiseerde criminaliteit
    laat vallen, waarin geweld en zelfs het dreigen ermee nagenoeg
    afwezig is?
    De heer Van Duyne:
    Ja. Het is mij wel opgevallen dat een aantal Hollandse
    hasjhandelaren als gewone grondstoffenhandelaren te werk gingen.
    Alleen mag in die grondstof niet gehandeld worden. De chauffeurs
    werden goed betaald. Als die niet wilden smokkelen, mochten zij
    sinaasappelen vervoeren. Eigenlijk was iedereen tevreden. Zij
    maakten wel deel uit van de misdaadmarkt waarin geweldsporen te
    vinden zijn, maar zij wilden als ondernemers gewoon een onderneming
    hebben. In n geval stapte iemand zelfs uit zijn onderneming – ik
    heb dat beschreven – omdat zijn compagnon ook wat in cocane wilde
    doen. Hij zei: dat doe ik niet, want cocane is besmet met geweld en
    ik wil gewoon verkopen. Het is in hoge mate een eigen keus. Geweld
    is geen natuurverschijnsel, het is een keus en vaak een irrationele
    keus.
    Noot

    Wilzing constateert in een vertrouwelijk rapport van maart 1994 een
    professionalisering van criminele organisaties. Noot

    De heer De Graaf:
    U sprak over professionaliteit, verdergaande
    professionalisering van georganiseerde misdaadgroepen. Betekent dit
    nu ook dat men zich op verschillende terreinen gaat begeven in
    dezelfde organisatie, die zowel in drugs kan handelen en natuurlijk
    een systeem moet hebben om het geld weg te sluizen als ook op
    andere markten: milieu, afvalverwerking?
    De heer Wilzing:
    De diversiteit in de verschillende markten is er echt in de
    tweede helft van de jaren tachtig nadrukkelijk gekomen. Dat is ook
    het hele punt. Het ligt eraan waar je je informatie vandaan haalt
    en waar je je informatie op richt. Kijk je naar de milieumarkt en
    zet je een stuk van de
    criminele inlichtingendienst met name
    op dat gedeelte, dan trek je daar ook steeds meer informatie uit.
    Hetzelfde zagen wij heel sterk in het informele Meldpunt
    ongebruikelijke transacties. Als je je sterk op die financile markt
    richt, dan zie je heel andere

    patronen bovenkomen. Je koppelt systemen. Je koppelt legale
    systemen aan criminele systemen. Je koppelt de landelijke

    criminele inlichtingendienst aan een systeem als Vennoot, waar
    steeds nieuwe vennootschapjes worden opgericht en wat door justitie
    wordt bekeken, aan een kamer van koophandel. Dan krijg je een
    beeld, een palet dat er net weer even anders uitziet dan wanneer je
    vanuit de onderwereld naar boven kijkt. Wij zijn natuurlijk als
    politiebedrijf traditioneel – zo hebben wij de
    criminele
    inlichtingendiensten van huis uit opgebouwd; daar zit een enorme
    ontwikkeling, een veranderingsfase in – begonnen met kroegen
    bezoeken, de onderkant van de markt bekijken en proberen op die
    manier naar boven te kruipen. Dat is ons niet altijd even goed
    bevallen, om het zo te zeggen. Dat liep ook niet altijd even goed.
    Wij hebben wat dat betreft onze strategie veranderd. Dan praten wij
    misschien wat makkelijker over de divisie geweld of de divisie
    financin, maar zo zit het natuurlijk niet bureaucratisch in elkaar.
    Dat is alleen om in grote brokken aan te geven wat de systemen zijn
    die in dit soort organisaties werken.In toenemende mate trachten
    criminele organisaties zich af te schermen.
    Noot

    In toenemende mate trachten criminele organisaties zich volgens
    Wilzing af te schermen. Liquidaties, corruptie en proactief
    optreden van criminele groepen (contra-observatie) komen steeds
    vaker voor.

    De heer De Graaf:
    Ik kom bij mijn laatste vraag over de aard, ernst en omvang
    van de georganiseerde criminaliteit. Het gaat dan om het
    onderwerp
    corruptie, zoals ook vanochtend behandeld in
    verschillende gradaties. Wat is uw eigen beeld daarvan, dus van de
    ernst en de omvang? U heeft eerder gezegd dat u het als een
    wezenlijk element ziet, de kans op
    corruptie van de
    georganiseerde criminaliteit. Ziet u een trend van toenemende

    corruptie?
    De heer Wilzing:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    Van toenemende risico’s?
    De heer Wilzing:
    Ook als ik kijk naar de contacten die op de verschillende
    niveaus ontstaan tussen de criminele organisaties in de periode dat
    ik daarnaar kon kijken – ik praat dan over een stuk van mijn
    ambtelijke verleden – dan is het iets waar wij best bezorgd over
    waren. Dat is eigenlijk ook de reden waarom wij een soort revival
    hebben willen creren, een soort bewustheid: let erop, ga ermee aan
    de gang, schoon daarop je eigen organisatie, kijk of de mensen er
    zuiver in zitten. In alle politiekorpsen zijn op het ogenblik
    projectgroepen aan de gang, die met name met politile integriteit
    bezig zijn.
    De heer De Graaf:
    Bij corruptie gaat het niet alleen om corruptie
    in de politieorganisatie, maar veel breder. Ook de
    overheid.
    De heer Wilzing:
    Ja.
    De heer De Graaf:
    Ziet u ook in uw eigen korps, in uw eigen regio dat dat
    toeneemt?
    De heer Wilzing:
    Ik zie het binnen mijn eigen organisatie niet direct echt
    toenemen. Wat ik wel merk, is dat wij zelf harder en consequenter
    worden als er iets misgaat. Er is gelekt. Dan wordt er ook harder
    aangepakt.
    Noot

    Daarbij wordt niet geschroomd gebruik te maken van het verspreiden
    van onjuiste informatie (desinformatie) door criminele organisaties
    waardoor functionarissen van politie en justitie in een kwaad
    daglicht kunnen komen te staan.

    Criminele groepen zijn steeds vaker op de internationale markt
    actief. Daarbij veroorzaakt vooral het internationale karakter van
    geldstromen moeilijkheden voor de opsporing. Wilzing spreekt tevens
    over het innestelen in de bovenwereld door de investering van
    criminele gelden die niet meer voor eigen consumptie worden
    aangewend. Beroepsgroepen zoals notarissen, advocaten en
    accountants zouden worden gecorrumpeerd om dekmantelfirma’s op te
    richten. Ten slotte waarschuwt Wilzing voor het gevaar van
    corruptiepogingen ten aanzien van de overheid door criminele
    groepen.

    2.3.2 Kwantitatief beeld

    In het verleden zijn er verschillende pogingen gedaan om een
    kwantitatief beeld te geven van de georganiseerde criminaliteit.
    Noot De onderlinge vergelijkbaarheid van deze analyses
    is gering. Noot Het meest recente kwantitatieve beeld
    wordt gegeven in de landelijke inventarisatie criminele
    groeperingen 1995 door het Cordinerend beleidsoverleg (CBO).
    Noot Deze inventarisatie vond plaats op basis van ter
    beschikking gestelde politiegegevens, waaronder CID-gegevens. Het
    CBO benadrukt dat de waarde van de kwantitatieve gegevens relatief
    is vanwege de geringe betrouwbaarheid van CID-gegevens en de
    afhankelijkheid van de subjectieve interpretatie van de criteria
    door de personen die de gegevens leverden. Een vergelijking tussen
    de cijfers van de kwantitatieve analyses en de kwalitatieve
    analyses is vaak moeizaam.

    De heer De Graaf:
    Verschillen die inventarisaties, die vier die er zijn
    geweest, onderling in methode voorzover u weet?
    De heer Wilzing:
    De methode is elke keer verfijnd en aangepast. In 1985
    beslissen wij dat wij met
    misdaadanalyse komen. In 1987
    hebben wij de eerste misdaadanalisten opgeleid en wordt er een
    besluit genomen door een kleine groep hoofdcommissarissen, de
    directeur-generaal Politie van Justitie en de generaal van de
    rijkspolitie, toen nog in de oude organisatie, om toch eens een
    inventarisatie te maken van, zoals dat toen heette – dan moet ik
    dat even erbij halen – ook criminele groeperingen. Dat heet dus
    even anders, veel algemener. Dat is gebaseerd op, zoals wij dat
    toen noemden, omvang, aard, niet de ernst, en werkgebied van
    criminele doelgroepen in Nederland. Vanuit dat beeld, dat plaatje
    is dat destijds door Sietsma, dus door de Amsterdamse club, heel
    sterk gepromoot. Toen hadden wij eigenlijk een vijftal criteria, de
    meest eenvoudige criteria: hirarchische opbouw, sancties,

    witwassen, corruptie en meer delicten of minder delicten.
    Dat systeem was sterk afhankelijk van wat de
    criminele
    inlichtingendiensten aanleverden. De criminele

    inlichtingendiensten zijn officieel pas in 1987 gestart. Later
    is dat beeld veranderd en ging het er ook anders uitzien. In 1989
    waren wij verder en hadden wij een hoger aantal criteria. Alleen
    hadden wij elke keer het probleem bij deze analyses dat, als wij
    meldden dat wij 599 formulieren terug hadden gekregen, dat ook werd
    beschouwd als 599 groepen. Daar zaten dan misschien nog wel wat
    dubbeltellingen in. Die werden er ook uitgehaald. Vervolgens kreeg
    je de indruk dat alles wat met drie of meer bij elkaar zat en
    criminaliteit bleek een criminele organisatie was. Voor ons was dat
    wel eens moeilijk als wij in het buitenland kwamen. Dan zeiden de
    Italianen: wij hebben drie criminele organisaties. Wij hadden er
    dan 599. Het was buitengewoon vervelend om dat uit te leggen. Zij
    spraken over stromingen en wij werkten dat eigenlijk kil, klinisch
    uit. Vanuit die positie kreeg je een bepaald beeld, waarbij wij wel
    eens met een variant op de belasting zeiden: leuker kunnen wij het
    ook niet maken.

    De voorzitter:
    Die term was er toen nog niet.
    De heer Wilzing:
    Neen, dat klopt. Maar wij hadden wel het voortdurende
    probleem dat wij vastliepen op het feit dat de boodschapper van het
    nieuws enigszins werd afgemaakt. Het was onprettig nieuws. Het was
    bovendien allemaal informatie – zo hoorde het ook – van de korpsen.
    Daarvoor hadden wij een formule bedacht, waar ikzelf een groot
    voorstander van was. Het waren dus ook niet onze inventarisaties.
    Het waren de inventarisaties van de Centrale politie- en
    recherchecommissie. Het waren de inventarisaties later van het

    CBO. U vraagt misschien: waarom maakten jullie niet een verhaal
    zoals Fijnaut vanmorgen heeft gepresenteerd? Daar waren die
    inventarisaties niet voor. Dat was ook onze taak niet. Dat zou een
    taak horen te zijn of kunnen zijn voor bijvoorbeeld een
    Wetenschappelijk onderzoek- en documentatiecentrum. Dan zie je ook
    het schuiven van de ene naar de andere kant. Wij begonnen met ons
    een beeld te verschaffen en het werd steeds meer een
    management-tool – zo heb ik het ook genoemd – om groepen aan te
    pakken. Neem de derde analyse in 1993. Daar hoort ook een dossier
    onder te liggen waarin alle groepen op naam en toenaam precies zijn
    uitgewerkt en waarbij je kunt zeggen: dat zouden de groepen horen
    te zijn die wij moeten kunnen aanpakken. Dan kom je op het
    probleem: kun je ze aanpakken of is het niet relevant? Kun je het
    alleen rigide aan de hand van de criteria doen of – dat is een stap
    verder – zou je het op een andere manier moeten doen? Als er
    bijvoorbeeld plotseling een liquidatie plaatsvindt of er gaat iets
    anders gebeuren, dan is er een prioriteitsstelling die er net weer
    even anders uitkomt. Bij de laatste analyse waren wij zover dat wij
    ook het beeld konden geven van de groepen die aangepakt
    waren.
    De heer De Graaf:
    Dat hebben wij begrepen. Nou is er nogal wat verschil in die
    analyses door de jaren heen. Dat heeft naar ik aanneem ook te maken
    met het voortschrijdend inzicht. Toch is het op zichzelf
    opmerkelijk dat in de eerste analyse van heel veel groepen er
    uiteindelijk drie worden gedefinieerd als hooggeorganiseerd en dat
    er in volgende analyses, twee en vier jaar later, plotseling 98
    respectievelijk 100 groepen hooggeorganiseerd zijn. Heeft dat te
    maken met de enorme ontwikkeling van de georganiseerde
    criminaliteit in vier, vijf jaar tijd? Of zegt u: de eerste analyse
    was gewoon te gebrekkig wat de methode betreft; wij hebben daarna
    veel verfijnder kunnen werken en dus kregen wij veel meer
    informatie?
    De heer Wilzing:
    Ik denk dat je mag zeggen dat wij in de loop van de tijd een
    beter inzicht hebben gekregen, dat wij gedifferentieerder met ons
    meetinstrument aan de gang konden en dat wij daardoor ook een
    duidelijker zicht kregen. Je ziet ook in de analyses zoals die zich
    ontwikkelen van 1993 naar 1995 een meer constante vorm. Fijnaut
    spreekt over 30 35 groepen. Wij komen met 100 groepen. Het hangt er
    ook van af hoe je scala, je meetinstrument is. Twee criteria is
    laag, zeer laag, van drie tot vijf is midden en van zes tot acht is
    hoog. Misschien moet je zeggen alleen acht, maar omdat wij elke
    keer vragen en ook kritiek kregen, hebben wij gezegd: wij kunnen
    het op dit moment niet beter bedenken; als u een beter systeem
    heeft, graag. Wij hebben ook alle wetenschappers bij elkaar gezet
    in 1993. Wij hebben een uitstekende bijeenkomst gehad. Ik ben er
    helaas maar heel even bij geweest. Wij hebben toen gezegd: wie het
    beter kan, mag het zeggen, graag. Elke keer, in elke inventarisatie
    hebben wij steeds twee problemen. Ten eerste, het wordt enorm zwaar
    opgepakt en dat wilden wij helemaal niet, onder geen voorwaarde.
    Ten tweede, het is voortdurend relativeren wat erin staat. Wij
    hebben de wijsheid niet in pacht, wij zoeken naar een goede
    methode, vooralsnog lijkt ons dit een methode; wie het weet, mag
    het zeggen.
    Noot

    In totaal leverde de inventarisatie 1995.450 actieve criminele
    groepen op, waarvan het merendeel actief was in de handel in
    harddrugs (66%) en in softdrugs (39%). In totaal werden 100 groepen
    als hoog georganiseerd gekwalificeerd.

    Van de 100 hoog georganiseerde groepen zijn 44 homogeen van
    Nederlandse afkomst en 21 groepen zijn homogeen van buitenlandse
    afkomst (10 groepen afkomstig uit Turkije, 11 overige groepen uit
    Marokko, Suriname, Iran, China en Oost-Europa). De andere criminele
    groepen zijn heterogeen samengesteld. Van de 100 hoog
    georganiseerde groepen hebben 77 groepen criminele contacten met
    politie, bijzondere opsporingsdiensten, justitie, bedrijfsleven,
    openbaar bestuur, advocaten, notarissen en accountants. De aard van
    de criminele contacten blijft onduidelijk. Noot

    In totaal zijn tot nu toe 33 hoog georganiseerde groepen
    ontmanteld. Volgens de inventarisatie zijn er op dit moment nog 100
    criminele groepen actief. Tegen 34 van deze groepen loopt momenteel
    een recherche-onderzoek.

    De heer Wilzing:
    Op grond van de informatie en de kwaliteit daarvan die wij
    over die periode konden genereren bij de politie, denk ik dat wij
    naar beste kunnen de groepen eruit hebben gehaald. Wij hebben
    alleen bij het analyseren daarvan geconstateerd dat groepen die
    door de betreffende
    criminele

    inlichtingendienst aangegeven werden als buitengewoon belangrijk
    en aan te pakken niet altijd als hoogste op de lijst kwamen en dus
    ook daadwerkelijk werden aangepakt.
    Noot
    Vergelijking met de eerdere kwantitatieve analyses is nauwelijks
    mogelijk aangezien bij elke analyse een andere vragenlijst is
    gehanteerd en andere personen zijn benaderd. De inventarisatie
    geeft daarmee een beeld van een bepaald moment. De auteurs stellen
    nadrukkelijk dat het primaire doel van de inventarisatie ook is om
    te kunnen bepalen welke criminele groepen bij voorrang dienen te
    worden aangepakt. Slechts secundair geeft de inventarisatie inzicht
    in de aard en omvang van de georganiseerde criminaliteit in
    Nederland. De inventarisatie geeft een beeld, maar dat beeld is
    maar beperkt.

    De heer Gonsalves:
    (…) Wij zijn er nog niet; wij zijn op weg. Vandaar ook dat
    in de recente conferentie van het
    CBO heel lang is gesproken
    over de werking van de criteria. Wij hebben geconstateerd dat wij
    op dit moment niet beter hebben, maar wij hadden wel het gevoel dat
    het beter zou moeten. Daarom hebben wij afgesproken dat wij ermee
    door gaan. Er zijn twee werkgroepen bezig om nog voor het eind van
    het jaar een nieuwe conferentie te organiseren, waarin wij echt
    gaan proberen er verder in te gaan. Wij hebben ook gezegd dat wij
    moeten profiteren van onderzoeken van de heer Fijnaut en de zijnen
    en bekijken of wij daar methodieken uit kunnen halen om de
    prioriteitsstelling te verbeteren. Het is dus maar een voorlopige
    methode, maar wij hebben gezegd: wij moeten nu wat doen; wij kunnen
    niet eindeloos studeren en wachten, want de criminaliteit moet nu
    worden aangepakt en laten wij daarom proberen om een aantal
    criteria vast te stellen.
    Noot

    2.3.3 Beoordeling

    Het is moeilijk op basis van deze gegevens een onderbouwd
    oordeel te geven over de aard en omvang van de georganiseerde
    criminaliteit in Nederland. De minister van Justitie concludeerde
    in de nota De georganiseerde criminaliteit in Nederland
    (1992) het volgende:

    De dreiging die van de hedendaagse criminele organisaties
    uitgaat voor de Nederlandse samenleving moet naar ons oordeel
    vanwege de vergaande economische en morele implicaties zeer ernstig
    worden genomen.
    Noot

    Dit oordeel werd in deze nota niet door kwalitatief onderzoek
    nader onderbouwd. Ontegenzeggelijk is de laatste jaren de kennis
    over het verschijnsel georganiseerde criminaliteit toegenomen. De
    nadruk heeft binnen politie en justitie vooral gelegen bij de
    kwantitatieve analyses op basis van het CRI-model. De commissie
    meent dat een beter kwalitatief en kwantitatief beeld van de
    georganiseerde criminaliteit kan worden geschetst. In de afgelopen
    jaren ontbrak naar het oordeel van de commissie een dergelijk
    beeld. De noodzaak tot een meer actieve bestrijding van de
    georganiseerde criminaliteit werd allerwegen gevoeld. Dat leidde
    binnen politie, justitie, bestuur en politiek tot veel discussie,
    maar ook tot misverstanden over de ernst van de problematiek. Het
    ontbreken van een algemeen aanvaard beeld maakte dat er ook
    meningsverschillen ontstonden over de te nemen maatregelen. Omdat
    politie, justitie, bestuur en politiek het probleem van de
    georganiseerde criminaliteit verschillend interpreteerden,
    ontstonden er verschillen in de beoordeling van de te gebruiken
    methoden. De vertrouwelijkheid van de CRI-analyses droeg bij aan
    deze verscheidenheid. Een beter onderbouwd kwalitatief en
    kwantitatief beeld van de georganiseerde criminaliteit was
    wenselijk

    geweest, vooral om een werkelijke inschatting van het probleem
    en betere keuzes te kunnen maken. De basis voor het te voeren
    beleid zou minder ter discussie hebben gestaan. De keuze van de te
    onderzoeken zaken zou meer richtinggevend zijn geweest. Regering en
    parlement, maar ook de Nederlandse publieke opinie zouden de
    werkelijke problematiek van de georganiseerde criminaliteit beter
    hebben kunnen beoordelen.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken