• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Eindrapport – 7.4 Bestuurlijke rechtshandhaving

    7.4 Bestuurlijke rechtshandhaving

    7.4.1 Omschrijving

    Onder bestuurlijke rechtshandhaving verstaat de commissie in het
    kader van dit onderzoek het geheel van bestuurlijke maatregelen dat
    mogelijk is ter beheersing van de (georganiseerde) criminaliteit
    zoals het weigeren of verlenen van vergunningen, aanbestedingen of
    subsidies en het treffen van maatregelen binnen
    overheidsorganisaties. Noot

    De voorzitter:
    Wij hebben het alleen gehad over strafvordering. Vindt u ook
    dat criminele inlichtingen van de politie gebruikt moeten kunnen
    worden ten behoeve van het bestuur? Het komt dus niet tot een zaak,
    maar de informatie is wel zodanig dat het bestuur er baat bij kan
    hebben in het kader van
    bestuurlijke
    rechtshandhaving.
    De heer Corstens:
    Ja, mijn antwoord daarop is een voorzichtig: ja. Het lijkt
    mij uitermate nuttig, zeker als wij denken aan kwesties van
    verwevenheid van onderwereld met bovenwereld, waarover vanochtend
    gesproken is. Het gevaar van die verwevenheid, dat weet u beter dan
    ik, is uitermate groot en uitermate bedreigend voor de samenleving.
    Ik ben dan geneigd om te zeggen dat het onder omstandigheden en
    onder bepaalde voorwaarden zou moeten kunnen.

    Noot

    7.4.2 Bevindingen

    Verschillende overheidsorganen zijn bezig met maatregelen op het
    terrein van de bestuurlijke rechtshandhaving. Het voorkomen en
    bestrijden van integriteitsaantasting en het vergroten van de
    weerbaarheid van overheidsorganisaties zijn daarbij een belangrijk
    aandachtspunt. Het ministerie van Binnenlandse Zaken is het primair
    verantwoordelijke departement. Noot Bestuurders kunnen
    uit openbare bronnen informatie verzamelen ter voorbereiding van
    een bestuursbesluit. Daarbij zijn met name het handelsregister en
    het kadastrale register het meest belangrijk. In de praktijk zullen
    deze gegevens geen overtuigende motivering opleveren voor het
    weigeren van een vergunning, subsidie, ontheffing of gunning aan
    een bepaalde inschrijver.

    Bestuurders kunnen tevens informatie uit niet-openbare bronnen
    genereren. Deze bronnen (niet zijnde politieregisters) zijn
    onderworpen aan de Wet persoonsregistratie (GBA,
    kentekenregistratie). Bestuurders kunnen slechts vragen om deze
    gegevens: de beheerder van de registratie maakt de afweging (doel,
    individueel belang, taak, geen onevenredige schade van de privacy
    van de geregistreerde).

    Verstrekking van gegevens uit een politieregister buiten de door
    de wet genoemde limitatieve kring van personen kan niet
    plaatsvinden (Wet en Besluit politieregisters). Noot Het
    bestuur kan geen gegevens verkrijgen. Verstrekking van CID-gegevens
    is tevens onderworpen aan Wet en Besluit politieregisters. Het is
    niet mogelijk deze informatie te verkrijgen als de vrager niet is
    genoemd in het CID-privacyreglement.

    De huidige wettelijke kaders bieden nauwelijks mogelijkheden om
    op basis van een veroordeling of een vermoeden van gepleegde of nog
    te plegen strafbare feiten vergunningen, ontheffingen en subsidies
    te weigeren of in te trekken. Bij aanbesteding van grote
    bouwopdrachten kan dit wel op basis van een eerdere
    veroordeling.

    In de praktijk is een informele uitwisseling van gegevens
    ontstaan. Gegevens uit politieregisters (inclusief CID-registers)
    worden soms aan het bestuur verstrekt. De commissie heeft vele
    voorbeelden aangetroffen waarin politie en justitie bestuurders
    inlichten op basis van vertrouwelijke informatie uit CID-registers.
    Bestuurders hebben tevens afwijzende beslissingen genomen op basis
    van CID-informatie. Tot nog toe zijn er geen schadeclaims
    gevolgd.

    De heer Paulissen:
    … Vaak is het een kwestie van tijd. Dat wil zeggen, de
    tijd waarop het niet kan dat wij die informatie uitgeven. Bij veel
    van die gevallen zie je dat later, uiteindelijk, blijkt dat er toch
    wel iets mis is, dus dat je er in een strafrechtelijk onderzoek
    uiteindelijk wel achter komt. Natuurlijk is het zo dat er nu een
    situatie is waarin die aannemer zich niet kan verdedigen. Dat kan
    ook niet. Ik zou ook geen manier weten waarop dat kan. Wij maken de
    afweging heel zorgvuldig. Wij praten nu over het systeem, alsof wij
    dat dagelijks doen. Het is nu in n concreet geval gebeurd. Daarbij
    hebben wij gezegd: wij hebben zo’n duidelijke aanwijzingen en wij
    vinden de aard van het gebouw zo cruciaal dat…
    De voorzitter:
    Wat voor gebouw was het?
    De heer Paulissen:
    Een politiebureau. Wij hebben gezegd: wij vinden het zo
    cruciaal dat wij het gewoon niet willen. Wij hebben het in de verre
    voorfase gedaan. Als de aannemer in de aanbesteding had gezeten en
    als hij zich had ingeschreven, was hij gewoon doorgegaan. In een
    verre voorfase ga je proberen om het te verhinderen. (…) Het gaat
    uiteindelijk maar om dat ene gebouw. Ik zou het anders zien als ik
    hiermee die man een stigma oplegde waardoor hij nergens meer zou
    kunnen bouwen. Ik maak voor mij zelf deafweging tussen doel en
    middel. Als er een overheidsgebouw wordt neergezet en als wij het
    risico lopen dat dit gebeurt door een aannemer waarvan wij goede
    informatie hebben dat die niet helemaal lekker zit, dan… Als ik
    daarmee naar buiten zou gaan of als ik het zou laten uitlekken,
    waardoor ik die man een stempel opplak, dan doe ik hem heel veel
    onrecht. Nu wordt hem op een min of meer subtiele manier deze ene
    aanbesteding onthouden. Ik heb daar niet het gevoel bij dat ik de
    werkgelegenheid en die man in het bijzonder…
    De voorzitter:
    U wilt niet in een politiebureau werken dat eventueel met
    crimineel geld neergezet is. Daar kan ik mij iets bij voorstellen.
    Aan de andere kant, kan die aannemer zeggen: die man vergist zich
    verschrikkelijk. Het blijft altijd in een schemergebied
    hangen.
    De heer Paulissen:
    Ja. Noot
    De voorzitter:
    Heeft u het wel eens bij de hand gehad dat u informatie
    kreeg uit de CID- sfeer terwijl u op het punt stond om een bepaalde
    beslissing te nemen?
    De heer d’Hondt:
    Heel zelden. Ik heb het een keer bij de hand gehad bij de
    mogelijke verkoop van het politiebureau zelf. Dat was overigens
    geen echte CID-informatie, maar informatie van mensen die bij
    de
    CID werkten. Het ging om de eigen organisatie; de CID
    was in dat gebouw gehuisvest en de dienst was dus genteresseerd
    in de gegadigden voor dat gebouw. Er was harde informatie over de
    betrokkene uit de strafregisters en de justitile documentatie, maar
    die was uit een ver verleden. Maar er was ook recente informatie
    bekend bij degenen die bij de
    CIDwerkten. Het ging echter
    niet om een
    CID-subject, zodat de gegevens boterzacht waren.
    Je vraagt je in zo’n geval dan ook af, wat je ermee kunt doen, maar
    zulke informatie kan wel een rol spelen.
    De voorzitter:
    Wat heeft u ermee gedaan?
    De heer d’Hondt:
    Wij hebben de informatie in die zin gebruikt dat wij tegen
    de betrokkene hebben gezegd dat het verstandig zou zijn, van de
    transactie af te zien. En op de vraag waarop dat berustte, hebben
    wij gezegd dat hij het in die sfeer moest zoeken.
    De voorzitter:
    Ik begrijp uw bezorgdheid wel als zoiets zich voordoet,
    zeker als het om een politiebureau gaat, maar u spreekt van
    antecedenten uit een ver verleden. Die mogen toch in het normale
    rechtsverkeer geen rol spelen. En verder noemt u informatie van
    politie- ambtenaren bij de
    CID, die geen CID-informatie
    is.
    De heer d’Hondt:
    Maar die informatie leidde wel voor 100% tot de overtuiging
    dat die transactie niet moest worden gesloten.
    De heer Rouvoet:
    Mag ik het u dan iets concreter vragen? In dit verband
    worden termen als integrale veiligheid of integrale
    rechtshandhaving gebruikt. De politie verzamelt informatie ten
    behoeve van het bestuur; kan dan naar believen de strafvorderlijke
    weg, de fiscale weg of de bestuurlijke weg gevolgd worden en kan
    iedereen gebruik maken van de informatie in die bak, bijvoorbeeld
    CID-informatie, die niet altijd even hard is?
    De heer d’Hondt:
    Als het om justitile documentatie, strafregisters en
    politieregisters gaat, is de zaak duidelijk. Dat is goed
    geregeld, ook voor CID-informatie. Maar gebruik maken van
    CID-informatie, zeker als het gaat om de grijze registers, is
    berhaupt niet doenlijk. Ook de andere CID-informatie is niet
    bedoeld om hiervoor gebruikt te worden, maar er zijn grensgevallen.
    Kan CID-informatie die buiten een bepaald circuit eigenlijk tot de
    algemene informatie van de politie behoort, een rol spelen bij het
    nemen van beslissingen ten aanzien van bijvoorbeeld de
    politie-organisatie zelf? Je moet dan bekijken tot hoe ver je kunt
    gaan.
    Noot
    De heer Koekkoek:
    Ik geef een ander voorbeeld. Hebt u voorkomen dat een
    CID- subject of een verdachte een bepaalde officile functie zou
    gaan vervullen? Bij officile functies kunt u denken aan een
    burgemeester of een rechter.
    De heer Paulissen:
    Dat heeft wl gespeeld. Wij beschikten over CID-informatie
    dat een persoon zich bezighield met strafbare feiten en dat die
    persoon geopteerd had voor rechter-plaatsvervanger. Wij hebben toen
    gezegd: dat is een heel kwalijke ontwikkeling, wij moeten met de
    hoofdofficier en de PG bespreken wat wij daar concreet mee kunnen
    doen om het tegen te houden. Toen zijn op een gegeven moment uit de
    eigen omgeving, het eigen vakgebied, van de man geluiden gegaan
    naar degene die de beslissing moest nemen over de plaatsing. Die
    geluiden zijn ons vr geweest. Anders hadden wij of via de PG het
    contact gelegd om te zeggen: wij hebben deze informatie en wat
    betekent dit voor de plaatsing van deze persoon?
    De heer Koekkoek:
    Aan de ene kant hebt u de informatie doorgespeeld binnen
    hetopenbaar ministerie, maar aan de andere kant constateerde u dat
    vanuit de desbetreffende beroepsgroep ook al enig rumoer was
    ontstaan waardoor het uiteindelijk toch niet doorging.
    De heer Paulissen:
    Ja.
    De voorzitter:
    Maar de president van de desbetreffende rechtbank heeft het
    toch ook uit uw koker gehoord?
    De heer Koekkoek:
    Is het u bekend dat de informatie hem bereikt heeft vanuit
    het openbaar ministerie?
    De heer Paulissen:
    Ik weet dat er contact gelegd zou worden tussen het openbaar
    ministerie en de desbetreffende rechter.
    De heer Koekkoek:
    Tussen de procureur-generaal en de president van de
    rechtbank?
    De heer Paulissen:
    Ja. Ik ga ervan uit dat het op die manier gebeurd is. Je
    kunt uiteindelijk alleen maar voor je zelf spreken. Laat ik het zo
    zeggen: ik heb het gegeven aan de hoofdofficier-PG, met de
    bedoeling dat er iets mee gedaan werd.
    Noot
    De heer De Graaf:
    Mijnheer Van Riessen, mede gelet op de tijd kom ik nog op n
    onderwerp, namelijk uw betrokkenheid bij het project van de
    noord-zuidlijn, de metroverbinding. Wij hebben eerder begrepen dat
    daar een bestuurlijk project aan gekoppeld is waarin politie en
    gemeente samenwerken. Waarom precies? Kunt u dat aangeven?
    De heer Van Riessen:
    Het is een samenwerking tussen bestuur, politie en openbaar
    ministerie. Ook Coopers & Lybrand werkt daaraan mee. De
    bedoeling hiervan is, een methodiek te ontwerpen om te bekijken of
    wij de aanbesteding van een groot project, zoals de noord-
    zuidlijn, kunnen beveiligen tegen invloeden van vormen van
    georganiseerde misdaad. Hoe doe je dat dan? Je kunt wel zeggen:
    jongens, ga eens even de aanbesteding beveiligen. Dat gaat echter
    niet zo maar. Er zit dus een hele voorstudie aan vast om een
    screening-model op te bouwen om tot die beveiliging te
    komen.
    De heer De Graaf:
    Hoever bent u nu? Ik had begrepen dat u in het
    najaar…
    De heer Van Riessen:
    Binnenkort komt de eerste studie van de projectgroep op
    tafel bij de driehoek. In die studie wordt aangegeven dat er een
    model is te bouwen waarbij je niet in eerste instantie een beroep
    doet op politiegegevens, CID-gegevens. Neen, de lijn gaat veel meer
    naar een andere kant. Bedrijven die aanbesteden en inschrijven,
    worden van te voren in een soort pre-kwalificatie helemaal
    nagetrokken, gescreend. En dat kan wettelijk ook. Op grond van de
    Europese wetgeving is het mogelijk om die screening te doen.
    (…)
    Noot

    Er bestaat een grote behoefte bij politie, justitie en bestuur om
    mogelijkheden te creeren voor de uitwisseling van informatie tussen
    politie, justitie en bestuur.
    Het openbaar bestuur tracht door preventieve maatregelen deze
    vraagstukken te vermijden. In veel gevallen zal het bestuur
    informatie kunnen vergaren doordat de aanvrager van een vergunning,
    ontheffing of subsidie dan wel de intekenaar op een aanbesteding
    zelf informatie moet aandragen. Op deze manier wordt thans getracht
    te voorkomen dat criminele organisaties zich vermengen met de
    bovenwereld.

    7.4.3 Beoordeling

    De commissie is van oordeel dat de huidige situatie niet kan
    worden gehandhaafd. Politie, justitie en bestuur wisselen nu
    informeel allerlei informatie uit. Er bestaat veel onduidelijkheid
    over wat er met die informatie kan en moet gebeuren. Voor een
    effectieve en rechtsstatelijk verantwoorde opsporing en vervolging
    is het noodzakelijk dat politie, justitie en bestuur vertrouwelijke
    informatie kunnen uitwisselen. Het bestuur moet met het oog op
    nauwkeurig omschreven doeleinden op de hoogte kunnen zijn van
    informatie waarover politie en justitie beschikken. De commissie is
    van oordeel dat een zodanige normering moet plaatsvinden dat
    uitwisseling van deze gegevens mogelijk wordt gemaakt. Een
    moeilijker vraagstuk is of het bestuur CID-informatie kan gebruiken
    als grond voor afwijzing van een verzoek om vergunning of een
    aanbesteding. CID-informatie alleen kan naar het oordeel van de
    commissie geen grond zijn voor een negatieve beslissing. Door
    politie, justitie en bestuur moet een gezamenlijke inschatting
    worden gemaakt van de betrouwbaarheid van de gegevens.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken