• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Eindrapport – 8.4 Ondersteunende diensten

    8.4 Ondersteunende diensten

    8.4.1 Inleiding

    De CID-en en de tactische recherche maken gebruik van
    verschillende ondersteunende eenheden. Het gaat daarbij om eenheden
    die werkzaamheden met een geheim karakter verrichten, met name
    observatie-acties. De commissie heeft onderzoek gedaan naar de
    organisatie en het functioneren van observatieteams (OT’s),
    arrestatieteams (AT’s), Secties technische ondersteuning (STO’s),
    de Dienst technisch operationele ondersteuning (DTOO) van het Korps
    landelijke politiediensten (KLPD), de politile infiltratieteams
    (PIT’s) en de bureaus financile ondersteuning (BFO’s).

    De commissie heeft alle regio’s gevraagd relevante documenten
    over deze ondersteunende diensten toe te sturen. In verschillende
    regio’s zijn uitgebreide interviews gehouden met leden van deze
    diensten. Tenslotte heeft de commissie enkele leden van deze teams
    gehoord teneinde een beeld te kunnen krijgen van de activiteiten
    van deze teams.

    8.4.2 Werkzaamheden, juridische basis en omvang

    Een OT houdt zich bezig met het onopvallend waarnemen van
    bewegingen van verdachten, CID-subjecten en anderen. Niet elke
    politieregio beschikt over een observatieteam. In een aantal
    gevallen wordt interregionaal samengewerkt. Van de bijzondere
    opsporingsdiensten beschikken de FIOD en de AID over een eigen OT.
    Hiervan wordt bij capaciteitsgebrek ook door de politie gebruik
    gemaakt. De omvang van de OT’s varieert, onder meer afhankelijk van
    de omvang van de regio, van tien tot zestig personen. Nederland
    heeft vijf Schengen-observatieteams ingesteld die op verzoek van
    het buitenland observatiewerkzaamheden in Nederland uitvoeren. Deze
    OT’s verrichten in de praktijk veelal reguliere
    observatiewerkzaamheden voor de regio’s, maar zijn te allen tijde
    inzetbaar voor het uitvoeren van buitenlandse verzoeken.

    De acht AT’s in Nederland houden zich het grootste deel van de
    tijd bezig met het aanhouden van vuurwapengevaarlijke verdachten.
    Daarnaast assisteren zij de CID-en en de tactische recherche bij
    enkele zeer specifieke observatiemethoden. Noot Vanwege
    technische en andere vaardigheden worden zij geregeld ingezet voor
    inkijkoperaties en het plaatsen van plaatsbepalingsapparatuur.
    Hoewel dit soort bezigheden niet specifiek vermeld staat in de
    taakomschrijving van de AT’s, is het de commissie gebleken dat
    CID-en en tactische recherche met enige regelmaat hiervoor gebruik
    maken van deze AT’s. Tegenwoordig bedienen de meeste
    arrestatieteams meer dan n regio en worden zij dan ook door meer
    dan n regio via convenanten gefinancierd. Of inkijkoperaties en het
    onopgemerkt aanbrengen van apparatuur ook tot de werkzaamheden
    behoren, staat soms wel en soms niet in die convenanten vermeld.
    Dat soort werkzaamheden wordt in ieder geval niet genoemd in het
    Besluit beheer regionale politiekorpsen (BBRP). Naast het AT voert
    ook het OT, behalve de genoemde functies in het BBRP, nog andere
    taken uit. De taken van de STO en de DTOO zijn niet vastgelegd in
    op de wet gebaseerde regelingen. De STO’s verzorgen de technische
    kant van het observeren van personen, zoals het plaatsen van
    video-camera’s. Zij hebben onder andere audio-, video- en
    radio-apparatuur en eenvoudige plaatsbepalingsapparatuur ter
    beschikking ten behoeve van de recherche. De STO’s onderhouden de
    apparatuur en vervaardigen specifieke toepassingen van bestaande
    apparatuur. Door hun technische kennis worden zij ook ingeschakeld
    als die apparatuur moet worden aangebracht en in werking gesteld.
    De STO bestaat bij de meeste korpsen maar uit enkele personen.

    Het OT en de STO zijn soms onderdeel van de CID en soms
    onderdeel van een ander deel van de recherche. Per regio zijn het
    OT en de STO verschillend georganiseerd. De capaciteit van het OT
    is veelal onvoldoende om aan alle aanvragen tot observatie te
    voldoen.

    De Dienst technische operationele ondersteuning van het KLPD is
    een landelijke dienst die technische ondersteuning bij
    observatiewerkzaamheden verleent, apparatuur uitleent en
    faciliteiten als het videolaboratorium ter beschikking stelt (zie
    verder tabel). Ook worden wel eens inkijkoperaties verricht
    wanneer
    deze onder moeilijke omstandigheden moeten worden uitgevoerd. Het
    plaatsen van peilbakens is een specialisme van de DTOO. De DTOO
    beschikt over een sleutelcentrale, waardoor het in principe
    mogelijk is alle sloten te openen. Nagenoeg alle korpsen maken
    gebruik van deze dienst.

    Assistentie aanvragen in recherchezaken van alle regio’s aan
    het DTOO in 1995 en 1994

    Tabel

    Over de jaren 1992 en 1993 is slechts het totale aantal
    verzoeken om assistentie in recherchezaken bekend. Dit zijn
    respectievelijk 485 en 806 aanvragen. Uit deze gegevens, inclusief
    de totalen uit de tabel, blijkt een aanzienlijke toename van
    assistentieverzoeken aan het DTOO over de afgelopen vier jaren.
    Over 1992-1994 zijn de cijfers over daadwerkelijke inzetten
    niet paraat, maar de gegevens hierover uit 1995 geven een
    indicatie. Vijftien procent van de verzoeken om assistentie wordt
    niet ingewilligd. Redenen van tactische, technische of juridische
    aard liggen hieraan ten grondslag. Om het gebruik van het
    videolaboratorium, sema-kloon en het plaatsen van peilbakens blijkt
    het meest verzocht te worden. Over 1992 en 1993 is het mogelijk om
    de gegevens over aantallen assistentieverzoeken uit te splitsen
    naar politieregio, de KLPD en overigen. Onder overigen vallen de
    bijzondere opsporingsdiensten, de Koninklijke marechaussee en de
    kernteams. De korpsen die in beide jaren de meeste verzoeken om
    assistentie hebben ingediend zijn achtereenvolgens Utrecht,
    Amsterdam-Amstelland en het KLPD. Met de evolutie van de relatief
    eenvoudige pseudokoop naar complexere vormen van
    politie-infiltratie zijn in 1992 professionele politile
    infiltratieteams (PIT’s) opgericht. Deze teams houden zich
    exclusief bezig met politile infiltratie-acties. Een model-PIT
    bestaat uit vier infiltranten en vier begeleiders. Dit zijn bij
    voorkeur zowel mannelijke als vrouwelijke politiefunctionarissen.
    Verder is er nog een chef en een administratieve kracht toegevoegd.
    De begeleiding van politie-infiltranten vindt plaats onder
    verantwoordelijkheid van de chef van het PIT en niet van het
    kernteam of het regionale korps dat om de infiltratie heeft
    verzocht. De laatste jaren stond de politie drie PIT’s ter
    beschikking. Deze bevinden zich in het zuiden (Den Bosch), oosten
    (Apeldoorn) en noorden (Assen). In 1994 telden deze teams
    respectievelijk 11, 7 en 4 medewerkers. Het PIT in het noorden is
    slechts op halve sterkte. De oprichting van een landelijk politieel
    infiltratieteam is half voltooid en telt drie leden. Dit team zal
    zich vooral bezighouden met internationale verzoeken. In Haaglanden
    en Rotterdam-Rijnmond bestaan ook plannen om tot oprichting van een
    PIT te komen. Op dit moment is volgens velen een gebrek aan
    politie-infiltranten.

    De voorzitter :
    Op dit moment zijn er slechts 25 volledige infiltratiebanen
    in Nederland. Is dat juist?
    De heer Karstens:
    Ja, ik heb al eerder aangegeven dat het mij enigszins
    teleurstelt dat sinds de reorganisatie van de Nederlandse politie
    het aantal plaatsen is teruggelopen tot 25. In 1992 sprak ik nog
    over 75 plaatsen.

    Noot
    Echter, de commissie stelt vast dat de PIT’s over het algemeen het
    aantal verzoeken goed kunnen afhandelen. Volgens art. 11
    Beheersbesluit beschikt een regionaal politiekorps zelfstandig of
    samen met andere korpsen over een BFO. Dit is onder meer belast met
    het inwinnen van gegevens van financile aard ten bate van
    opsporingsonderzoeken teneinde het wederrechtelijk verkregen
    voordeel vast te stellen. Op verzoek ondersteunt het BFO de RCID
    door het inwinnen en analyseren van gegevens van financile aard uit
    een CID-register. De Regeling bureaus financile ondersteuning van
    25 maart 1994, Stc 64, bepaalt onder meer dat het bureau tenminste
    is samengesteld uit een hoofd, twee politie-ambtenaren met ervaring
    als tactisch rechercheur, twee politie-ambtenaren die aantoonbaar
    boekhoudkundig zijn onderlegd en een administratief medewerker. De
    meeste BFO’s zijn volgens het model van de regeling opgebouwd. Per
    regio zijn wel grote verschillen ten aanzien van de plaats in de
    organisatie.

    De heer Rouvoet:
    De verhouding tussen het BFO en de regionale CID
    is niet altijd even helder. Draait een BFO alleen in een
    tactisch onderzoek mee of is er ook een financile
    voorfase?
    De heer Van Gemert:
    Nee. Ik kan alleen maar over de situatie in Amsterdam
    spreken. Daar maakt het
    BFO geen onderdeel uit van de
    CID. Het valt evenmin onder dezelfde chef. Het BFO is
    onderdeel van het Bureau tactiek.
    De heer Rouvoet:
    Zo is de organisatie, maar nu de praktijk. Draait het
    BFO mee in CID-activiteiten?
    De heer Van Gemert:
    Nee.
    De heer Rouvoet:
    Gebeurt dat alleen in Amsterdam zo of is dat overal
    zo?
    De heer Van Gemert:
    Bij mijn weten is dat wel verschillend. In Amsterdam draait
    het
    BFO daarin niet mee. Het enige wat ik mij kan
    herinneren, is dat er ooit naar aanleiding van informatie is
    gevraagd om toelichting op informatie van een
    informant. Er
    werd toen dus om deskundigheid gevraagd, laat ik het zo zeggen.
    Een

    accountant vertelde iets over de opbouw van een jaarrekening,
    dat soort zaken.
    Noot
    In de praktijk zijn bij alle BFO’s ook andere financile
    deskundigen, zoals (formeel vanuit de FIOD gedetacheerde)
    belastingambtenaren, gedetacheerd of accountants.

    Opleiding en cordinatie

    Voor het werken bij een OT of AT is een opleiding van meer dan
    tien weken verplicht. Bovendien wordt in de teams later nog ruim
    aandacht besteed aan het bijhouden van vaardigheden. De
    voortgezette opleidingen en trainingen van de acht AT’s worden in
    Rotterdam gecordineerd en hebben overal dezelfde inhoud. Ook de
    procedures, de afspraken, de technieken en de tactieken zijn
    gelijk. Er bestaat een Landelijk Contact Arrestatieteams (LCA), dat
    uit een beleidsmatige en een operationele component bestaat. Het is
    niet duidelijk in hoeverre deze vergaderingen met de praktijk van
    de AT’s van doen hebben. De DTOO werft onder leden van
    arrestatieteams, zodat men behalve van technische expertise ook
    verzekerd is van basisvaardigheden. Voor de STO geldt geen eis van
    vooropleiding. Er is wel veel keuze in onverplichte cursussen. Het
    Landelijk informatiepunt politile observatie (LIPO) en het
    Landelijk contact observatie (LCO) proberen enige afstemming te
    realiseren tussen de OT’s in het land. Het Landelijk cordinatiepunt
    grensoverschrijdende observatie (LCGO) is het scharnierpunt voor de
    observatie in en vanuit het buitenland. Het LCGO vervult vooral de
    administratieve functie ten behoeve van een eventueel later
    strafproces. Politie-infiltranten voor een PIT worden geselecteerd
    uit vrijwilligers uit de gehele politiedienst, dus niet (zoals in
    het verleden) alleen uit arrestatie- en/of observatieteams. Deze
    personen -er zijn ook vrouwelijke infiltranten- worden onder meer
    geselecteerd aan de hand van een psychologische test en de cursus
    aan de Rechercheschool. Het komt voor dat cursisten worden
    afgewezen omdat zij te fanatiek zijn, te weinig
    improvisatievermogen hebben, te kampen hebben met morele problemen,
    de politiehouding niet kunnen loslaten enzovoort.
    Politie-infiltratie geschiedt onder auspicin van de Afdeling
    nationale cordinatie politile infiltratie (ANCPI) van de CRI. De
    ANCPI cordineert de werkzaamheden van de politile infiltratieteams.
    De cordinerende rol van de ANCPI is groot, wellicht het grootst van
    alle diensten van het KLPD. Een formele basis daarvoor is er niet.
    Niettemin neemt de ANCPI zowel financieel als materieel
    (bijvoorbeeld bij het verlenen van valse identiteiten) een
    sleutelpositie in.

    De voorzitter:
    In het rapport-De Wit wordt in feite verschil gemaakt tussen
    een
    politie-infiltrant die een valse identiteit
    aanneemt en anderen. Waarom is dat verschil zo
    belangrijk?
    De heer Karstens:
    Als je de definitie van infiltratie neemt zoals die
    recent is opgenomen in de eindrapportage van de werkgroep

    infiltratie, dan is infiltratie nog steeds het al dan
    niet met behulp van een
    valse identiteit binnendringen in
    het milieu door buitenstaanders. Ik heb weleens gezegd dat de
    woorden al dan niet kunnen worden vervangen. Want als wij
    binnendringen in criminele organisaties dan zal dat per definitie
    met behulp van een
    valse identiteit gebeuren. Ik acht het
    niet toelaatbaar en niet gewenst dat mensen onder eigen identiteit
    binnendringen, in ieder geval als het politiemensen
    betreft.
    De voorzitter:
    Dus alle politie-infiltranten gebruiken een valse
    identiteit?
    De heer Karstens:
    Alle politile infiltranten die door mij gecordineerd worden,
    hebben een
    valse identiteit.
    De voorzitter:
    Geeft u die identiteit?
    De heer Karstens:
    Een van de dingen die ik versta onder facilitaire
    dienstverlening is het verstrekken van een valse identiteit.

    Noot

    Het hoofd en de medewerkers van een BFO dienen de
    BFO-vervolgopleiding aan de rechercheschool te hebben gevolgd.

    8.4.3 Methoden

    Geheimhouding en openbaarheid

    De activiteiten van deze ondersteunende diensten worden veelal
    niet in het zittingsdossier vermeld. De leden van deze teams
    hechten sterk aan het geheime karakter van hun werkzaamheden.
    Daarbij is de stelling dat, indien personen die betrokken zijn bij
    criminele organisaties op de hoogte geraken van de
    observatiemethoden die door de teams worden gehanteerd, deze hun
    effectiviteit verliezen. De precieze wijze van observeren en de
    positie van waaruit is geobserveerd worden nagenoeg steeds geheim
    gehouden. OT’s en AT’s functioneren veelal vanuit een afgeschermde
    lokatie. De chef maakt proces-verbaal op van de werkzaamheden van
    de leden en getuigt eventueel ter terechtzitting. Dit om te
    voorkomen dat de leden zelf moeten getuigen. Daarmee zouden zij hun
    eigen identiteit prijsgeven en niet meer kunnen functioneren als
    observant.
    Als het gaat om geheimhouding, is de status van OT, AT en STO niet
    duidelijk. Zij werken immers soms in het (open) tactische traject,
    soms in het (gesloten) CID-traject. Het is niet altijd duidelijk
    welke activiteiten die uitgevoerd moeten worden voor de CID wel en
    welke niet geheim moeten blijven voor de tactische recherche. Als
    antwoord op dit probleem wordt de laatste tijd in toenemende mate
    de volgende werkwijze gehanteerd. De tactische recherchechef en de
    zaaksofficier worden vooraf op de hoogte gebracht van de methode
    die de CID of de ondersteunende diensten zullen hanteren om aan
    informatie te komen. Hoe de methode precies gehanteerd wordt
    vernemen zij niet; de hoe-vraag wordt wel besproken in het overleg
    tussen CID-chef en CID-officier. Hoewel, ook lang niet altijd zijn
    CID-chefs precies op de hoogte van de werkwijzen van de
    ondersteunende diensten.

    De inzet van methoden door de ondersteunende diensten vindt
    altijd plaats op aanvraag en onder verantwoordelijkheid van een
    andere dienst. Zij toetsen niet zelf of de actie geoorloofd is,
    maar vragen aan de aanvrager of de benodigde toestemming verkregen
    is.

    Methoden OT’s

    De voornaamste activiteit van observatieteams is het waarnemen
    van de bewegingen en activiteiten van verdachten en andere personen
    die in de belangstelling van de recherche staan. Vaak gebeurt dit
    vanuit auto’s, maar ook op de fiets, te voet of vanuit de lucht met
    behulp van vliegtuigen. Observatieteams werken de meeste tijd voor
    de tactische recherche en soms voor de CID. In het laatste geval
    dienen ze veelal te onderzoeken of de informatie die een informant
    geeft klopt. Soms wordt ook nagegaan of de informant doet wat hij
    zegt te doen. Het werken voor de CID kan ook bestaan uit het in
    kaart brengen van de activiteiten en contacten van personen van wie
    wordt vermoedt dat ze strafbare feiten plegen. Als OT’s voor de
    tactische recherche werken, is de observatie meer direct gericht op
    het vaststellen van betrokkenheid bij strafbare feiten. Ook houden
    OT’s partijen die, al dan niet tactisch, gecontroleerd moeten
    worden afgeleverd of doorgelaten onder observatie.

    In principe kunnen personen die zich in de publieke ruimte
    bevinden worden geobserveerd. De observaties worden bijvoorbeeld
    met behulp van speciaal geprepareerde busjes of vermommingen
    uitgevoerd. Zo wordt melding gemaakt van het zich verkleden als
    toerist om onopvallend foto’s te kunnen maken. Gewaagder is het om
    te doen voorkomen dat men in een loods werkt en daar brutaalweg
    sjouwend met een doos binnen te lopen.

    Het OT maakt meestal verschil tussen gluren en inkijken.
    Regelmatig wordt door spleten en kieren en over muurtjes gekeken,
    door een raam of een gat in de heg of wordt een oor tegen een
    schuur gelegd. Ook vanuit een privtuin een woning observeren of
    over een schutting het uitladen van een auto op privterrein met
    video vastleggen vindt men niet iets wat uitvoerig besproken moet
    worden en wat voorafgaande toestemming vereist. Naar binnen kijken
    in een woning achten bijna alle leden van een OT ongeoorloofd. In
    incidentele gevallen neemt het OT een vuilniszak mee om de inhoud
    daarvan te onderzoeken. Daarnaast beschikken OT’s over een
    standaarduitrusting van verrekijkers, nachtkijkers, videocamera’s
    en foto-camera’s. Direct afluisteren gebeurt slechts
    incidenteel.

    Een OT maakt melding van een postbus waarin
    microfoontjes zijn aangebracht die van binnen uit gericht kunnen
    worden, zodat men tot 50 meter in de omgeving kan afluisteren. Dit
    bleek niet effectief, vanwege het omgevingsgeluid. Uit enkele
    regio’s meldt men het afluisteren in horeca-gelegenheden waarbij
    subjekten en rechercheurs aan belendende tafeltje zaten. Ze
    verstonden overigens erg weinig.
    De meeste regio’s laten de
    waarnemingen, soms zelfs de complete OT-verslagen en de
    afgeluisterde gesprekken over de autotelefoon, registreren bij de
    CID. Deze is in principe ook verantwoordelijk voor de uitgifte.
    Eventueel proces-verbaal wordt opgemaakt door de teamleider van het
    OT.

    De heer Kloosterman:
    Eh, wij krijgen een soort van opdracht mee waarin gevraagd
    wordt of wij een bepaalde handeling kunnen vastleggen, dat kunnen
    zien, een overdracht van het maakt niet uit wat, verdovende
    middelen, gestolen televisies en noem maar op. Daarvoor gaan wij de
    straat op. En dat proberen wij vast te leggen. En daar kan een
    tactisch team mee werken.
    De voorzitter:
    Maar hoe lang? Het gaat meestal toch op een paar mensen of
    op een auto of op een huis?
    De heer Kloosterman:
    Ja, je hebt onderzoeken waar wij vrij lang op zullen werken
    en je hebt onderzoeken die eenmalig zijn. Eh, maar in feite wordt
    dat allemaal beslist door het hoofd
    CID. Dat is mijn
    pakkie-an eigenlijk niet zo. Ik doe eigenlijk wat mij opgedragen
    wordt.
    Noot

    Methoden AT’s

    Het merendeel van het werk van AT’s heeft niets te maken met het
    gebruik van bijzondere opsporingsmethoden. De commissie heeft
    desondanks gemeend aandacht te moeten besteden aan de activiteiten
    van AT’s omdat zij een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling
    van inkijkoperaties. De AT’s hebben met de DTOO min of meer het
    monopolie op het uitvoeren van inkijkoperaties.

    De heer Koekkoek:
    Bij die neventaken denk ik bijvoorbeeld aan
    inkijkoperaties. Doet u die nog steeds in Rotterdam?
    De heer Broere:
    Als wij een verzoek daartoe krijgen, doen wij dat nog
    steeds.
    De heer Koekkoek:
    Wanneer is dat voor het laatst gebeurd?
    De heer Broere:
    Ik kan mij niet herinneren dat wij de laatste twee jaar in
    Rotterdam een
    inkijkoperatie hebben gedaan. Zolang de
    huidige chef
    RCID er is – de heer In ‘t Veld – is de
    afspraak, dat hij degene is die dit bepaalt en het aan persoonlijk
    aan mij terugkoppelt.
    De heer Koekkoek:
    En voor andere korpsen?
    De heer Broere:
    Wij werken ressortelijk. Wij zijn ingebed in de organisatie
    van Rotterdam-Rijnmond. Wij werken voor vijf regiokorpsen. De
    laatste mij bekende
    inkijkoperatie is van februari dit
    jaar.
    De heer Koekkoek:
    Uitgevoerd door uw mensen?
    De heer Broere:
    Ja, uitgevoerd door mijn mensen.
    De heer Koekkoek:
    Is u bekend of de officier van justitie daarvoor toestemming
    heeft gegeven?
    De heer Broere:
    Daar gaan wij van uit. (…) Noot Inkijken
    vindt bijna altijd plaats in ruimten als schuren, loodsen,
    containers en garages. Inkijken in woningen komt slechts in
    uitzonderingssituaties voor. Daarbij doen zich wel grensgevallen
    voor zoals het inkijken in een bijkeuken die aan het woonhuis
    grenst. De frequentie van het aantal inkijkoperaties door AT’s is
    moeilijk vast te stellen. Van een systematische verslaglegging is
    weinig gebleken. Desondanks bleek het mogelijk een soort overzicht
    te maken. Tabel Vroeger maakten de AT’s geen proces-verbaal op van
    een inkijkoperatie, maar werd de verkregen informatie mondeling, al
    dan niet via de CID, doorgegeven aan de aanvrager. Het niet opmaken
    van proces-verbaal paste in de sfeer van geheimhouding waarin de
    inkijkoperaties werden uitgevoerd. Voorzover zij nog plaatsingen
    van apparatuur en inkijkoperaties uitvoeren, hanteren bijna alle
    AT’s tegenwoordig het uitgangspunt dat daarvan proces-verbaal moet
    worden opgemaakt. In dat proces-verbaal staat niet de techniek van
    binnentreden vermeld, maar wel staat dat er is binnengetreden en
    wat men heeft aangetroffen of heeft geplaatst. De indruk bestaat
    dat in het afgelopen jaar het aantal inkijkoperaties is
    teruggelopen.

    Methoden STO’s

    De STO’s stellen allerlei apparatuur en technische kennis ter
    beschikking aan de tactische recherche of de CID. Deze secties
    hebben vooral veel werk aan het plaatsen van statische
    videocamera’s. Zij hebben onder andere veel gexperimenteerd met het
    afluisteren met richtmicrofoons of bugs. In de praktijk van de
    opsporing wordt dit middel enkele malen per jaar ingezet, ook al
    ontbreekt daarvoor een wettelijke basis. De ervaringen met direct
    afluisteren zijn veelal negatief. Door de grote hoeveelheid
    bijgeluiden zou nauwelijks bruikbaar geluid kunnen worden
    opgevangen. Direct afluisteren met toestemming van n van de
    deelnemers komt vaker voor. Een infiltrant of een informant, soms
    ook een aangever die in overleg met de politie meer bewijs gaat
    verzamelen tegen een verdachte, kan een microfoontje krijgen, dat
    onzichtbaar voor derden wordt meegedragen. De STO zorgt voor het
    apparaatje en voor onzichtbare montage. Een STO beschikt veelal
    over n of meer auto’s met video-apparatuur voor waarnemingen op de
    openbare weg.

    STO’s volstaan vaak met het bijhouden van een
    uitleen-administratie, met behulp waarvan zij indien nodig
    proces-verbaal kunnen opmaken.

    Methoden DTOO

    Indien de regio’s bij de opsporing hoogwaardige apparatuur of
    specialistische technische kennis nodig hebben,
    wordt de landelijke dienst, de DTOO, ingeschakeld. De DTOO houdt
    zich vooral bezig met uitleen en plaatsing van videocamera’s en
    plaatsbepalingsapparatuur. De DTOO verrichtte in 1995 ruim 350
    plaatsingen (zie tabel in paragraaf 8.4.2).

    De voorzitter:
    U plaatst die apparatuur ook?
    De heer Hellemons:
    Ja, wij plaatsen die apparatuur ook.
    De voorzitter:
    Hoe plaatst u die apparatuur?
    De heer Hellemons:
    Ik kan u niet precies vertellen hoe wij die apparatuur
    plaatsen. Ik kan u wel vertellen dat wij daarvoor een aantal
    specialisten in dienst hebben, wel eens wat gemakkelijk en snel
    aangeduid als de sectie stiekem uit Driebergen.
    De voorzitter:
    Dat is toch geen gekke naam.
    De heer Hellemons:
    Ik vind dat een naam die niet helemaal recht doet aan
    hetgeen daar gebeurt. Aan de ene kant ben ik gevleid, als men dat
    de sectie stiekem noemt, omdat dit aangeeft dat de informatie over
    hoe exact gewerkt wordt, goed afgeschermd is en niet aan alle
    kanten uitlekt. Dat blijft dus goed in de hand. Aan de andere kant
    heeft stiekem in mijn persoonlijke beleving ook iets van
    oncontroleerbaar, slecht en geniepig.

    Noot
    Naast het plaatsen van plaatsbepalingsapparatuur voeren leden van
    de DTOO ook inkijkoperaties uit. Dit gebeurt door het DTOO als voor
    een AT de opdracht bijvoorbeeld in technisch opzicht te moeilijkis.
    Het aantal inkijkoperaties dor het DTOO bedraagt ongeveer twaalf
    per jaar.

    Methoden PIT

    Politie-infiltratie kan diverse vormen aannemen, varirend van
    pseudokoop en hand- en spandiensten bij een levering van verdovende
    middelen tot de oprichting van een frontstore en de zogeheten
    projectmatige infiltratie. Noot De inzet van een PIT
    wordt beschouwd als ultimum remedium. Daarom vraagt het PIT de
    aanvrager naar eerder gebruikte methoden.

    De infiltranten werken met n of meer valse-identiteiten. Op dit
    moment zijn er volgens de ANCPI 30 personen in Nederland met meer
    identiteiten. Het verlenen van een valse identiteit geschiedt op
    basis van een briefwisseling tussen de ministers van Binnenlandse
    Zaken, Justitie, Financin en Verkeer en Waterstaat gevoerd in de
    periode 1988-1992. Daarin wordt afgesproken dat de
    procureurs-generaal op juridische en beleidsmatige gronden afzien
    van strafvervolging van ambtenaren die betrokken zijn bij de
    verwezenlijking van pseudo-persoonskaarten, de afgifte van
    identiteitsbewijzen, van rijbewijzen en sofi-nummers.

    Methoden BFO

    Het onderzoek van de BFO’s is gericht op het verkrijgen van
    inzicht in geldstromen en vermogensposities, ten behoeve van de
    ontneming van wederrechtelijk verkregen vermogen (buitengerichte
    opsporing) en de vergaring van criminele inlichtingen. In de
    praktijk is van dit laatste, met uitzondering van de BFO’s bij
    kernteams, weinig terecht gekomen. Juridisch beschikt een BFO
    immers over weinig handvatten om tot pro-actief financieel
    onderzoek over te gaan. De buitengerichte opsporing is wel geregeld
    in het strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO).

    In het kader van de taakstelling van BFO’s wordt informatie
    opgevraagd bij diverse instellingen. Dat kunnen Kamers van
    Koophandel zijn, maar ook banken, de Gemeentelijke Sociale Dienst
    en het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor. In grote zaken komt
    het voor dat een bank al benaderd wordt voordat een gerechtelijk
    vooronderzoek of een strafrechtelijk financieel onderzoek is
    geopend. Vaker neemt het onderzoek van het BFO pas een aanvang als
    informatie bestaat dat buitgerichte opsporing, dat wil zeggen
    opsporing met het oog op uiteindelijke ontneming van
    wederrechtelijk verkregen voordeel, vermoedelijk vruchten zal
    afwerpen. Op zo’n moment is al uit open bronnen de nodige
    informatie vergaard, terwijl ook bijvoorbeeld gegevens uit een tap
    of een huiszoeking zijn verwerkt. De BFO’s willen zo vroeg mogelijk
    in het tactische recherchetraject ingeschakeld worden. Zij weten
    immers bijvoorbeeld bij huiszoeking in een kluis of het saldo van
    een rekening en/of de onderliggende stukken (en zo ja, welke) in
    beslag moeten worden genomen.

    8.4.4 Sturing en controle

    De commissie constateert veel verwarring over de vraag of de
    politie voor de inzet van deze diensten toestemming moet vragen aan
    het OM. Bovendien zijn er soms problemen tussen de CID en de
    tactische recherche over de wenselijkheid en mogelijkheid van inzet
    van de ondersteunende diensten. In sommige
    gevallen vragen CID en tactische recherche zelfstandig
    observatie-activiteiten van deze ondersteunende eenheden aan. In
    andere gevallen wordt toestemming van het OM gevraagd. In weer
    andere gevallen wordt het OM alleen achteraf ingelicht over de
    inzet van deze middelen.

    Het contact tussen OM en ondersteunende diensten vindt vrijwel
    steeds plaats door tussenkomst van de CID-chef. Rechtstreekse
    contacten tussen officieren van justitie en bijvoorbeeld CID- en
    OT-rechercheurs zijn er niet. En van de gevolgen daarvan is dat
    soms onduidelijkheid bestaat over de reikwijdte van de aanwijzingen
    aan de CID. Soms wordt aan de aanvraag van een inkijkoperatie veel
    aandacht besteed, terwijl soms in het vage blijft of zeer snel
    besloten wordt dat vervolgens tijdens de inkijk ook peilapparatuur
    mag worden geplaatst. Het OM neemt de methode observatie en de
    ondersteuning van observatie met peilapparatuur of camera’s niet
    overal even hoog op. Dat betekent dat een videocamera zonder
    toetsing van het OM gedurende vier maanden op de voordeur van een
    huis gericht kan zijn. Slechts zelden verbood het OM een
    voorgesteld gebruik van een technisch middel. Dit kan echter
    wellicht mede verklaard worden uit het feit dat aanvragen die bij
    voorbaat kansloos worden geacht niet aan het OM worden gedaan en
    niet worden vermeld in de (gebrekkige) registraties. De sturing en
    controle van het OT en de STO is divers: soms door de CID-officier
    van justitie, soms door de zaaksofficier, soms alleen door
    politiefunctionarissen. Er bestaat geen OT/STO-officier van
    justitie. Het OT bepaalt zelfstandig de te gebruiken methode voor
    de te verzamelen informatie. Het al of niet aanwezig zijn van de
    toestemming van het OM, de wijze waarop die toestemming is gegeven,
    alsmede de manier waarop dit wordt geverifieerd leveren een
    wisselend en onduidelijk beeld op. Sinds de Handleiding
    Kijkoperaties van 12 december 1994 moet in geval van een
    inkijkoperatie hetzij de CID-officier hetzij de zaaksofficier
    nadrukkelijk bij de zaak worden betrokken. De aanvragende dienst
    betrekt de officier van justitie bij de beslissing, maar daarmee is
    het systeem echter niet geheel waterdicht. Het AT weet daarmee
    immers nog niet of het OM daadwerkelijk toestemming heeft verleend.
    Niet alle officieren van justitie vinden het overigens nodig per
    zaak toestemming te geven. Sommige officieren van justitie geven
    een kader. Wanneer een voorgenomen inkijkoperatie door het AT
    daarbinnen valt, behoeft niet expliciet de toestemming van de
    officier van justitie verkregen te worden. Alle arrondissementen
    waar procedurevoorschriften zijn uitgevaardigd voor het vragen van
    toestemming bij de inzet van bijzondere opsporingsmethoden, noemen
    inkijkoperaties als methode waarvoor toestemming nodig is. Voor
    inkijk van buitenaf, zonder betreding zoals die vooral door OT’s
    plaatsvindt, wordt echter niet altijd toestemming gevraagd omdat
    dit niet als een inkijkoperatie wordt beschouwd. Er zijn ook
    voorbeelden dat de toestemming van de officier van justitie voor de
    inkijk pas achteraf is gegeven.

    De DTOO heeft sinds kort de toestemmingsprocedure nauwkeurig
    vastgelegd. De inzet van deze eenheid is pas mogelijk na een
    schriftelijke verzoek van een officier van justitie. De DTOO heeft
    intern strakke voorwaarden gesteld voordat tot technische
    ondersteuning wordt overgegaan. Zij behoudt zich bovendien het
    recht in te gaan tegen een verzoek van de officier. Daarbij beroept
    zij zich dan, naast de veiligheid van haar medewerkers, op
    juridische of ethische overwegingen. Er bestaat geen landelijke
    officier van justitie DTOO die controle uitoefent op het
    functioneren van de DTOO.

    De voorzitter:
    Dat is duidelijk. Hebt u op dit moment een officier van
    justitie die het gezag over u heeft?
    De heeft Hellemons:
    U bedoelt een vaste officier die het gezag over ons
    heeft?
    De Voorzitter:
    Ja.
    De heer Hellemons:
    Neen, ik denk het niet.
    De voorzitter:
    Die hebt u niet?
    De heer Hellemons:
    Neen.
    De voorzitter:
    Het is nu zo dat er bij elke aanvraag die u krijgt, een
    machtiging van een officier van justitie moet zitten.
    De heer Hellemons:
    Ja, sinds anderhalf jaar opereren wij alleen, als wij een
    schriftelijke opdracht of machtiging van een officier van justitie
    in ons bezit hebben.
    De voorzitter:
    En daarvoor was een verzoek van de politie
    voldoende?
    De heer Hellemons:
    Dan moet ik even terugaan in de historie. Onze dienst
    bestaat ongeveer 5 6 jaar. Voordat wij het tactisch team hadden,
    plaatsen wij onder dat soort omstandigheden geen apparatuur. Wij
    hadden daar namelijk niet de mensen voor. Toestemming van een
    officier van justitie speelde voor onze dienst dus niet tot eind
    1992. Het tactisch team is eind 1992/begin 1993 met zijn werk
    begonnen. Toen werden de mogelijkheden, operationeel gezien, nog
    wat groter. Met de groei van die hele ontwikkeling is eigenlijk ook
    het regime van toezicht mee gegroeid. Vrij snel daarna zijn wij aan
    de recherchechef gaan vragen of de officier het ook goed vond. Dan
    kregen wij het antwoord: de officier vindt het goed. Daarna hebben
    wij gevraagd of de officier dat zelf even kon zeggen.
    De voorzitter:
    Even bellen!
    De heer Hellemons:
    Ja, even bellen. De laatste stap was dat wij het
    schriftelijk wilden hebben van de officier, zodat er geen
    misverstanden konden ontstaan over de exacte opdracht die aan ons
    gegeven werd. Als er

    bijvoorbeeld een peilbaken geplaatst moet worden op een
    vrachtauto, moet er geen misverstand over bestaan of dat van de
    officier alleen aan de openbare weg mag of dat dit volgens hem ook
    moet kunnen, als die vrachtauto in een bepaalde loods staat. Nu is
    het zo dat er voor alle operaties van te voren een schriftelijke
    opdracht van het OM moet zijn.

    De voorzitter:
    En u maakt proces-verbaal?
    De heer Hellemons:
    Het proces-verbaal loopt daar in tijd iets op achter. In het
    begin, in 1992, maakten wij geen processen-verbaal. Wat wij er in
    1995 ook van denken, dat gebeurde niet binnen de
    CID. Er
    werd ook niet om gevraagd door het OM. Ter zitting kwam het haast
    niet aan de orde.
    De voorzitter:
    Omdat het als CID-informatie verpakt kon worden?
    De heer Hellemons:
    Dat zou in theorie kunnen. Dat kan ik natuurlijk niet per
    zaak overzien, maar dat zou kunnen.
    Noot

    Aan de inzet van het PIT gaat altijd overleg vooraf met de officier
    van justitie in het arrondissement waar de actie zal plaatsvinden.
    Aangezien tegenwoordig infiltratie-acties (vooral de pseudo-kopen)
    ook in het tactisch traject plaatsvinden, kan dit zeer wel de
    zaaksofficier van justitie zijn. In andere gevallen ligt contact
    met de CID-officier meer voor de hand. Dat gebeurt bijvoorbeeld als
    in de zaak ook een informant moet worden afgeschermd. De chef van
    het PIT zal over het eventueel verrichten van strafbare feiten in
    het kader van de infiltratie – bijvoorbeeld pseudo-koop – overleg
    voeren met deze officier van justitie. De officier spreekt de
    infiltranten niet zelf en kent hen hooguit bij codenaam.

    Wat de BFO’s betreft dient de Plukze-officier de sturende en
    controlerende rol te vervullen. In theorie is dit weliswaar een
    duidelijk stramien, maar in de praktijk betekent het niet evenveel.
    Het OM heeft problemen met het specialistische karakter van het
    werk van de BFO’s. Ook wordt de Plukze-wetgeving in het algemeen
    als moeilijk beschouwd. Dat vindt niet alleen de staande, maar ook
    de zittende magistratuur. De BFO’s beschouwen het OM in deze
    materie als terughoudend. Tegelijkertijd bestaat het besef dat dit
    mogelijk te wijten is aan de geringe ervaring bij het OM, en ook
    bij de BFO’s zelf.

    De betrokkenheid van de korpsbeheerder bij de ondersteunende
    diensten is gering. Controle van de korpsleiding wordt bemoeilijkt
    door samenwerkingsverbanden en de wens tot geheimhouding. In zijn
    algemeenheid kan gesteld worden dat de controle op de hier
    besproken ondersteunende diensten gering is door de verschillen
    tussen de beheersmatige verantwoording, zaaksgebonden
    verantwoording, de door de methoden inggeven CID-matige
    verantwoordingslijnen en het specialistische karakter van de
    werkzaamheden van de ondersteunende diensten.

    8.4.5 Beoordeling

    De commissie constateert dat de taken van deze ondersteunende
    diensten onvoldoende geregeld zijn. De commissie is van oordeel dat
    de taakomschrijving van deze ondersteunende diensten nauwkeurig
    moet worden omschreven in een regeling op basis van de wet, om te
    voorkomen dat zij oneigenlijke taken gaan verrichten. De commissie
    is van oordeel dat de ondersteunende diensten onderdeel moeten zijn
    van de recherche en dat de rechercechef volledig verantwoordelijk
    is voor de inzet en het functioneren van deze eenheden. Er bestaat
    veel onduidelijkheid over de precieze bevoegheden en
    verantwoordelijkheden van de ondersteunende diensten en hun
    opdrachtgevers, te weten de CID-en en de tactische
    recherche-eenheden. In sommige gevallen is sprake van
    ondergeschiktheid, in andere gevallen hebben de opdrachtgevers geen
    enkele rechtstreekse relatie met de ondersteunende diensten. De
    commissie is van oordeel dat duidelijker moeten worden vastgelegd
    wie kan beslissen of en hoe een ondersteunende dienst kan worden
    ingezet. Deze procedure moet op hoofdlijnen gelijk zijn voor geheel
    Nederland.

    Zoals in hoofdstuk 4 al aan de orde is gekomen acht de commissie
    de voorwaarden, waaronder verschillende observatiemethoden kunnen
    worden ingezet, onvoldoende duidelijk. Bij de inzet van deze
    ondersteunende diensten blijkt dat weer. De inhoudelijke en
    procedurele voorwaarden waaronder mag worden ingekeken of
    peilzenders mogen worden geplaatst, variren sterk. De landelijke
    organisaties van de verschillende ondersteunende diensten trachten
    tot uniformering te komen. De vrijblijvendheid van deze
    organisaties maakt het echter vrijwel onmogelijk richtlijnen
    daadwerkelijk in te voeren.

    De capaciteit van de OT’s is veelal onvoldoende om bepaalde
    personen frequent te observeren. De prioriteit wordt, vaak op basis
    van door de aanvragende dienst verschafte gegevens, bepaald door de
    chef OT. Het OM speelt hierbij geen rol. De commissie acht dit
    ongewenst. De inzet van ondersteunende eenheden dient onder het
    gezag van het OM plaats te vinden. Het OM dient dan ook mede te
    bepalen welke prioriteiten gesteld moeten worden.

    De commissie is van oordeel dat de gebrekkige vastlegging van de
    gebruikte methoden door OT’s, STO’s en AT’s onwenselijk is. De
    commissie heeft verschillende voorbeelden aangetroffen waarbij door
    de gebrekkige administratie problemen tijdens de strafzaak
    ontstonden. De commissie is van oordeel dat alle
    opsporingsactiviteiten van deze eenheden in elk betreffend
    proces-verbaal moeten worden vastgelegd. De gebrekkige
    administratie maakt een adequate sturing en controle nagenoeg
    onmogelijk. Van een verantwoorde sturing van en controle op de
    ondersteunende eenheden door het OM is nauwelijks sprake. De
    afstand tussen het OM en deze eenheden is groot. Veelal bevindt
    zich een CID-chef of recherchechef tussen de officier van justitie
    en de chef van de ondersteunende dienst. Van rechtstreekse sturing
    en controle is dan ook nauwelijks sprake. De geheimhouding
    verkleint de mogelijkheden voor het OM. Daarbij komt dat binnen
    deze ondersteunende eenheden verschillen van mening bestaan over de
    noodzaak en wenselijkheid om het OM toestemming te vragen of in te
    lichten over het gebruik van bepaalde observatiemiddelen. Aangezien
    er geen eenduidige wettelijke voorschriften bestaan over de te
    vragen toestemming, heeft elk regiokorps zijn eigen regels. De
    commissie acht dit ongewenst. De DTOO voert vele
    observatie-werkzaamheden uit. Zij hebben zichzelf de nodige
    voorwaarden opgelegd. De commissie is van oordeel dat
    onafhankelijke sturing en controle van deze dienst wenselijk is.
    Aangezien de DTOO opsporingsmethoden hanteert die vergaand inbreuk
    kunnen maken op grondrechten van burgers, acht de commissie het
    noodzakelijk dat een afzonderlijke officier van justitie controle
    uitoefent op deze dienst. Die sturing en controle vindt niet plaats
    door de lokale officieren van justitie die de aanvraag doen voor
    een peilzender of een inkijkoperatie.

    De politile infiltratieteams hebben onvoldoende capaciteit om
    alle verzoeken te kunnen inwilligen. De commissie is van oordeel
    dat deze teams uitgebreid dienen te worden. De politile
    infiltratieteams voeren een nauwkeurige registratie van hun
    werkzaamheden. De sturing en controle van infiltratie-acties door
    het OM is over het algemeen intensief. De commissie is een
    voorstander van een landelijk gecordineerde inzet van
    politie-infiltranten.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken