• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Eindrapport – 9.4 De korpsleiding

    9.4 De korpsleiding

    9.4.1 Bevindingen

    Veel – zij het niet alle – korpschefs hebben te weinig aandacht
    gehad voor de ontwikkeling van bijzondere
    opsporingsmethoden.

    De voorzitter :
    Heeft de korpsleiding zich ooit wel eens met deze praktische
    dingen beziggehouden?
    De heer Van Steeg:
    Niet in die zin dat de korpsleiding gekeken heeft: is dit nu
    een
    CID-subject, of een opvraag heeft gedaan van een
    CID-subject en daar inhoudelijk naar gekeken heeft. Maar de
    korpsleiding heeft zich bijvoorbeeld heel uitdrukkelijk bemoeid met
    het moment waarop het geautomatiseerd ging worden en met het moment
    waarop wij de nieuwe organisatie ingingen en op verschillende
    locaties de informatie in gingen kloppen. U kunt zich immers
    voorstellen dat dit gaat via telefoonlijnen die beveiligd moeten
    worden. De heer Wiarda heeft zich daar zeer persoonlijk en
    nadrukkelijk mee bemoeid.
    De voorzitter: Ik bedoel:
    met het praktische werk?
    De heer Van Steeg:
    Nee.
    De voorzitter:
    U heeft zich in een ander verband nog wel eens wat krasser
    uitgelaten over het verstand dat de korpsleiding heeft van het
    CID-werk.
    De heer Van Steeg:
    Ja.
    De voorzitter:
    Hoe kras was?
    De heer Van Steeg:
    Dat was zo kras dat ik zei, dat Jan Wiarda veel verstand
    heeft van het managen van ons korps en ik van het CID-werk, en dat
    wij het ieder op ons eigen vlak moeten doen. Ik denk dat dit heel
    goed werkt. Uiteraard heeft hij wel de taak van controleren en daar
    heeft hij weer een afdelingschef voor.
    Noot

    Sommige korpschefs geven aan zich tot voor kort nooit met de
    recherche in het algemeen en de CID in het bijzonder te hebben
    bemoeid. Het overgrote deel van de korpschefs heeft zelfs weinig of
    geen recherche-ervaring.

    De voorzitter:
    Heeft u zich in het verleden, voordat het interregionale
    rechercheteam uit elkaar spatte, inhoudelijk veel met
    opsporingsmethodes beziggehouden?
    De heer Nordholt:
    Nee, ik heb in de 36 jaar dat ik bij de politie werk geen
    dag bij de recherche gediend. Ik ben geen recherchechef geweest. Ik
    ben in 1984 begonnen als korpschef in Groningen. Ik was daarbij
    natuurlijk wel verantwoordelijk voor de recherche. Sinds 1 januari
    ben ik daarvoor verantwoordelijk in Amsterdam, maar zonder
    recherche-ervaring.
    De voorzitter:
    Wat wist u van onderzoeken die liepen? Wat wist u van
    methoden die gebruikt werden? Wat wist u van voorkeuren? Wat wist u
    van keuzes?
    De heer Nordholt:
    Wat ik wist, wist ik al toen ik naar Amsterdam ging. In dat
    korps werd gebruik gemaakt van de methode
    pseudo-koop. Ik
    wist ook, maar dat was pas in een latere fase, dat die

    pseudo-koop die op zichzelf al een vorm van infiltratie
    is, veranderd is in korte-termijninfiltratie. Ik denk dat
    pseudo-koop later zelfs veranderd is in
    lange-termijninfiltratie. Wij hebben daarover gesproken in de
    gemeenteraad. De
    pseudo-koop was destijds een heikel
    onderwerp. Het heeft nog even geduurd alvorens dat middel kon
    worden ingevoerd. De heer Van Thijn heeft zich daar nogal sterk
    voor gemaakt.
    Noot

    Voor de korpsleiding gold zeker tot voor kort, evenals voor de
    korpsbeheerder, dat andere prioriteiten dan
    bestrijding van de georganiseerde criminaliteit voorrang kregen.
    Dit wordt bevestigd door de gang van zaken tijdens de reorganisatie
    van de politie. De kracht van de recherche-afdelingen is nergens
    hoofddoel van de reorganisatie geweest.

    De heer De Graaf:
    Mag ik het vergelijken met het openbare-ordevraagstuk: een
    beetje openbare-ordeprobleem… daar bent u als korpschef misschien
    niet op de bok, maar wel heel dichtbij zodat u precies weet wat er
    aan de hand is. Waar zit nu het verschil in? Dat de recherche toch
    veel afstandelijker wordt benaderd?
    De heer Wiarda:
    Dat zit hem in de traditie, dat de openbare orde een zaak is
    van de burgemeester, die ook
    korpsbeheerder was in de oude
    situatie. In de nieuwe situatie is hij in Utrecht ook nu weer

    korpsbeheerder. Het contact met de burgemeester is veel
    intensiever… van openbare-orde-operaties het directe
    afbreukrisico, ook in de publiciteit en in politiek opzicht veel
    nadrukkelijker is en de politile en justitile kansen altijd in
    sterke mate een zaak is geweest van de professionals bij politie en
    openbaar ministerie. Daar treedt nu dus wel een verandering in op
    en waar het moment komt, dat ik genformeerd moet zijn over zaken,
    daar hebben we net al iets over uitgewisseld. Maar als u het hebt
    over een infiltratie-actie… als het gaat over een politile

    infiltratie met een politie-infiltratie in een operatie
    bij ons, dan moet ik dat weten. Dat vind ik zo vergaand en riskant,
    dat ik daar echt zelf bij betrokken wil zijn. Maar als het gaat
    over het runnen en het aansturen van criminele

    informanten in het milieu – die dan nu infiltrant heten, maar
    dat daargelaten – dan vind ik dat iets, wat binnen de professionele
    lijn van openbaar ministerie en recherche kan blijven, mits – en
    dat is ook iets nieuws – ik daar wel in de zin van controle over
    hoe die zaak in het algemeen verloopt daar indringend naar kijk. U
    moet niet vergeten, dat er een divisiechef recherche tussen zit,
    die zeer berekend is voor zijn functie.
    Noot De
    geringe aandacht voor opsporingsmethoden kan bovendien worden
    verklaard uit de overweging dat niet de korpsleiding, maar de
    officier van justitie de recherche aanstuurt. Toch neemt dit
    laatste niet weg dat de korpschef even goed verantwoordelijk is
    voor de CID en de ondersteunende recherchediensten als voor het
    wijkteam. Bovendien heeft hij, en niet het OM, de leiding over die
    diensten. Sterkte, opleiding, kwaliteit en ondersteuning zijn in de
    eerste plaats zijn verantwoordelijkheid.

    Inmiddels bestaat die aandacht wel. Hierbij moeten echter wel
    kanttekeningen worden geplaatst. De voornaamste problemen in de
    verhouding tussen de korpschef en de CID vloeien voort uit het door
    de CID gepercipieerde belang hun bronnen te beschermen. In het
    beste geval krijgt de korpschef alles te horen, als hij dat wil,
    zelfs de namen van de informanten. Er zijn echter veel
    CID-medewerkers die het niet juist achten de korpschef te
    informeren over de details van hun werkzaamheden. Zelfs op
    uitdrukkelijke vragen van de korpsleiding wordt dan geen antwoord
    gegeven. Deze houding van de CID lijkt echter op zijn retour te
    zijn.

    De heer De Graaf:
    U hebt wel eens eerder gezegd, dat de noodzakelijke
    afscherming van informanten en het aparte traject dat
    de
    criminele inlichtingendienst aflegt toch wel voor
    culturele spanningen in de politie zorgt, tussen de
    politie-onderdelen. Ik neem aan dat dit is tussen
    criminele
    inlichtingendienst en tactische recherche, de meer
    operationele recherche. Heeft het bij u tot enige spanning
    aanleiding gegeven toen u zei: ik wil alles weten? Is er niet
    gezegd: dit is echt te geheim om aan de korpschef te vertellen; wij
    vertellen het hooguit aan de
    CID-officier, als wij het al
    kunnen vertellen?
    De heer IJzerman:
    Ik heb die ervaring niet. Er is in ons korps geen enkele
    terughoudendheid, noch binnen de leiding van de
    CID, noch
    binnen de divisieleiding. Wij schermen het wel af voor anderen. Het
    wordt uiteraard niet in den brede in het korps besproken, ook niet
    met districtschefs enz. Met de korpsleiding worden dat soort zaken
    uitvoerig besproken.
    Noot

    De houding van de korpsleiding blijft, ook als er geen geheimen
    voor haar zijn, afstandelijk. Ook het informeren van het OM lijkt
    niet haar eerste zorg.

    De heer IJzerman:
    Ik vind dat hij niet met CID-rechercheurs moet spreken, niet
    operaties moet begeleiden, enzovoorts. Dat moet hij aan de
    vakmensen overlaten. Ik zal de situatie in Twente als voorbeeld
    nemen. Daar vindt enkele malen per maand indringend overleg plaats
    tussen de chef
    CID en de CID-officier over wat er
    onder handen is, wat de daarbij relevante aspecten zijn, wat
    getoetst moet worden. Op het moment dat er tussentijds relevante
    indringende dingen gebeuren, wordt er teruggekoppeld.

    Noot
    De heer Koekkoek:
    Toen op een gegeven moment het inkijken bekend werd,
    ontstond er toch enige paniek in de tent, als ik het zo zeggen mag.
    In elk geval vond men het nodig om met z’n allen naar u toe te
    komen en het u voor te leggen. Ik schets het misschien wat kort,
    maar dat was op een moment dat de zaak liep bij de rechtbank. Kunt
    u er een verklaring voor geven, ook al was het misschien wat laat
    geweest, dat u niet gezegd hebt: dit moet de
    zaaksofficier
    weten; dit moet het OM weten; zo gauw mogelijk want anders gaan
    we voor de

    bijl?

    De heer Wiarda:
    Ja. Ik kreeg die informatie over die zaak naar aanleiding
    van de eerste publikatie. Dat was, geloof ik, in de Telegraaf van
    21 februari…
    De voorzitter:
    Dat was 21 februari 1994.
    De heer Wiarda:
    Ja. Ik heb daar toen onmiddellijk overleg over gehad met Van
    Baarle, lid van de korpsleiding belast met de justitile
    portefeuille, om als een haas deze zaak te overleggen met het OM en
    te repareren. Ik hoefde daarbij niet aan te geven – ik heb dat ook
    niet gedaan – hoe dat gerepareerd moest worden, want dat is een
    kwestie van overleg. Hij heeft daarop het divisiehoofd recherche,
    de heer Deelman, over die zaak gesproken. De conclusie was: overleg
    met de
    CID-officier. Dus de CID-chef kreeg de opdracht:
    overleggen met de
    CID-officier. Dat is ook gebeurd, maar
    daar heeft wat tijdverlies tussen gezeten. Uiteindelijk krijgt
    de

    CID-officier de informatie enige dagen nadat het onderzoek ter
    zitting is gesloten.

    De voorzitter:
    Het duurt een maand.
    De heer Wiarda:
    Alles bij elkaar dus een maand.
    De heer Koekkoek:
    Dat is dus niet goed gelopen.
    De heer Wiarda:
    Dat ben ik met u eens. Noot

    9.4.2 Beoordeling

    De korpsleiding heeft tot voor kort weining aandacht voor
    recherchekwesties of opsporingsmethoden gehad. De meeste korpschefs
    hebben ook geen recherche-achtergrond. Die houding lijkt nu te
    veranderen. Korpschefs willen niet langer dat CID-aangelegenheden
    geheim voor hen blijven. Zij willen in belangrijke zaken, zoals
    doorlatingen en infiltraties, gekend worden. Het is niet duidelijk
    of die accentverschuiving ook gevolgen heeft voor zaken die direct
    samenhangen met de kwaliteit van de recherche zoals sterkte,
    opleidingen en personeelsbeleid. De commissie constateert dat
    sommige korpschef moeite hebben het gezag van het OM – en het gezag
    van het bestuur – ten volle te aanvaarden. Dit belast de
    gezagsuitoefening door het OM. Dat is in het bijzonder het geval in
    enkele grootstedelijke regiokorpsen.


    vorige        
    volgende        
    inhoudsopgave en zoeken